id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.703 Rolnummer: A. 229794/XIV-39561 Zaak: Arrest 259703 - Overheidsopdrachten - 08/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-21 Raadplegingen: 181 - laatst gezien 2026-06-18 20:34 Fiche Arrest nr 259.703 van 8 mei 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 259.703 van 8 mei 2024 in de zaak A. 229.794/XII-8848 In zake : de NV BOUWBEDRIJF VMG-DE COCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Geerts kantoor houdend te 9300 Aalst Bauwensplein 1/10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE WICHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 december 2019, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wichelen van 29 november 2019 waarbij de opdracht voor aanneming van werken inhoudende de realisatie van de nieuwbouw van het sportgebouw ‘Sportpark Bellekouter’ (perceel 1 - deel architectuur en stabiliteit: pilootaan- neming) te Schellebelle (Wichelen), wordt gegund aan de bvba Roels, alsmede van de impliciete beslissing om de offerte van de nv Bouwbedrijf VMG-De Cock niet te rangschikken als de voordeligste regelmatige offerte en om de opdracht niet aan de nv Bouwbedrijf VMG-De Cock te gunnen. XII-8848-1/24 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 246.615 van 14 januari 2020 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari 2024. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip Geerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Ann-Sofie Custers en Dries Vandrooghenbroek, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XII-8848-2/24 III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp ‘nieuwbouw sportgebouw sportpark Bellekouter Wichelen’. Er wordt gekozen voor een openbare procedure, met de prijs als enig gunningscriterium. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 26 april 2019. De voorliggende zaak betreft perceel 1 ‘Deel architectuur en stabiliteit - Pilootaanneming’. In het bijzonder bestek wordt in de ‘Technische contractuele bepalingen’ onder punt 02 ‘Bouwplaatsvoorzieningen’, het volgende bepaald: “02.00. bouwplaatsvoorzieningen – algemeen TP Omschrijving De voorbereidende werkzaamheden voor de inrichting van de bouwplaats omvatten alle administratieve en organisatorische maatregelen en technische middelen om de werken volgens de bepalingen van het aanbestedingsdossier mogelijk te maken en dit overeenkomstig de omvang van de opdracht, de moeilijkheidsgraad en de eisen van veiligheid en hygiëne. Alle bedrijfsmiddelen, zoals materieel, energie, water, communicatie-middelen, transport, e.d., alsook de (voorlopige) aansluiting aan de installaties van algemeen nut, de nodige vergunningen, vergoedingen of borgstellingen nodig voor de verwezenlijking van de aanneming zijn standaard inbegrepen in de eenheidsprijs. Dit geldt tevens voor alle deelaspecten van de inrichting van de werf, behalve indien de aanbestedingsdocumenten voor sommige van deze artikelen uitdrukkelijk een afzonderlijke post zouden voorzien. Uitvoering De inrichting en organisatie van de bouwplaats gebeurt voor de aanvang van de werken en volledig op kosten van de aannemer. De concrete planning hiervan wordt volledig overgelaten aan het initiatief en de verantwoordelijkheid van de aannemer, tenzij het bestek specifieke voorschriften oplegt. Het Bestuur kan steeds een schetsmatig voorstel van de geplande inrichting opvragen ter goedkeuring.” XII-8848-3/24 3.2. Op 14 juni 2019 worden de offertes geopend. Vijf inschrijvers hebben een offerte ingediend, onder wie de verzoekende partij. Op 5 augustus 2019 wordt een ‘verslag bij aanbesteding’ opgesteld. Met betrekking tot de offerte van de verzoekende partij wordt in punt 4.3 ‘Leemten gemeld door de inschrijvers en beslissing ontwerper’ het volgende vermeld: “Voor het deel architectuur De formule van de berekening van de leemtes is toegepast voor het volgende artikel: 02.00 bouwplaatsvoorzieningen – algemeen Deze was niet ingevuld bij de inschrijver”. Op 9 augustus 2019 beslist de verwerende partij een eerste maal om de opdracht te gunnen aan de bv Roels. 3.3. In een brief van 14 augustus 2019 formuleert de verzoekende partij onder meer de volgende kritiek: “Bij nazicht van het meegedeelde verslag bij aanbesteding blijken er een aantal zaken die nader onderzoek en motivering eisen. 1) Op pag. 9 van bedoeld verslag werd het volgende gestipuleerd onder randnummer 5: ’02.00 bouwplaatsvoorzieningen – algemeen: Deze was niet ingevuld bij de inschrijver’. Volgens de inhoud van de overheidsopdrachten (zie bijlage pag. 20 van 237) diende omtrent dit artikel alles te worden inbegrepen in de eenheidsprijzen zodat hier geen leemteberekening van toepassing is. De bouwplaatsvoorzieningen werden zoals gevraagd inbegrepen. Uit het verslag blijkt [dat] de offerte van VMG De Cock verkeerdelijk met een bedrag van 1.792.747 € - 1.739.370,59 € of 53.376,41 € werd verhoogd.” 3.4. Op 6 september 2019 beslist de verwerende partij om de initiële gunningsbeslissing van 9 augustus 2019 in te trekken. 3.5. Met een brief van 20 september 2019 verzoekt de verwerende partij aan elk van de vijf inschrijvers om een aantal eenheidsprijzen te verantwoorden. Aan de verzoekende partij wordt een verantwoording gevraagd XII-8848-4/24 voor een abnormaal lijkende eenheidsprijs voor “Art. 23.71 – gevelpanelen – architectonisch beton/malgevormde textuur”. De verzoekende partij geeft met een brief van 25 september 2019 een prijsverantwoording voor post 23.71, onder meer als volgt: “Er wordt verzocht een prijsverantwoording te willen geven voor art. 23.71 gevelpanelen architectonisch beton/malgevormde textuur Opgegeven prijs: […] €/m2 (FH 325,93 m2) (voor een totaalprijs van […] €) aankoopprijs materiaal: […] €/m2 - supplement malgevormde textuur: […] €/m2 - transportkosten materiaal: […] €/m2 - bevestigingsmiddelen: […] €/m2 - prijs lossen en manipulatie panelen voor plaatsing: […] €/m2 - prijs plaatsing: […] €/m2 - prijs afscherming tijdens uitvoering: […] €/m2 - prijs voegdichting: […] €/m2 - supplement hoekafwerking en t.p.v. openingen: […] €/m2 - aandeel bouwplaatsvoorzieningen in dit artikel […] €/m2 - winst, risico en alg. kosten: […] €/m2 Totaal: […] €/m2” 3.6. Een hernieuwde beoordeling van de offertes resulteert in een verslag van nazicht van 7 november 2019. In punt 4 ‘Verbetering van de offertes conform artikel 33-34 KB Plaatsing’, wordt gesteld: “4.3. Leemten (gemeld door de inschrijvers) – beslissing ontwerper: […] 5. VMG De Cock NV • Voor het deel architectuur De formule van de berekening van de leemtes is toegepast voor het volgende artikel: 02.00 bouwplaatsvoorzieningen – algemeen Deze was niet ingevuld bij de inschrijver. Deze post wordt niet gekwalificeerd als pro memorie. Er blijkt uit zowel de meetstaat als de technische bepalingen van het bijzonder bestek dat er expliciet om een totaalprijs (TP) wordt gevraagd. Er wordt van de inschrijvers verwacht dat ze een totaalprijs invullen voor de kosten betrekking hebbend [op] de bouwplaatsvoorzieningen. XII-8848-5/24 Enkel VMG De Cock heeft de opmerking geformuleerd dat de kosten voor de aan te wenden bedrijfsmiddelen inbegrepen zijn in de eenheidsprijzen. Daarom wordt er gebruik gemaakt van de leemteformule. […]” In punt 5 ‘Regelmatigheidsonderzoek van de offertes (artikel 83 overheidsopdrachtenwet en artikel 76 KB Plaatsing)’ worden alle offertes als regelmatig beschouwd. Na nazicht van de prijzen, worden de offertes finaal gerangschikt als volgt (prijzen btw inbegrepen): 1) de bv Roels 2.034.741,89 euro; 2) de nv Dero Construct 2.089.548,78 euro; 3) de nv Bouw en Renovatie 2.126.586,17 euro; 4) de nv VMG-De Cock 2.169.223,87 euro; 5) de nv Stadsbader 2.200.074,04 euro. Er wordt bijgevolg voorgesteld de opdracht te gunnen aan de bv Roels. 3.7. Op 29 november 2019 beslist de verwerende partij, verwijzend naar het gunningsverslag, om de opdracht te gunnen aan de bv Roels. Dit is de bestreden beslissing. 3.8. Met een brief van 10 december 2019 deelt de verzoekende partij aan de verwerende partij het volgende mee: “Hierbij verzoeken wij u ons de door de inschrijvers gegeven prijsverantwoordingen te willen meedelen zodat hiervan een nazicht gedaan kan worden. Tevens stellen wij vast dat met de inhoud van ons schrijven d.d. 14/08/19 ref. LW/RS/19/1862 geen rekening gehouden werd met de door ons gemaakte bemerking omtrent artikel 02.00 bouwplaatsvoorzieningen – algemeen waarbij rekening dient gehouden te worden dat in de meetstaat in geen geval een hoeveelheid werd opgenomen [...]). […].” Met een brief van 18 december 2019 antwoordt de verwerende partij als volgt: XII-8848-6/24 “1. Uw verzoek tot overhandiging van de prijsverantwoordingen, zoals verstrekt door de betrokken inschrijvers kan niet ingewilligd worden. Prijsverantwoordingen bevatten immers delicate en vertrouwelijke informatie zoals eenheidsprijzen, specifieke en eigen werkwijzen, bedrijfsgevoelige knowhow e.d., dewelke eigen zijn aan de inschrijver en die hem in staat stellen zich te onderscheiden van zijn concurrenten. Prijsverantwoordingen worden beschouwd als informatie waarvan de openbaarmaking aan andere inschrijvers een onrechtmatig voordeel zou verschaffen. […] 2. In tegenstelling tot hetgeen u poneert in uw schrijven, werd wél rekening gehouden met uw bemerking omtrent artikel 02.00 bouwplaats- voorzieningen – algemeen. Er werd akte genomen van uw opmerking, doch na onderzoek bleek dat deze niet kon worden aanvaard. De motieven voor het niet weerhouden van uw opmerking over de kwestieuze post worden als volgt weergegeven in het verslag van nazicht (bladzijde 9): • Voor het deel architectuur De formule van de berekening van de leemtes is toegepast voor het volgende artikel: 02.00 bouwplaatsvoorzieningen – algemeen Deze was niet ingevuld bij de inschrijver Deze post wordt niet gekwalificeerd als pro memorie. Er blijkt uit zowel de meetstaat als de technische bepalingen van het bijzonder bestek dat er expliciet om een totaalprijs (TP) wordt gevraagd. Er wordt van de inschrijvers verwacht dat ze een totaalprijs invullen voor de kosten betrekking hebbend [op] de bouwplaatsvoorzieningen. Enkel VMG De Cock heeft de opmerking geformuleerd dat de kosten voor de aan te wenden bedrijfsmiddelen inbegrepen zijn in de eenheidsprijzen. Daarom wordt er gebruik gemaakt van de leemteformule. De gemeente ziet geen reden om tot een ander oordeel te komen en handhaaft derhalve haar destijds ingenomen standpunt. […]” IV. Ontvankelijkheid van het beroep - impliciete weigeringsbeslissing 4. De verzoekende partij vordert niet enkel de nietigverklaring van de gunningsbeslissing van 29 november 2019, maar ook van de impliciete beslissing om haar offerte niet te rangschikken als de voordeligste regelmatige offerte en om de opdracht niet aan haar te gunnen. 5. Een verzoekende partij die de nietigverklaring vraagt van een impliciete weigeringsbeslissing, moet aantonen dat er uitzonderlijke omstandig- XII-8848-7/24 heden zijn die wijzen op een rechtsplicht om de opdracht aan haar te gunnen. Er moeten elementen worden bijgebracht die tot de uitzonderlijke vaststelling kunnen leiden dat de verwerende partij geen andere keuze meer heeft dan de opdracht aan de verzoekende partij te gunnen. De verzoekende partij voert drie middelen aan waarin in essentie de volgende onwettigheden worden aangevoerd: de leemteformule werd ten on- rechte toegepast op haar offerte (eerste middel), het prijsonderzoek is niet recht- matig verlopen (tweede middel), en er wordt niet afdoende gemotiveerd waarom de prijsverantwoording van twee andere inschrijvers werd aanvaard (derde middel). Geen van deze aangevoerde onwettigheden, indien gegrond, houdt in dat de verwerende partij te dezen na een eventuele nietigverklaring geen andere keuze meer heeft dan de opdracht aan de verzoekende partij te gunnen. 6. Het beroep is niet ontvankelijk in de mate dat het gericht is tegen de voornoemde impliciete weigeringsbeslissingen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 7. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel 86, § 2, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017). Zij betoogt in essentie dat de verwerende partij ten onrechte de in die bepaling opgenomen leemteformule heeft toegepast op haar offerte voor post 02.00 ‘bouwplaatsvoorzieningen – algemeen’ en zodoende ten onrechte het totaalbedrag van haar offerte met 53.376,41 euro heeft verhoogd. 7.1. Zij licht toe dat blijkens het eerste gunningsverslag van 5 augustus 2019 de verwerende partij reeds de leemteberekening op de offerte van XII-8848-8/24 de verzoekende partij had toegepast, stellende dat post 02.00 niet was ingevuld, wat leidde tot de verhoging van de totaalprijs met een bedrag van 53.376,41 euro. Na kennisname van dit gunningsverslag heeft de verzoekende partij onmiddellijk aan de verwerende partij gemeld dat deze leemteberekening en verhoging van haar offerte ten onrechte waren gebeurd, nu zij de prijs die was berekend voor alle elementen die vermeld werden onder hoofdstuk 02, evenredig had verdeeld over alle eenheidsprijzen, hetgeen volgens de inhoud van de opdrachtdocumenten ook zo diende te gebeuren. Volgens de verzoekende partij heeft de verwerende partij de oorspronkelijke gunningsbeslissing ingetrokken omwille van deze en andere opmerkingen die zij had geformuleerd in haar brief van 14 augustus 2019. Na kennisname van het nieuw gunningsverslag heeft de verzoekende partij moeten vaststellen dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met haar mededeling, en integendeel de leemteberekening en prijsverhoging gehandhaafd heeft. 7.2. De verzoekende partij vervolgt dat een leemteberekening en verhoging van de inschrijvingsprijs zoals de verwerende partij te dezen heeft toegepast, slechts aan de orde en verantwoord is wanneer daadwerkelijk een prijs ontbreekt. Dit is hier niet het geval. Niet alleen heeft zij de verwerende partij onmiddellijk gewezen op de foute veronderstelling, de kostprijs van het volledige onderdeel 02 was ook een prijs die volgens de opdrachtdocumenten niet in de samenvattende meetstaat in te vullen was (naast het desbetreffende artikel- nummer), maar die diende gespreid te worden over de volledige aanneming en dus naar evenredigheid verdeeld moest worden over alle eenheidsprijzen. De verzoekende partij stelt dat in de samenvattende meetstaat bij artikelnummer 02.00 geen hoeveelheid wordt vermeld. Dit bevestigt dat de prijs niet bij het artikelnummer zelf te vermelden was, maar te spreiden was over de totaliteit, wat de verzoekende partij dan ook heeft gedaan. 7.3. Zoals de verwerende partij zelf in haar bestek heeft aangegeven, is haar bestek opgemaakt volgens de typetekst van het Bouwtechnisch Bestek Woningbouw van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW). De XII-8848-9/24 bestekbepalingen, ook en vooral aangaande onderdeel 02 ‘bouwplaats- voorzieningen’, zijn geheel identiek aan deze in het typebestek van de VMSW. Voor artikelnummer 02.00 ‘bouwplaatsvoorzieningen - algemeen’ wordt “geen aard van de overeenkomst (TP, FH, PM, SOG...)” vermeld. Pas vanaf de daarna volgende specifieke posten wordt wel in de aard van de hoeveelheid voorzien. Hetzelfde geldt voor de samenvattende meetstaat die als standaard door de VMSW wordt gebruikt, waar bij de “algemene” artikels “geen aard van de overeenkomst” wordt vermeld. Bij de subartikels van onderdeel 02 wordt doorgaans gebruik gemaakt van ‘PM’ of wordt, waar dit eventueel mogelijk zou zijn, de keuze gelaten. In ieder geval bestaat het principe erin dat de kosten die verbonden zijn aan de bouwplaatsvoorzieningen niet afzonderlijk worden opgegeven bij die post(
- en)maar in hun totaliteit vervat dienen te zitten in het geheel van de aanneming en dus verdeeld dienen te worden over alle eenheidsprijzen. Waar de verwerende partij de tekst van haar technisch bestek volledig heeft overgenomen van het typebestek van de VMSW en waar hetzelfde geldt voor de samenvattende meetstaat, heeft zij echter, mogelijks ondoordacht en/of door onachtzaamheid, ‘TP’ gevoegd bij artikelnummer 02.00 ‘bouwplaats- voorzieningen - algemeen’. Dit verandert echter niets aan het hiervoor vermelde principe. Het gaat nog steeds om één globale prijs voor alle onderdelen die behoren tot onderdeel 02 ‘bouwplaatsvoorzieningen’, terwijl de vermelding van ‘TP’ niet betekent dat de prijs niet meer te spreiden zou zijn over alle eenheidsprijzen. Integendeel, het feit dat in de samenvattende meetstaat geen hoeveelheid wordt vermeld, bevestigt juist dat bij de betrokken post geen afzonderlijke prijs in te vullen was. 7.4. Het gegeven dat de prijs voor wat opgesomd en beschreven was in onderdeel 02, in de offerte van de verzoekende partij vervat zat in de totaliteit van de aanneming en dus gespreid was over alle eenheidsprijzen blijkt ook uit de prijsverantwoording die zij bij brief van 25 september 2019 inzake artikel 23.71 aan de verwerende partij heeft bezorgd. Daaruit blijkt dat in de eenheidsprijs onder meer een bedrag van 9 euro/m² begrepen is voor het aandeel ‘bouwplaats- voorzieningen’. Ook in alle andere eenheidsprijzen werd een evenredig deel XII-8848-10/24 voorzien als aandeel ‘bouwplaatsvoorzieningen’. Dat bedrag vormt een aandeel van 2,7% van de eenheidsprijs in kwestie, wat, toegepast op de totaalprijs in de offerte van de verzoekende partij (1.725.000 euro), betekent dat in totaal een bedrag van 46.575 euro was ingecalculeerd voor het aandeel ‘bouwplaats- voorzieningen’. Die prijsdetaillering was de verwerende partij bekend alvorens zij de gunningsbeslissing heeft genomen. Het is volgens de verzoekende partij dan ook volledig onterecht dat de verwerende partij haar totaalprijs nogmaals heeft verhoogd met een bedrag van 53.376,41 euro en op die manier de kostprijs voor de bouwplaatsvoorzieningen tweemaal in rekening heeft gebracht. De omstandigheid dat andere inschrijvers wel een apart bedrag zouden hebben vermeld bij artikelnummer 02.00 en zij niet, impliceert niet dat zomaar ervan kan worden uitgegaan dat de verzoekende partij deze kost over het hoofd zou hebben gezien. 7.5. De verwerende partij is in de fout gegaan door – zelfs na nadrukkelijk door de verzoekende partij gewezen te zijn op haar fout – uit te gaan van een eigen veronderstelling, die niet gedragen wordt door de opdracht- documenten en waarbij de verwerende partij de verzoekende partij helemaal niet heeft bevraagd. Voor zover de prijsverantwoording inzake post 23.71 daaromtrent nog geen voldoende duidelijkheid had gebracht, had de verwerende partij de verzoekende partij minstens bijkomend moeten bevragen omtrent deze kwestie en had zij eventueel aanvullend bewijs kunnen vragen dat de kostprijs van de bouwplaatsvoorzieningen wel degelijk reeds vervat zat in de opgegeven totaalprijs. 7.6. Nu het rangschikkingsbedrag zoals dit ten aanzien van de verzoekende partij in aanmerking werd genomen, ten onrechte werd verhoogd met een bedrag van 53.376,41 euro, dient dit bedrag in mindering gebracht te worden, met als gevolg dat de offerte van de verzoekende partij alvast niet als vierde maar als derde gerangschikt dient te worden. De verzoekende partij stelt dat vervolgens in het tweede en derde middel wordt aangetoond dat de offertes die als eerste en als tweede werden gerangschikt, ten onrechte als regelmatig werden beschouwd. XII-8848-11/24 8. De verwerende partij merkt in haar memorie van antwoord op dat de opmerking van de verzoekende partij in haar brief van 14 augustus 2019 omtrent post 02.00 ‘bouwplaatsvoorzieningen — algemeen’ niet determinerend was om de eerdere gunningsbeslissing van 9 augustus 2019 te doen intrekken. Er werd integendeel geen positief gevolg gegeven aan die opmerking. De verwerende partij heeft in het nieuwe gunningsverslag haar initieel standpunt wel onderbouwd met een meer uitvoerige motivering dan voorheen het geval was, teneinde bijkomende duiding te verschaffen aan de verzoekende partij. Haar beslissing om een prijsverhoging – gebruikmakend van de leemteformule – door te voeren op de offerte van de verzoekende partij is volgens haar wel degelijk gerechtvaardigd. De verzoekende partij had als enige inschrijver geen prijs opgegeven voor post 02.00 ‘bouwplaatsvoorzieningen – algemeen’, terwijl de opdrachtdocumenten hieromtrent kristalhelder zijn. 8.1. De verwerende partij verwijst naar de omschrijving van de kwestieuze post in de technische bepalingen van het bestek. De vermelding van ‘TP’ wijst er duidelijk op dat van de inschrijvers verwacht werd dat zij een totaalprijs zouden opgeven voor de kosten die gerelateerd zijn aan bouwplaats- voorzieningen. Ook in de modelmeetstaat, die aan de inschrijvers ter invulling werd aangereikt, wordt onmiskenbaar ‘TP’ vermeld naast de benaming van de post. De verzoekende partij heeft post 02.00 ogenschijnlijk behandeld als een pro memorie post, terwijl die kwalificatie niet aan deze post werd toegedicht in de opdrachtdocumenten. Een pro memorie post is immers geen afzonderlijke post waarvoor de inschrijvers een prijs moeten opgeven in de samenvattende opmeting, doch betreft een kostencomponent die door de inschrij- vers moet worden ingecalculeerd in een specifieke (andere) post dan wel moet worden gespreid over alle posten van de samenvattende opmeting. Een pro memorie aanduiding fungeert als een geheugensteun voor de inschrijvers dat zij niet mogen vergeten om de bedoelde kosten mee te nemen bij hun prijszetting. Een XII-8848-12/24 pro memorie post wordt duidelijk vergezeld van die aanduiding, wat voor post 02.00 niet het geval was. 8.2. In het schorsingsarrest nr. 246.615 van 14 januari 2020 stelde ook de Raad van State dat uit de opdrachtdocumenten niet zou blijken dat de prijs voor post 02.00 ‘bouwplaatsvoorzieningen – algemeen’ standaard zou zijn begrepen in de eenheidsprijs en bijgevolg, naar het standpunt van de verzoekende partij, “evenredig verdeeld moest worden over alle eenheidsprijzen”, maar integendeel dat van de inschrijvers verwacht werd dat zij voor deze post een afzonderlijke all-in prijs zouden opgeven waartegen deze post zou worden uitgevoerd en op grond waarvan de offertes zouden kunnen worden vergeleken. De Raad van State stelt uitdrukkelijk dat de verzoekende partij ten onrechte het tweede lid van artikel 02.00 aanhaalt, luidens hetwelk “[a]lle bedrijfsmiddelen, zoals materieel, energie, water, communicatiemiddelen, transport, e.d., alsook de (voorlopige) aansluiting aan de installaties van algemeen nut, de nodige vergunningen, vergoedingen of borgstellingen nodig voor de verwezenlijking van de aanneming […] standaard [zijn] inbegrepen in de eenheidsprijs”, en dat deze bepaling geen afbreuk lijkt te doen aan hetgeen is bepaald in het eerste lid waarin wordt omschreven wat met ‘bouwplaatsvoorzieningen – algemeen’ wordt bedoeld, namelijk de voorbereidende werkzaamheden voor de inrichting, en waarbij uitdrukkelijk ‘TP’ wordt vermeld. De verwerende partij vervolgt dat er klaarblijkelijk een interpretatiegeschil bestaat omtrent het eerste lid. Doordat de verzoekende partij voor de betreffende post geen prijs had ingevuld in het daarvoor voorziene vakje in de invulmeetstaat, was het voor de verwerende partij niet duidelijk welke prijs de verzoekende partij in totaliteit aanrekende voor bouwplaatsvoorzieningen, en had zij daardoor geen zicht op de totaalprijs die de verzoekende partij hanteert voor het treffen van voorbereidende werkzaamheden, meer specifiek de administratieve en organisatorische maatregelen voor de inrichting van de bouwplaats. Tot op zekere hoogte kan de interpretatie van de verzoekende partij wel gevolgd worden voor wat de in te zetten bedrijfsmiddelen betreft, waarvan sprake is in het tweede lid van XII-8848-13/24 post 02.00. Dat deze inbegrepen dienen te zijn in de eenheidsprijs wordt niet betwist. 8.3. Volgens de verwerende partij is enige verwijzing naar het Bouwtechnisch Bestek Woningbouw van de VMSW niet zo dienstig als de verzoekende partij wil laten uitschijnen. Dit Bouwtechnisch Bestek Woningbouw is immers geen verwijsbestek, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 01.01 ‘aannemingsmodaliteiten - bestek’, vervat in de technische bepalingen van het bijzonder bestek dat op deze opdracht van toepassing is. De vergelijkingen die de verzoekende partij maakt zijn bijgevolg irrelevant. 8.4. Alle andere inschrijvers hebben wel een totaalprijs opgegeven voor post 02.00, hetgeen erop wijst dat één en ander niet zo ongebruikelijk is als de verzoekende partij insinueert. 8.5. De verwerende partij wijst erop dat het gegeven dat er geen exacte hoeveelheid is vermeld in de invulmeetstaat, niet ongewoon is aangezien wordt gepolst naar de totale kost van de bouwplaatsvoorzieningen, die logischer- wijs als één geheel wordt beschouwd. Een symbolische vermelding van het cijfer ‘1’ had dit nog extra kunnen beklemtonen, maar dit werd niet nodig geacht. De verwerende partij stelt nog dat zij geen uitstaans heeft met de wijze waarop de andere aanbestedende overheden een soortgelijke post invullen, en dat ook het feit dat de verzoekende partij blijkbaar reeds dertig jaar ervaring heeft met opdrachten in de publieke sector, geen verantwoording voor haar handelwijze kan vormen. 8.6. De verwerende partij beklemtoont ten slotte dat er in het licht van het leemteonderzoek geen bevragingsplicht op de schouders van een aanbestedende overheid rust. Het leemteonderzoek dient ook losgekoppeld te worden van het prijsonderzoek. De verzoekende partij lijkt in haar verzoekschrift de mogelijkheid tot herbevraging in het kader van een prijsbevraging te verwarren met het leemteonderzoek. Artikel 86, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing XII-8848-14/24 2017, waarin de voor de aanbestedende overheid te volgen stappen worden voorge- schreven bij de vaststelling van een leemte in de samenvattende meetstaat, voorziet niet in een verplichting om de inschrijver te bevragen. Het was voor de verwerende partij in geen geval nodig om een bevraging uit te voeren daar het onomstotelijk vaststond dat de verzoekende partij post 02.00 niet had ingevuld. Zij was er niet toe gehouden om te polsen naar de beweegredenen van de verzoekende partij om een welbepaalde post niet in te vullen. De verzoekende partij toont ook nergens aan op basis van welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel de verwerende partij in haar hoedanigheid van aanbestedende overheid verplicht zou zijn om haar hieromtrent te bevragen. 8.7. De verwerende partij besluit dat de leemteberekening was vereist opdat een objectieve vergelijking tussen de offerte van de verzoekende partij en de offertes van de overige inschrijvers mogelijk zou zijn. 9. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat het debat tot op heden is afgewend van het eigenlijke voorwerp en de essentie. 9.1. Volgens de verzoekende partij is de essentie te dezen niet of zij al dan niet terecht heeft gemeend dat voor de post ‘bouwplaatsvoorzieningen’ geen aparte prijs moest worden opgegeven. De essentie is wel of de verwerende partij, ondanks de andersluidende bevestiging van de verzoekende partij en haar prijs- verantwoording, eigenhandig de totaalprijs van de verzoekende partij mocht verhogen volgens de leemteberekening, op basis van de veronderstelling dat voor het hoofdstuk ‘bouwplaatsvoorzieningen’ geen prijs zou zijn ingecalculeerd. De vraag is met andere woorden, of er überhaupt reden was om toepassing te maken van artikel 86, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, waarvan de schending in het eerste middel wordt aangevoerd. Een absolute vereiste om toepassing te maken van die bepaling is immers dat vaststaat dat er daadwerkelijk een prijs ontbreekt. De verwerende partij rept met geen woord over de argumenten die aantonen dat er wel degelijk een prijs was ingecalculeerd en dat de verwerende XII-8848-15/24 partij in de gegeven omstandigheden niet tot het tegenovergestelde kon besluiten. Zo gaat de verwerende partij niet in op het feit dat de verzoekende partij, nog vóór de definitieve gunningsbeslissing werd genomen, expliciet had bevestigd dat er wel degelijk een prijs voor de bouwplaatsvoorzieningen was ingecalculeerd, en op het feit dat dit ook blijkt uit de prijsverantwoording. Door te stellen dat het voor haar niet duidelijk was welke totaalprijs de verzoekende partij aanrekende voor de bouwplaatsvoorzieningen negeert de verwerende partij het feit dat aan de hand van de prijsverantwoording die de verzoekende partij had verstrekt, niet alleen bleek dàt er een prijs voor de bouwplaatsvoorzieningen was ingecalculeerd, maar ook dat het bedrag daarvoor eenvoudig kon worden vastgesteld. “Het volstond om te kijken welk aandeel het had in de eenheidsprijs om dit te extrapoleren naar de totaalprijs.” In zoverre de verwerende partij stelt dat er geen “bevragings- plicht op de schouders van een aanbesteder rust”, impliceert dit dat een aanbeste- dende overheid zomaar mag uitgaan van eigen veronderstellingen en naar eigen goeddunken een offerte mag aanpassen op basis van eigen veronderstellingen, zonder zelfs maar eerst de inschrijver over wiens offerte het gaat, te interpelleren. De verwerende partij ziet daarbij artikel 34, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 over het hoofd, dat bepaalt dat de aanbestedende overheid de rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes verbetert, waarbij zij de inschrijver kan uitnodigen om de inhoud van zijn offerte te verduidelijken. Als de verwerende partij meende dat de verzoekende partij de fout had gemaakt om geen prijs in te calculeren voor de bouwplaatsvoorzieningen, dan had zij haar daarover dus kunnen bevragen. De verzoekende partij had bovendien één en ander reeds duidelijk bevestigd alvorens de gunningsbeslissing werd genomen, maar de verwerende partij heeft beslist om met die bevestiging geen rekening te houden. 9.2. De verzoekende partij repliceert ten slotte nog op een aantal argumenten in de memorie van antwoord in verband met de kwestie of zij al dan niet terecht heeft gemeend dat de prijs voor de bouwplaatsvoorzieningen diende te worden gespreid over alle posten. XII-8848-16/24 Zij herhaalt dat, als het werkelijk de bedoeling van de verwerende partij was dat inzake de bouwplaatsvoorzieningen een aparte prijs zou worden opgegeven, de opdrachtdocumenten dan op zijn minst onzorgvuldig werden opgemaakt. Het is essentieel dat bij de posten waarvoor een aparte prijsopgave wordt verwacht een hoeveelheid wordt vermeld. Dat andere inschrijvers, zoals de verwerende partij stelt, in hun offerte eigenhandig een “1” volledigheidshalve zouden hebben toegevoegd, heeft in deze geen enkele relevantie. De verzoekende partij kon enkel voortgaan op de inhoud van de opdrachtdocumenten. De stelling dat er geen cijfer hoefde vermeld te worden omdat “er geen meerdere hoeveelheden van ‘bouwplaatsvoorzieningen’ werden gevraagd”, zoals de verwerende partij aanvoert, is onjuist. In de samenvattende meetstaat zijn immers meerdere posten terug te vinden die op zich één geheel vormen en waar het dus sowieso niet kan gaan om “meerdere hoeveelheden” maar waar toch het cijfer “1” werd vermeld. Aangezien de eigen opdrachtdocumenten de stelling van de verwerende partij tegenspreken, kan de overweging die de Raad van State in het kader van de schorsingsprocedure heeft gemaakt, met name dat “de omstandigheid dat er bij de betrokken post geen hoeveelheid werd vermeld, te dezen niet relevant lijkt, aangezien voor de opgave van een totaalprijs de hoeveelheid in beginsel van geen tel is”, niet gehandhaafd worden. 10. In haar laatste memorie, na een voor haar ongunstig uitvallend auditoraatsverslag, benadrukt de verzoekende partij, onder meer, nog de volgende zaken. Aangaande de aanduiding ‘TP’ versus de aanduiding ‘PM’ stelt de verzoekende partij dat het geen wetmatigheid is dat, wanneer een “totaalprijs” wordt verwacht, deze dan sowieso altijd apart in de samenvattende meetstaat zou moeten worden vermeld. Met toepassing van artikel 28 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 dient een inschrijver alle algemene en financiële kosten (alsmede de winst) te verdelen over de onderscheiden posten. Dit houdt in dat een inschrijver eerst de totaalprijs voor die algemene en financiële kosten zal dienen te berekenen XII-8848-17/24 om vervolgens die totaalprijs te verdelen over alle eenheidsprijzen. Het gaat ook daar om een totaalprijs, doch deze is niet apart terug te vinden in de samenvattende meetstaat. Redeneren dat, omdat het gaat om een “totaalprijs”, die apart moet worden opgegeven, is volgens de verzoekende partij dan ook niet juist. Aangaande de wijze waarop de opdrachtdocumenten werden opgemaakt, zou volgens de beoordeling in het schorsingsarrest nr. 246.615 van 14 januari 2020 uit de opdrachtdocumenten niet blijken dat de prijs voor post 02.00 ‘bouwplaatsvoorzieningen – algemeen’ standaard zou inbegrepen zijn in de eenheidsprijs. Ook zou er van de inschrijvers verwacht zijn dat zij een afzonderlijke ‘all-inprijs’ zouden opgeven, op grond waarvan de offertes zouden kunnen worden vergeleken. Die interpretatie wordt volgens de verzoekende partij tegengesproken door de wijze waarop de opdrachtdocumenten gebruikelijk worden opgemaakt én waarop zij in dit geval werden opgemaakt. Zij verwijst naar haar memorie van wederantwoord waarin zij argumenten heeft opgegeven die aantonen dat op basis van de inhoud van de opdrachtdocumenten helemaal niet mocht worden besloten dat de prijs voor de bouwplaatsvoorzieningen apart moest worden opgegeven. Zij had zelf een ‘all-inprijs’ berekend en ingecalculeerd in haar offerte, verdeeld over alle eenheidsprijzen en niet vermeld als aparte prijs, overeenkomstig artikel 28 van het koninklijk besluit plaatsing 2017. Dat het de bedoeling zou zijn geweest om, middels een aparte prijsopgave, de prijzen van de inschrijvers betreffende de bouwplaatsvoorzieningen onderling te kunnen vergelijken, blijkt niet uit het nazichtverslag noch uit de gunningsbeslissing, en kan bijgevolg geen motief vormen om de beslissing tot verhoging van de offerteprijs van de verzoekende partij te verantwoorden. Een vergelijking kon trouwens (indien gewenst) probleemloos gebeuren, nu de verwerende partij – op basis van de gevraagde prijsverantwoording – wist dat de prijs voor de bouwplaatsvoorzieningen een aandeel had van 2,7% in de eenheidsprijzen van de verzoekende partij. Dit gegeven liet haar toe om heel eenvoudig te berekenen hoeveel het totaalbedrag voor de betrokken post bedroeg. Volgens de verzoekende partij zijn er meerdere elementen die erop wijzen dat zij haar offerte correct heeft ingevuld, minstens dat de prijs voor de XII-8848-18/24 bouwplaatsvoorzieningen wel degelijk reeds vervat zat in haar inschrijvingsprijs. Zij voert onder meer aan dat de stelling dat een aparte prijs voor de bouwplaatsvoorzieningen had moeten worden vermeld, niet strookt met de inhoud van de opdrachtdocumenten. Deze stelling klemt volgens haar met wat in het technisch bestek onder post 02.00 werd gestipuleerd (eveneens overgenomen van het typebestek), te weten: “Alle bedrijfsmiddelen, zoals materieel, energie, water, communicatiemiddelen, transport, e.d., alsook de (voorlopige) aansluiting aan de installaties van algemeen nut, de nodige vergunningen, vergoedingen of borgstellingen nodig voor de verwezenlijking van de aanneming zijn standaard inbegrepen in de eenheidsprijs. Dit geldt tevens voor alle deelaspecten van de inrichting van de werf, behalve indien de aanbestedingsdocumenten voor sommige van deze artikelen uitdrukkelijk een afzonderlijke post zouden voorzien.” De verzoekende partij verwijst naar een aantal posten in onderdeel 02.00 bouwplaatsvoorzieningen, die een onderdeel vormen van de inrichting van de werf (posten 02.52, 02.61, 02.63, 02.64) of van de bedrijfsmiddelen zoals materieel (posten 02.81.10, 02.81.20, 02.82), of die specifiek worden vermeld als aansluiting aan de installaties van algemeen nut (posten 02.71, 02.72, 02.73). Naar het standpunt van de verwerende partij, zou minstens voor deze posten een prijs vervat moeten zitten in de aparte prijs die zogezegd op te geven was bij post 02.00, terwijl ook was bepaald dat de prijs voor deze posten inbegrepen moest zijn in de eenheidsprijs. Een dergelijke interpretatie zou de opdrachtdocumenten tegenstrijdig maken. De prijs van een post mag uiteraard niet twee keer ingecalculeerd worden in de totale inschrijvingsprijs. 11. In haar laatste memorie repliceert de verwerende partij dat uit de vaste rechtspraak van de Raad van State blijkt dat het indienen van een volledige en zorgvuldige offerte de eigen verantwoordelijkheid is van de inschrijver. De verzoekende partij kan thans haar eigen onzorgvuldigheid niet afwentelen op de verwerende partij. Het komt enkel en alleen de aanbestedende overheid toe om de opdrachtdocumenten op te stellen en hieraan een interpretatie te geven. Te dezen is er volgens de verwerende partij zelfs geen interpretatie van de opdracht- XII-8848-19/24 documenten noodzakelijk, aangezien deze “zo klaar als een klontje zijn”. De technische bepalingen en de inventaris van de opdrachtdocumenten stellen duidelijk dat post 02.00 als een totaalprijs ‘TP’ opgegeven diende te worden. Elke andere interpretatie is strijdig met de opdrachtdocumenten. Een bijkomende aanduiding van de hoeveelheid 1 bij de ‘TP’, was niet nodig noch dienstig. De betrokken documenten waren voor alle andere inschrijvers voldoende duidelijk en hebben niet tot vragen of opmerkingen geleid. Het staat buiten kijf dat geen prijs werd ingevuld voor post 02.00 ‘bouwplaatsvoorzieningen — algemeen’. De verwerende partij heeft aldus correct gehandeld door toepassing te maken van artikel 86, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017. Alle overige argumenten van de verzoekende partij zijn niet dienstig en kunnen deze correcte toepassing niet overtuigend in een ander daglicht plaatsen. De verzoekende partij kan zich niet beroepen op artikel 34, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, dat handelt over rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes. Die bepaling dient niet om een niet-ingevulde post recht te zetten. De verzoekende partij heeft op geen enkel moment, noch in de prijsverantwoording van 25 september 2019, noch in de brief van 14 augustus 2019, aannemelijk gemaakt waarom er geen totaalprijs werd opgegeven voor post 02.00. Er kan niet van de verwerende partij verwacht worden dat zij veronderstellingen dient te maken over wat de inschrijver mogelijks bedoeld zou kunnen hebben. Het is aan de inschrijver om een duidelijke, volledige en zorgvuldige offerte op te stellen. De feitelijke context is hier immers heel duidelijk en laat geen twijfel mogelijk: er werd geen prijs opgegeven voor post 02.00. Voor het ontbreken van een prijs voor een post in de inventaris, is een specifieke wettelijke grondslag voorzien in artikel 86, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017. Uit de toepassing van dit artikel vloeit geen enkele verplichting tot bevraging voort, doch enkel de keuze voor de verwerende partij om hetzij de offerte als onregelmatig te weren, hetzij ze te behouden door de leemte aan te vullen met behulp van de leemteformule. XII-8848-20/24 Beoordeling 12. Overeenkomstig artikel 86, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, mag de aanbestedende overheid wanneer een inschrijver voor een willekeurige post van de samenvattende opmeting of de inventaris geen prijs heeft vermeld, hetzij de offerte als onregelmatig weren, hetzij ze behouden door de leemte aan te vullen met behulp van een in die bepaling opgenomen wiskundige formule. De verwerende partij doet gelden dat deze bepaling de aanbestedende overheid een keuzemogelijkheid laat om bij een ontbrekende prijs ofwel tot de onregelmatigheid te besluiten ofwel de leemte aan te vullen. 13. Hoewel het voormelde artikel 86, § 2, eerste lid, inderdaad een beoordelingsruimte laat aan de aanbestedende overheid, moet de keuze die zij maakt bij de toepassing ervan, op deugdelijke motieven steunen. De motieven weergegeven in het gunningsverslag om gebruik te maken van de leemteformule zijn te dezen dat “[d]eze post [niet] wordt […] gekwalificeerd als pro memorie [en uit] zowel de meetstaat als de technische bepalingen van het bijzonder bestek [blijkt] dat er expliciet om een totaalprijs (TP) wordt gevraagd”, alsook dat “[e]nkel [de verzoekende partij] de opmerking heeft geformuleerd dat de kosten voor de aan te wenden bedrijfsmiddelen inbegrepen zijn in de eenheidsprijzen”. 14. Anders dan de verwerende partij beweert, blijken de opdrachtdocumenten wat deze post 02.00 betreft voor interpretatie vatbaar. Weliswaar staat ‘TP’ in de bestekbepaling en de samenvattende meetstaat vermeld voor het geheel van post 02.00, doch deze vermelding geldt, zo blijkt, enkel voor het eerste lid van de betrokken bestekbepaling. Luidens dit eerste lid omvatten de voorbereidende werkzaamheden voor de inrichting van de bouwplaats “alle administratieve en organisatorische maatregelen en technische XII-8848-21/24 middelen om de werken volgens de bepalingen van het aanbestedingsdossier mogelijk te maken en dit overeenkomstig de omvang van de opdracht, de moeilijkheidsgraad en de eisen van veiligheid en hygiëne”. Zoals de verwerende partij bevestigt in haar memorie van antwoord, werd evenwel van de inschrijvers verwacht dat zij de prijs voor alle bedrijfsmiddelen, “zoals materieel, energie, water, communicatiemiddelen, transport, e.d., alsook de (voorlopige) aansluiting aan de installaties van algemeen nut, de nodige vergunningen, vergoedingen of borgstellingen nodig voor de verwezenlijking van de aanneming” wél over de andere posten zouden spreiden, aangezien deze, zoals omschreven in het tweede lid van de betrokken post 02.00, “standaard [zijn] inbegrepen in de eenheidsprijs”. In fine van dit tweede lid van post 02.00 wordt bovendien gesteld dat “Dit”, zijnde het “standaard inbegrepen [zijn] in de eenheidsprijs”, tevens geldt voor alle deelaspecten van de inrichting van de werf, behalve indien de aanbestedingsdocumenten voor sommige van deze artikelen uitdrukkelijk een afzonderlijke post zouden voorzien”, en dus niet enkel voor de bedrijfsmiddelen. Zoals de verzoekende partij in haar laatste memorie opmerkt, worden blijkens de meetstaat in de posten die volgen onder ‘02. Bouwplaats- voorzieningen’, een aantal posten ‘PM’ vermeld die hetzij een onderdeel vormen van “de inrichting van de werf”, hetzij specifiek worden vermeld als “aansluiting aan de installaties van algemeen nut”, hetzij een onderdeel vormen van “bedrijfsmiddelen”. 15. In die context, en geconfronteerd met de mededeling van de verzoekende partij in haar brief van 14 augustus 2019 – na mededeling van de eerste gunningsbeslissing met het gunningsverslag als bijlage – dat zij de eenheids- prijs voor de bouwplaatsvoorzieningen in haar offerteprijs had inbegrepen, kon de verwerende partij niet louter volstaan met in het gunningsverslag ten aanzien van de verzoekende partij te stellen dat “deze post [niet wordt] gekwalificeerd als pro memorie” maar dat in het bestek integendeel “expliciet om een totaalprijs (TP) wordt gevraagd”. XII-8848-22/24 Ook het motief dat gebruik gemaakt moet worden van de leemteformule bij de offerte van de verzoekende partij omdat “[e]nkel [zij] de opmerking heeft geformuleerd dat de kosten voor de aan te wenden bedrijfs- middelen inbegrepen zijn in de eenheidsprijzen”, is niet pertinent. Voor alle inschrijvers gold immers dat de bedrijfsmiddelen inbegrepen dienden te zijn in de eenheidsprijzen. De verzoekende partij maakt met andere woorden in de huidige procedure ten gronde aannemelijk dat het bestek niet duidelijk was en dat in die omstandigheden het voormeld artikel 86, § 2, eerste lid, geen rechtsgrond kan bieden om, op grond van de motieven vermeld in het gunningsverslag, de leemteformule op haar offerte toe te passen. 16. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Aanvullend onderzoek 17. Het auditoraat heeft, uitgaand van de hypothese dat het eerste middel niet gegrond is, haar onderzoek over het tweede en het derde middel beperkt tot de ontvankelijkheid ervan en voorgesteld deze middelen te verwerpen als niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Zelfs indien het tweede of het derde middel gegrond zou blijken en aldus de opdracht niet aan de eerste of de tweede gerangschikte inschrijver zou mogen worden gegund, diende de verzoekende partij in de genoemde hypothese immers alsnog de offerte van de thans als derde gerangschikte inschrijver te laten voorgaan. 18. Nu blijkt dat het eerste middel gegrond is en de vastgestelde onwettigheid op zich als gevolg heeft dat de offerte van de verzoekende partij niet als vierde maar als derde gerangschikt diende te worden, is er reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak wat de gegrondheid van het tweede en het derde middel betreft. XII-8848-23/24 BESLISSING 1. Het debat wordt heropend. 2. Het door de Auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Paul Lemmens XII-8848-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.703 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.615 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.795 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div