← België

Arrest 259697 - Economische sancties waaronder het bevriezen van tegoeden - 06/05/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.697 Rolnummer: A. 240123/XIV-39274 Zaak: Arrest 259697 - Economische sancties waaronder het bevriezen van tegoeden - 06/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-13 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-06-11 02:15 Fiche Arrest nr 259.697 van 6 mei 2024 Economische zaken - Economische sancties waaronder het bevriezen van tegoeden Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 259.697 van 6 mei 2024 in de zaak A. 240.123/XIV-39.274 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Michael De Boeck en Yuri Shumilov kantoor houdend te 1050 Brussel Troonlaan 98 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep Het beroep, ingesteld op 22 september 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing “houdende weigering tot vrijgave van geblokkeerde effecten en tegoeden op basis van artikel 6 en 6b

(5)van EU Verordening 269/2014 en tegen de op 22 december 2022 afgekondigde administratieve verordenende beslissing tot vaststelling van de algemene voorwaarden bepaald door de nationaal bevoegde autoriteit voor de vrijgaven van geblokkeerde effecten en tegoeden”. II. Verloop van de rechtspleging
  1. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.274-1/5 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 20 maart 2024 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 24 april
  2. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Toepassing kortedebattenprocedure
  4. De bestreden beslissing werd ingetrokken bij beslissing van de van de Algemene administratie van de thesaurie van 18 december
  5. Het voorliggende beroep is derhalve zonder voorwerp geworden, zodat het beroep doelloos is geworden. In de gegeven omstandigheden past het de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen. XIV-39.274-2/5 IV. Rechtsplegingsvergoeding
  6. Verzoeker vordert een verhoogde rechtsplegingsvergoeding van 1.540 euro omdat volgens hem, naar wat hij stelt in de memorie van wederantwoord, moet worden erkend dat het voorwerp van het geschil een complexe materie is, die een gedegen onderzoek vergde van een relatief recent en sterk ontwikkelend wetgevend kader over de impact van Europese beperkende maatregelen, het EU vrij verkeer van kapitaal en de grondrechten van verzoeker onder Belgische en EU-recht, waarbij “de kosten die verzoeker opliep voor vertegenwoordiging […] een veelvoud belopen van de barema’s van de rechtsplegingsvergoeding.”
  7. Er is te dezen grond om overeenkomstig artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de RvS-wet, verzoeker een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu die als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.
  8. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State: “§
  9. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen; 2° de complexiteit van de zaak; 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie”. Het eerste lid van de aangehaalde bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. XIV-39.274-3/5 Te dezen beroept verzoeker zich op de complexiteit van de zaak. Zijn argumenten worden vanuit dat oogpunt onderzocht.
  10. De rechtsplegingsvergoeding strekt ertoe forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De (overigens) blote bewering van verzoeker dat zijn kosten voor vertegenwoordiging door een advocaat een veelvoud beloopt van de barema’s van de rechtsplegingsvergoeding is derhalve irrelevant ter beoordeling van de complexiteit van de zaak in het bijzonder en meer algemeen, tot verhoging van de rechtsplegingsvergoeding. Verzoeker toont voorts niet aan op grond van welke bijzondere redenen zijn zaak, wat de complexiteit ervan betreft, dermate verschilt van de beroepen zoals die gewoonlijk voor de Raad worden gebracht, opdat dit een vermeerdering van dit forfaitair bedrag kan verantwoorden. Immers, op zich maakt een “nieuw contententieux” dat zich kenmerkt door een sterk ontwikkelend wetgevend kader verbonden met de fundamentele rechten van vrij verkeer en grondrechten, een zaak niet op zich dermate complex.
  11. Uit wat voorafgaat volgt dat aan verzoeker de basisrechtsplegingsvergoeding wordt toegekend. BESLISSING
  12. De Raad van State verwerpt het beroep.
  13. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-39.274-4/5
  14. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.274-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.697 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.