id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.815 Rolnummer: A. 237841/XIV-39344 Zaak: Arrest 259815 - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen - 22/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-23 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-08 20:48 Fiche Arrest nr 259.815 van 22 mei 2024 Economische zaken - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 259.815 van 22 mei 2024 in de zaak A. 237.841/XIV-39.344 In zake : de BV AM-POWER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tim Vermeir kantoor houdend te 1000 Brussel Congrestraat 47 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Damien Verhoeven, Bert Van Herreweghe en Vincent Verbelen kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 5 december 2022, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing van het Vlaamse Energie- en Klimaatagentschap […] van onbekende datum, maar betekend op 6 oktober 2022, betreffende de ‘aanvraag verlenging steunperiode op basis van vollasturen, conform artikel 7.1.1, §1, derde en zesde lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009’”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.344-1/24 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 maart 2024. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Vanhoenacker, die loco advocaat Tim Vermeir verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Vincent Verbelen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is eigenaar en exploitant van een biogasinstallatie waarbij elektriciteit wordt opgewekt door vergisting van organisch biologische afvalstoffen en mest. Eén van deze organisch biologische afvalstoffen is plantaardige glycerine, waarvan volgens de verzoekende partij één vrachtwagen per dag aan de installatie wordt bijgevoegd. 3.2. Bij besluit van 16 mei 2012 kent de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (hierna: de VREG) groenestroomcertificaten XIV-39.344-2/24 (hierna: GSC’
- s)toe aan de verzoekende partij voor de biogasinstallatie voor de periode vanaf 14 december 2011 tot en met 13 december 2021. 3.3. Op 20 februari 2015 levert een transporteur een verkeerde container, met name met het detergent fentacare in plaats van glycerine, waardoor de gasproductie vermindert en de biogasinstallatie van de verzoekende partij uiteindelijk volledig tot stilstand komt in het weekend van 28 februari 2015. De biogasinstallatie moet ingevolge dit incident volledig worden leeggehaald en schoongemaakt. Daarna start de verzoekende partij de productie geleidelijk terug op om terug op vollast te produceren vanaf september 2015. 3.4. Op 10 december 2020 oordeelt de ondernemingsrechtbank van Gent, afdeling Brugge, naar aanleiding van dit schadegeval dat de verzoekende partij “eveneens een fout heeft begaan die heeft bijgedragen tot de schade”. Het vonnis vermeldt desbetreffend: “i. Controle tanknummer Het tanknummer is niet gecontroleerd geworden. Dit wordt door AM POWER ook niet ontkend. Zij stelt bij het binnenkomen de nummerplaat en de herkomst van de vrachtwagen te hebben gecontroleerd. De rechtbank verwijst aanvullend naar de omschrijving van deze procedure in het deskundig verslag op de blz. 30 e.v. De vraag stelt zich of dit voldoende is, gelet op het belang van het getransporteerde goed, dat valt onder de ADR-wetgeving. De gerechtsdeskundige schrijft dienaangaande: Wij noteren dat de vrachtwagen en container nochtans duidelijk zichtbaar zijn vanuit het lokaal van de loketbediende. Deze onzorgvuldigheid, zeer waarschijnlijk te wijten aan de routine en de intense trafiek van binnen- en buitengaande trucks, kan als een van de - belangrijke - medeoorzaken worden aangestipt van de calamiteit. (blz. 35 deskundig verslag) Waarom dit specifieke nummer niet wordt gecontroleerd, wordt door AM Power niet verklaard. Dit lijkt niet zo moeilijk, nu het nummer op de vrachtbrief staat. De rechtbank volgt dit standpunt. Het nummer staat op de vrachtbrief, de vrachtwagen met container op de weegbrug en dus zichtbaar voor degene die de controle doet. Bovendien merkt de rechtbank op dat de etikettering inzake ADR en in het bijzonder voor glycerine zeer duidelijk is. (zie de foto’s hoger onder punt 2.5) Op dit punt weerhoudt de rechtbank een fout in hoofde van AM Power. ii. De staalafname Bepaalde partijen stellen dat er geen staalafname zou zijn gebeurd. TRANSPORT [G.] verwijst hierbij naar de verklaring van de chauffeur die niet heeft gezien of dit is gebeurd. Het is inderdaad niet duidelijk of er staalafname is gebeurd. Hiervan wordt blijkbaar geen logboek bijgehouden. In het verslag van prof. [V.] staat te lezen: De Safety data sheet van Fentacore vermeldt ‘colourless to pale yellow liquid’, een kleurloze tot bleekgele vloeistof. XIV-39.344-3/24 Dit strookt met onze observaties van het bewaarde staal ter plaatse bij AM Power. (blz. verslag prof. [V.]) De vraag is of dit gaat over het bewuste staal genomen op de dag van de lossing van de Fentacare of een staal dat later is genomen eens de problematiek werd vastgesteld. Of er tijdens de lossing een staal is genomen, is enerzijds niet bewezen, doch het omgekeerde is evenmin bewezen. Dit is een punt dat op heden niet meer kan worden achterhaald. Terecht stelt de deskundige dat het bijhouden van een logboek inzake de staalnames één en ander zou verduidelijken, doch de rechtbank is van oordeel dat dit punt niet in oorzakelijk verband met de schade staat. Inzake gebrek aan staalafname is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs van gebrek aan staalname voorligt. […] v. Niet-naleving ADR-regelgeving Het is correct dat AM Power onvoldoende heeft gecontroleerd of de bewuste container wel degelijk glycerine bevatte. Dit was makkelijk vast te stellen met een vergelijking tussen de tanknummers en de etikettering op de container. Op dit punt is er inderdaad sprake van een fout in hoofde van de eisende partij. vi. Geen actie inzake melding gewichtsverschil De rechtbank verwijst naar hetgeen zij bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van [H.] heeft overwogen. Het is onbegrijpelijk dat zelfs op dat moment niemand van de nabije betrokkenen (op dat ogenblik [H.] en AM POWER) aanwezig op de site de reflex heeft gehad om het containernummer te controleren. De container was ter plaatse. Controle kon nog steeds gebeuren. Ook AM Power heeft dit niet gedaan. Op dit punt acht de rechtbank AM Power medeaansprakelijk.” Onder meer de verzoekende partij heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Bij het sluiten van de debatten was er voor zover bekend nog geen uitspraak over dit beroep. 3.5. Op 7 februari 2022 ontvangt het Vlaamse Energie- en Klimaat- agentschap (hierna: “het VEKA”) de aanvraag van de verzoekende partij voor de verlenging van de steunperiode op basis van vollasturen voor de voormelde productie-installatie, overeenkomstig artikel 7.1.1, § 1, derde lid, van het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid (hierna: het decreet van 8 mei 2009). Hoewel de GSC’s in principe slechts voor een periode van tien jaar worden toegekend, kan de eigenaar op grond van de hiervoor vermelde bepaling een verlenging van de steunperiode aanvragen wanneer zijn installatie in de oorspronkelijke periode van tien jaar tijdens een lager aantal uren dan verwacht op vollast heeft gedraaid. Eén van de voorwaarden opdat een XIV-39.344-4/24 verlenging kan worden bekomen, is dat de installatie werd geïnstalleerd en uitgebaat volgens de regels van de kunst. 3.6. Het VEKA vraagt tijdens de administratieve procedure meermaals om bijkomende toelichting en stukken, die de verzoekende partij ook bezorgt, waaronder het hiervoor vermelde vonnis van de ondernemings- rechtrechtbank Gent, afdeling Brugge, van 10 december 2020. 3.7. Op 6 oktober 2022 verwerpt het VEKA de aanvraag van de verzoekende partij omdat niet voldaan is aan de voorwaarde dat de installatie werd uitgebaat volgens de regels van de kunst. Dit is de bestreden beslissing. 3.8. Op 18 november 2022 stelt de verzoekende partij een willig beroep in tegen de bestreden beslissing, dat het VEKA verwerpt op 1 december 2022 onder de loutere verwijzing naar de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het eerste middel de schending aan van artikel 7.1.1, § 1, derde lid, van het decreet van 8 mei 2009, samengelezen met artikel 1.1.3, 126/1°, van het decreet van 8 mei 2009 en de materiëlemotiveringsplicht. Haar samenvatting van het eerste middel luidt: “Het VEKA schendt de voorschriften van art. 7.1.1, § 1, derde lid [van het decreet van 8 mei 2009], samengelezen met art. 1.1.3, 126/1° [van het decreet van 8 mei 2009] en de materiëlemotiveringsplicht door een eenmalige onzorgvuldigheid als voldoende bewijs te beschouwen dat verzoeker de installatie niet volgens de regels van de kunst zou hebben uitgebaat. Nochtans veronderstelt het [decreet van 8 mei 2009] onder ‘uitbating volgens de regels van de kunst’ een uitbating die zo efficiënt XIV-39.344-5/24 mogelijk is, zonder daarbij foutenvrij te zijn, en waarbij eventuele minder productie niet te wijten is aan commerciële overwegingen, maar aan technische voorvallen of overmacht. In dit geval gaat het duidelijk over een technisch voorval. Andere elementen die de deskundige in de burgerlijke procedure aan verzoeker verweet heeft de rechtbank niet weerhouden. Toch refereert het VEKA hiernaar.” De verzoekende partij zet uiteen dat installaties die energie opwekken uit hernieuwbare energiebronnen, gelegen in het Vlaamse Gewest en geïnstalleerd vóór 2013, GSC’s ontvangen voor een periode van 10 jaar na de startdatum. Het VEKA kan deze reguliere steunperiode verlengen voor de periode die nodig is om het aantal GSC’s te ontvangen dat overeenkomt met het aantal GSC’s, toe te kennen volgens het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd. Artikel 7.1.1, § 1, derde lid, van het decreet van 8 mei 2009 formuleert daartoe een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de installatie werd geïnstalleerd en uitgebaat volgens de regels van de kunst. De verzoekende partij wijst erop dat volgens het VEKA de installatie van de verzoekende partij wel volgens de regels van de kunst werd geïnstalleerd, doch niet volgens diezelfde regels wordt uitgebaat. De verzoekende partij citeert voorts de decretale definitie van “uitbating volgens de regels van de kunst” en benadrukt dat de daarin vervatte voorwaarde van de uitbating als een goede huisvader niet kan en mag worden geabstraheerd van
- i)de voorwaarde dat “bovendien” de exploitant door zijn expliciete of impliciete wil het potentieel aan energieopwekking niet mag onderbenutten en
- ii)de beperking dat “normale bedrijfsrisico’s en -keuzes” geen rol mogen spelen. De “uitbating volgens de regels van de kunst” is dus niet altijd een uitbating zoals een goede huisvader, minstens is de goede huisvader uit het decreet van 8 mei 2009 niet de goede huisvader uit het burgerlijke (aansprakelijkheids)recht. De verzoekende partij wijst ter adstructie van dit standpunt erop dat het VEKA in de bestreden beslissing erkent dat de “goede huisvader” die de installatie volgens de regels van de kunst moet uitbaten geen foutenvrije huisvader is. Voor het VEKA “corresponderen dergelijke fouten niet met een uitbating volgens het ‘goede huisvader-beginsel’”. Andere dan “dergelijke fouten” zouden hiermee dus wel kunnen corresponderen, aldus de verzoekende partij. Voorts verwijst de XIV-39.344-6/24 verzoekende partij naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van 8 mei 2009 waaruit blijkt waarom een installatie moet worden uitgebaat volgens de regels van de kunst. De voornaamste doelstelling van de decreetgever is rendabiliteit te bieden aan “installaties die o.a. om technische redenen, overmacht, enzovoort stil lagen”, waarbij de decreetgever die rendabiliteit enkel wil bieden aan installaties die als een goede huisvader zijn geëxploiteerd. Volgens de verzoekende partij moet die exploitatie worden beoordeeld over alle exploitatiejaren. De evaluatie daarvan kan niet afhankelijk zijn van één enkel spijtig voorval met korte of langdurige gevolgen. Nog volgens de verzoekende partij verwijst de bestreden beslissing ten onrechte enkel naar het vonnis van de ondernemingsrechtbank van Gent, afdeling Brugge, van 10 december 2020. Dit vonnis betreft immers de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake de vergiftiging in de installatie in 2015, doch doet geen uitspraak over verzoekers algemene “efficiënte, doeltreffende of doelmatige exploitatie” noch over een exploitatie “volgens de regels van de kunst”. Evenmin heeft de rechtbank het “goede huisvaderschap” in de zin van het decreet van 8 mei 2009 beoordeeld. Daarenboven heeft het vonnis enkel een relatief gezag van gewijsde, daar onder meer de verzoekende partij tegen dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld, en betwist de verzoekende partij alle aansprakelijkheid. De verzoekende partij bekritiseert ook dat de bestreden beslissing steunt op een parafrasering van het deskundigenverslag in het voormelde vonnis, zonder te steunen op het deskundigenverslag zelf, terwijl uit het deskundigenverslag blijkt dat de verzoekende partij geen fouten heeft gemaakt en dat er hoogstens één onvoorzichtigheid is geweest, met name het niet controleren van het nummer van de aangeleverde container. De verzoekende partij becommentarieert voorts passages uit het deskundigenverslag en wijst erop dat de ondernemingsrechtbank in het hiervoor vermelde vonnis besluit dat de verzoekende partij geen fout heeft begaan met betrekking tot de staalname en de best practices, in tegenstelling tot wat de deskundige oordeelde. Volgens de verzoekende partij is het dan ook een raadsel waarom het VEKA verwijst naar een foute veronderstelling door de deskundige om te oordelen dat er “dergelijke fouten” zijn gebeurd. De verzoekende partij besluit dat het VEKA zich niet kan beroepen op het vonnis om XIV-39.344-7/24 tot de conclusie te komen dat zij de installatie niet uitbaatte als een goede huisvader. In de memorie van wederantwoord herneemt de verzoekende partij de uiteenzetting uit het verzoekschrift en voegt daaraan nog het volgende toe. Zij wijst erop dat de goede huisvader van het decreet van 8 mei 2009 de huisvader is die ad libitum kan oordelen om de installatie stil te leggen zolang dat stilleggen niet langdurig is of het vermogen significant onderbenut. De verzoekende partij herhaalt dat zij geen fout heeft begaan en verwijst ter adstructie van dat standpunt naar het verzoekschrift tot hoger beroep ingediend tegen het vonnis van de ondernemingsrechtbank van Gent, afdeling Brugge, waarin zij uiteenzet waarom ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat zij werd misleid. Voorts wijst de verzoekende partij erop dat het deskundigenverslag geen appreciatie van de fouten inhoudt, dat de ondernemingsrechtbank de equivalentieleer toepaste, maar dat het VEKA dat in zijn beoordeling niet moet doen, maar daarentegen het beheer gedurende de gehele uitbatingsperiode moet evalueren. Voorts vat de verzoekende partij de repliek van de verwerende partij samen en antwoordt zij daarop als volgt. Zij betwist het standpunt van de verwerende partij dat zij niet de wettigheid, maar de opportuniteit van de bestreden beslissing bekritiseert en wijst erop dat de Raad van State moet onderzoeken of in een beslissing aan een welbepaald begrip een juiste draagwijdte wordt gegeven. Te dezen gaat het volgens de verzoekende partij uitsluitend over de wettigheid van de beslissing, meer bepaald over de draagwijdte, invulling en interpretatie van de begrippen “uitbating volgens de regels van de kunst” en “uitbating als een goede huisvader” in de zin van artikel 1.1.3, 126/1°, van het decreet van 8 mei 2009. De verzoekende partij wijdt verder uit over deze begrippen en besluit dat zelfs in de context van het decreet van 8 mei 2009 een “uitbating volgens de regels van de kunst” onmogelijk betrekking kan hebben op alle verbintenissen onder alle mogelijke overeenkomsten (of de uitoefening van alle mogelijke rechten onder alle mogelijke overeenkomsten) die gedurende de uitbatingstijd van de installatie nodig zijn om die uitbating mogelijk te maken. Voorts herhaalt de verzoekende partij haar betoog dat de “goede huisvader” geen foutenvrije huisvader is. Zelfs XIV-39.344-8/24 indien men uitgaat van een eenmalige fout in hoofde van de verzoekende partij, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat de uitbating gedurende de hele steunperiode niet volgens de regels van de kunst verliep. De verzoekende partij benadrukt ook dat de onachtzaamheid niet in functie van de veroorzaakte schade mag worden beoordeeld. De beoordeling van de goede huisvader heeft betrekking op de “foutieve handelswijze” en slaat nooit op de schade als gevolg van die fout. Volgens de verzoekende partij draait het VEKA de zaken om door te wijzen op de ernstige gevolgen van het voorval voor de werking van de biogasinstallatie. Door aan te voeren dat het tijdstip van het voorval (“binnen de vier jaar na de ingebruikname” en “snel na de ingebruikname”) van doorslaggevend belang is in de beoordeling van de uitbating volgens de regels van de kunst, verwart de verwerende partij volgens de verzoekende partij een éénmalig feit met zijn temporele en kwalitatieve (onachtzaamheid, lichte fout, zware fout, …) eigenschappen en de gevolgen van dat éénmalige feit (schade en duur van die schade) met een langdurige uitbating (die start bij de ingebruikname en die – in het kader van de certificatenregeling – “eindigt” na het verstrijken van de steunperiode). De verzoekende partij wijst er voorts op dat niets in de bestreden beslissing het vermoeden weerlegt dat zij, op die ene onachtzaamheid na, de installatie niet diligent en performant uitbaatte. Vervolgens repliceert de verzoekende partij op het standpunt van de verwerende partij dat het ontbreken van een logboek en van helder uitgeschreven richtlijnen over het sulfaat, alsook het gebrek aan controle van de levering vooraleer ze in de tanks werd gegoten, doen besluiten dat de installatie niet volgens de regels van de kunst wordt uitgebaat. De verzoekende partij verwijst in dat verband naar het verslag van de deskundige en de tegenstrijdigheden daarin vervat om te besluiten dat zij geen helder uitgeschreven richtlijnen over sulfaat en de manier waarop visuele controle moet worden uitgevoerd kon hebben, omdat dit eenvoudigweg onmogelijk was volgens de deskundige. De verwerende partij slaagt er niet in om uit te leggen waaruit die richtlijnen moesten bestaan. Voorts verwijst de verzoekende partij naar een, volgens haar, grondige wetenschappelijke analyse over de sulfaatmetingen door een wetenschappelijk deskundige professor V. - die als bijlage deel uitmaakt van het deskundigenverslag - en besluit zij dat daaruit blijkt dat zowel het bijhouden van een logboek over sulfaatmetingen als eventuele helder uitgeschreven XIV-39.344-9/24 richtlijnen over sulfaat “wetenschappelijke nonsens” zijn. De ondernemings- rechtbank heeft de tegenstrijdige analyse van de deskundige, die ingaat tegen de wetenschappelijke analyse van professor V., dan ook terecht niet gevolgd. Voor de beoordeling van de “fout” was het bijhouden van een logboek volgens de verzoekende partij ook niet relevant. Uit het wetenschappelijke rapport blijkt dat zelfs een logboek en sulfaatmetingen niet zouden hebben belet dat fentacare in de plaats van glycerine zou zijn aangeleverd. Daarenboven was iedereen het erover eens dat de verzoekende partij het eigen werkplan, zoals goedgekeurd door de provinciale milieu-inspectie, heeft gevolgd. Het is volstrekt onduidelijk op basis van welke regels het VEKA kon besluiten dat het niet hebben van een logboek of het niet doorvoeren van sulfaatmetingen zou indruisen tegen de best practices en dus zou aantonen dat de verzoekende partij de installatie niet volgens de regels van de kunst exploiteerde. De verzoekende partij besluit dat het eenmalige en niet-voorgeschreven niet-controleren van het containernummer, noch het ontbreken van een onnodig logboek of ondoelmatige sulfaatmetingen kunnen schragen dat zij de installatie niet volgens de regels van de kunst exploiteerde. In de laatste memorie repliceert de verzoekende partij op het auditoraatsverslag. Volgens de verzoekende partij vermengt het auditoraatsverslag de burgerrechtelijke discussie over de aansprakelijkheid voor de schade die is ontstaan in 2015 met de vraag of de verzoekende partij de installatie volgens de regels van de kunst heeft uitgebaat. Het vonnis van de ondernemingsrechtbank gaat uit van een gedeelde aansprakelijkheid tussen de verzoekende partij en de transporteur. Als het hof van beroep desgevallend tot een andere beoordeling zou komen, kan de beoordeling van het VEKA, gebaseerd op de feitelijke en juridische bevindingen in het eerste vonnis, volgens de verzoekende partij niet overeind blijven. De verzoekende partij betwist niet dat het VEKA geen uitspraak doet over de burgerrechtelijke aansprakelijkheid en verdedigt juist daarom het standpunt dat het vonnis de bestreden beslissing niet kan schragen. Aan de uitbating volgens de regels van de kunst en de toepassing ervan door het VEKA schenkt het auditoraatsverslag volgens de verzoekende partij geen aandacht. Voorts zet de verzoekende partij uiteen dat in tegenstelling tot de arresten waarnaar het auditoraatsverslag verwijst, het vaststaande rechtspraak is dat de Raad van State XIV-39.344-10/24 kan onderzoeken of in een beslissing aan een welbepaald begrip de juiste draagwijdte wordt gegeven. Zij wijst erop dat het auditoraatsverslag niet ingaat op de energierechtelijke interpretatie van de begrippen “uitbating volgens de regels van de kunst” en “als een goede huisvader”, maar daarentegen de beoordeling van de uitbating volgens de regels van de kunst gelijkstelt met de burgerrechtelijke beoordeling over het al dan niet bestaan van een eenmalige “fout” die leidt tot een eenmalig schadegeval. De verzoekende partij wijst op tegenstrijdigheden in het auditoraatsverslag desbetreffend, dat volgens haar volledig voorbijgaat aan de essentie van het debat en het middel van de verzoekende partij, met name volstaat één (vermeende) fout, waarover een rechtbank oordeelt dat die (mee) de schade veroorzaakte, om te oordelen dat de verzoekende partij gedurende de volledige duur van de eerste steunperiode de installatie niet uitgebaat heeft volgens de regels van de kunst. Voorts ontwaart de verzoekende partij een tegenstrijdigheid in het auditoraatsverslag dat oordeelt dat het ontbreken van een staalafname en het gebrek aan een logboek niet stroken met de professionele best practices, terwijl het een groot belang hecht aan het vonnis van de ondernemingsrechtbank dat die analyse van de deskundige nochtans niet volgt. Het auditoraatsverslag gaat ook voorbij aan het feit dat de installaties van de verzoekende partij “onderworpen zijn aan Vlarem” en dat zij “het werkplan” desbetreffend naleeft. Tot slot voert de verzoekende partij aan dat ook het auditoraatsverslag de uitbating van de installatie, die zich noodzakelijkerwijze uitstrekt over de hele uitbatingsduur en, in het kader van deze procedure, over de initiële steunperiode, vermengt met het eenmalige gevolg van een verkeerde lading. Het is niet omdat de installatie schade ondervond van die verkeerde lading, dat de uitbating niet volgens de regels van de kunst verliep. 5. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat de Raad van State wel de wettigheid, maar niet de opportuniteit van de beslissing van het VEKA kan beoordelen. Daar het eerste middel neerkomt op een feitelijke kritiek op de bestreden beslissing, kan de Raad van State deze beslissing enkel vernietigen als het VEKA een manifest verkeerde of kennelijk onredelijke toepassing zou hebben gemaakt van de toepasselijke bepalingen, wat niet het geval is. De verwerende partij verwijst naar een arrest van het Grondwettelijk Hof dat XIV-39.344-11/24 benadrukt dat de verwerende partij, en bij uitbreiding ook het VEKA, een ruime discretionaire bevoegdheid heeft bij het bepalen van haar energiebeleid. Het behoort volgens de verwerende partij tot de discretionaire bevoegdheid van het VEKA om de situatie van de verzoekende partij te beoordelen en te bepalen of zij de biogasinstallatie heeft uitgebaat volgens de regels van de kunst, en dus, of zij het goedehuisvaderbeginsel heeft gerespecteerd. De verwerende partij verwijst naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van 8 mei 2009 en leidt daaruit af dat het uitgangspunt van de uitbating volgens de regels van de kunst is dat de exploitant zich gedraagt als een goede huisvader, alsook dat het VEKA daarbij moet nagaan of de stilstand van de biogasinstallatie te wijten is aan technische redenen of aan overmacht. Dat wil volgens de verwerende partij zeggen dat als het VEKA een fout vaststelt in hoofde van de verzoekende partij, en dus een schending van het goedehuisvaderbeginsel, het VEKA “moet” oordelen dat de biogas- installatie niet volgens de regels van de kunst werd uitgebaat. Het VEKA moet niet nagaan of de verzoekende partij de biogasinstallatie, na het voorval, op een “zo rendabel mogelijke wijze” heeft geëxploiteerd gedurende de gehele exploitatie- duur. Het VEKA kan wegens één bepaalde handeling of omissie in hoofde van de verzoekende partij besluiten dat zij de biogasinstallatie niet heeft uitgebaat volgens de regels van de kunst, indien een goede huisvader die handeling of omissie niet zou hebben gesteld. De verwerende partij voert verder aan dat de bestreden beslissing verwijst naar het vonnis van de ondernemingsrechtbank, omdat de draagwijdte van het vonnis en het onderwerp van de bestreden beslissing in wezen gelijklopen, en de in het vonnis gemaakte vaststellingen dus ook relevant zijn ter beoordeling van de vraag of aan de gestelde voorwaarde is voldaan. Het is volgens de verwerende partij niet kennelijk onredelijk dat het VEKA gebruik maakt van het vonnis dat immers op gemotiveerde wijze vaststelt wat de feitelijke situatie is van de biogasinstallatie en hoe de verzoekende partij de biogasinstallatie heeft uitgebaat. Het vonnis is het resultaat van een eerlijk proces dat voldoet aan de waarborgen van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM). Het VEKA kan er dus redelijkerwijze van uitgaan dat de vaststellingen in het vonnis van de ondernemingsrechtbank feitelijk correct zijn, en zij kon daarop steunen om het verzoek tot verlenging te beoordelen, XIV-39.344-12/24 met name om te beoordelen of de verzoekende partij de biogasinstallatie heeft uitgebaat volgens de regels van de kunst, wat een controle inhoudt van de uitbating overeenkomstig het goedehuisvaderbeginsel. De verwerende partij wijst erop dat de ondernemingsrechtbank verschillende “fouten” heeft vastgesteld in hoofde van de verzoekende partij die hebben geleid tot het stilvallen van de biogasinstallatie, wat betekent dat zij zich niet heeft gedragen als een goede huisvader. De discussie die de verzoekende partij wenst te voeren over het verschil tussen het burger- rechtelijk foutbegrip en de voorwaarde van de uitbating volgens de regels van de kunst heeft volgens de verwerende partij geen juridische relevantie, daar zij beide op het goedehuisvadercriterium zijn gebaseerd. Voorts zet de verwerende partij uiteen dat hoewel de ondernemingsrechtbank bepaalde vaststellingen van het deskundigenonderzoek niet heeft gevolgd, dit niet verhindert dat het VEKA die vaststellingen bij haar beoordeling mag betrekken. Het behoort immers tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van het VEKA om rekening te houden met de feiten en de bewijskrachtige stukken die zij relevant acht. De verwerende partij benadrukt tot slot dat het deskundigenonderzoek één van de motieven is waarop de bestreden beslissing steunt, maar niet het enige motief. In de laatste memorie sluit de verwerende partij zich aan bij het auditoraatsverslag. In repliek op de laatste memorie van de verzoekende partij voert zij nog aan dat het burgerrechtelijk foutbegrip (zoals gebruikt in het vonnis van de ondernemingsrechtbank) en de voorwaarde van de uitbating volgens de regels van de kunst (zoals bepaald in artikel 1.1.3, 126°/1 van het decreet van 8 mei 2009) inderdaad niet hetzelfde zijn, maar dat ze wel gelijklopend zijn. Het VEKA kan volgens de verwerende partij dus een redenering opbouwen in de toepassing van het begrip “uitbating volgens de regels van de kunst” die gelijklopend is aan de redenering van de ondernemingsrechtbank in de toepassing van het burger- rechtelijk foutbegrip. Daar de begrippen niet hetzelfde zijn, moet de redenering echter niet één en dezelfde zijn met het vonnis van de ondernemingsrechtbank. Dat verklaart waarom het VEKA op een andere wijze rekening heeft gehouden met bepaalde feitelijke en juridische onderdelen van het vonnis. Het foutbegrip gehanteerd door de ondernemingsrechtbank is niet hetzelfde als de uitbating volgens de regels van de kunst, aldus de verwerende partij. XIV-39.344-13/24 Beoordeling 6. Artikel 7.1.1, § 1, derde lid, van het decreet van 8 mei 2009 zoals van toepassing ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing luidt: “In afwijking van het tweede lid kan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, aan het VEKA een verlenging van de steunperiode, vermeld in het tweede lid, aanvragen voor de periode die nodig is om het aantal groenestroomcertificaten te ontvangen dat overeenkomt met het aantal groenestroomcertificaten, toe te kennen volgens het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd, voor zover: 1° de installatie werd geïnstalleerd en uitgebaat volgens de regels van de kunst; 2° de opwekking van groene stroom niet gebeurt op basis van zonne-energie; 3° het aantal al ontvangen groenestroomcertificaten minstens 5 % ligt onder het aantal groenestroomcertificaten dat overeenkomt met het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd.” Artikel 1.1.3, 126/1°, van het decreet van 8 mei 2009 luidt: “uitbating volgens de regels van de kunst: een uitbating overeenkomstig het ‘goede-huisvader’-beginsel en waarbij bovendien het potentieel aan energie-opwekking of energie-besparing ten aanzien van het vermogen van de installatie niet significant wordt onderbenut voor langdurige periodes door de expliciete of impliciete wil van de exploitant en/of eigenaar, en waarbij louter contractuele en/of commerciële overwegingen niet kunnen gelden als verschoning voor een langdurige onderbenutting van het potentieel van deze installatie. Kortdurende onderbenutting met het oog op een betere afstemming van elektriciteitsproductie en marktvraag of met het oog op een ondersteuning van het netbeheer beantwoordt wel aan het ‘goede-huisvader’-beginsel;” De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die XIV-39.344-14/24 correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. 7. De bestreden beslissing weigert in toepassing van artikel 7.1.1, § 1, derde lid, van het decreet van 8 mei 2009 een verlenging van de steunperiode om GSC’s te ontvangen, omdat niet is voldaan aan één van de voorwaarden, met name dat de biogasinstallatie niet werd uitgebaat volgens de regels van de kunst. De verzoekende partij betwist de wettigheid van die beslissing, in essentie omdat het VEKA niet mocht steunen op “een eenmalige onzorgvuldigheid” om te besluiten dat de installatie niet werd uitgebaat volgens de regels van de kunst. De verwerende partij meent daarentegen dat het VEKA van zodra het een fout vaststelt in hoofde van de verzoekende partij mag – en zelfs “moet” – oordelen dat de installatie niet is uitgebaat volgens de regels van de kunst. Derhalve rijst de vraag wat moet worden begrepen onder het begrip ‘uitbating volgens de regels van de kunst’. De verwerende partij wordt bijgevallen in het standpunt dat de Raad van State zich niet in de plaats van het bestuur mag stellen en dus de opportuniteit van de beslissing niet mag beoordelen. Dit belet niet dat de Raad van State – ondanks de ruime discretionaire bevoegdheid waarop de verwerende partij zich beroept bij het bepalen van het energiebeleid – mag nagaan of het VEKA, bij de beoordeling of aan de voorwaarde van de uitbating volgens de regels van de kunst is voldaan, is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 8. Het begrip ‘uitbating volgens de regels van de kunst’ wordt gedefinieerd door de toepasselijke regelgeving, met name artikel 1.1.3, 126/1°, van het decreet van 8 mei 2009 (supra, nr. 6). Het betreft een uitbating ‘overeenkomstig het goedehuisvaderbeginsel’, een beginsel dat evenwel niet nader wordt gedefinieerd door de toepasselijke regelgeving. Bovendien impliceert een ‘uitbating volgens de regels van de kunst’ krachtens de hiervoor vermelde bepaling XIV-39.344-15/24 dat, samengevat, het potentieel aan energie-opwekking of energiebesparing ten aanzien van het vermogen van de installatie niet uit vrije wil significant of voor langdurige periodes mag worden onderbenut. 9. De bestreden beslissing oordeelt dat “bezwaarlijk [kan] worden geconcludeerd dat de uitbating van de installatie volgens de regels van de kunst is gebeurd” op grond van de volgende motivering: “[…] Evenwel ligt bij voorliggende aanvraag de vraag voor, of aan de voorwaarde van artikel 7.1.1, §1, derde lid onder 1° wordt voldaan. Volgens het bepaalde in dat artikel, moet de installatie zijn ‘geïnstalleerd en uitgebaat volgens de regels van de kunst’. […] […] Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat de installatie is gebeurd volgens de regels van de kunst. In het voorjaar van 2015, na een periode waarin de installatie het vollastvermogen kon halen, viel de productie echter helemaal weg. Deze plotselinge stopzetting en heropstart werd volgens de aanvrager veroorzaakt door een verkeerde levering van een toeleverancier/transporteur waardoor de volledige biologie van de vergistingsinstallatie werd vergiftigd. Het voorval heeft AM-Power ook in de jaren daarna nog parten gespeeld. De financiële schade werd begroot op 3 miljoen euro. Deze schade werd volgens de aanvrager veroorzaakt door onder andere de kost voor het afvoeren van de gecontamineerde inhoud van de vergisters, leveranciers- schulden, productieverlies en gerechtskosten. Nadat de installatie werd heropgestart kon het vollastvermogen opnieuw gehaald worden, maar dit was van korte duur. Vanaf 2016 valt een dalende lijn te observeren in de productiecijfers. Na vraag van het VEKA werd in augustus 2022 het vonnis van de Ondernemings- rechtbank Gent, afdeling Brugge, van 10 december 2020 (ref. A/15/01142) bezorgd. Dit vonnis handelt over de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake de vergiftiging in de installatie in 2015. Op 20 februari 2015 werd verkeerdelijk een container Fentacare (basisproduct voor handzeep en conditioner) geleverd door een leverancier, in plaats van het plantaardige glycerine. Uit verslag van de deskundige blijkt dat de chauffeur van de leverancier heeft nagelaten bij inontvangstname te controleren of de inhoud van de container overeenkwam met de vrachtbrief. De deskundige concludeert dan ook dat er een gebrek aan actief toezicht was vanwege de chauffeur. De deskundige concludeert echter ook dat er nalatigheid is geweest bij AM-Power zelf. De receptionist had zich immers niet vergewist dat het nummer van de container deze was die op de vrachtbrief was vermeld. In het vonnis wordt op p.9 de conclusie van de deskundige als volgt samengevat: ‘Het betreft een onzorgvuldigheid te wijten aan routine. Het niet bijhouden van een logboek voor sulfaatmetingen en visuele observaties en het ontbreken van helder uitgeschreven richtlijnen rond wat aanvaardbaar is op het vlak van sulfaat en hoe de visuele controle dient te worden uitgevoerd, strookt niet met de professionele best practice.’ De deskundige concludeert verder dat de transporteur [H.] het gewichtsverschil van de container nader had moeten onderzoeken. XIV-39.344-16/24 De rechtbank weerhoudt de fout van AM-Power inzake het niet controleren van het tanknummer. Aangezien het nummer op de vrachtbrief stond en ook op de vrachtwagen met container, was dit eenvoudig te controleren. Ook stelt de rechtbank dat AM-Power de ADR-regelgeving niet correct heeft nageleefd. De rechtbank stelt dat het onbegrijpelijk is dat niemand van de nabije betrokkenen ([H.] en AM-Power) aanwezig op de site de reflex heeft gehad om het containernummer te controleren. Concluderend wordt AM-Power in het vonnis medeaansprakelijk geacht en wordt besloten dat AM-Power eveneens een fout heeft begaan die heeft bijgedragen tot de schade. De rechtbank acht AM-Power aansprakelijk voor een derde van de schade. Gelet op het bovenstaande kan bezwaarlijk worden geconcludeerd dat de uitbating van de installatie volgens de regels van de kunst is gebeurd, zoals bedoeld in artikel 7.1.1, §1, derde lid van het Energiedecreet. Het voorval waarop AM-Power zich op beroept voor de onderproductie (namelijk de vergiftiging en de financiële problemen die hierop volgden) is immers op zijn minst voor een deel te wijten aan eigen fouten. Hoewel deze omstandigheid waarschijnlijk buiten de eigen wil lag, corresponderen dergelijke fouten niet met een uitbating volgens het goede huisvader-beginsel.” Uit deze motivering blijkt dat de bestreden beslissing steunt op feitelijke gegevens die zij haalt uit, eensdeels, het vonnis van de ondernemings- rechtbank van Gent, afdeling Brugge, anderdeels de samenvatting van het verslag van de gerechtsdeskundige in dat vonnis. Dit wordt door de verwerende partij niet ontkend. Meer bepaald oordeelt de bestreden beslissing dat welbepaalde “fouten” niet corresponderen met een uitbating volgens het goedehuisvaderbeginsel, met name
- i)het gegeven dat de aangestelde van de verzoekende partij zich er niet van heeft vergewist dat het nummer van de container overeenstemde met deze op de vrachtbrief,
- ii)het niet bijhouden van een logboek voor sulfaatmetingen en visuele observaties en het ontbreken van helder uitgeschreven richtlijnen rond wat aanvaardbaar is op het vlak van sulfaat en hoe de visuele controle dient te worden uitgevoerd, wat niet strookt met de professionele best practices, en iii) het gegeven dat de ADR-regelgeving niet correct werd nageleefd. 10. Wat de in de bestreden beslissing aangehouden “fout” hiervoor onder punt
- ii)vermeld betreft, voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing louter steunt op een parafrasering van het deskundigenverslag in het vonnis, zonder over een kopie van het deskundigenverslag te beschikken, waaruit zou zijn gebleken dat de verzoekende partij geen fouten maakte m.b.t. de sulfaatmetingen, visuele observaties, richtlijnen of best practices. De verzoekende partij wijst erop dat de gerechtsdeskundige niet aangeeft op basis waarvan hij tot XIV-39.344-17/24 het oordeel komt dat de procedure van ontvangst niet tot de best practices zou behoren en dat zijn beoordeling desbetreffend tegenstrijdig is. Verder verwijst de verzoekende partij naar het “technische luik” van het deskundigenverslag van de hand van professor V. die verklaart dat de verzoekende partij de sulfaatgehaltes controleert aan de hand van een welbepaalde test waarvan die deskundige oordeelt dat dit een “eenvoudige, goedkope en snelle manier [is] die op een afdoende wijze aantoont of er niet te veel sulfaat aanwezig is in het staal”. Verder wijst professor V. erop dat de verzoekende partij het werkplan goedgekeurd door de Milieu-inspectie West-Vlaanderen correct volgde. De verzoekende partij citeert vervolgens het vonnis van de ondernemingsrechtbank van Gent waaruit blijkt dat de rechtbank het standpunt van professor V. volgt en met betrekking tot de staalname en het logboek besluit “dat dit punt niet in oorzakelijk verband met de schade staat” en dat geen bewijs van een gebrek aan staalname voorligt. De verzoekende partij wordt bijgevallen in het besluit dat het dan ook een “raadsel” is waarom het VEKA in de bestreden beslissing verwijst naar het standpunt van de gerechtsdeskundige om te besluiten dat dit een “fout” is in hoofde van de verzoekende partij. Noch uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier valt af te leiden waarom het VEKA zich meent te kunnen steunen op de bevindingen van de gerechtsdeskundige desbetreffend en waarom zij aan die bevindingen een doorslaggevend belang hecht, nu die bevindingen expliciet niet worden gevolgd door de ondernemingsrechtbank en bovendien de technisch onderlegde deskundige, naar wiens “technisch luik” het deskundigen- verslag desbetreffend expliciet verwijst, één en ander lijkt tegen te spreken. De verzoekende partij maakt aldus aannemelijk dat het VEKA niet binnen de perken van de redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat er sprake is van een fout die ertoe bijdraagt dat de verzoekende partij de biogasinstallatie niet volgens de regels van de kunst zou hebben uitgebaat. Volgens de verwerende partij verhindert het gegeven dat de ondernemingsrechtbank bepaalde vaststellingen in het deskundigenverslag niet heeft gevolgd niet dat het VEKA die vaststellingen bij haar beoordeling betrekt. Ook meent de verwerende partij dat het VEKA niet verplicht is om zich aan te XIV-39.344-18/24 sluiten bij de beoordeling door de ondernemingsrechtbank en dat het VEKA zich mag steunen op een samenvatting van het deskundigenverslag in het vonnis van de ondernemingsrechtbank. Hoewel de verwerende partij in die standpunten kan worden bijgevallen – zij wijst er terecht op dat het vonnis van de ondernemingsrechtbank het VEKA niet bindt en dat uit de bestreden beslissing het tegendeel niet blijkt -, doet dit geen afbreuk aan de verplichtingen die voortvloeien uit de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. Ook het argument van de verwerende partij dat het VEKA over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt om te beslissen wat zij heeft beslist – een bewering die behoudens een vage verwijzing naar “het eigen administratief dossier” niet concreet wordt gestaafd – doet geen afbreuk aan de hiervoor vastgestelde schending van de materiëlemotiveringsplicht. 11. Wat de in de bestreden beslissing aangehouden “fout” hiervoor vermeld onder punten
- i)en iii) (supra, nr. 9) betreft, blijkt uit de rubrieken
- i)en
- v)van het vonnis van de ondernemingsrechtbank (supra, nr. 3.4) dat het in wezen om één en dezelfde “fout” gaat, met name het onvoldoende controleren of de bewuste container wel degelijk glycerine bevatte, waartoe het niet volstond de nummerplaat en de herkomst van de vrachtwagen, maar ook het tanknummer en de ADR-etikettering te controleren. Hoewel de verzoekende partij spreekt van een “eenmalige onzorgvuldigheid” of “(spijtig) voorval” ontkent zij deze feiten in wezen niet. Wat de verzoekende partij wél betwist is dat zij een “fout” beging die volstaat om te besluiten dat de biogasinstallatie niet is uitgebaat volgens de regels van de kunst in de zin van artikel 1.1.3, 126/1° van het decreet van 8 mei 2009. Zij analyseert de decretale definitie van ‘uitbating volgens de regels van de kunst’ en besluit daaruit dat de in die definitie bedoelde goede huisvader, geen foutenvrije huisvader is en niet de goede huisvader uit het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht. Het doel van de wetgever was immers om rendabiliteit te bieden aan “installaties die o.a. om technische redenen, overmacht enzovoort stil lagen”, waarbij de decreetgever die rendabiliteit enkel wil bieden aan installaties die door een goede huisvader zijn geëxploiteerd. Volgens de verzoekende partij XIV-39.344-19/24 strekt die exploitatie zich uit over alle exploitatiejaren en kan de evaluatie daarvan niet afhankelijk zijn van “één enkel (spijtig) voorval”. Zij wijst erop dat het gaat om één lading op ruim 7000 vrachten die per jaar worden verwerkt, wat sinds 2012 neerkomt op 1 vracht op minstens 50000 vrachten. 12. Zoals hiervoor reeds vermeld (supra, nr. 8), bepaalt de regelgeving niet wat onder het goedehuisvaderbeginsel moet worden begrepen. De parlementaire voorbereiding vermeldt hierover: “De raden menen dat in het kader van een goede ‘uitbating volgens de regels van de kunst’ ook het stilleggen om ‘contractuele of commerciële redenen’ moet worden begrepen en dat de definitie op dat punt zou moeten worden aangepast. Met deze redenering kan de Vlaamse Regering niet akkoord gaan. Dat de exploitant – en waar van toepassing eigenaar – zich als een goede huisvader moet gedragen bij de uitbating van een productie-installatie is evident. Bijkomend is verdere precisering van dit begrip evenwel noodzakelijk om te vermijden dat de dimensionering van installaties niet afgestemd zou zijn op een reële nood en/of verbruik en zo een misbruik zou kunnen ontstaan van de verlengingsmogelijkheid. Ook het vrijwillig stilleggen van een installatie voor langdurige periodes kan leiden tot maatschappelijk onwenselijke gevolgen. Om te verhinderen dat ook maatschappelijk gegronde redenen voor een tijdelijke onderbenutting of stillegging van een installatie aanleiding zouden geven tot een weigering van de verlengingsmogelijkheid op basis van vollasturen, wordt expliciet voorzien dat deze periodes ‘langdurig’ dienen te zijn. Gegronde redenen voor een tijdelijke onderbenutting of stillegging kunnen bijvoorbeeld zijn het inspelen op een tijdelijk overaanbod aan elektriciteit op de markt of een tijdelijke overbelasting van het net. De keuze om een installatie om contractuele of commerciële redenen stil te leggen behoort echter tot de normale bedrijfsrisico’s en -keuzes waarmee elke uitbater rekening moet houden, terwijl de verlengingsmogelijkheid uit artikel 7.1.1, §1, derde lid, van het Energiedecreet voornamelijk bedoeld is om installaties die o.a. om technische redenen, overmacht enzovoort stil lagen een garantie met betrekking tot rendabiliteit te bieden.” (Parl.St. Vl.Parl. 2012-2013, nr. 2031/1, 5) “Het begrip ‘uitbating volgens de regels van de kunst’ wordt nergens in wetgeving of rechtsleer voldoende gepreciseerd. Om meer rechtszekerheid te creëren en tegelijkertijd misbruik van de verlengingsmogelijkheid op basis van vollasturen, voorzien in artikel 7.1.1, §1, derde lid, tegen te gaan, dient dit begrip echter een precieze en zinvolle invulling te krijgen. Dat de exploitant – en waar van toepassing eigenaar – zich als een goede huisvader moet gedragen bij de uitbating van een productie-installatie is evident. Bijkomend is verdere precisering van dit begrip evenwel noodzakelijk om te vermijden dat de dimensionering van installaties niet afgestemd zou zijn op een reële nood en/of verbruik en zo een misbruik zou kunnen ontstaan van de verlengingsmogelijkheid. Ook het vrijwillig stilleggen van een installatie voor langdurige periodes kan leiden tot maatschappelijk onwenselijke gevolgen. Om te verhinderen dat ook maatschappelijk gegronde redenen voor een tijdelijke onderbenutting of stillegging van een installatie aanleiding zouden geven tot een weigering van de verlengingsmogelijkheid op basis van vollasturen, wordt expliciet XIV-39.344-20/24 voorzien dat deze periodes ‘langdurig’ dienen te zijn. Gegronde redenen voor een tijdelijke onderbenutting of stillegging kunnen bijvoorbeeld zijn het inspelen op een tijdelijk overaanbod aan elektriciteit op de markt of een tijdelijke overbelasting van het net.” (zie ook toelichting bij artikel 3, 2°, en 4). (Parl.St. Vl.Parl. 2012-2013, nr. 2031/1, 10). Hieruit blijkt dat de decreetgever het “evident” acht dat de exploitant zich gedraagt als een goede huisvader. Meer aandacht wordt besteed aan het voorkomen van misbruik van de mogelijkheid tot verlenging van de steunperiode, wat verklaart waarom de definitie van ‘uitbating volgens de regels van de kunst’ zich niet beperkt tot een verwijzing naar het goedehuisvaderbeginsel maar “bovendien” aanvullende voorwaarden formuleert. De verlengings- mogelijkheid uit artikel 7.1.1, § 1, derde lid, van het decreet van 8 mei 2009 is volgens de parlementaire voorbereiding “voornamelijk bedoeld om installaties die o.a. om technische redenen, overmacht enzovoort stil lagen een garantie met betrekking tot rendabiliteit te bieden”, wat staat tegenover het langdurig stilleggen of onderbenutten van de installatie ingevolge de expliciete of impliciete wil van de exploitant of eigenaar. 13. Uit de bestreden beslissing blijkt dat het VEKA zich baseert op de “fout” zoals vastgesteld in het deskundigenverslag en het vonnis van de ondernemingsrechtbank om daaruit zonder nadere overweging te besluiten dat een dergelijke fout niet spoort met een uitbating overeenkomstig het goedehuisvader- beginsel. Uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier blijkt dat andere gegevens in aanmerking werden genomen – behoudens het argument waarvan hiervoor (supra, nr. 10) is vastgesteld dat het in aanmerking nemen ervan de materiëlemotiveringsplicht schendt – dan de ene “fout” om bij een welbepaalde vracht te hebben nagelaten te controleren of de container wel degelijk glycerine bevatte, zoals op de vrachtbrief vermeld. De verwerende partij bevestigt overigens in de memorie van antwoord dat naar haar oordeel één handeling of omissie volstaat om te besluiten dat de installatie niet werd uitgebaat volgens de regels van de kunst, als een goede huisvader die handeling of omissie niet zou hebben gesteld. XIV-39.344-21/24 14. Gelet op de specifieke context waarbinnen de beoordeling moet worden gemaakt of de exploitatie gedurende een bepaalde tijdsperiode werd uitgebaat volgens de regels van de kunst, zijnde met het oog op een verlenging van de steunperiode van tien jaar om GSC’s te ontvangen, mag het VEKA, op straffe van hierdoor de materiëlemotiveringsplicht te schenden, aan het enkele gegeven dat eenmalig een voorval zich voordeed in die voorbije exploitatieperiode, niet de conclusie verbinden dat de exploitatie in die periode niet werd uitgebaat volgens de regels van de kunst, zonder bij die beoordeling te dezen te betrekken, eensdeels de relevantie van dit voorval op de wijze van de uitbating, en anderdeels de wijze waarop de installatie voor het overige tijdens die periode van tien jaar werd geëxploiteerd. Dit geldt te meer daar te dezen niet vaststaat dat dit “voorval” moet worden beschouwd als een “fout”, in de zin van een tekortkoming aan het goedehuisvaderbeginsel. De bestreden beslissing steunt om tot die “fout” te besluiten immers uitsluitend op de beoordeling door de ondernemingsrechtbank (en het daaraan ten grondslag liggende verslag van de gerechtsdeskundige). Hoewel de verzoekende partij het “voorval” op zich niet betwist, betwist zij wél dat zij een (burgerrechtelijke) “fout” heeft begaan, reden waarom zij hoger beroep heeft ingesteld. Door zonder meer op basis van het vonnis van de ondernemings- rechtbank, dat niet definitief is, te besluiten dat de installatie over een periode van tien jaar niet werd uitgebaat volgens de regels van de kunst, daar de verzoekende partij “fouten” beging, zonder daarbij ook maar enig ander gegeven betreffende de exploitatie gedurende tien jaar te betrekken bij haar beoordeling of die exploitatie gebeurde volgens de regels van de kunst, is het VEKA niet binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid tot haar besluit gekomen, zodat de bestreden beslissing de materiëlemotiveringsplicht schendt. 15. De argumenten van de verwerende partij doen niet anders besluiten. Deze komen immers neer op het bevestigen van het standpunt dat één handeling of omissie volstaat om te besluiten dat de installatie niet werd uitgebaat volgens de regels van de kunst, wat op zich niet volstaat zoals hiervoor is gebleken. Verder kan de verwerende partij weliswaar worden bijgevallen dat zij het vonnis van de ondernemingsrechtbank als een feitelijk gegeven in aanmerking mag nemen bij haar besluitvorming, doch in de mate de verwerende partij hierop steunt om te XIV-39.344-22/24 besluiten tot een “fout” die een goede huisvader niet begaat, wordt verwezen naar wat hiervoor werd uiteengezet. Waar de verwerende partij in de laatste memorie aanvoert dat het VEKA een gelijklopende redenering mag opbouwen als de ondernemingsrechtbank, maar dat die redenering niet één en dezelfde moet zijn, alsook dat het VEKA op een onafhankelijke wijze haar eigen beoordeling maakt, wordt vastgesteld dat deze argumentatie niet relevant is, nu uit de bestreden beslissing onweerlegbaar blijkt dat ze zonder meer steunt op de “fout” vastgesteld door de ondernemingsrechtbank. 16. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt “de beslissing van het Vlaamse Energie- en Klimaatagentschap […] van onbekende datum, maar betekend op 6 oktober 2022, betreffende de ‘aanvraag verlenging steunperiode op basis van vollasturen, conform artikel 7.1.1, §1, derde en zesde lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009’”. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter XIV-39.344-23/24 Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.344-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.815 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div