← België

Arrest 259734 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 15/05/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.734 Rolnummer: A. 241839/XII-9585 Zaak: Arrest 259734 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 15/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-21 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-11 02:24 Fiche Arrest nr 259.734 van 15 mei 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK WAARNEMEND VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 259.734 van 15 mei 2024 in de zaak A. 241.839/XIV-39.410 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benjamin Herman kantoor houdend te 8300 Knokke-Heist Natiënlaan 237 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franky De Mil kantoor houdende te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 3 mei 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 april 2024 van de Nederlandstalige multidisciplinaire kamer van de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg waarbij verzoekers visum wordt ingetrokken. XIV-39.410-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 mei 2024, om 11 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benjamin Herman, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Franky De Mil, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.1 Verzoeker is huisarts. 3.
  4. Bij brief van 18 januari 2024 richt de Orde der Artsen van Antwerpen een schrijven aan de Nederlandstalige multidisciplinaire Kamer van de Federale Commissie voor toezicht (hierna: de toezichtcommissie ) waarin zij de vrees uit dat verzoeker niet meer over de fysieke of psychische geschiktheid beschikt om zonder risico’s de uitoefening van de geneeskunde voort te zetten en dat hij de regels inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg niet naleeft zodat er voor zware gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid kan worden gevreesd. XIV-39.410-2/12 3.
  5. Naar aanleiding van het voormelde schrijven wordt verzoeker bij brief van 13 februari 2024 door de toezichtcommissie opgeroepen om gehoord te worden op de zitting van 1 maart
  6. Op 1 maart 2024 wordt verzoeker gehoord door de toezichtcommissie, bijgestaan door zijn collega en tevens huisarts V. V. 3.
  7. Op 4 maart 2024 besluit de toezichtcommissie de beslissing uit te stellen en verzoeker de mogelijkheid te bieden om voor 28 maart 2024 de nodige bewijzen en documenten te verschaffen die hem vrijpleiten van de beschuldigingen. Er wordt tevens meegedeeld dat een toxicologisch haaronderzoek bijkomend kan worden voorgelegd als bewijs. Tot slot wordt meegedeeld dat indien blijkt dat toch niet aan de voorwaarden wordt voldaan, het visum alsnog kan worden ingetrokken. 3.
  8. Op 6 maart 2024 wordt door de Orde der Artsen nog een e-mail meegedeeld van de arts inspecteur bij het RIZIV die er op wijst dat verzoeker de voorwaarden waaronder zijn visum werd teruggegeven heeft geschonden door medicatie aan zichzelf voor te schrijven. 3.
  9. Op 19 april 2024 komt de toezichtcommissie tot de conclusie dat er onvoldoende bewijsstukken werden aangeleverd door verzoeker en besluit zijn visum in te trekken. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Over de aanvullende nota van verzoeker
  10. Op 13 mei 2024 legt verzoeker, daags voor de terechtzitting, een aanvullende nota neer. XIV-39.410-3/12
  11. Het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 5 december 1991) voorziet niet in de mogelijkheid om een aanvullende nota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van de vordering, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de door verzoeker neergelegde aanvullende nota op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de voornoemde nota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, zoals te dezen, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  12. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  13. Ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid, laat verzoeker vooreerst gelden dat hij door de intrekking van zijn visum geen enkele activiteit als huisarts meer kan verrichten en dat de verschillende toegangen tot portalen vanaf 2 mei 2024 voor hem werden geblokkeerd. Hij XIV-39.410-4/12 benadrukt dat hij niet meer kan tariferen en voorschrijven, dus niet meer kan werken en dat evenmin de reeds uitgevoerde consultaties nog kunnen worden aangerekend. Hieruit blijkt volgens verzoeker dat de kwaliteit en de toegankelijkheid van de zorg voor zijn patiënten meteen in het gedrang komt en dat er geen alternatieve oplossingen mogelijk zijn door het gebrek aan huisartsen in het algemeen en de beperkte capaciteit van andere huisartsen. Daarnaast benadrukt verzoeker dat de bestreden beslissing ernstige persoonlijke implicaties tot gevolg heeft, hierbij verwijzend naar een verklaring van zijn behandelend arts waarin wordt gesteld dat “de opgelegde maatregel ontwrichtend [is] voor [verzoeker] die zo in een psychisch kwetsbare positie wordt gemanoeuvreerd” en waarbij door de betreffende arts “meerdere risicofactoren [worden gezien] die kunnen leiden tot psychische decompensatie”, hierbij “ [n]iet exhaustief [denkende] aan het gevoel onrecht te zijn aangedaan, reputatieschade naar patiënten toe alsook naar andere [c]ollega’s […] en financiële schade”. Tevens ervaart verzoeker het gegeven dat hij bij het intikken van zijn naam “bij zorgverleners” niet meer is terug te vinden als denigrerend en vernederend. Tot slot laat verzoeker gelden dat er ook ernstige financiële gevolgen zijn verbonden aan de intrekking, nu al zijn financiële middelen wegvallen waardoor hij op heel korte termijn niet meer zal kunnen instaan voor zijn levensbehoeftes. Dit blijkt volgens verzoeker ook uit de verklaring van de boekhouder R. V. G.. Verzoeker benadrukt dat hij geen andere inkomsten heeft dan deze uit zijn huisartsenpraktijk en door het opdrogen van deze inkomstenbron hij zich geconfronteerd ziet met een cashmatig verlies van minstens 13.000,00 euro. Beoordeling
  14. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot XIV-39.410-5/12 een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in XIV-39.410-6/12 een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  15. Hoewel de Raad van State geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat verzoeker niet met gepaste spoed en diligentie zijn vordering heeft ingesteld eenmaal hij van de bestreden beslissing kennis heeft gekregen, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan.
  16. In zoverre verzoeker zich beroept op een financieel nadeel, dient vooreerst te worden vastgesteld dat hij dat nadeel koppelt aan de intrekking van zijn visum. Hoewel het zich laat verstaan dat deze intrekking voor verzoeker ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak en dat het volledig wegvallen van zijn beroepsinkomen als huisarts op een wezenlijke wijze zijn levensstandaard aantast, dan nog is vereist dat verzoeker, wil hij spoedeisendheid -te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid-, verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens én stavingstukken, dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of om zijn belangen veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid -laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid- tenzij verzoeker concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat hij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten, bewijs dat zoals hierna zal blijken door verzoeker niet wordt geleverd. Ter staving van zijn standpunt legt verzoeker een verklaring van zijn boekhouder voor. Dit stuk volstaat niet, nu, op basis van deze verklaring, los XIV-39.410-7/12 van de vraag of dit een afdoend, overtuigend boekhoudkundig document vormt, weliswaar wordt bevestigd dat zijn vennootschap tijdelijk zal worden geconfronteerd met een cash-out van om en bij de 13.000 euro, zonder dat evenwel een overtuigend inzicht wordt verschaft over de impact door het teloor gaan van zijn beroepsinkomen verworven op grond van verzoekers hoedanigheid van huisarts, op zijn financiële en vermogenstoestand vooraleer de gewone schorsingsprocedure is doorlopen. Vermits het hoe dan ook aan verzoeker toekomt om door middel van overtuigende stukken een globaal en betrouwbaar inzicht te geven van de financiële toestand, zodat de Raad van State het door verzoeker aangevoerde financieel nadeel met kennis van zaken kan beoordelen, volstaat de vaststelling dat verzoeker met het enige stuk dat hij bijbrengt verzuimt ter zake enig zicht te geven in zijn financiële toestand op een wijze die de Raad van State zou toelaten een getrouw beeld te krijgen van het geclaimde financiële nadeel. Het bijgebrachte stuk toont bijgevolg niet aan dat verzoeker door de bestreden beslissing in een dermate precaire financiële situatie terechtkomt dat hij de duur die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt niet zal kunnen dragen en die zou verantwoorden dat zijn vordering bij voorrang dient te worden behandeld. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet op afdoende wijze aantoont dat hij de duur van de gewone schorsingsprocedure niet kan overbruggen alvorens hij in zware onherstelbare financiële problemen geraakt. Het door hem ingeroepen financieel nadeel volstaat te dezen op zich niet om een behandeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het voorliggende beroep te verantwoorden.
  17. In zoverre verzoeker aanvoert dat de kwaliteit en de toegankelijkheid van de zorg voor zijn patiënten meteen in het gedrang komt en dat er geen alternatieve oplossingen mogelijk zijn door het gebrek aan huisartsen in het algemeen en de beperkte capaciteit van andere huisartsen, volstaat de vaststelling dat deze nadelen evenmin ter adstructie van de uiterst dringende XIV-39.410-8/12 noodzakelijkheid kunnen worden aangevoerd, nu de uiterst dringende noodzakelijkheid in hoofde van verzoeker moet bestaan. Gevolgen voor derden, zoals te dezen in hoofde van patiënten, kunnen de uiterst dringende noodzakelijkheid bijgevolg niet aantonen, nu zulks immers niet aantoont dat verzoeker door deze vermeende nadelen, zich persoonlijk in een toestand bevindt “met onherroepelijke schadelijke gevolgen”.
  18. In zoverre verzoeker zich beroept op “reputatieschade”, in het bijzonder naar patiënten toe alsook naar andere collega’s en een gebeurlijke psychische schade, laat het zich verstaan dat de bestreden maatregel van de intrekking van zijn visum verzoeker onmiskenbaar moreel schaadt. Verzoeker maakt evenwel niet aannemelijk dat die morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, hem in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing en te stellen dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dit moreel nadeel ongedaan kan maken en zijn naam opnieuw kan zuiveren. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat verzoeker ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan. Verzoeker tracht zulks aan te tonen aan de hand van een verklaring van zijn behandelend arts. Daarnaast beklemtoont hij dat hij het niet meer verschijnen van zijn naam “bij zorgverleners” als denigrerend en vernederend ervaart. Daargelaten de vaststelling dat het nadeel, veroorzaakt door het niet meer verschijnen van zijn naam, zich reeds heeft voltrokken en een gebeurlijke schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dit nadeel bijgevolg niet meer kan voorkomen, maakt zijn betoog, louter gesteund op een verklaring van zijn behandelend arts, niet aannemelijk dat het aangevoerde moreel nadeel en in het bijzonder de reputatieschade van dien aard en omvang zijn dat verzoeker ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan en zulks los van de vraag of de ingeroepen XIV-39.410-9/12 reputatieschade van dien aard is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen.
  19. Tot slot lijkt de verwerende partij te moeten worden bijgevallen in haar verweer dat verzoeker de ingeroepen nadelen mogelijks had kunnen voorkomen door tijdig gevolg te geven aan de eerdere beslissing van de verwerende partij tot uitstel met suggestie om een toxicologisch haaronderzoek bij te brengen als bewijs, los van de interpretatie door verzoeker naar de relevantie hiervan.
  20. Uit wat voorafgaat, volgt dat geen uiterst dringende noodzakelijkheid is aangetoond hoewel die procedure slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter door een verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond, daarbij in acht genomen dat de vordering tot schorsing, ook deze bij uiterst dringende noodzakelijkheid, “op elk moment” kan worden ingesteld. Evenmin is aangetoond dat het doorlopen van de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
  21. De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond. VII. Conclusie
  22. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-39.410-10/12 XIV-39.410-11/12
  24. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  25. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps XIV-39.410-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.734 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.