← België

Arrest 259724 - Overheidsopdrachten - 14/05/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.724 Rolnummer: A. 241663/XIV-39603 Zaak: Arrest 259724 - Overheidsopdrachten - 14/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-22 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-06-11 02:23 Fiche Arrest nr 259.724 van 14 mei 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.724 no lien 277073 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 259.724 van 14 mei 2024 in de zaak A. 241.663/XII-9485 In zake:

  1. de BV AFBRAAKWERKEN VAN KEMPEN
  2. de NV BAV samen vormend een tijdelijke maatschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te 2000 Antwerpen Londenstraat 60 bus 104 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de PROVINCIALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Garsse en Simon Verhoeven kantoor houdend te 2600 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV HENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ria Hens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Verlatstraat 23-25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 11 april 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het directiecomité van de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij Vlaams- Brabant, aangenomen via een schriftelijke procedure van 26 tot 28 maart 2024, waarbij de overheidsopdracht voor sloop- en saneringswerken voor het Vlaamse deel van de Florivalsite wordt gegund aan de nv Hens. XII-9485-1/23 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 22 april 2024 heeft de nv Hens gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 mei
  5. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Olivier Onghena, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Simon Verhoeven, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Hilde Vermeiren, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor werken met als voorwerp ‘Sloop Exide Huldenberg’. De opdracht heeft betrekking op sloop- en afbraakwerken van enkele gebouwen op de site Exide, waarbij er ook asbest moet worden verwijderd. De opdracht wordt nationaal bekendgemaakt. XII-9485-2/23 De opdracht wordt gegund met een openbare procedure. De “kosteneffectiviteit” is het enig gunningscriterium. 3.
  8. Het bestek met referte ‘Sloop Exide Huldenberg – 4130110004’ is van toepassing. In deel I, ‘Administratieve bepalingen’, van het bestek wordt op het voorblad onder meer vermeld dat de volgende erkenningen als aannemer vereist zijn: “Erkenning aannemer: Categorie: G5 – klasse:
  9. Erkenning asbestverwijdering.” Titel 7, ‘Selectiecriteria (art 71 WOO)’, van deel I van het bestek bevat de volgende bepalingen: “Om in aanmerking te komen voor selectie, dient de inschrijver te voldoen aan de hierna bepaalde minimale vereisten op vlak van geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, economische en financiële draagkracht, en technische en beroepsbekwaamheid. 7.1 Geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen. De minimale vereisten betreffende de geschiktheid om de opdracht uit te oefenen zijn de volgende: - Erkend zijn in de klasse en categorie zoals vermeld vooraan in dit document (zie ook [punt 7.4] Erkenning (art. 70 KB Plaatsing); - De inschrijver dient, conform het KB van 28/03/2007, te beschikken over een erkenning voor het verwijderen van asbest. De inschrijver dient hiertoe de volgende bewijsdocumenten voor te leggen: • Erkenning zonder beperking voor asbestverwijdering door FOD • Achilles protocol certificaat klasse ‘standaardwerken’. 7.2 Economische en financiële draagkracht De minimale vereisten betreffende economische en financiële draagkracht zijn de volgende: Niet van toepassing. 7.3 Technische en beroepsbekwaamheid De minimale vereisten betreffende technische en beroepsbekwaamheid zijn de volgende: • De inschrijver moet minimum 1 sanering uitgevoerd hebben van een bodemverontreiniging met asbest. Deze referentie moet kort (max. 1 A4) beschreven worden (locatie, tijdstip, aard van de XII-9485-3/23 bodemsanering). Deze beschrijving moet aan de offerte worden toegevoegd. • De persoon die in opdracht van de inschrijver de dagelijkse civiel- technische werfactiviteiten zal leiden moet de laatste twee jaren actief zijn als werfleider bodemsaneringswerken. Hij/zij moet bovendien minimum drie saneringswerven begeleid hebben met asbest. Hij/zij beschikt over een geldig opleidingsattest ‘eenvoudige handelingen’ (toe te voegen bij de offerte). Dit wordt aangetoond op basis van het CV van de werfleider dat bij de offerte dient gevoegd met oplijsting van de begeleide bodemsaneringswerven. • De persoon die in opdracht van de inschrijver de dagelijkse civiel- technische werken van het project zal leiden moet de laatste vier jaren actief zijn als projectleider bodemsaneringswerken. Dit wordt aangetoond op basis van het CV van de werfleider dat bij de offerte dient gevoegd. De projectleider moet bovendien minstens twee bodemsaneringen uitgevoerd hebben in kader van asbest. 7.4 Erkenning (art 70 KB Plaatsing) De inschrijver moet erkend zijn in de klasse en categorie zoals vermeld vooraan in dit document, conform de wet van 20 maart
  10. De opgegeven vereiste erkenningsklasse geldt ten indicatieve titel en wordt definitief bepaald door het bedrag van de offerte. De aanbestedende overheid zal het bewijs van erkenning (door de bevoegde Belgische federale overheidsdienst) zelf opzoeken via Telemarc. Inschrijvers die niet over een (Belgische) erkenning beschikken dienen de volgende documenten bij hun offerte te voegen: […] […] 7.5 Bewijsdocumenten betreffende de selectiecriteria De inschrijver dient de hiervoor vermelde bewijsdocumenten betreffende de selectiecriteria, die de aanbestedende overheid niet zelf kan opzoeken via elektronische weg (toepassing Telemarc of een gelijkaardige buitenlandse toepassing die gratis toegankelijk is), toe te voegen aan de offerte. […] 7.6 Beroep op de draagkracht in het kader van de selectie (en combinaties zonder rechtspersoonlijkheid) (art 78 WOO) Voldoet uw onderneming niet aan de selectiecriteria? Overweeg om beroep te doen op onderaannemers. De inschrijver kan zich, met het oog op het voldoen aan de voormelde selectiecriteria, beroepen op de economische en financiële draagkracht en/of de technische en beroepsbekwaamheid van andere entiteiten (onderaannemers, verbonden ondernemingen,…). De inschrijver vermeldt deze andere entiteiten (onderaannemers) op het offerteformulier. In dat geval, zijn de volgende regels van toepassing: - De inschrijver voegt de nodige documenten toe aan zijn offerte, waaruit de verbintenis van deze onderaannemers of andere entiteiten blijkt om de voor de opdracht noodzakelijke middelen ter beschikking te stellen van de inschrijver. XII-9485-4/23 Om de verbintenis van deze onderaannemers of andere entiteiten aan te tonen, kan de inschrijver gebruik maken van het modelformulier gevoegd als bijlage
  11. - Op deze onderaannemers of entiteiten op wiens draagkracht men beroep doet, mogen geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn. - Indien de opdrachtnemer beroep doet op draagkracht in het kader van studie- en beroepskwalificaties of relevante beroepservaring, is hij verplicht om voor de uitvoering van de opdracht daadwerkelijk beroep te doen op de onderaannemers op wiens draagkracht hij beroep doet. Het inzetten van andere onderaannemers is onderworpen aan de voorafgaande toestemming van de aanbestedende overheid (art 73 §1, lid 1 KB Plaatsing). - Indien de inschrijver een beroep doet op de draagkracht in het kader van economische en financiële criteria, zijn de inschrijver en de entiteiten of onderaannemer waarop deze zich beroept, hoofdelijk aansprakelijk voor de uitvoering van de opdracht. De entiteiten of onderaannemers in kwestie dienen deze hoofdelijke aansprakelijkheid schriftelijk te aanvaarden in de bovenvermelde verbintenis. Indien de voormelde schriftelijke aanvaarding niet wordt gegeven, kan de inschrijver zich dan niet op de draagkracht van die entiteit beroepen. Deze bepaling doet geen afbreuk aan krachtens andere wetten ingestelde hoofdelijke aansprakelijkheidsregelingen, met name op het vlak van sociale, fiscale of loonschulden. - De entiteiten of onderaannemers op wiens draagkracht beroep wordt gedaan, mogen zich niet bevinden in een grond tot uitsluiting als bedoeld in de artikelen 67 t.e.m. 69 van de Wet overheidsopdrachten. Indien dit wél het geval is, kan de aanbestedende overheid de vervanging vragen van de entiteit in kwestie. Het niet ingaan op een verzoek tot vervanging geeft aanleiding tot een beslissing tot niet- selectie. Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van ondernemers zonder rechtspersoonlijkheid (Tijdelijke maatschap - TM) zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of van andere entiteiten. Een combinatie van ondernemers dient als één geheel een offerte in. Zij duidt op het offerteformulier aan welke van de deelnemers de combinatie zal vertegenwoordigen ten aanzien van de aanbestedende overheid. Elke deelnemer aan de combinatie ondertekent de offerte en verbindt zich hoofdelijk ten aanzien van de aanbestedende overheid […]. Eenzelfde ondernemer kan slechts deelnemer zijn aan een combinatie of onderaannemer zijn van één inschrijver. (Uitzondering: dit is niet van toepassing op onderaannemers voor de bodemsanering). 7.
  12. Onderaanneming zonder beroep op de draagkracht De inschrijver wordt erop gewezen dat alle onderaannemers die zullen worden ingezet, op welke plaats in de onderaannemingsketen zij ook optreden, moeten voldoen aan de wetgeving inzake de erkenning van aannemers in verhouding tot het deel van de opdracht dat die onderaannemer zal uitvoeren (artikel 78/1 KB Uitvoering). XII-9485-5/23 De kandidaat wordt ook gewezen op de bepalingen van artikel 12/3 KB Uitvoering aangaande de beperking van de onderaannemingsketen tot 2 of 3 niveaus, naargelang de werken zijn ingedeeld in een ondercategorie

(2)of een categorie
(3)in de zin van artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken. Het is verboden voor een onderaannemer om het geheel van de opdracht dat hem werd toegewezen in onderaanneming te geven aan een andere onderaannemer. Het is eveneens verboden voor een onderaannemer om alleen de coördinatie van de opdracht te behouden. Het is steeds verboden om beroep te doen op onderaannemers die zich in één van de gevallen bevinden als bepaald in artikel 13 KB Uitvoering.” Onder punt 11.4, ‘Bij de offerte te voegen documenten (art 78 KB Plaatsing)’, wordt een opsomming gegeven van de documenten die samen de offerte uitmaken. Onder een onderdeel 7, ‘Selectie’, worden daarbij de “gevraagde documenten betreffende de selectiecriteria (zie art. 71 WOO)” genoemd, met name het “bewijs inzake erkenning” en het “bewijs van erkenning voor asbestverwijdering”. 3.
  1. Negen ondernemingen dienen een offerte in, waaronder de verzoekende partijen en de tussenkomende partij. 3.
  2. Op 15 december 2023 beslist de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de tussenkomende partij. 3.
  3. De verzoekende partijen stellen tegen die beslissing een eerste vordering in, strekkende tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid (zaak A. 241.429/XII- 9475). Na kennisname van het verzoekschrift trekt de verwerende partij de bestreden beslissing op 22 maart 2024 in. De intrekking steunt op de volgende redenen: “Lezing van het verzoekschrift noopt tot de conclusie en het (voortschrijdend) inzicht dat er op redactioneel vlak mogelijk een paar onvolkomenheden waren geslopen in het gunningsverslag. Het is dan ook XII-9485-6/23 zinvol om die suboptimale redactie ertoe aanleiding te laten geven om de genomen beslissing […] in te trekken. Op die manier wordt het pad geëffend om rekening houdend met de geformuleerde kritieken uit het verzoekschrift tot nietigverklaring en tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid gebeurlijke redactionele euvels te remediëren die nog in het gunningsverslag aan te treffen waren. Vervolgens zal zich dan een nieuwe beslissing opdringen gebaseerd op het aangepaste gunningsverslag.” Bij arrest nr. 259.353 van 29 maart 2024 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de gunningsbeslissing van 15 december 2023, op grond dat de vordering zonder voorwerp is geworden. 3.
  4. Ondertussen heeft het door de verwerende partij aangestelde studiebureau op 25 maart 2024 een aangepast gunningsverslag opgesteld. Onder het opschrift ‘Administratieve controle van de offertes’ wordt zowel ten aanzien van de tussenkomende partij als ten aanzien van de verzoekende partijen met betrekking tot de vereiste erkenningen en referenties “OK” vermeld. Hierbij wordt de volgende toelichting gegeven: “[…] Volgende aannemers beroepen [zich] op onderaannemers: […] • [de verzoekende partijen] beroep[en zich] op volgende onderaannemer o Bodemsanering: [S.] • [de tussenkomende partij] beroept [zich] op [de] draagkracht van volgende onderaannemer[s] o Asbestverwijdering: [A.] o Bodemsanering: [V.] […].” Als besluit van de administratieve controle worden de verzoekende partijen en de tussenkomende partij “administratief volledig in orde” bevonden. XII-9485-7/23 Finaal wordt de offerte van de tussenkomende partij op grond van het (enig) gunningscriterium ‘Inschrijvingsbedrag’ als eerste gerangschikt, en die van de verzoekende partijen als tweede. Dienvolgens wordt voorgesteld de opdracht te gunnen aan de tussenkomende partij. 3.
  5. Na een schriftelijke procedure, die loopt van 26 tot 28 maart 2024, wordt op 29 maart 2024 in het register van het directiecomité van de verwerende partij genoteerd dat het comité akkoord gaat met de bevindingen van het gunningsverslag en dat het de opdracht opnieuw gunt aan de tussenkomende partij. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Tussenkomst
  6. De tussenkomende partij blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XII-9485-8/23 VI. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 6.
  8. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 66, § 1, 71, 78 en 83 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), in samenhang met de artikelen 65, 66, 68 en 71 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), de punten 7.1, 7.3, 7.6 en 11.4 van de administratieve bepalingen van het bestek ‘Sloop Exide Huldenberg’ met project- en besteknummer 4130110004, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het zorgvuldigheidsbeginsel in samenhang met het formele motiveringsbeginsel, het materiële motiveringsbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Zij achten deze bepalingen en beginselen geschonden, “Doordat de bestreden beslissing in het kader van de selectie de [tussenkomende partij] heeft weerhouden en opgenomen in de selectie van inschrijvers, omdat zij niet, maar een onderaannemer wel een erkenning als asbestverwijderaar heeft en de [tussenkomende partij] derhalve voldoet aan deze, door het bestek voorgeschreven, minimale vereiste betreffende de geschiktheid om de beroepsactiviteit van asbestverwijderaar en dus ook de opdracht uit te voeren; Terwijl de [tussenkomende partij] niet aan het gestelde selectiecriterium voldoet omdat zij geen erkenning als asbestverwijderaar heeft en de erkenning van een onderaannemer als asbestverwijderaar niet ter zake doet, en derhalve de offerte van de [tussenkomende partij] als onregelmatig dient te worden geweerd; Zodat de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en algemene rechtsregels reeds op het eerste gezicht zonder meer schendt.” 6.
  9. In de toelichting bij het middel voeren de verzoekende partijen aan dat onder punt 7.1 van het bestek wordt bepaald dat de inschrijver onder meer moet beschikken over een erkenning voor het verwijderen van asbest. Dit vereiste wordt als een criterium van geschiktheid aan de inschrijvers opgelegd als voorwaarde voor hun deelname aan de opdracht. Voor een selectiecriterium dat betrekking heeft op de geschiktheid van de inschrijver om de opdracht uit te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.724 XII-9485-9/23 voeren, bedoeld in artikel 71, eerste lid, 1°, van de wet overheidsopdrachten 2016, is bij artikel 78 van dezelfde wet het beroep op andere entiteiten zoals onderaannemers uitgesloten. Uit het gunningsverslag blijkt dat de verwerende partij niet heeft onderzocht of de tussenkomende partij zelf beantwoordt aan het vereiste van een erkenning als asbestverwijderaar, maar integendeel genoegen genomen heeft met het feit dat die inschrijver zich beroept op de draagkracht van een onderaannemer die de bedoelde erkenning heeft. 6.
  10. Voorts wijzen de verzoekende partijen erop dat onder punt 7.3 van het bestek selectiecriteria zijn bepaald in verband met de technische en beroepsbekwaamheid, als bedoeld in artikel 71, eerste lid, 3°, van de wet overheidsopdrachten
  11. Die vereisten hebben te dezen betrekking op de ervaring van de inschrijver en op de kwalificaties en ervaring van de werfleider en de projectleider. Ook al kan voor die criteria overeenkomstig artikel 78 van de wet een beroep gedaan worden op de draagkracht van onderaannemers, dan nog kan aan die criteria slechts “op een afdoende wijze” voldaan zijn indien de gekozen inschrijver zelf als asbestverwijderaar is erkend en als zodanig geschikt bevonden kan worden om de opdracht uit te voeren. 6.
  12. Volgens de verzoekende partijen miskent de verwerende partij het belang van de asbestproblematiek van haar project. De erkenning als asbestverwijderaar is in het bestek opgenomen om de verwerende partij de zekerheid te geven over de geschiktheid van de inschrijver. Om aan dat erkenningsvereiste te voldoen, hebben de verzoekende partijen de moeite gedaan om een combinatie op te zetten. Dit heeft heel andere organisatorische, juridische en economische gevolgen dan het werken met een onderaannemer. Hoewel de tussenkomende partij niet voldoet aan het selectiecriterium inzake de erkenning als asbestverwijderaar, is zij toch opgenomen in de selectie. De verwerende partij heeft daardoor de voornoemde wetsbepalingen geschonden en de bepalingen van haar eigen bestek niet nageleefd. XII-9485-10/23 7.
  13. In haar nota voert de verwerende partij in hoofdorde aan dat de wetgeving inzake overheidsopdrachten onderaanneming en het beroep op de draagkracht van onderaannemers in het algemeen toelaat. Uitzonderingen op of beperkingen van die algemene mogelijkheid zijn slechts wettig voor zover ze noodzakelijk en proportioneel zijn. Zo kan de aanbestedende overheid overeenkomstig artikel 78, derde lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 eisen dat bepaalde kritieke taken rechtstreeks door de inschrijver zelf worden verricht, maar van die mogelijkheid heeft de verwerende partij te dezen geen gebruikgemaakt. Anders dan de verzoekende partijen aanvoeren, leest de verwerende partij in artikel 78, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 geen verbod van beroep op de draagkracht van een onderaannemer voor het vervullen van selectiecriteria inzake de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen. Het enkele feit dat artikel 78, eerste lid, niet uitdrukkelijk verwijst naar artikel 71, eerste lid, 1°, betekent namelijk niet dat het verboden is om voor een selectiecriterium als bedoeld in die laatste bepaling een beroep te doen op de draagkracht van een andere entiteit. De verwerende partij verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van 26 januari 2023, NV Construct, C-403/21, EU:C:2023:47, punt 72, waaruit volgens haar blijkt dat een beroep op de draagkracht van een andere entiteit wel degelijk mogelijk is in verband met de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen. Volgens de verwerende partij zou de interpretatie die de verzoekende partijen geven aan de punten 7.1 en 7.6 van het bestek leiden tot een disproportionele beperking op het gebruik van onderaanneming en meer algemeen op de toegang tot overheidsopdrachten, hetgeen in strijd zou zijn met het mededingings- en het evenredigheidsbeginsel gehuldigd in artikel 4, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten
  14. Die interpretatie zou ook tot de absurde situatie leiden dat een erkende asbestverwijderaar steeds verplicht zou zijn om zelf in te schrijven, als hoofdaannemer, eventueel in combinatie met anderen, ook als de asbestverwijdering slechts een beperkt onderdeel van de opdracht uitmaakt. Te dezen verplicht het bestek niet tot een dergelijke combinatie. Dat de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.724 XII-9485-11/23 verzoekende partijen een combinatie hebben opgericht, met daarin een erkende asbestverwijderaar, is een keuze die zij zelf hebben gemaakt. Te dezen is de verwijdering van asbest slechts een onderdeel van de litigieuze opdracht, en heeft “het hoofdvoorwerp – het eigenlijke voorwerp van de opdracht” betrekking op sloopwerken. 7.
  15. Subsidiair voert de verwerende partij aan dat, indien de Raad van State zou oordelen dat een beroep op de draagkracht van een onderaannemer niet mogelijk zou zijn in verband met de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, dit niets verandert aan het feit dat de verplichting om asbestverwijderingswerken te laten uitvoeren door een daartoe erkende firma reeds voortvloeit uit specifieke wetgeving, namelijk artikel 6bis van de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (hierna: welzijnswet) en de Codex over het welzijn op het werk, vastgesteld bij koninklijke besluiten van 28 april
  16. De verwerende partij was dus niet eens verplicht om de erkenning als asbestverwijderaar uitdrukkelijk als bestekvereiste op te nemen. Als zorgvuldige aanbesteder heeft zij het toch wenselijk gevonden om reeds in de fase van de plaatsing van de opdracht na te gaan of aan dat wettelijk vereiste voldaan zou worden. Indien de erkenning als asbestverwijderaar beschouwd zou worden als een selectiecriterium inzake de technische en beroepsbekwaamheid, als een technische specificatie of een regelmatigheidsvereiste, of als een bijzondere uitvoeringsvoorwaarde, zou een beroep op de draagkracht van een onderaannemer zonder meer toegestaan zijn. De verwerende partij had niet de intentie om voor het vereiste van de erkenning als asbestverwijderaar de mogelijkheid van beroep op de draagkracht van een onderaannemer uit te sluiten. In de hypothese dat de Raad van State zou oordelen dat een beroep op de draagkracht van een onderaannemer niet mogelijk is in verband met de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, zou zulks betekenen dat de kwalificatie van het litigieuze erkenningsvereiste als een selectiecriterium inzake de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen onwettig is – omdat ze het beroep op onderaanneming uitsluit – en niet strookt met de bedoeling van de verwerende partij om onderaanneming toe te staan. XII-9485-12/23 De verwerende partij besluit als volgt. Ofwel wordt het bestek geïnterpreteerd in overeenstemming met de wetgeving inzake overheidsopdrachten en de intentie van de verwerende partij, in die zin dat het beroep op een onderaannemer niet wordt uitgesloten; in die hypothese is het middel niet ernstig omdat de tussenkomende partij kan steunen op de erkenning van haar onderaannemer A. als asbestverwijderaar. Ofwel wordt het bestek geïnterpreteerd als voorgehouden door de verzoekende partijen, in de zin dat geen beroep gedaan kan worden op de draagkracht van een onderaannemer, maar dan staat vast dat de betrokken bestekbepalingen onwettig zijn; in die hypothese hebben de verzoekende partijen geen wettig belang bij hun middel, dat bij hypothese geënt is op een onwettige bepaling, en is het middel onontvankelijk. 7.
  17. De verwerende partij gaat ook nog in op de aangevoerde schending van de motiveringsplicht en de andere in het middel aangevoerde grieven. Zij is van oordeel dat zij wel degelijk een zorgvuldig onderzoek naar de vereiste erkenning als asbestverwijderaar heeft gedaan. Nu zij op dit punt geen problemen heeft vastgesteld, volstond de beknopte motivering in het gunningsverslag dat de tussenkomende partij zich voor dat erkenningsvereiste beriep op de draagkracht van haar onderaannemer A. 8.
  18. De tussenkomende partij voert in hoofdorde aan dat de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, bedoeld in artikel 71, eerste lid, 1°, van de wet overheidsopdrachten 2016, volgens artikel 66 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 voor aannemers van werk begrepen moet worden als een inschrijving in het handelsregister, met name de Kruispuntbank van Ondernemingen. Aan dat vereiste voldoet zij. Zij voert voorts aan dat inschrijvers aan selectiecriteria inzake de technische en beroepsbekwaamheid, bedoeld in artikel 71, eerste lid, 3°, van de wet overheidsopdrachten 2016, overeenkomstig artikel 78 van de wet en artikel 73, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 kunnen voldoen door een beroep te doen op de draagkracht van een onderaannemer. Het vereiste om erkend te zijn voor asbestverwijdering wordt in het bestek aangemerkt als een vereiste inzake de geschiktheid om een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.724 XII-9485-13/23 beroepsactiviteit uit te oefenen. Het gaat evenwel om een vereiste op het vlak van de technische en beroepsbekwaamheid. Dit blijkt uit artikel 6bis van de welzijnswet en artikel VI.4-4 van de Codex over het welzijn op het werk, waarin voor het verkrijgen van de erkenning eisen gesteld worden op het vlak van respectievelijk “technische bekwaamheden” en “technische en organisatorische onderlegdheid”. Het erkenningsvereiste is aldus een voorwaarde als bedoeld in artikel 68, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, namelijk een voorwaarde “opdat ondernemers over de noodzakelijke personele en technische middelen en ervaring beschikken om de opdracht volgens een passend kwaliteitsniveau uit te voeren”. Als vereiste inzake de technische en beroepsbekwaamheid komt het bedoelde erkenningsvereiste in aanmerking voor een beroep op de draagkracht van een andere entiteit. Artikel 73, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 bepaalt dat de juridische aard van de band tussen de inschrijver en die entiteit irrelevant is. Het hoeft dus niet te gaan om een samenwerkingsovereenkomst of een personenvennootschap. 8.
  19. Subsidiair, voor zover het vereiste van de erkenning voor asbestverwijdering beschouwd zou worden als een criterium inzake de geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen (quod non), zou dit betekenen dat een combinatie van ondernemers zich niet kan beroepen op de draagkracht van slechts één van de deelnemers aan de combinatie. Dit volgt volgens de tussenkomende partij uit artikel 73, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing
  20. Volgens die bepaling kan een combinatie van ondernemers zich beroepen op de draagkracht van “de deelnemers” aan de combinatie. De verzoekende partijen voldoen niet aan die voorwaarde, aangezien slechts één van hen beschikt over een erkenning voor de verwijdering van asbest. In de bedoelde hypothese hebben de verzoekende partijen dan ook geen belang bij hun vordering. XII-9485-14/23 Beoordeling
  21. In verband met de selectiecriteria bepaalt artikel 71 van de wet overheidsopdrachten 2016 het volgende: “Het selectiecriterium of de selectiecriteria kunnen betrekking hebben op : 1° geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen; en/of 2° de economische en financiële draagkracht; en/of 3° de technische en beroepsbekwaamheid. De aanbestedende overheid mag alleen deze criteria als voorwaarde voor deelname opleggen aan de kandidaten en inschrijvers. Zij beperken deze voorwaarden tot die welke kunnen garanderen dat een kandidaat of inschrijver over de juridische en financiële middelen en de technische bekwaamheden en beroepsbekwaamheden beschikt om de te gunnen opdracht uit te voeren. Alle voorwaarden houden verband met en staan in verhouding tot het voorwerp van de opdracht. De Koning geeft nadere invulling aan de modaliteiten voor het vaststellen van deze voorwaarden.” In verband met het selectiecriterium bedoeld in artikel 71, eerste lid, 1°, bepaalt artikel 66 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 het volgende: “Met betrekking tot de geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen kan de aanbestedende overheid van ondernemers eisen dat zij zijn ingeschreven bij een van de in de lidstaat van vestiging bijgehouden beroeps- of handelsregisters, als omschreven in bijlage 10, of dat zij voldoen aan andere eisen in die bijlage. Bij plaatsingsprocedures van opdrachten voor diensten kan de aanbestedende overheid, voor zover ondernemers moeten beschikken over een bepaalde vergunning of lid moeten zijn van een bepaalde organisatie om in hun land van herkomst de betrokken dienst te verlenen, van deze ondernemers eisen dat zij het bewijs leveren van die vergunning of van dat lidmaatschap.” In verband met het selectiecriterium bedoeld in artikel 71, eerste lid, 3°, bevat artikel 68 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 onder meer de volgende bepalingen: “§
  22. Met betrekking tot de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid kan de aanbestedende overheid voorwaarden opleggen opdat ondernemers over de noodzakelijke personele en technische middelen en ervaring beschikken om de opdracht volgens een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.724 XII-9485-15/23 passend kwaliteitsniveau uit te voeren. De aanbestedende overheid kan met name eisen dat de ondernemers een voldoende mate van ervaring hebben die kan worden aangetoond met geschikte referenties inzake in het verleden uitgevoerde opdrachten. §
  23. In geval van een opdracht voor werken, een opdracht voor leveringen waarvoor plaatsings- of installatiewerkzaamheden nodig zijn of een opdracht voor diensten, kan de aanbestedende overheid : 1° de technische of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers om de werken of de installatie uit te voeren of de diensten te verstrekken beoordelen aan de hand van met name hun knowhow, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid; 2° de rechtspersonen verplichten om in hun aanvraag tot deelneming of in hun offerte de namen en de beroepskwalificaties te vermelden van de personen die belast zijn met de uitvoering van de opdracht. §
  24. De technische en beroepsbekwaamheid van de ondernemer kan worden aangetoond op één of meer van de wijzen bedoeld in paragraaf 4, naargelang de aard, de hoeveelheid of het belang en het gebruik van de werken, leveringen of diensten. §
  25. Bewijsmiddelen van de technische bekwaamheid van de ondernemer zijn : […] 6° de studie- en beroepskwalificaties van de dienstverlener of de aannemer of die van het leidinggevend personeel van de onderneming, mits zij niet als een gunningscriterium worden gehanteerd; […].”
  26. Aangezien de aanbestedende overheid het best in staat is om haar eigen behoeften te beoordelen, beschikt zij over een beoordelingsruimte voor de vaststelling van de selectiecriteria. Overeenkomstig artikel 71 van de wet overheidsopdrachten 2016 beschikt zij dus over een zekere vrijheid om de voorwaarden voor deelneming aan de gunningsprocedure vast te stellen die naar haar oordeel verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht, en kunnen garanderen dat een kandidaat of een inschrijver over de juridische en financiële middelen en de technische bekwaamheden en beroepsbekwaamheden beschikt om de te gunnen opdracht uit te voeren. Bij de uitoefening van deze beoordelingsbevoegdheid kan de aanbestedende overheid besluiten om onder de selectiecriteria verplichtingen op te nemen die voortvloeien uit een bijzondere regelgeving die van toepassing is op activiteiten die in het kader van de uitvoering van de overheidsopdracht zullen moeten worden verricht. XII-9485-16/23
  27. In verband met het beroep op de draagkracht van andere entiteiten bevat artikel 78, eerste, derde en vierde lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 de volgende bepalingen: “Een ondernemer kan, in voorkomend geval en voor een bepaalde opdracht, zich beroepen op de economische en financiële draagkracht en de technische en beroepsbekwaamheid van andere entiteiten zoals bedoeld in artikel 71, eerste lid, 2° en 3°. […] In het geval van overheidsopdrachten voor werken, diensten en plaatsings- of installatiewerkzaamheden in het kader van een opdracht voor leveringen kan de aanbestedende overheid eisen dat bepaalde kritieke taken rechtstreeks door de inschrijver zelf worden verricht, of wanneer de offerte door een combinatie van ondernemers als bedoeld in artikel 8, § 2, is ingediend, door een deelnemer aan die combinatie. De Koning kan de nadere materiële en procedurele regels bepalen.” Ter uitvoering van het laatste lid bepaalt artikel 73, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 het volgende: “Overeenkomstig artikel 78 van de wet, kan een ondernemer zich eventueel en voor een welbepaalde opdracht beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten, met betrekking tot de in artikel 67 bedoelde criteria inzake economische en financiële draagkracht en de in artikelen 68 en 70 bedoelde criteria inzake technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid. Wat betreft de in artikel 68, § 4, 6°, bedoelde criteria inzake de studie- en beroepskwalificaties, of inzake de relevante beroepservaring, mogen de ondernemers zich evenwel slechts beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer laatstgenoemde de werken of diensten waarvoor die draagkracht vereist is, zal uitvoeren. Wanneer een ondernemer zich op de draagkracht van andere entiteiten wil beroepen, toont hij ten behoeve van de aanbestedende overheid aan dat hij zal kunnen beschikken over de nodige middelen, met name door overlegging van een verbintenis daartoe van deze andere entiteiten. De aanbestedende overheid gaat overeenkomstig de artikelen 73 tot 76 van de wet na of de entiteiten op wier draagkracht een ondernemer zich wil beroepen, aan de selectiecriteria voldoen en of voor hen uitsluitingsgronden bestaan, onverminderd de mogelijkheid tot corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 70 van de wet. De aanbestedende overheid eist dat de ondernemer een entiteit waartegen gronden tot uitsluiting bestaan als bedoeld in de artikelen 67 en 68 van de wet of die niet voldoet aan een toe te passen selectiecriterium, vervangt. De aanbestedende overheid kan bovendien eisen dat de ondernemer een entiteit waarbij er niet-verplichte uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 69 van de wet aanwezig zijn, XII-9485-17/23 vervangt. Het niet ingaan op een verzoek tot vervanging geeft aanleiding tot een beslissing tot niet-selectie. Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van ondernemers zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of van andere entiteiten.”
  28. Te dezen bevat het bestek, deel I, ‘Administratieve bepalingen’, op het voorblad de vermelding dat twee erkenningen als aannemer vereist zijn: een erkenning als aannemer categorie G5, klasse 5, en een “erkenning asbestverwijdering”. Onder punt 7 worden de selectiecriteria bepaald. Onder punt 7.1, ‘Geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen’, wordt herhaald dat de inschrijver erkend moet zijn als aannemer in de klasse en categorie als hiervoor genoemd (eerste gedachtestreepje), en daarenboven “conform het KB van 28/03/2007” dient te beschikken over een erkenning voor het verwijderen van asbest (tweede gedachtestreepje). Onder punt 7.2, ‘Economische en financiële draagkracht’, wordt bepaald dat er op dit punt géén minimale vereisten zijn. Onder punt 7.3, ‘Technische en beroepsbekwaamheid’, ten slotte, worden vereisten gesteld in verband met een referentie die de inschrijver moet kunnen voorleggen en in verband met de ervaring waarvan de werf- en projectverantwoordelijken blijk moeten geven. Punt 7.4 ‘Erkenning (art 70 KB Plaatsing)’ gaat verder in op de erkenning (klasse en categorie) waarnaar verwezen wordt in punt 7.1, eerste gedachtestreepje. Punt 7.6 van het bestek gaat over het beroep op de draagkracht van een derde. Daarin wordt bepaald dat de inschrijver zich, “met het oog op het voldoen aan de voormelde selectiecriteria”, kan beroepen op “de economische en financiële draagkracht en/of de technische en beroepsbekwaamheid” van andere entiteiten, waaronder onderaannemers.
  29. Punt 7.6 van het bestek, gelezen in samenhang met punt 7.1, is voor twee interpretaties vatbaar. Volgens een eerste interpretatie zou de mogelijkheid om een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten slechts bestaan met het oog XII-9485-18/23 op het voldoen aan de selectiecriteria inzake economische en financiële draagkracht en inzake technische en beroepsbekwaamheid. A contrario zou die mogelijkheid dan niet bestaan met betrekking tot de selectiecriteria inzake de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen. Volgens een tweede interpretatie zou de mogelijkheid om een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten gelden met het oog op het voldoen aan “de”, dit wil zeggen àlle selectiecriteria. Die mogelijkheid zou dan óók bestaan met betrekking tot de selectiecriteria inzake de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen. De eerste interpretatie sluit het nauwst aan bij de tekst van artikel 78, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten
  30. Daarin wordt de mogelijkheid om zich te beroepen op de economische en financiële draagkracht en de technische en beroepsbekwaamheid van andere entiteiten gesitueerd in het kader van de selectiecriteria “bedoeld in artikel 71, eerste lid, 2° en 3°, [van de wet overheidsopdrachten 2016]”. Nog duidelijker is artikel 73, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, volgens welke bepaling het beroep op de draagkracht van andere entiteiten mogelijk is “met betrekking tot de in artikel 67 bedoelde criteria inzake economische en financiële draagkracht en de in artikelen 68 en 70 bedoelde criteria inzake technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid”. Noch in artikel 78 van de wet overheidsopdrachten 2016, noch in artikel 73 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 wordt bepaald dat het beroep op de draagkracht van andere entiteiten mogelijk is met betrekking tot de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, bedoeld in artikel 71, eerste lid, 1°, van de wet overheidsopdrachten 2016 en artikel 66 van het koninklijk besluit plaatsing
  31. Op het eerste gezicht lijkt het beroep op de draagkracht van een onderaannemer aldus niet mogelijk te zijn voor het voldoen aan een selectiecriterium inzake de geschiktheid om een beroep uit te oefenen. Punt 7.6 van het bestek wordt, voor wat volgt, in die zin geïnterpreteerd.
  32. Zoals hiervoor aangegeven, staat het aan de aanbestedende overheid om de selectiecriteria te bepalen. XII-9485-19/23 Te dezen heeft de verwerende partij het vereiste inzake de erkenning als asbestverwijderaar onder punt 7.1 van het bestek aangemerkt als een selectiecriterium inzake de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen. Op grond van het beginsel patere legem quam ipse fecisti dient de verwerende partij die eigen keuze te eerbiedigen, en daaruit de gevolgen te trekken die daaruit voortvloeien. Op straffe van onregelmatigheid van hun offerte, dienen ook de inschrijvers uit te gaan van de selectiecriteria zoals die in het bestek zijn bepaald. De omstandigheid dat de verwerende partij niet de bedoeling gehad zou hebben om de gevolgen te aanvaarden die voortvloeien uit de kwalificatie als selectiecriterium inzake de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, lijkt prima facie irrelevant voor de beoordeling van de wettigheid van haar selectiebeslissing. Evenmin lijkt rekening gehouden te mogen worden met een andere kwalificatie die eventueel aan het litigieuze erkenningsvereiste gegeven zou kunnen worden, zoals voorgesteld door de tussenkomende partij.
  33. Er lijkt bovendien des te minder reden te zijn om de kwalificatie van het litigieuze erkenningscriterium als selectiecriterium inzake de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, in twijfel te trekken, nu het gaat om een vereiste dat bij een specifieke regelgeving wordt opgelegd om werkzaamheden uit te oefenen die deel uitmaken van de betrokken overheidsopdracht. Overeenkomstig artikel 6bis, tweede lid, van de welzijnswet dient elke werkgever die sloop- of verwijderingswerkzaamheden uitvoert waarbij belangrijke hoeveelheden asbest kunnen vrijkomen, met het oog op de bescherming van de werknemers waarop hij een beroep doet voor het uitvoeren van die werken, erkend te worden. Artikel 6bis, derde lid, van de voornoemde wet bepaalt dat de Koning “de voorwaarden [bepaalt] waaronder en de nadere regels volgens welke” de bedoelde werkgevers erkend worden. In het bestek wordt te dezen, bij de vermelding in punt 7.1 van het vereiste van de erkenning voor het verwijderen van asbest, verwezen naar het “KB van 28/03/2007”, waarmee kennelijk het koninklijk besluit van 28 maart 2007 ‘betreffende de erkenning van ondernemingen en werkgevers die sloop- of verwijderingswerkzaamheden uitvoeren waarbij belangrijke hoeveelheden asbest kunnen vrijkomen’ wordt bedoeld. Dat besluit is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.724 XII-9485-20/23 evenwel opgeheven bij koninklijk besluit van 28 april
  34. De bepalingen van het voornoemde koninklijk besluit van 28 maart 2007 zijn thans terug te vinden in boek VI van de Codex over het welzijn op het werk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 april 2017, meer bepaald in titel 4, ‘Erkenning van asbestverwijderaars’, van dat boek VI. Overeenkomstig artikel VI.4-3 van de Codex over het welzijn op het werk mogen enkel de ondernemingen erkend volgens de bepalingen van titel 4 de benaming van “Onderneming voor asbestverwijdering erkend door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg” dragen en sloop- of verwijderingswerkzaamheden verrichten waarbij belangrijke hoeveelheden asbest kunnen vrijkomen. De bedoelde erkenning verleent aldus aan de houder ervan de wettelijke bekwaamheid om de in de reglementering bedoelde sloop- of verwijderingswerkzaamheden te verrichten. Aldus lijkt ze beschouwd te kunnen worden als een vereiste in verband met de geschiktheid van de houder om de bedoelde beroepsactiviteit uit te oefenen. De erkenning is volgens de bedoelde reglementering slechts vereist voor sloop- of verwijderingswerkzaamheden waarbij “belangrijke hoeveelheden” asbest kunnen vrijkomen. Uit de opdrachtdocumenten kan niet afgeleid worden hoe belangrijk de verwachte hoeveelheid vrijkomend asbest is. De verwerende partij voert aan dat de opdracht hoofdzakelijk bestaat uit sloopwerken, en dat het verwijderen van asbest slechts een bijkomend aspect ervan is, maar zij lijkt niet te betwisten dat het inderdaad kan gaan om belangrijke hoeveelheden vrijkomende asbest. Als aanbestedende overheid lijkt zij overigens selectiecriteria te mogen opleggen die strengere eisen bevatten dan de minimumeisen die een specifieke regeling stelt.
  35. Uit de samenlezing van de punten 7.1 en 7.6 van het bestek, geïnterpreteerd als hiervoor uiteengezet, lijkt te volgen dat het te dezen voor een inschrijver niet mogelijk is om een beroep te doen op de draagkracht van een andere entiteit, zoals een onderaannemer, om te voldoen aan het vereiste van de erkenning voor het verwijderen van asbest. XII-9485-21/23 De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten niet dat de tussenkomende partij zelf niet beschikte over de bedoelde erkenning, maar daarvoor een beroep deed op de draagkracht van een onderaannemer, A. Derhalve lijkt prima facie geconcludeerd te moeten worden dat de verwerende partij, door de tussenkomende partij niettemin te selecteren, gehandeld heeft met miskenning van punt 7.6 van het bestek, artikel 78, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016, artikel 73, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, en het algemeen beginsel patere legem quam ipse fecisti.
  36. Ten slotte moet opgemerkt worden dat, anders dan de tussenkomende partij aanvoert, uit artikel 73, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 niet lijkt voort te vloeien dat een combinatie van ondernemers zich niet kan beroepen op de draagkracht van één van de deelnemers aan de combinatie om te voldoen aan een selectiecriterium inzake de geschiktheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen. Een dergelijke interpretatie lijkt immers afbreuk te doen aan de essentie zelf van een combinatie, die erin bestaat dat de draagkracht van de deelnemers samengevoegd wordt. In zoverre de tussenkomende partij subsidiair opwerpt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun middel, op grond dat zij zelf niet zouden voldoen aan het selectiecriterium bedoeld in punt 7.1 van het bestek, lijkt haar exceptie niet ernstig te zijn.
  37. Het middel is in de besproken mate ernstig. VII. Besluit
  38. Het enig middel is in de aangegeven mate ernstig. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook ingewilligd. BESLISSING
  39. Het verzoek van de nv Hens tot tussenkomst wordt ingewilligd. XII-9485-22/23
  40. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het directiecomité van de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij Vlaams-Brabant, aangenomen via een schriftelijke procedure van 26 tot 28 maart 2024, waarbij de overheidsopdracht voor sloop- en saneringswerken voor het Vlaamse deel van de Florivalsite wordt gegund aan de nv Hens. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Paul Lemmens XII-9485-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.724 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.664 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.195 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.