← België

Arrest 259805 - Economische sancties waaronder het bevriezen van tegoeden - 21/05/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 Rolnummer: A. 238823/XIV-39173 Zaak: Arrest 259805 - Economische sancties waaronder het bevriezen van tegoeden - 21/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-29 Raadplegingen: 221 - laatst gezien 2026-06-18 20:12 Fiche Arrest nr 259.805 van 21 mei 2024 Economische zaken - Economische sancties waaronder het bevriezen van tegoeden Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 no lien 277254 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 259.805 van 21 mei 2024 in de zaak A. 238.823/XIV-39.173 In zake : het RUSSISCH-KIRGIZISCH ONTWIKKELINGSFONDS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Roeland Moeyersons kantoor houdend te 1050 Brussel Marsveldplein 5, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën Centrale Rechtskundige dienst FOD Financiën North Galaxy - Toren B, 26ste verdieping kantoor houdend te 1030 Brussel Koning Albert II-laan 33, bus 15 alwaar woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de algemene administratie van de Thesaurie van de federale overheidsdienst Financiën van 26 januari 2023 houdende bevestiging dat de tegoeden van de verzoekende partij bevroren blijven bij Euroclear Bank. II. Verloop van de rechtspleging 2. Op 14 september 2023 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. XIV-39.173-1/24 De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 februari 2024. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaten Roeland Moeyersons en Yves Sacreas, die verschijnen voor de verzoekende partij, en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 28 oktober 2022 dient de verzoekende partij een verzoekschrift in bij de algemene administratie van de Thesaurie tot vrijstelling van financiële sancties op basis van artikel 6 van de verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 ‘betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen’ (hierna: de verordening nr. 269/2014). Daarin vraagt zij een machtiging voor Euroclear Bank nv tot overdracht van tegoeden voor een bedrag van 162.945.017,64 US Dollar naar een van haar rekeningen. 3.2. Naar wat de verzoekende partij stelt, dient zij op 28 november 2022 – het overgelegde stuk stelt als datum 28 oktober 2022 – een verzoekschrift in bij de algemene administratie van de Thesaurie tot vrijstelling van financiële sancties op basis van de artikelen 6 en 6ter van de verordening 269/2014. Daarin XIV-39.173-2/24 vraagt zij een machtiging voor Euroclear Bank nv tot overdracht van tegoeden voor een bedrag van 162.945.017,64 US Dollar naar een van haar rekeningen. 3.3. Op 4 januari 2023 dient de verzoekende partij een verzoekschrift in bij de algemene administratie van de Thesaurie tot vrijstelling van financiële sancties op basis van de artikelen 6 en 6ter van de verordening 269/2014. Daarin vraagt zij een machtiging voor Euroclear Bank nv tot enerzijds overdracht van tegoeden voor een bedrag van 162.945.017,64 US Dollar naar een van haar rekeningen en anderzijds tot vrijgave van de opgesomde contanten en effecten in het kader van hun verkoop ten belope van het voornoemde bedrag en met storting van de opbrengsten op een van haar rekeningen. 3.4. Op 26 januari 2023 beslist de administrateur-generaal van de Thesaurie het volgende: “De Algemene Administratie van de Thesaurie heeft uw e-mails en uw verzoeken van 28 oktober 2022, 14, 17 en 29 november 2022, 22 december 2022 en 5 januari 2023 met betrekking tot de overdracht van tegoeden voor een bedrag van USD 162.945.017,64 naar een van de rekeningen van het RKDF en de vrijgave van de contanten en effecten die toebehoren aan het RKDF in het kader van hun verkoop, goed ontvangen. Gezien artikel 2 van Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, waarin het volgende is bepaald: ‘Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van alle in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, worden bevroren. Er worden geen tegoeden of economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de lijst in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.’ Gezien de adviezen van de Europese Commissie en de richtsnoeren inzake de implementatie en evaluatie van beperkende maatregelen en de beste praktijken van de EU voor de doeltreffende implementatie van beperkende maatregelen van de Raad, die de bepalende criteria vastleggen voor de vaststelling of een persoon of entiteit eigenaar is van of zeggenschap heeft over een rechtspersoon of entiteit waarin de criteria worden gespecificeerd waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de zeggenschap over een entiteit. Aangezien, volgens de laatste verifieerbare informatie waarover wij ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-3/24 beschikken, onder de vijf leden van de Raad, het hoogste besluitvormingsorgaan van RKDF, er twee leden zijn van de Russische regering en een derde lid in de raad van bestuur van een gesanctioneerde entiteit (VEB.FR) zetelt. Aangezien deze personen het recht hebben om een overheersende invloed op de rechtspersoon uit te oefenen. De Algemene Administratie van de Thesaurie bevestigt dat de tegoeden van uw cliënt RKDF bevroren moeten blijven bij Euroclear op basis van artikel 2 van Verordening 269/2014 zolang de entiteit niet heeft aangetoond dat zij in feite niet wordt gecontroleerd door een persoon of entiteit die door de sancties is aangewezen of geviseerd.” Dit is de bestreden beslissing. 3.5. De laatste datum voor de betaling van het verschuldigde recht en de verplichte bijdrage, tezamen 224 euro, is 14 augustus 2023. De betrokken rekening ter voldoening daarvan, wordt door de verzoekende partij op 1 september 2023 met dat bedrag gecrediteerd. IV. Rechtspleging – (tijdige) betaling van het rolrecht en de bijdrage Standpunt van de partijen 4. In het verzoek tot horen overeenkomstig artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) stelt de verzoekende partij het volgende: “Verzoekende partij kon geen (tijdige) betaling van het rolrecht uitvoeren omdat al haar tegoeden op grond van het bestreden besluit bevroren zijn bij Euroclear op basis van artikel 2 van de Verordening EU nr. 269/2014 (zie stuk 31 gevoegd bij het verzoek tot nietigverklaring). Het bestreden besluit stelt dienaangaande dan ook dat onder de vijf leden van de Raad, het hoogste besluitvormingsorgaan van verzoekende partij, er twee leden zijn van de Russische regering en een derde lid in de Raad van Bestuur van een gesanctioneerde entiteit (VEB.FR) zetelt. Verzoekende partij kon dan ook niet tijdig een betaling verrichten. Voor zover zij al een betaling zou kunnen verrichten zou deze nooit toekomen en geblokkeerd worden in het interbancaire verkeer. In dat verband is de toepassing van de sanctie wegens niet tijdige betaling van het rolrecht, zijnde het ingestelde beroep als niet verricht beschouwen of van de rol schrappen, kennelijk onredelijk en beperkt zulks op kennelijk ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-4/24 onevenredige wijze het recht op toegang tot de rechter. Verzoekende partij heeft zich immers precies tot de Raad van State gericht middels haar verzoek tot nietigverklaring van 6 april 2023 omdat zij van oordeel is dat haar tegoeden ten onrechte niet worden vrijgegeven door het bestreden besluit en zulks op grond van het in verzoekschrift ontwikkelde argumentatie. De hoger omschreven situatie maakt daarnaast in hoofde van verzoekende partij ook overmacht uit. Zij is dan ook van oordeel dat de overeenkomstig artikel 71, vierde tot en met zevende lid, van [de algemene procedureregeling] voorziene sanctie, niet kan worden toegepast.” 5. Bij de ingereedstelling van de zaak werden de partijen per brief van 18 december 2023 door de Raad van State uitgenodigd ter terechtzitting hun standpunt te geven op de volgende vragen: “1° (vraag 1) de al dan niet bestaande mogelijkheid om, op grond van de verordening (EU) nr. 269/2014, de toestemming te vragen (en te verkrijgen) tot de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen van de verzoekende partij, indien de betrokken tegoeden of economische middelen uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van te dezen, het rolrecht (zie bv. art. 4, lid 1,

  1. b)van de voormelde verordening dan welke andere bepaling (van die verordening of anders) ook die de partijen desgevallend aanwijzen) en, -in subvraag A: indien die mogelijkheid geacht wordt te bestaan, of te dezen door de verzoekende partij een dergelijke toestemming (tijdig) aan de ‘bevoegde overheid’ werd gevraagd – waarbij te dezen richtsnoer 80 van de ‘Beste praktijken van de EU voor de doeltreffende implementatie van beperkende maatregelen’ ( nr. 10572/22 dd 27 juni 2022 van het secretariaat-generaal aan de Raad) moet worden betrokken in het antwoord op die vraag – en zo ja, welk het lot is dat aan dit verzoek werd gegeven door de ‘bevoegde overheid’. Eén en ander dient te worden gedocumenteerd aan de hand van bij te voegen overtuigingsstukken; 2° (vraag 2) de al dan niet bestaande mogelijkheid tot rechtsbijstand voorzien in de artikelen 78 e.v. van de algemene procedureregeling in hoofde van de verzoekende partij wat het rolrecht betreft. Dit standpunt mag uiteraard ter terechtzitting (mondeling) worden uiteengezet, maar met het oog op een vlot verloop van de terechtzitting, worden de partijen verzocht dit ook te doen aan de hand van een (pleit)nota die de Raad van State, het auditoraat en de andere partij bereikt voor de terechtzitting. […].” 6. De verzoekende partij antwoordde met een nota van 22 februari 2024 het volgende op de voormelde vragen van de Raad van State: XIV-39.173-5/24 “5. Wat de eerste vraag betreft, waarvan sprake in de aangetekende briefwisseling van de Raad van State van 18 december 2023, bepaalt artikel 4, lid 1,
  2. b)van de Verordening nr. 269/2014 het volgende: ‘In afwijking van artikel 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen: (...)
  3. b)uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria of de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten;’ Volgens verzoekende partij kon er op grond van artikel 4, lid 1,
  4. b)van de Verordening nr. 269/2014 geen toestemming worden gevraagd, en al zeker niet verkregen worden, tot de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen van verzoekende partij, om de betrokken tegoeden of economische middelen aan te wenden voor de betaling van het rolrecht in de zin van artikel 70 van [de algemene procedureregeling] en de bijdrage waarvan sprake in artikel 66, 6° van [de algemene procedureregeling]. 6. Het rolrecht en de bijdrage die betaald dienen te worden wanneer er een verzoekschrift tot nietigverklaring wordt ingediend bij de Raad van State zijn zoals rolrechten en bijdragen die betaald dienen te worden bij inschrijving van een zaak op de rol van de hoven en rechtbanken, belastingen die geheven worden door de overheid. De Raad van State is in dat verband ook geen verlener van (juridische) diensten. Artikel 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat als diensten beschouwd worden de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen, betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn. Deze diensten omvatten volgens artikel 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met name de volgende werkzaamheden:
  5. a)van industriële aard,
  6. b)van commerciële aard,
  7. c)van het ambacht,
  8. d)van de vrije beroepen. 7. De Raad van State voert dan ook geen economische activiteit in de zin van artikel 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zodat hij geen verlener is van juridische diensten. Het rolrecht en de bijdrage die verschuldigd zijn bij inschrijving van een zaak op de rol van de Raad van State zijn dan ook geen kosten die verband houden met de verlening van juridische diensten. Het gaat al zeker niet om honoraria die verschuldigd zijn voor de verlening van juridische diensten. In voorkomend geval zou verzoekende partij dus wel een verzoek tot vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen kunnen indienen, om de betrokken tegoeden of economische middelen aan te wenden voor de betaling van de honoraria van haar raadslieden. Dat geldt evenwel om ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-6/24 hoger vermelde redenen niet voor wat betreft de betaling van het rolrecht en de bijdrage die betaald dienen te worden naar aanleiding van de inschrijving van de zaak van verzoekende partij op de rol van de Raad van State. Het was voor verzoekende partij dan ook onmogelijk om, op grond van art. 4, lid 1,
  9. b)van de verordening (EU) nr. 269/2014, de toestemming te vragen en ook te verkrijgen, tot de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen van de verzoekende partij, zelfs indien de betrokken tegoeden of economische middelen uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van het rolrecht bij de Raad van State en zulks evenmin op grond van enig andere bepaling van de betreffende verordening of anders. In dat verband dient overigens ook nog vermeld te worden dat de doorlooptijd van verzoeken tot vrijgave op grond van de verordening (EU) nr. 269/2014 ettelijke maanden bedraagt en een beslissing over enig verzoek tot vrijgave dan ook hoogstwaarschijnlijk te laat zou zijn gekomen (zie het verzoekschrift tot nietigverklaring voor de procedurele voorgaanden in voorliggende zaak, blz. 6-8). Gelet op het hoger gestelde is de onder de eerste vraag gestelde subvraag A dan ook zonder voorwerp geworden. 8. Wat de tweede vraag betreft, waarvan sprake in de aangetekende briefwisseling van de Raad van State van 18 december 2023, bepaalt artikel 78 van [de algemene procedureregeling] inzake rechtsbijstand voor de Raad van State het volgende: ‘De artikelen 667, 668 en 669 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de aanvragen en beroepen bedoeld in de artikelen 71, 11bis, 74, 59 1 en 3, 77 en 78 van de gecoördineerde wetten en op de vorderingen tot tussenkomst, behoudens hetgeen hierna is bepaald.’ Artikel 667 Ger. W. bepaalt het volgende ‘Rechtsbijstand wordt verleend aan de personen van Belgische nationaliteit, indien hun aanspraak rechtmatig lijkt en indien zij aantonen dat hun inkomsten ontoereikend zijn.’ Artikel 668 Ger. W. bepaalt dat rechtsbijstand onder dezelfde voorwaarden kan worden verleend aan ‘1. vreemdelingen, overeenkomstig de internationale verdragen; 2. onderdanen van een Lidstaat van de Raad van Europa; 3. enig ander vreemdeling die op regelmatige wijze in België zijn gewone verblijfplaats heeft (of die op regelmatige wijze verblijft in één van de lidstaten van de Europese Unie); 4. Alle vreemdelingen, in de procedures waarin is voorzien bij de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vesting en de verwijdering van vreemdelingen.’ 9. In eerste instantie dient er te worden vastgesteld dat verzoekende partij een door de Verenigde Naties erkende internationale organisatie met een eigen internationale rechtsbevoegdheid is […]. Het gaat dus niet om een persoon van de Belgische nationaliteit, een onderdaan van een lidstaat van de Raad van Europa of één van de categorieën van vreemdelingen waarvan sprake in artikel 668 Ger. W. 10. Daarnaast geldt als toepassingsvoorwaarde inzake artikel 667 Ger. W. dat aangetoond moet worden dat er ontoereikende inkomsten zouden zijn. XIV-39.173-7/24 Verzoekende partij heeft in dat verband geen ontoereikende inkomsten. Zij beschikt zoals zij zulks in haar verzoekschrift tot nietigverklaring heeft aangegeven (zie verzoekschrift, nrs. 1-4, blz. 2-6) over aanzienlijke tegoeden die evenwel bevroren bleven ingevolge het thans voor de Raad van State aangevochten besluit van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën van 26 januari 2023 houdende bevestiging dat de tegoeden van verzoekende partij bevroren moeten blijven bij Euroclear op basis van artikel 2 van Verordening 269/2014. De financiële middelen van verzoekende partij zijn dus niet ontoereikend maar werden wel bevroren bij Euroclear Bank en zijn daardoor niet beschikbaar. Nu er niet is voldaan aan de voorwaarden waarvan sprake in de artikelen 667-668 Ger. W. kon er dus evenmin beroep gedaan worden op rechtsbijstand in de zin van artikel 78 van [de algemene procedureregeling]. 11. Verzoekende partij is dan ook van oordeel dat de door artikel 71, vierde tot en met zevende lid, van [de algemene procedureregeling] voorziene sanctie, niet kan worden toegepast. Verzoekende partij kon geen betaling verrichten en er was ook geen juridische grond om voor de betaling van het rolrecht en de bijdrage rechtsbijstand te vragen, niet op basis van de EU- Verordening 269/2014, en evenmin op grond van de algemene procedureregeling van de Raad van State, zodat er dan ook weldegelijk sprake is van overmacht in hoofde van verzoekende partij. 12. In dat verband zou de toepassing van de sanctie wegens niet tijdige betaling van het rolrecht, zijnde het ingestelde beroep als niet verricht beschouwen of van de rol schrappen, ook kennelijk onredelijk zijn en zou zulks op kennelijk onevenredige wijze het recht op toegang tot de rechter beperken in hoofde van verzoekende partij. Verzoekende partij heeft zich immers precies tot de Raad van State gericht middels haar verzoek tot nietigverklaring van 6 april 2023 omdat zij van oordeel is dat haar tegoeden ten onrechte niet worden vrijgegeven door het bestreden besluit en zulks op grond van de in verzoekschrift ontwikkelde argumentatie.” 7. De verwerende partij antwoordde met een nota van 16 januari 2024 het volgende op de voormelde vragen van de Raad van State: 1) Wat de eerste vraag betreft: “Op grond van artikel 4, lid 1, van de verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, ‘kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen: […]
  10. b)uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria of de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-8/24 vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten; […]; of
  11. d)noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de relevante bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken vóór zij de toestemming verleent, in kennis stelt van de redenen waarom zij meent dat specifieke toestemming moet worden verleend’. Op basis van de voormelde bepaling van de verordening (EU) nr. 269/2014 beschikt verzoekende partij over de mogelijkheid om toestemming te vragen (en te verkrijgen) tot vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of economische middelen indien de betrokken tegoeden of economische middelen uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van het rolrecht zoals bepaald in artikel 70 van het algemeen procedurereglement.” 2) Op de subvraag A: “Verzoekster heeft geen enkele vraag gericht aan de bevoegde overheid om, in toepassing van artikel 4 van de verordening 269/2014, vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of economische middelen te verkrijgen om die tegoeden of middelen te gebruiken voor de betaling van het rolrecht. Op grond van richtsnoer 80 van de ‘Beste praktijken van de EU voor doeltreffende implementatie van de beperkende maatregelen’ (nr. 10572/22 dd. 27 juni 2022 van het secretariaat-generaal aan de Raad), kan verzoekster die de rolrechten niet heeft betaald, zich dan ook niet beroepen op de bevriezingsmaatregelen, daar zij nagelaten heeft om toestemming tot vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of economische middelen te vragen om die tegoeden of middelen te gebruiken voor de betaling van de rolrechten terwijl zij over die mogelijkheid beschikte.” 3) Wat de tweede vraag betreft: “Artikel 78 van het algemeen procedurereglement bepaalt dat inzake rechtsbijstand de artikelen 667, 668 en 669 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn op aanvragen en beroepen ingeleid op grond van artikel 14, § 1 en 3 van de RvS-wet. De artikelen 667, 668 en 669 bepalen o.m. de voorwaarden waaraan een partij moet voldoen om aanspraak te kunnen maken op rechtsbijstand. Verzoekster kan geen aanspraak maken op rechtsbijstand omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van rechtsbijstand.” Bij wege van algemeen besluit is de verwerende partij in haar nota van oordeel dat er geen sprake is van overmacht of van een onoverkomelijke dwaling in hoofde van de verzoekende partij. XIV-39.173-9/24 Beoordeling Vooraf: De internrechtelijke regeling en kwalificatie van het rolrecht en de bijdrage 8. De relevante regeling is vervat in de artikelen 66, 70 en 71 van de algemene procedureregeling die, in de op het voorliggende geschil toepasselijke versie, luiden: “Art. 66. De kosten omvatten : 1° de in artikel 70 bedoelde rechten; 2° de honoraria en verschotten van de deskundigen; 3° het getuigengeld; 4° de verblijf- en de reiskosten veroorzaakt door onderzoeksdaden. 5° de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 67 6°de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.” “Art. 70. § 1. Geven aanleiding tot de betaling van een recht van 200 euro: […]; 2° de verzoekschriften waarbij een beroep tot nietigverklaring van akten of reglementen ingesteld wordt […];” “Art. 71. De rechten bedoeld in artikel 70 en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, worden gekweten door middel van een overschrijving of een storting op de financiële rekening van de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst van Financiën. Zodra een recht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, verschuldigd zijn, zendt de hoofdgriffier aan de schuldenaar een overschrijvingsformulier dat een gestructureerde mededeling bevat die het mogelijk maakt om de te verrichten betaling in verband te brengen met de proceshandeling waarop ze betrekking heeft. […]. Indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, deelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de betrokken partij mee dat de kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij de betrokken partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. Indien de betrokken partij niet vraagt te worden gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak waarbij ze de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht beschouwt of van de rol schrapt. Indien de betrokken partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter of de door hem aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. Aan de verwerende partij en desgevallend de partij die is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-10/24 tussengekomen, wordt daarbij het verzoek om te worden gehoord meegedeeld. Nadat de kamer de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet ze onverwijld uitspraak en beslist ze de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht te beschouwen of van de rol te schrappen, tenzij overmacht of onoverkomelijke dwaling is bewezen.” Het in artikel 66, 6° vermelde artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ (hierna: de wet van 19 maart 2017) luidt: “Art. 4. §4. Voor de Raad van State is voor elk verzoekschrift dat een eis tot herstelvergoeding voor buitengewone, morele of materiële schade, een beroep tot nietigverklaring, een cassatieberoep, een verzoek tot schadevergoeding tot herstel, een administratief kort geding, een verzet, een derdenverzet of een beroep tot herziening inleidt, een bijdrage aan het Fonds verschuldigd. De inning van de in het eerste lid bedoelde bijdrage is aan dezelfde regels onderworpen als deze voor de inning van de in artikel 30, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bedoelde rechten. Voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is voor elke zaak die op de rol wordt ingeschreven, [...] een bijdrage aan het Fonds verschuldigd. Voor de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is de partij die de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet, geen bijdrage aan het Fonds verschuldigd. De Koning bepaalt de nadere regels voor de invordering van de bijdrage aan het Fonds.” 9. Het Grondwettelijk Hof oordeelde inzake het in artikel 70 van de algemene procedureregeling bepaalde recht (hierna: het rolrecht) in zijn arrest nr. 124/2006 van 28 juli 2006 (ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.124), punt B.6.3., het volgende: “B.6.3. Hoewel het (rol)recht een speciaal recht is tot bijdrage in de kosten van de rechtspleging, kan het op basis van dat element niet worden beschouwd als de vergoeding van een dienst die de overheid presteert ten voordele van een heffingsplichtige individueel beschouwd. Het gaat bijgevolg om een belasting in de zin van artikel 170, § 1, van de Grondwet.” Het Grondwettelijk hof hernam in zijn arrest nr. 88/2012 dit standpunt inzake het vergelijkbare rolrecht dat verschuldigd is voor het inleiden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-11/24 van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (GwH 12 juli 2012, nr. 88/2012, ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.88, punt B.11.1.), en oordeelde eveneens dat het rolrecht dat verschuldigd is inzake procedures voor de hoven en rechtbanken een belasting is die wordt gevorderd van de rechtzoekende die een vordering voor een rechtscollege instelt (zie inz. GwH 7 oktober 2021, nr. 132/2021, ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.132, punt B.1.). Het Grondwettelijk Hof oordeelde ook in het voornoemde arrest nr. 88/2012 “dat het […] recht, dat een belasting vormt, eveneens een element van de rechtspleging is en dat het een voorwaarde kan zijn voor het inleiden of voortzetten van die rechtspleging.” (GwH 12 juli 2012, nr. 88/2012, ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.88, punt B.8). Het Grondwettelijk Hof oordeelde inzake de voormelde verplichte forfaitaire bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (hierna: de bijdrage) in zijn arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.22), punt B.9.2., het volgende: “B.9.2. De verplichte forfaitaire bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand die wordt geïnd in het kader van gerechtelijke procedures is een heffing met een algemene draagwijdte, die gezagshalve door de overheid wordt opgelegd om een uitgave van algemeen nut te dekken. Zij dient derhalve te worden beschouwd als een belasting in de zin van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet. Het gegeven dat de opbrengst van de heffing voor een specifieke beleidsuitgave wordt aangewend en daartoe in een afzonderlijk fonds wordt gestort, zoals bepaald in artikel 3 van de wet van 19 maart 2017, ontneemt niet haar karakter van belasting in de zin van voormelde grondwetsbepalingen (zie RvSt, advies nr. 60.429/3 van 15 december 2016, Parl. St. Kamer, 2016- 2017, DOC 54-1851/008, pp. 6-7).” 10. De verzoekende partij dient binnen de dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, de aangeduide rekening te crediteren met het gevraagde bedrag van het rolrecht en de bijdrage. Voorts moet, wat de voormelde termijn van dertig dagen betreft, worden gewezen op artikel 89 van de algemene procedureregeling dat voorziet in een forfaitaire termijnverlenging om rekening te houden met de XIV-39.173-12/24 geografische afstand en die derhalve, te dezen, desgevallend ook geldt voor het kwijten van het rolrecht en de bijdrage. Die bepaling luidt: “Art. 89. De bij dit besluit bedoelde termijnen worden met dertig dagen verlengd ten behoeve van de personen die hun woonplaats hebben in een Europees land dat niet aan België grenst en met negentig dagen ten behoeven van hen die hun woonplaats buiten Europa hebben.” Indien de opgegeven rekening niet gecrediteerd is binnen de toepasselijke termijn, wordt desgevallend na het horen van de verzoekende partij indien die dat wenst, uitspraak gedaan over het niet (tijdig) betalen van het rolrecht en de bijdrage. Ligt geen overmacht of onoverkomelijke dwaling voor, dan besluit de Raad van State dat het ingestelde beroep als niet verricht moet worden beschouwd. Overmacht veronderstelt een buiten de wil van de betrokkene gelegen feit of gebeurtenis die hij niet kon voorzien of vermijden. De bewijslast van overmacht rust op degene die er zich op wil beroepen. 11. Uit wat voorafgaat volgt dat zowel het rolrecht als de bijdrage naar nationaal (grondwettelijk) recht belastingen vormen. Het zijn evenwel als kosten, eveneens elementen van de rechtspleging waarvan de tijdige betaling een noodzakelijke voorwaarde is voor het (te dezen) inleiden van die rechtspleging. Enkel (bewezen) overmacht of onoverkomelijke dwaling kan anders doen besluiten. Toepassing op de voorliggende zaak 12. Op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 70, § 1, 2°, van de algemene procedureregeling geeft het voorliggende beroep tot nietigverklaring aanleiding tot de betaling van een rolrecht van 200 euro. Luidens het voormelde artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 geeft het voorliggende beroep voor de Raad van State aanleiding tot het kwijten van een bijdrage, thans na indexatie voor de voorliggende zaak op 24 euro gebracht. XIV-39.173-13/24 Te dezen blijkt dat de verzoekende partij de in artikel 70, § 1, van de algemene procedureregeling bepaalde rekening niet heeft gecrediteerd binnen de gestelde termijn, die met toepassing van artikel 89 van de algemene procedureregeling, was verlengd met negentig dagen, en aldus was gebracht op 120 dagen. Het is pas na het verstrijken van deze termijn dat zij het vereiste rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 24 euro heeft betaald. Voorts kon tijdens het debat ter terechtzitting geen uitsluitsel worden gegeven op welke grond die betaling alsnog laattijdig is kunnen gebeuren, nu partijen het eens zijn dat de verzoekende partij ter zake geen voorafgaand verzoek tot vrijgave heeft ingediend. Hieruit volgt dat, tenzij overmacht of onoverkomelijke dwaling is bewezen, de Raad van State, de in artikel 71, vierde lid, van de algemene procedureregeling vermelde sanctie toepast die te dezen inhoudt dat het indienen van het voorliggende beroep geacht wordt niet te zijn verricht. 13. De verzoekende partij beroept zich op overmacht ter rechtvaardiging van haar laattijdige creditering van de betrokken rekening, namelijk dat zij geen beroep kon doen op de in de algemene procedureregeling vervatte regeling van rechtsbijstand, noch op basis van artikel 4 van de verordening nr. 269/2014 vrijgave van bevroren tegoeden of economische middelen kan genieten. Beide argumenten van de verzoekende partij worden hierna op hun merites onderzocht. Inzake de mogelijkheid tot het verkrijgen van de gemeenrechtelijke rechtsbijstand 14. De beide partijen worden bijgevallen in hun standpunt dat de in artikel 78 en volgende van de algemene procedureregeling voorziene mogelijkheid tot rechtsbijstand niet open staat voor de verzoekende partij. Los van het feit dat de verzoekende partij erop wijst dat haar financiële middelen niet ontoereikend zijn, maar wel bevroren zijn bij nv Euroclear Bank en daardoor niet beschikbaar zijn, kan de verzoekende partij niet worden beschouwd als één van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-14/24 de categorieën van vreemdelingen waarvan sprake is in artikel 78 van de algemene procedureregeling, samen te lezen met artikel 668 van het Gerechtelijk Wetboek. Inzake de mogelijkheid tot het bekomen van vrijgave van bevroren goederen of economische middelen op grond van de verordening (EU) nr. 269/2014 15. Een tweede argument betreft het feit dat de tegoeden bevroren blijven ingevolge de bestreden beslissing en dat op basis van artikel 4 van de verordening (EU) nr. 269/2014 de verzoekende partij geen vrijgave van bevroren tegoeden of economische middelen kan genieten. Het wordt niet betwist dat de bestreden beslissing uitvoering geeft aan het recht van de Europese Unie en dat de bestreden beslissing een nationale handeling is ter uitvoering (van de artikelen 6 en 6ter) van de verordening (EU) nr. 269/2014. Voor de beoordeling of dit een afdoende bewijs inhoudt van het bestaan van overmacht in hoofde van de verzoekende partij om niet (tijdig) het verschuldigde rolrecht en bijdrage te kwijten, past het voorafgaand het ter zake relevante regelgevend kader te geven. Vooreerst zijn de volgende (geconsolideerde) bepalingen uit de verordening nr. 269/2014 relevant: “Artikel 2 1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van alle in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, worden bevroren. 2. Er worden geen tegoeden of economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de lijst in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen. ” “Artikel 4 XIV-39.173-15/24 1. In afwijking van artikel 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:
  12. a)noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage I genoemde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen, en de gezinsleden die van deze natuurlijke personen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen;
  13. b)uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria of de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten;
  14. c)uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor alleen het aanhouden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen; of
  15. d)noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de relevante bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken vóór zij de toestemming verleent, in kennis stelt van de redenen waarom zij meent dat specifieke toestemming moet worden verleend; of
  16. e)gestort zullen worden op of betaald zullen worden van een rekening die toebehoort aan of wordt aangehouden door een diplomatieke missie, consulaire post of internationale organisatie die bescherming geniet op grond van het internationale recht, voor zover die betalingen bestemd zijn voor de officiële doelen van de diplomatieke missie, consulaire post of internationale organisatie. 2. De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van lid 1 verleende toestemming.” Voorts staat in overweging 6 van verordening (EU) nr. 269/2014 te lezen: “

(6)Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en strookt met de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, in het bijzonder het recht op een effectief rechtsmiddel en op een eerlijk proces en het recht op de bescherming van persoonsgegevens. Deze verordening moet worden toegepast overeenkomstig die rechten en beginselen.” Uit die bepalingen blijkt dat het op grond van artikel 2, lid 2, van de verordening (EU) nr. 269/2014 niet is toegestaan tegoeden of economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking te stellen aan of ten behoeve van de in de lijst in bijlage I bij de voornoemde verordening XIV-39.173-16/24 vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen. Op grond van artikel 4 kan de verwerende partij toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, indien zij heeft vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen waarvoor vrijgave wordt gevraagd worden aangewend voor een van de in het voornoemde artikel bepaalde doeleinden. Te dezen, zijn relevant het feit dat: 1°) de betrokken tegoeden of economische middelen waarvoor vrijgave wordt gevraagd, uitsluitend zijn bestemd voor de betaling van redelijke honoraria of de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten (lid 2, b)); 2°) de betrokken tegoeden of economische middelen waarvoor vrijgave wordt gevraagd, noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de relevante bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken vóór zij de toestemming verleent, in kennis stelt van de redenen waarom zij meent dat specifieke toestemming moet worden verleend (lid 2, d)). Voorts moet wat de handhaving van deze regelgeving betreft, worden gewezen op: 1° artikel 9 van de verordening (EU) nr. 269/2014 waarvan het te dezen relevante eerste lid luidt: “Het is verboden om bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of gevolg hebben dat de in artikel 2 bedoelde maatregelen worden omzeild.” 2° artikel 6 van de wet van 13 mei 2003 ‘inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten,’ dat luidt: “Art. 6. Onverminderd de toemeting van strengere straffen worden inbreuken op de maatregelen vervat in verordeningen genomen door de Europese Unie of in beschikkingen genomen in toepassing van deze ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-17/24 verordeningen in het kader van de artikelen 75, 215 et 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een boete van 25 tot 25.000 euro. Inbreuken op de maatregelen vervat in verordeningen genomen door de Europese Unie of in beschikkingen genomen in toepassing van deze verordeningen in het kader van de artikelen 75, 215 en 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie kunnen door de bevoegde minister worden bestraft met een administratieve boete van 250 tot 2500000 euro. De bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en het artikel 85, zijn van toepassing op deze inbreuken.” Uit die bepalingen blijkt dat het op grond van artikel 9 van verordening (EU) nr. 269/2014 verboden is bewust en opzettelijk aan activiteiten deel te nemen die tot doel of gevolg hebben dat de in het artikel 2 van die verordening bedoelde maatregelen tot bevriezing en beschikbaarstelling van economische middelen worden omzeild. Ingevolge artikel 6 van de wet van 13 mei 2003 ‘betreffende de uitvoering van beperkende maatregelen van de Raad van de Europese Unie ten aanzien van bepaalde staten, personen en entiteiten’, worden, onverminderd de toepassing van strengere straffen, inbreuken op de maatregelen van de door de Europese Unie vastgestelde verordeningen of op de ter uitvoering van deze verordeningen genomen besluiten in het kader van de artikelen 75, 215 en 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en een geldboete van 25 tot 25.000 euro en gelden de gemeenrechtelijke bepalingen inzake mededaderschap en medeplichtigheid vervat in boek I van het Strafwetboek. Daarenboven kunnen inbreuken op de maatregelen in de door de Europese Unie vastgestelde verordeningen of op de ter uitvoering van deze verordeningen genomen besluiten in het kader van de artikelen 75, 215 en 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ook door de bevoegde minister worden bestraft met een administratieve boete van 250 tot 2.500.000 euro. 16. Ter zake staat vooreerst centraal de in artikel 4, lid 1,
  1. b)van de verordening (EU) nr. 269/2014, voorziene mogelijkheid tot vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen die uitsluitend bestemd zijn voor ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-18/24 “de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten.” Er bestaat te dezen onduidelijkheid of artikel 4, lid 1, b), van de verordening (EU) nr. 269/2014, al dan niet samen te lezen met het in artikel 2 van die verordening opgelegd verbod en de in artikel 9 van die verordening bepaalde handhaving van dat verbod, zo moet worden geïnterpreteerd dat wordt uitgesloten dat het door het nationale recht voorgeschreven rolrecht en bijdrage waarvan aan een verzoekende partij kwijting wordt opgelegd bij het aanhangig maken van een beroep bij de Raad van State tegen een nationale handeling ter uitvoering van de verordening (EU) nr. 269/2014 zoals die in het voorliggende beroep, kan worden beschouwd als “gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten” zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, b), van verordening (EU) nr. 269/2014. De verzoekende partij van haar kant, gaat in haar nota (zie supra, punt 6) uit van het standpunt dat de in artikel 4, lid 1,
  2. b)bedoelde “juridische diensten” geen diensten zijn welke betrekking hebben op de diensten verleend door een nationale rechter, met name te dezen de Raad van State. Naar haar mening is de Raad van State geen verlener van juridische diensten in de zin van die bepaling, waarbij zij ter argumentatie van haar standpunt ervan uitgaat dat het in de verordening (EU) nr. 269/2014 gehanteerde begrip “diensten” moet worden gelezen in de zin van het in artikel 57, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) bepaalde begrip “diensten”. Onder het in artikel 57 VWEU bepaalde begrip vallen volgens haar niet de diensten die de Raad van State in het voorliggende geschil uitvoert, vermits deze, in essentie, geen economische activiteit betreffen die valt binnen de werkingssfeer van het VWEU. Dit maakt dat het volgens de verzoekende partij voor haar onmogelijk is om, op grond van het aangehaalde artikel 4, lid 1,
  3. b)van de verordening (EU) nr. 269/2014, de toestemming te vragen en ook te verkrijgen tot vrijgave met het oog op de voornoemde kwijting van het rolrecht en de bijdrage, te meer nu die belastingen betreffen en geen retributies. De vraag rijst evenwel of ook geen andere interpretatie mogelijk is van het concept “verlening van juridische diensten,” in die zin dat het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-19/24 gehanteerde begrip “juridische diensten” niet uitsluit dat het verstrekken van juridische dienstverlening zoals te dezen door de raadsman van de verzoekende partij, die optreedt ter bijstand of vertegenwoordiging van een gesanctioneerde (rechts)persoon als de verzoekende partij, in het kader van of in verband met, te dezen, het aanhangig maken van een beroep bij de nationale rechter tegen een nationale handeling ter uitvoering van de verordening (EU) nr. 269/2014, kan worden beschouwd als “verlening van juridische diensten” in de zin van artikel 4, lid 1,
  4. b)van de verordening (EU) nr. 269/2014 en of, in die interpretatie, dat uitsluit dat het door het nationale recht voorgeschreven rolrecht en bijdrage waarvan de betaling een noodzakelijke voorwaarde is voor het handhaven van een dergelijk beroep, worden beschouwd als “gemaakte kosten” in verband met de verlening van juridische diensten waarvoor, aldus geïnterpreteerd, vrijgave kan worden verleend. De verwerende partij stelt zich in haar pleitnota (zie supra, punt 7) op het standpunt dat de verzoekende partij op grond van artikel 4, lid 1,
  5. b)van de verordening (EU) nr. 269/2014 over de mogelijkheid beschikt om toestemming te vragen (en te verkrijgen) tot vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of economische middelen indien die uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van het rolrecht en de bijdrage voor het begrotingsfonds. Volgens de Raad van State moet bij de interpretatie van het in artikel 2, lid 2 van de verordening (EU) nr. 269/2014, bepaalde verbod en de in artikel 4, lid 1,
  6. b)van die verordening voorziene vrijgave, al dan niet, ook acht worden geslagen op het grondrecht op toegang tot de rechter zoals dat is gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat aan eenieder moet worden gewaarborgd en dat ook in herinnering is gebracht in de hiervoor aangehaalde overweging 6 bij de verordening nr. 269/2014 wat de toepassing ervan betreft bij de uitvoering van deze verordening en zulks al dan niet in samenhang met de verplichting voor de lidstaten in artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie om in de nodige rechtsmiddelen te voorzien om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren. Volgens de XIV-39.173-20/24 verzoekende partij moet, zoals hiervoor is gebleken, voorts ook acht worden geslagen op het in artikel 57 VWEU bepaalde begrip “diensten”. De juiste interpretatie van de mogelijkheid tot afwijking als bedoeld in artikel 4, lid 1,
  7. b)van de verordening (EU) nr. 269/2014 met het oog op vrijgave, vormt aldus een wezenlijk element dat de Raad van State moet meenemen in zijn (navolgende) beoordeling of er, te dezen, in hoofde van de verzoekende partij sprake is van overmacht. Het komt enkel het Hof van Justitie van de Europese Unie toe vast te stellen welke interpretatie aan de in het geding zijnde bepaling moet worden gegeven. Overeenkomstig artikel 267, lid 3, VWEU dient de Raad van State, zetelend in laatste aanleg, daarom de in het dictum onder punt 2.1. vermelde prejudiciële vraag te stellen. 17. Voorts verwijst de verwerende partij in haar pleitnota ook naar de in artikel 4, lid 1,
  8. d)van de verordening (EU) nr. 269/2014 voorziene mogelijkheid tot vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen indien die “noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten”. De vraag rijst immers of het gehanteerde begrip “noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten” uitsluit dat het door het nationale recht voorgeschreven rolrecht en bijdrage waarvan de betaling een noodzakelijke voorwaarde is voor het handhaven van een dergelijk beroep, onder dit begrip kunnen worden ondergebracht. De juiste interpretatie van dit juridisch concept is om dezelfde redenen eveneens voor het voorliggende geschil pertinent en noodzakelijk met het oog op de beslechting ervan. Ook wat de interpretatie van dit concept betreft, moet, zo lijkt het, acht worden geslagen op de overeenstemming ervan met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook al dan niet in samenhang met de verplichting voor de lidstaten in artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie om in de nodige ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-21/24 rechtsmiddelen te voorzien om daadwerkelijke rechtsbescherming in de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren. Overeenkomstig artikel 267, lid 3, VWEU dient de Raad van State, zetelend in laatste aanleg, daarom de in het dictum onder punt 2.2 vermelde prejudiciële vragen te stellen. Conclusie 18. Alvorens het onderzoek voort te zetten omtrent de vraag of er in hoofde van de verzoekende partij sprake is van overmacht ter rechtvaardiging van het laattijdig kwijten van het rolrecht en de bijdrage, dienen, gelet op de voornoemde vragen inzake de interpretatie van de draagwijdte van de in artikel 4, lid 1,
  9. b)en
  10. d)van de verordening (EU) nr. 269/2014 vervatte concepten van respectievelijk “gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten” en “noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten”, mede in het licht van het gewaarborgde grondrecht van toegang tot de rechter, de verplichting voor de lidstaten in artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de omstandigheid dat de partijen van mening verschillen over de interpretatie van die bepalingen en wat de eerste bepaling betreft, desgevallend van artikel 57 VWEU, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum geformuleerde prejudiciële vragen te worden gesteld. BESLISSING 1. Het debat wordt heropend. 2. Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie worden de volgende vragen gesteld: “1°. Moet artikel 4, lid 1,
  11. b)van de verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 ‘betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen,’ al dan niet samen te lezen met de artikelen 2 en 9 van die verordening (EU) nr. 269/2014 XIV-39.173-22/24 en met het in artikel 57, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalde begrip “diensten” en al dan niet in samenhang met het grondrecht op toegang tot de rechter zoals dat is gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en al dan niet in samenhang met de verplichting voor de lidstaten in artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie om in de nodige rechtsmiddelen te voorzien om daadwerkelijke rechtsbescherming in de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren, zo worden geïnterpreteerd dat wordt uitgesloten uit het toepassingsgebied van de in de voornoemde verordeningsbepaling omschreven “gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten”, het door het nationale recht voorgeschreven rolrecht en bijdrage aan het begrotingsfonds die aan een verzoekende partij worden opgelegd en die naar nationaal recht te kwalificeren zijn als belastingen, die moeten worden gekweten bij het aanhangig maken van een beroep bij de nationale rechter tegen een nationale handeling ter uitvoering van de verordening (EU) nr. 269/2014, zodat de bevoegde autoriteiten geen toestemming tot vrijgave mogen verlenen van bepaalde tegoeden of economische middelen teneinde dat rolrecht en die bijdrage te betalen naar aanleiding van een beroep tegen een nationale handeling ter uitvoering van de verordening (EU) nr. 269/2014 ? 2°. Moet artikel 4, lid 1, d), van de verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 ‘betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen,’ al dan niet samen te lezen met de artikelen 2 en 9 van die verordening (EU) nr. 269/2014 en al dan niet in samenhang met het grondrecht op toegang tot de rechter zoals dat is gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en al dan niet in samenhang met de verplichting voor de lidstaten in artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie om in de nodige rechtsmiddelen te voorzien om daadwerkelijke rechtsbescherming op in onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren, zo worden geïnterpreteerd dat wordt uitgesloten uit het toepassingsgebied van de in de voornoemde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 XIV-39.173-23/24 verordeningsbepaling omschreven “noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten”, het door het nationale recht voorgeschreven rolrecht en bijdrage aan het begrotingsfonds die aan een verzoekende partij worden opgelegd en die naar nationaal recht te kwalificeren zijn als belastingen, die moet worden gekweten bij het aanhangig maken van een beroep bij de nationale rechter tegen een nationale handeling ter uitvoering van de verordening (EU) nr. 269/2014, zodat de bevoegde autoriteiten geen toestemming tot vrijgave mogen verlenen van bepaalde tegoeden of economische middelen teneinde dat rolrecht en die bijdrage te betalen naar aanleiding van een beroep tegen een nationale handeling ter uitvoering van de verordening (EU) nr. 269/2014?” 3. De verdere procedure wordt geschorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.173-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 Gerelateerde publicatie(
  12. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.124 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.132 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.