← België

Arrest 259693 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 06/05/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.693 Rolnummer: A. 241796/X-18666 Zaak: Arrest 259693 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 06/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-07 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-11 02:47 Fiche Arrest nr 259.693 van 6 mei 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.693 no lien 277174 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 259.693 van 6 mei 2024 in de zaak A. 241.796/X-18.666 In zake: 1. C.A. 2. H.F. 3. L.B. 4. S.I. 5. J.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vanlangendonck kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 65 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolas Bonbled, Junior Geysens en Casper François, kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 27 april 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “beslissingen van de voorzitter van het hoofdstembureau van 18 april 2024 tot afwijzing van de lijst DierAnimal en de bekendmaking van de definitieve beslissing van 19 april 2024 van de toegelaten lijsten op de website van het Ministerie van Binnenlandse Zaken […] Nederlandstalig kiescollege Verkiezingen Brussels Gewest op 9 juni 2024”. X-18.666-1/8 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 mei 2024, om 10u. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Vanlangendonck, die verschijnt voor de verzoekende partijen, Constanza Adonis Villalon, die in persoon verschijnt, en advocaat Junior Geysens en Casper François, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De verzoekende partijen wensen aan de verkiezingen van 9 juni 2024 voor het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, Nederlandse taalgroep, deel te nemen als kandidaten van de lijst DierAnimal. Eerste verzoekster dient daartoe op 13 april 2024 twee voordrachten in: een “voordracht van kandidaten X-18.666-2/8 door kiezers” en een “voordracht van kandidaten door aftredende parlementsleden”. Op 18 april 2024 neemt het voor de kieskring bevoegde gewestbureau een definitieve beslissing over de aanvaarde en afgewezen lijsten. De voordrachtsakten met betrekking tot de lijst DierAnimal worden als onregelmatig afgewezen, respectievelijk omdat het vereiste aantal van 500 handtekeningen van voordragende kiezers niet is bereikt en omdat niet is voldaan aan de vereiste dat de voordracht moet getekend zijn door ten minste één aftredend lid van het parlement dat tot de taalgroep van de voorgedragen kandidaten behoort. De definitief aanvaarde lijsten worden op 19 april 2024 op de website van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken gepubliceerd. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partijen doen in de eerste plaats gelden dat de Raad van State krachtens artikel 160 van de Grondwet en de wetten die zijn bevoegdheid regelen de volledige bevoegdheid heeft “om elke wettelijke bepaling of regeling die in strijd is met de Verdragen van de Europese Unie en in het bijzonder met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in het bijzonder met artikel 21 over het beginsel van niet-discriminatie” nietig te verklaren. Bovendien moet het mogelijk zijn om bij de Raad van State een beroep in te dienen “overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie van Venetië”, zijnde een adviesorgaan van de Raad van Europa. Voorts is naar de mening van de verzoekende partijen de Raad van State verplicht de gegrondheid van het beroep te onderzoeken “in het licht van het feit dat de betwiste besluiten niet door een onafhankelijke rechter zijn getoetst en dat de kieswet, die bij wet is vastgesteld, de sanctiebevoegdheid ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.693 X-18.666-3/8 die de Grondwet, de rechtspraak en de wet aan de Raad van State toekennen, niet kan beperken”. Het is in een rechtsstaat ondenkbaar “dat de Raad van State in laatste instantie bevoegd is voor verklaringen inzake taalverwantschap en niet voor de verkiesbaarheid van kandidaten en de ontvankelijkheid van lijsten”. In elk geval draagt, volgens de verzoekende partijen, het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 31/96 van 15 mei 1996 de Raad van State duidelijk op “om ‘het niet-ingediende beroep tot nietigverklaring van administratieve handelingen afkomstig van een wetgevende vergadering of haar organen’ te bestraffen”. 5. De verwerende partij werpt samengevat tegen: “De Raad van State is niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering, door het feit dat geen beroep openstaat tot een beslissing van het stembureau tot afwijzing van kandidaten om redenen die geen verband houden met de verkiesbaarheidsvoorwaarden van die kandidaten. De rechtspraak van de Raad van State bevestigt dat in verkiezingsaangelegenheden alle beroepen die tijdens verkiezingsprocedures kunnen worden ingesteld, uitdrukkelijk bij wet zijn voorzien. Bijgevolg is het instellen van beroepen waarin de wet niet uitdrukkelijk voorziet, uitgesloten. Het recente arrest nr. 259.669 van 30 april 2024 bevestigd dit. In ieder geval is geen van de in het verzoekschrift aangevochten beslissingen een administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en kunnen deze derhalve niet voor de Raad van State worden aangevochten.” Beoordeling 6. Zowel in het verzoekschrift als ter terechtzitting maken de verzoekende partijen zeer duidelijk dat zij met hun verzoek tot (nietigverklaring

  1. en)schorsing toegang willen verkrijgen “tot deelname aan verkiezingen, meer specifiek voor het Brussels Parlement”, dat zij door de bestreden beslissingen onverkiesbaar zijn geworden, en dat zij in geval van niet-schorsing beroofd worden van “een van de meest fundamentele rechten in een rechtsstaat, namelijk het passief kiesrecht”. X-18.666-4/8 Met andere woorden brengen zij bij de Raad van State een geschil aan over, bij uitstek, een politiek recht. 7. Overeenkomstig artikel 145 van de Grondwet behoort de beslechting van geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de justitiële rechter “behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen”. Zonder een toewijzing van bevoegdheid met betrekking tot het voorliggende geschil, is de Raad van State zonder rechtsmacht. Vooralsnog blijkt een dergelijke toewijzing van bevoegdheid niet voorhanden. 8. Waar de verzoekende partijen alluderen op de bevoegdheid van de Raad van State met betrekking tot “verklaringen inzake taalverwantschap” verwijzen zij kennelijk naar artikel 22, tweede lid, 5°, b, van de wet van 23 maart 1989 ‘betreffende de verkiezing van het Europese Parlement’. Die bepaling opent een beroep bij de Raad van State tegen de beslissing van het collegehoofdbureau in verband met een bezwaarschrift tegen de taalverklaring door een voorgedragen kandidaat. Een vergelijkbare bepaling die in de mogelijkheid van een beroep bij de Raad van State voorziet, is er echter niet wat beslissingen betreft zoals de bestredene, namelijk de beslissing waarmee het gewestbureau definitief de kandidatenlijst van DierAnimal afwijst om reden van het gemis van het vereiste aantal regelmatige handtekeningen van voordragende kiezers of het gemis van de handtekening van ten minste één aftredend lid van het parlement dat tot de taalgroep van de voorgedragen kandidaten behoort. Integendeel bepaalt artikel 12, § 3, van de wet van 12 januari 1989 die de wijze regelt waarop het Brussels Hoofdstedelijk Parlement wordt verkozen juncto artikel 125, laatste lid, van het Kieswetboek dat dergelijke beslissingen “niet vatbaar voor beroep” zijn. 9. Trouwens moet in het algemeen worden vastgesteld dat alle beroepen die binnen het raam van verkiezingsprocedures kunnen worden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.693 X-18.666-5/8 ingesteld, uitdrukkelijk door de wet zijn bepaald en dat daarbij extreem korte termijnen moeten worden geëerbiedigd. Het wijst uit dat de wetgever een geheel van mechanismen heeft opgezet dat zodanig georganiseerd is dat er noodzakelijk uit blijkt dat beroepen waarin de kieswetgeving niet uitdrukkelijk voorziet, uitgesloten zijn. 10. Bovendien is er artikel 22, §§ 1 en 3, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 ‘met betrekking tot de Brusselse instellingen’: - “§1. Alleen het Parlement spreekt zich uit over de geldigheid van de kiesverrichtingen wat betreft zijn leden en de opvolgers. In geval van nietigverklaring van de verkiezing moeten alle formaliteiten overgedaan worden, ook de voordracht van de kandidaten.” - “§ 3. Elke taalgroep in het Parlement onderzoekt de geloofsbrieven van zijn leden en beslist de geschillen die hieromtrent rijzen.” Ook hieruit volgt dat de voorliggende betwisting buiten de rechtsmacht van de Raad van State valt. Immers behoort ze tot de betwistingen waarvan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement met toepassing van de geciteerde bepalingen kennis dient te nemen. 11. Het is de Raad van State bekend dat de regeling van artikel 22, §§ 1 en 3, voor ernstige kritiek vatbaar is. In zijn arrest Mugemangango vs. België, van 10 juli 2020, oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (grote kamer) dat een dergelijke regeling de rechten van de mens schendt omdat ze niet voldoende en adequate waarborgen biedt om willekeur uit te sluiten en een doeltreffende toetsing te garanderen. Bijgevolg wees de afdeling Wetgeving van de Raad van State er in haar advies 71.829 van 23 december 2022 – over “een voorstel van bijzondere wet ‘tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en tot wijziging van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen teneinde het Grondwettelijk Hof bevoegd te verklaren voor het onderzoek van de geloofsbrieven van de leden van de gemeenschaps- en gewestparlementen’” – op dat, om te verhinderen dat de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.693 X-18.666-6/8 vastgestelde verdragsschending zich bij de verkiezingen in 2024 herhaalt, vóór die datum in een aangepaste regeling moet worden voorzien. Dat dit, spijts de wijzigingen die recent in het reglement van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement zijn aangebracht, nog steeds niet, of onvoldoende, zou zijn gebeurd, impliceert niet dat van de weeromstuit dan maar de Raad van State zich bevoegd mag verklaren om zich over de geldigheid van de kiesverrichtingen met betrekking tot het Brussels Hoofdstedelijk Parlement uit te spreken. 12. De verwijzing van de verzoekende partijen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 31/96 van 15 mei 1996 leidt niet tot een andere conclusie. Het arrest heeft betrekking op het verschil in behandeling op het vlak van jurisdictionele waarborgen tussen de ambtenaren in dienst van een bestuurlijke overheid en de ambtenaren in dienst van een wetgevende vergadering. Hier is een geheel andere problematiek aan de orde. Overigens mocht ook in het geval dat aan het Hof onderworpen werd, de Raad van State niet zomaar de lacune vullen, maar kon de situatie slechts verholpen worden door een tussenkomst van de wetgever. 13. De opgeworpen exceptie dat de Raad van State te dezen niet bevoegd is tot nietigverklaring, en dus ook niet tot schorsing, lijkt dermate ernstig dat ze alleszins in de huidige stand van de procedure wordt bijgevallen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. X-18.666-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.666-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.693 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.136 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.