id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.804 Rolnummer: A. 237986/VII-41822 Zaak: Arrest 259804 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-31 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-06 21:07 Fiche Arrest nr 259.804 van 21 mei 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.804 no lien 277253 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 259.804 van 21 mei 2024 in de zaak A. 237.986/VII-41.822 In zake : de NV CAMPUS LUITENANT COPPENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolas Janssens kantoor houdend te 2820 Bonheiden Mechelsesteenweg 339 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Jef Goffings kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BV BOLCKMANS WAREHOUSING & OFFICES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Greg Jacobs kantoor houdend te 1210 Brussel Kunstlaan 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 21 december 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0229 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 10 november 2022 in de zaak 2122-RvVb-0238-A. VII-41.822-1/12 II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 26 januari 2023. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bv Bolckmans Warehousing & Offices heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 12 april 2023. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 4 juli 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 april 2024. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die loco advocaat Nicolas Janssens verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Hannelore Donné, die loco advocaten Chris Schijns en Jef Goffings verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Greg Jacobs, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. VII-41.822-2/12 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij vraagt een omgevingsvergunning voor de bouw van een complex bestaande uit 10 KMO-units, 24 ateliers, 24 half ondergrondse garages en een energiesysteem. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen weigert de gevraagde vergunning op 11 maart 2021. Na beroep van de tussenkomende partij besluit de verwerende partij op 6 oktober 2021 om de vergunning onder voorwaarden te verlenen. 3.2. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van 6 oktober 2021. Het verklaart daartoe de exceptie gegrond dat de verzoekende partij niet getuigt van het vereiste belang bij het beroep. IV. Onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel Uiteenzetting van het onderdeel 4. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 105, § 2, 2°, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, 1°, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, de artikelen 13 en 149 van de Grondwet, artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 9 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende de toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. VII-41.822-3/12 Zij komt op tegen de beoordeling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat zij niet getuigt van het vereiste belang bij haar beroep, specifiek met betrekking tot de door haar aangevoerde mobiliteitshinder. Het bestreden arrest zou volgens de verzoekende partij de belangvereiste op een overdreven formalistische en té restrictieve wijze hebben beoordeeld, en daardoor de voormelde bepalingen schenden. De verzoekende partij zet uiteen dat zij in haar beroepsschrift uitdrukkelijk had gesteld dat zij niet enkel eigenaar is van de naastliggende kantoorsite, doch dat zij die ook exploiteert door de daar aanwezige kantoorruimte te verhuren. De zeer geringe afstand tussen het voorwerp van de vergunning en haar eigendom vormen volgens de verzoekende partij reeds een belangrijke objectieve maatstaf om te beoordelen of zij gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van de afgeleverde vergunning. Zo ook zou door de verzoekende partij een voldoende link zijn gelegd tussen de vermeende hinder en haar activiteiten doordat zij heeft aangevoerd te vrezen voor de negatieve impact op de mobiliteit en de bedrijfsvoering in de onmiddellijke omgeving van de projectsite. Standpunt van de andere partijen 5. De verwerende partij antwoordt dat het middelonderdeel niet kan worden aangenomen omdat het de Raad van State zou verplichten om de feitelijke omstandigheden van de zaak te beoordelen, wat hem als cassatierechter niet is toegestaan. Verder zou het middelonderdeel volgens de verwerende partij in elk geval ongegrond zijn omdat de verzoekende partij zich ertoe beperkt een visie op te werpen die verschilt van het standpunt van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, en geen relevante rechtspraak kan aanhalen die haar visie bevestigt. 6. De tussenkomende partij merkt op dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen het belangvereiste geenszins restrictief heeft toegepast, nu hij aanvaardt dat mobiliteitshinder in aanmerking kan worden genomen. Wat het bestreden arrest echter vaststelt, is dat de verzoekende partij er niet in slaagt op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.804 VII-41.822-4/12 voldoende aannemelijke wijze, voldoende duidelijk en concreet aan te tonen welke persoonlijke mobiliteitshinder zij zal ondervinden. Dergelijke vaststelling heeft volgens de tussenkomende partij geen uitstaans met het restrictief toepassen van de belangvereiste, maar wel met de vraag of de verzoekende partij zich op een afdoende wijze heeft gekweten van haar stelplicht betreffende haar belang. De kritiek van de verzoekende partij zou de Raad van State verplichten de feiten opnieuw te beoordelen en zelf te oordelen of de verzoekende partij over het vereiste belang beschikt, wat de Raad van State als cassatierechter niet is toegestaan. Beoordeling 7. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partij op grond van volgende redenen : “1. Het ‘betrokken publiek’ (artikel 105, §2, eerste lid, 2° [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’]) heeft belang bij het rechterlijk beroep, bedoeld in §1 van die bepaling, gericht tegen een in laatste bestuurlijke aanleg genomen beslissing over een omgevingsvergunning. Artikel 2, eerste lid, 1° [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’] definieert het ‘betrokken publiek’ als: ‘elke natuurlijke persoon of rechtspersoon alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn.’ Een verzoekende partij die zich aandient als ‘betrokken publiek’ moet voldoende aannemelijk maken dat zij ofwel belang heeft bij de besluitvorming ofwel door de bestreden beslissing gevolgen zal ondervinden. Ze moet vervolgens de aard en de omvang van die gevolgen voldoende concreet omschrijven en aantonen dat er een rechtstreeks of onrechtstreeks oorzakelijk verband kan bestaan tussen de uitvoering van de bestreden beslissing en de impact die zij persoonlijk ondervindt of kan ondervinden. Hoewel de vereiste van het belang bij een rechterlijk beroep, dat aan het recht op toegang tot de rechter raakt, niet overdreven restrictief of formalistisch mag worden toegepast ([Grondwettelijk Hof] 17 juni 2021, nr. 92/2021), spreekt het voor zich dat de verzoekende partij het persoonlijk karakter van de aangevoerde gevolgen, de concrete aard en omvang ervan, alsook het oorzakelijk verband met de bestreden beslissing, voldoende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.804 VII-41.822-5/12 aannemelijk maakt, op een wijze dat het niveau van een louter theoretische bewering overstijgt. Niet zomaar om het even welke uiteenzetting kan dus volstaan ter adstructie van het vereiste belang en het bestaan van een persoonlijk belang wordt evenmin vermoed. Bij het onderzoek en de beoordeling van het belang van een verzoekende partij, kan de Raad rekening houden met het volledig verzoekschrift en dus ook met het deel waarin een verzoekende partij haar kritiek op de wettigheid van de bestreden beslissing formuleert. De Raad kan ook rekening houden met eventuele verduidelijkingen in de wederantwoordnota, toelichtende nota, of nota korte debatten, voor zover daarin geantwoord wordt op excepties van de verwerende partij of van de tussenkomende partij, maar wel op voorwaarde dat de verzoekende partij binnen de krijtlijnen blijft van het debat dat ze in haar inleidend verzoekschrift zelf heeft afgebakend. 2. De verzoekende partij voert in eerste instantie aan dat ze als ‘eigenaar en exploitant van de naastliggende kantoorsite […] kan worden beschouwd als ‘betrokken publiek’’. In tegenstelling tot wat ze lijkt aan te nemen, beschikt zij evenwel niet over een evident belang louter en alleen omdat haar eigendom gelegen is naast het projectgebied waarop de bestreden beslissing betrekking heeft. Het feit dat men beschikt over een zakelijk recht op een aanpalend perceel kan de onderbouwing van het belang van een verzoekende partij faciliteren of vereenvoudigen, maar kan op zichzelf niet volstaan om als ‘betrokken publiek’ een beroep te kunnen instellen bij de Raad (overeenkomstig artikel 105, §2, eerste lid, 2° juncto artikel 2, eerste lid, 1° [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’]). De verzoekende partij moet ook in dat geval blijk geven van nadelige gevolgen die ze ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of vreest te ondervinden. Zoals hierna blijkt is dit niet het geval. 3. De verzoekende partij beklaagt zich in eerste instantie over mogelijke mobiliteitshinder door de uitvoering van de bestreden beslissing. Ze beperkt zich op dit punt tot de bewering ‘Het realiseren van de aanvraag heeft potentieel een negatieve impact op de mobiliteit en op de bedrijfsvoering in de onmiddellijke omgeving van de projectsite’ en haar belang ‘dan ook evident’ is. Ze gaat ervan uit dat ze als ‘eigenaar en exploitant van de naastliggende kantoorsite’ door de ‘bijkomende verkeershinder’ als ‘vanzelfsprekend’ nadelen zal ondervinden. Een rechtspersoon kan zich niet op zintuiglijke hinder beroepen. Een rechtspersoon kan zich in beginsel wel beroepen op mobiliteitshinder voor zover deze hinder verbonden wordt aan de uitgeoefende activiteiten of doelomschrijving van de vennootschap. De verzoekende partij, die een rechtspersoon is, moet immers aantonen dat haar persoonlijk belang verband houdt met haar doel, taken en bevoegdheden. Het maatschappelijk doel van de verzoekende partij wordt in haar oprichtingsakte als volgt omschreven : ‘De vennootschap heeft tot doel: Het aankopen, verkopen, huren, verhuren, leasen, verkavelen, ruilen, doen bouwen, doen verbouwen, inrichten, uitbaten en anderszins ter beschikking ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.804 VII-41.822-6/12 stellen van ruimten voor socio-economische activiteiten. […]’ De verzoekende partij moet concreet aannemelijk maken welke rechtstreekse dan wel onrechtstreekse hinder ze kan (of vreest
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.