id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.814 Rolnummer: A. 238317/XIV-39343 Zaak: Arrest 259814 - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen - 22/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-23 Raadplegingen: 277 - laatst gezien 2026-06-17 18:11 Fiche Arrest nr 259.814 van 22 mei 2024 Economische zaken - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 259.814 van 22 mei 2024 in de zaak A. 238.317/XIV-39.343 In zake : 1. de BV LUWICO 2. XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mattias Vandevyvere kantoor houdend te 2300 Turnhout Gemeentestraat 4/6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door het VLAAMSE ENERGIE- EN KLIMAATAGENTSCHAP (VEKA) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Damien Verhoeven, Bert Van Herreweghe en Vincent Verbelen kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 2 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse overheid Vlaams Energie- en Klimaatagentschap van 8 december 2022 houdende uitspraak over de aanvraag in het kader van de call voor de ondersteuning van steunaanvragen voor middelgrote installaties op basis van zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines. XIV-38.863-1/12 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 maart 2024. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rens Van Wezel, die loco advocaat Mattias Vandevyvere verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Vincent Verbelen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De eerste verzoekende partij dient een aanvraag in bij het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse overheid XIV-38.863-2/12 Vlaams Energie- en Klimaatagentschap (hierna: het VEKA) in het kader van de (tweede) call voor de ondersteuning van middelgrote installaties op basis van zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines. 3.2. Op 26 oktober 2021 kent de administrateur-generaal van het VEKA, in een collectieve beslissing, onder meer aan de eerste verzoekende partij een eenmalige subsidie toe voor een bedrag van maximaal 33.322,00 euro. De artikelen 2 en 9 van die beslissing luiden: “Art. 2. De steun wordt uitbetaald conform de voorwaarden opgenomen in artikel 7.11.4 van het Energiebesluit van 19 november 2010. Het uit te betalen steunbedrag is gelijk aan de aangevraagde steun, in overeenstemming met artikel 7.11.3, §3, elfde en twaalfde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010. Het steunbedrag wordt betaald via een overschrijving naar het rekeningnummer van de aanvrager, zoals opgegeven in de subsidieaanvraag.” “Art. 9. Als blijkt dat de begunstigden de toekenningsvoorwaarden, vermeld in dit besluit, alsook de voorwaarden vastgesteld door de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, het decreet van 29 maart 2019 houdende de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 ter uitvoering van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, niet respecteren dan zal de uitbetaling van de subsidie door het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap worden stopgezet en worden reeds uitgekeerde bedragen teruggevorderd.” 3.3. Met een brief, gedateerd op 10 november 2021, meldt de administrateur-generaal van het VEKA aan tweede verzoeker: “Hierbij meld ik u dat uw steunaanvraag in het kader van de call voor de ondersteuning van middelgrote installaties o.b.v. zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines is weerhouden voor financiële steun. U wordt een subsidie voorzien van 33.322,00 euro op ordernummer […]. Dit ordernummer dient op elke factuur vermeld te worden. De datum waarop u dit schrijven in ontvangst nam geldt als de betekening van de beslissing over uw steunaanvraag. Indien u in uw aanvraagformulier hier mee instemde komt de bezorgdatum van de documenten in uw E-BOX overeen met de datum van betekening. Conform artikel 7.11.3, §3 van het Energiebesluit van 19 november 2010 (hierna: Energiebesluit) mag u na deze datum van kennisgeving van de beslissing met de investering starten.” XIV-38.863-3/12 De elektronische ondertekening van deze brief door de administrateur-generaal draagt de vermelding: “getekend op: 2021-11-16 10:28:39 + 01:0.” 3.4. Op 23 november 2022 vraagt de tweede verzoeker de uitbetaling van de toegekende steun. In het kader van die aanvraag tot uitbetaling van de steun, wordt als eerste onomkeerbare verbintenis een offerte bezorgd voor de uitvoering van het project waarvoor de eerste verzoekende partij de aanvraag voor steun heeft ingediend. De offerte, die als datum 11 november 2021 draagt, is ondertekend door de tweede verzoeker, die de zaakvoerder is van de eerste verzoekende partij. De ondertekening van de offerte is (eveneens) gedateerd op 11 november 2021. 3.5. Met een e-mail van 23 november 2022 om 13u55 meldt het VEKA aan de eerste verzoekende partij: “Wij hebben in kader van de call groene stroom uw aanvraag voor uitbetaling van dossier […] ontvangen. Conform artikel 7.11.2., §1, tweede lid van het Energiebesluit van 19 november 2010 mag de eerste onomkeerbare contractuele verbintenis (zoals een ondertekende offerte) pas aangegaan zijn nadat de positieve beslissing aan de aanvrager betekend is. De betekening van dossier […] vond plaats op 16-11-2021 wanneer de brief gedateerd en getekend is door de Administrateur-Generaal van het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap. Het document dat u als eerste onomkeerbare contractuele verbintenis oplaadde is van 11-11-2021 (zie bijlage). Dit schendt de regelgeving. Kan u dit duiden of weerleggen?” Met een e-mail van 23 november 2022 antwoordt de tweede verzoeker: “De ondertekende offerte bevat inderdaad een fout in de datum. De offerte bevat uw ordernummer zoals vermeld op uw aangetekende betekening van de beslissing en kan dus onmogelijk opgemaakt en ondertekend zijn voordat ik de betekening heb ontvangen. In bijlage kan u de ondertekende offerte met correcte datum vinden. lk ben zowel eigenaar als installateur van deze installatie. De offerte is bijgevolg zowel door mij opgesteld als ondertekend. Misschien is het beter om de eerste contractuele verbintenis met een externe partner te nemen. Dit is de ondertekende offerte aan Fluvius, die werd op 03/12/2021 ondertekend en kan u in bijlage vinden. XIV-38.863-4/12 De offerte waarvan sprake in voormelde e-mail heeft als datum 17 november 2021, die ook de ondertekeningsdatum is. 3.6. Bij brief van 8 december 2022 deelt de administrateur-generaal van het VEKA aan de eerste verzoekende partij mee dat haar steunaanvraag “in het kader van de call voor de ondersteuning van middelgrote installaties o.b.v. zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines, voor een Overige PV-installaties niet weerhouden is.” De motieven van deze beslissing zijn vermeld in de bijlage bij de voornoemde brief. Die stelt: “Bijlage 1: De beoordeling van uw subsidieaanvraag Conform artikel 7.11.2, § 1 tweede lid van het Energiebesluit van 19 november 2010 mag er pas nadat de positieve beslissing aan de aanvrager betekend is door de aanvrager onomkeerbare contractuele verbintenissen aangegaan worden om de werkzaamheden voor de investering uit te voeren. Die verbintenis blijkt uit een ondertekende definitieve overeenkomst, een ondertekende offerte, een verkoopovereenkomst of gelijksoortige documenten die de investering onomkeerbaar maken. Een eerste onomkeerbare contractuele verbintenis werd voor dossier […] gesteld op 11-11-2021 door middel van het document Uitbetaling_Offerte […] (ondertekend). Het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap heeft geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit van het document. De datum van het document valt voor de positieve beslissing aan de aanvrager betekend werd op 16-11-2021. Als gevolg van het bovenstaande wordt de steun niet uitbetaald voor dossier […]. Conform artikel 7.11.4., § 5, tweede lid, 7° van het Energiebesluit van 19 november 2010 wordt de bankwaarborg uitgewonnen.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid - Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord de rechtsmacht van de Raad van State. Zij zet uiteen dat de argumentatie die de verzoekende partijen in het verzoekschrift tot nietigverklaring ontwikkelen, er in essentie op neerkomt dat het VEKA over een gebonden bevoegdheid beschikte op XIV-38.863-5/12 het moment dat zij de bestreden beslissing nam. Het VEKA zou de steun niet hebben kunnen weigeren zonder artikel 7.11.2, § 1, tweede lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010 te schenden, wat dus neerkomt op een gebonden bevoegdheid in hoofde van het VEKA. Daarom heeft het verzoekschrift tot nietigverklaring betrekking op een subjectief recht, waardoor het geschil buiten de rechtsmacht van de Raad van State valt. 5. De verzoekende partijen antwoorden in de memorie van wederantwoord, hetgeen zij hernemen in hun laatste memorie, dat het standpunt van de verwerende partij manifest strijdt met de bewoordingen in de bestreden beslissing, luidens dewelke “overeenkomstig artikel 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State […] tegen deze beslissing beroep [kan] worden ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.” Zij betwisten dat er sprake zou zijn van een gebonden bevoegdheid. De verwerende partij is “op grond van manifest onjuiste en onredelijke overwegingen tot de bestreden beslissing gekomen, heeft haar besluit niet afdoende gemotiveerd en de door haar aangehaalde motivatie kan de door haar genomen beslissing niet dragen.” Daarbij heeft zij artikel 7.11.2 van het Energiebesluit van 19 november 2010 geschonden. Beoordeling 6. In haar arrest nr. 257.892 van 14 november 2023 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak het volgende geoordeeld: “6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de in de eerstgenoemde bepaling bedoelde geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen en vorderingen waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. 7. De bevoegdheid van de Raad van State wordt aldus bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0308.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8). XIV-38.863-6/12 De Raad van State is op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (
- i)een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (
- ii)het ingeroepen annulatiemiddel gebaseerd is op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier; zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de concl. van adv.-gen. Th. Werquin). Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de concl. van adv.-gen. Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, 17.0114.N). Het is daarbij niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State (zie Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; evenals de concl. van adv.-gen. C. Vandewal voor Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 en van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). 8. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, is vereist dat de verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft; opdat een verzoekende partij zich op een dergelijk recht zou kunnen beroepen ten aanzien van de bestuurlijke overheid, dient de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden te zijn (Cass. (verenigde kamers) 20 december 2007 (2 arresten), C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11). De Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9). Het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, leiden ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtszoekende. XIV-38.863-7/12 9. Er dient te dezen dan ook in de eerste plaats worden nagegaan of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een (volledig) gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Voorts dient bij die beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering, en anders dan de verwerende partij dat ziet, wel degelijk acht worden geslagen op de door de verzoekende partij ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ (de causa petendi). 10. De omstandigheid daarentegen dat de verwerende partij bij de kennisgeving van haar beslissing aan de verzoekende partij o.m. heeft vermeld dat een annulatieberoep bij de Raad van State kon worden ingesteld, doet – en anders dus dan de verzoekende partij dat ziet – aan het voorgaande niet af. Die omstandigheid heeft immers geen invloed op het onderzoek naar en de beoordeling van de rechtsmacht van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen, vloeien voort uit de Grondwet en partijen kunnen daarvan niet afwijken. 11. Het valt dan ook de bevoegde kamer toe om te oordelen of in casu aan de beide voorwaarden is voldaan, wat inhoudt dat bij de beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het/de aangevoerde middel(
- en)(de causa petendi).” 7. De algemene vergadering van de Raad van State oordeelde in dezelfde zin in haar arresten nrs. 257.891 en 257.893 van dezelfde datum. De Raad van State sluit zich in de voorliggende zaak bij die rechtspraak en de motivering ervan aan. Er wordt bij de navolgende beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering dan ook acht geslagen op zowel het voorwerp van de vordering (het petitum), dit is de eerste connexe voorwaarde, als op het te dezen aangevoerde enig middel (de causa petendi), dit is de tweede connexe voorwaarde. XIV-38.863-8/12 Toepassing De eerste (connexe) voorwaarde 8. De eerste voorwaarde, om uit te maken of het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van de vordering een geschil omtrent een subjectief recht betreft, houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, wat het geval is wanneer hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van het bestuur volledig gebonden is. 9. In het auditoraatsverslag wordt op grond van de volgende overwegingen vastgesteld dat de bevoegdheid van het VEKA volledig is gebonden: “2. Op grond van de artikelen 7.11.1 – 7.11.4 [van het Energiebesluit van 19 november 2010] en het [ministerieel besluit van 30 augustus 2021 ‘houdende de organisatie van een tweede call voor het indienen van steunaanvragen voor middelgrote installaties op basis van zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines’] kan men een steunaanvraag voor een investeringssubsidie indienen voor middelgrote installaties op basis van zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines via een call. In de interactieve handleiding voor de Call Groene Stroom: een steunmechanisme voor middelgrote PV installaties en kleine tot middelgrote windturbines, met toelichting over de toepasselijke regelgeving, staat:[…] ‘Een call is letterlijk een oproep. In dit geval een oproep om binnen een bepaalde termijn een aanvraag in te dienen om steun te krijgen voor de plaatsing in het Vlaamse Gewest van een nieuwe installatie op basis van zonne-energie, met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(
- s)groter dan 25 kW, of voor windturbines op land met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 300 kWe. Binnen deze steunregeling voor middelgrote installaties op basis van zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines kan je een tussenkomst in de investeringskosten voor het plaatsen van een installatie verkrijgen. De aanvrager dient een project in dat aan de gestelde voorwaarden moet voldoen, geeft aan hoeveel financiële steun het project aanvraagt en berekent de verwachte energieopbrengst van de geplande installatie. De projecten worden XIV-38.863-9/12 oplopend gerangschikt op basis van de verhouding van de aangevraagde steun ten opzichte van de verwachte energieopbrengst over de levensduur van de installatie, met name 20 jaar voor installaties op basis van zonne-energie en 10 jaar voor installaties op basis van windenergie. Het project met de laagste verhouding van de aangevraagde steun ten opzichte van de verwachte energieopbrengst staat dus het best gerangschikt. Volgens deze rangschikking kennen we steun toe aan de projecten, tot het budget van de call uitgeput is. Het budget is uitgeput wanneer het volgend gerangschikt project in de lijst een groter steunbedrag aanvraagt dan het overblijvend budget. Alle projecten die hoger gerangschikt staan komen niet meer in aanmerking voor steun. Daarom is deze oproep een wedstrijd.’ 3. Artikel 7.11.2, § 1, tweede lid, [van het Energiebesluit van 19 november 2010] houdt de volgende bepaling in inzake onomkeerbare contractuele verbintenissen: ‘Pas nadat de positieve beslissing aan de aanvrager betekend is, mag de aanvrager onomkeerbare contractuele verbintenissen aangaan om de werkzaamheden voor de investering uit te voeren. Die verbintenis blijkt uit een ondertekende definitieve overeenkomst, een ondertekende offerte, een verkoopovereenkomst of gelijksoortige documenten die de investering onomkeerbaar maken. Voorbereidende handelingen, zoals de aankoop van grond of een gebouw, de aanvraag van advies of een prijsofferte, worden niet beschouwd als aanvang van de werkzaamheden voor de investering.’ Doordat de verzoekende partij volgens de verwerende partij niet voldeed aan de vereiste inzake onomkeerbare contractuele verbintenissen zoals bepaald in artikel 7.11.2, § 1, tweede lid, [van het Energiebesluit van 19 november 2010] verliest de verzoekende partij haar recht op investeringssteun. De verzoekende partij is het hier niet mee eens. Volgens haar is het toekenningsbesluit betekend voorafgaand aan de onomkeerbare contractuele verbintenis. Wat ook de feitelijke toedracht is in de zaak, er dient te worden vastgesteld dat de bevoegdheid van de overheid hierbij volstrekt gebonden is. 4. De omstandigheid dat de verwerende partij bij de kennisgeving van haar beslissing aan de verzoekende partij vermeld heeft dat een annulatieberoep ingesteld kon worden, heeft geen invloed op de beoordeling van de bevoegdheid van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen, vloeien voort uit de Grondwet en partijen kunnen daar niet van afwijken[…].” De verzoekende partijen betwisten deze conclusie. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, hebben zij evenwel niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij laten immers na om op de bespreking van deze exceptie in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperken zich tot het handhaven van hun reeds eerder ingenomen standpunt, dat zij hernemen. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, aldus de XIV-38.863-10/12 redenering van het auditoraat bijvallend, dat wat het voorwerp van de vordering betreft het VEKA bij het nemen van de bestreden weigering tot betaling van de steun over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt, geen enkele appreciatieruimte heeft en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals het die als overheid interpreteert, vervuld waren. Aan de eerste connexe voorwaarde is in de huidige stand van zaken derhalve voldaan, met name in zoverre het onderzoek en de beoordeling van de tweede voorwaarde niet anders zou doen besluiten. De tweede (connexe) voorwaarde 10. Het auditoraat heeft zijn onderzoek over de zaak beperkt tot het onderzoek van de exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht opgeworpen door de verwerende partij in het licht van het vervuld zijn van de eerste voorwaarde, doch niet van het vervuld zijn van de tweede voorwaarde. In de huidige stand van het onderzoek leidt zulks niet tot een definitieve oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van tweede verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-38.863-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.863-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.814 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.130 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div