← België

Arrest 259964 - Overheidsopdrachten - 31/05/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.964 Rolnummer: A. 234216/XII-9118 Zaak: Arrest 259964 - Overheidsopdrachten - 31/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-06 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-06-11 03:02 Fiche Arrest nr 259.964 van 31 mei 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.964 no lien 277397 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 259.964 van 31 mei 2024 in de zaak A. 234.216/XII-9118 In zake :

  1. de NV SCHEERLINCK SPORT
  2. de NV CANALCO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Van Wesemael kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 235 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD SINT-NIKLAAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Elke Casteleyn en Fauve Verpoorten kantoor houdend te 9160 Lokeren Begijnhofstraat 8 bus 0003 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV SPORTINFRABOUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Wouters, kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 30 juli 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas van 31 mei 2021 waarbij de offerte van de nv Scheerlinck Sport en de nv Canalco voor de overheidsopdracht voor de renovatie van het kunstgrasveld terrein F van het sportcentrum Meesterstraat niet wordt geselecteerd en de opdracht wordt gegund aan de nv Sportinfrabouw. XII-9118-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Sportinfrabouw heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 19 november
  5. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Anke Meskens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 januari
  6. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Victoire Willemot, die loco advocaat Philippe Van Wesemael verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaten Elke Casteleyn en Fauve Verpoorten, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. XII-9118-2/14 III. Feiten
  8. De stad Sint-Niklaas schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp de “renovatie kunstgrasvoetbalveld terrein F sportcentrum Meesterstraat”. De opdracht wordt geplaatst bij wijze van openbare procedure. De opdracht wordt nationaal bekendgemaakt. 3.
  9. Het bijzonder bestek met referentie ‘2021/019aa’ is van toepassing. De prijs is het enig gunningscriterium. Onder punt I.5, ‘Uitsluitingsgronden en kwalitatieve selectie’, wordt bepaald dat bij het offerteformulier onder meer de volgende stukken inzake de technische en beroepsbekwaamheid van de inschrijver gevoegd moeten worden: Nr. Selectiecriteria Minimumvereisten 1 Referenties De kandidaat dient aan te tonen dat deze zelf als hoofdaannemer in de vorige 5 jaar vanaf datum van aanbesteding, 5 grote (minimum 6000m²/per veld) FIFIA 2-STAR/FIFA QUALITY PRO gecertificeerde kunstgrasvelden gelijkaardig aan dit project heeft aangelegd/gerenoveerd. Hij voegt getuigschriften van goede uitvoering van deze werken bij zijn inschrijving. De getuigschriften vermelden minimaal de plaats van de werken en de opdrachtgever (inclusief adressen), de contactpersoon en zijn telefoonnummer. 2 Bewijs van ISO9001 VCA certificeringen XII-9118-3/14 3 Bescheiden De inschrijver dient eveneens op straffe van nietigheid inzake de documenten conform KB 25/01/2007 (en alle latere veiligheid en wijzigingen) art. 30, veiligheids- en gezondheidsplan gezondheid (VGP) bij te voegen. Het betreft:
  10. een document dat verwijst naar het veiligheids- en gezondheidsplan en waar de inschrijver beschrijft op welke wijze hij het bouwwerk zal uitvoeren om rekening te houden met dit VGP; een en ander conform de omzendbrief van eerste Minister d.d. 18/18/2004 (BS 27/12/2008) [lees: d.d. 18/12/2007 (B.S. 27/12/2007)];
  11. een afzonderlijke prijsberekening in verband met de door het VGP bepaalde preventiemaatregelen en –middelen, inbegrepen de buitengewone individuele beschermingsmaatregelen en –middelen, een en ander conform de omzendbrief van de eerste Minister d.d. 18/18/2007 (BS 27/12/2008) [lees: d.d. 18/12/2007 (B.S. 27/12/2007)]; Alle bescheiden en nota’s die bij de offerte worden gevoegd moeten worden gedagtekend en ondertekend onder vermelding ‘opgemaakt door ondergetekende om gevoegd te worden bij zijn offerte van heden’. 3.
  12. Vier inschrijvers, waaronder de combinatie Scheerlinck Sport – Canalco en de tussenkomende partij, dienen een offerte in. De verzoekende partijen voegen bij hun offerte onder meer twee certificaten, die door een certificatie-instelling zijn toegekend aan de nv Canalco, tweede verzoekende partij: een certificaat ‘EN ISO 9001 : 2015’ en een certificaat ‘VCA** - Versie 2008/5.1’ (zie hierover verder overweging 8). 3.
  13. Een verslag van nazicht van de offertes wordt opgesteld op 26 mei
  14. XII-9118-4/14 Daarin wordt vastgesteld dat de tijdelijke maatschap waarvan de verzoekende partijen deel uitmaken, niet voldoet aan de eisen van kwalitatieve selectie. De motivering hiervoor is als volgt: “VCA ISO9001 ontbreekt voor één van de beide maatschappijen uit de tijdelijke [maatschap]. Het VCA-ISO-certificaat werd gevraagd als garantie dat de aannemer aan bepaalde normen inzake kwaliteitsbewaking en veiligheidsnormen moet voldoen. De gevraagde certificering kan bijgevolg niet worden herleid tot slechts één van de twee leden van [de] inschrijvers.” Nog één andere inschrijver wordt niet geselecteerd, eveneens wegens het ontbreken van het VCA ISO9001-certificaat. De offerte van één van de twee geselecteerde inschrijvers wordt nietig verklaard, op grond dat ze niet voldoet aan een aantal eisen van het bestek. De offerte van de tussenkomende partij wordt als enige regelmatige offerte in aanmerking genomen, en er wordt voorgesteld de opdracht aan die inschrijver te gunnen. 3.
  15. Op 31 mei 2021 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas het verslag van nazicht goed en beslist het om de opdracht te gunnen aan de tussenkomende partij. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  16. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 4, eerste lid, 8, § 2, en 71, eerste lid, 2° en 3°, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), artikel 5, 6°, van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen’, het beginsel van gelijkheid, het transparantiebeginsel, het beginsel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.964 XII-9118-5/14 patere legem quam ipse fecisti, de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, “Doordat de bestreden beslissing de inschrijving van verzoekers niet heeft geselecteerd met als motivering dat het VCA ISO9001 ontbreekt voor één van de beide inschrijvers uit de tijdelijke maatschap, Terwijl er nergens in het bestek wordt bepaald dat, in geval van indiening van een offerte door een combinatie, alle deelnemers aan de combinatie elk afzonderlijk moeten voldoen aan de selectiecriteria, En terwijl de offerte van verzoeksters wel degelijk het vereiste certificaat op naam van de nv Canalco bevat, En terwijl iedere gemotiveerde gunningsbeslissing de juridische en feitelijke overwegingen dient te vermelden die aan de beslissing ten gronde liggen en afdoende [moeten] zijn teneinde belanghebbenden in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft om zich tegen de beslissing te verweren, En terwijl het ‘patere legem quam ipse fecisti’-beginsel vereist dat verwerende partij het bestek naleeft, Zodat de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen van behoorlijk [bestuur] schendt.” In de toelichting bij het middel wijzen de verzoekende partijen erop dat het bestek in verband met de selectiecriteria geen bijzondere vereisten oplegt voor combinaties van ondernemers. Het bestek bepaalt ook niet dat alle deelnemers aan een combinatie individueel aan de selectievereisten zouden moeten voldoen, noch dat het bewijs van de vereiste certificeringen door iedere deelnemer afzonderlijk moet worden voorgelegd. Er wordt enkel bepaald dat “de inschrijver” over een VCA ISO9001 -certificaat moet beschikken. Te dezen betekent dit dat de combinatie Scheerlinck Sport - Canalco een dergelijk attest moet voorleggen. Dit is gebeurd. Door te oordelen dat de gevraagde certificering niet kan worden herleid tot slechts één van de twee deelnemers aan de combinatie, miskent de verwerende partij haar eigen bestek.
  17. In hun memorie van wederantwoord antwoorden de verzoekende partijen in de eerste plaats op het verweer van de verwerende partij dat de verplichting voor elk van de deelnemers aan een combinatie om over een certificaat te beschikken, voortvloeit uit de eigenheid van de betrokken certificaten. XII-9118-6/14 Hiertegenover stellen de verzoekende partijen artikel 8, § 2, van de wet overheidsopdrachten 2016, dat weliswaar toelaat dat een aanbestedende overheid een dergelijke eis zou opleggen, maar dan op voorwaarde dat de “objectieve en proportionele” gronden daarvoor in de opdrachtdocumenten worden vermeld. Dat is te dezen niet gebeurd. Volgens de verzoekende partijen worden selectiecriteria overeenkomstig artikel 71 van de wet overheidsopdrachten 2016 opgelegd aan “kandidaten” en “inschrijvers”. Die begrippen zijn blijkens artikel 2, 11° en 14°, van dezelfde wet afgestemd op het begrip “ondernemer”, waarmee volgens artikel 2, 10°, van dezelfde wet een natuurlijke persoon, een privaat- of publiek- rechtelijke rechtspersoon of een combinatie van deze personen, met inbegrip van een tijdelijke samenwerkingsverband van ondernemingen, wordt bedoeld. Bijgevolg gelden de selectiecriteria in beginsel voor zowel een afzonderlijke kandidaat of inschrijver als voor een combinatie van kandidaten of inschrijvers. Artikel 8, § 2, van de wet overheidsopdrachten 2016 laat de aanbestedende overheid wel toe om van dat beginsel af te wijken, maar dan enkel door in de opdrachtdocumenten te verduidelijken op welke andere wijze combinaties aan die criteria moeten beantwoorden, en op voorwaarde dat deze handelwijze gerechtvaardigd is door objectieve en proportionele gronden. Te dezen bepaalde het bestek enkel dat een “VCA ISO9001” bijgebracht moest worden door de “inschrijver”. Bij gebreke van een andersluidende bepaling in het bestek volstond het dus dat dit certificaat door een combinatie van inschrijvers bijgebracht werd. Door in de bestreden beslissing te oordelen dat dit certificaat door elke deelnemer aan de combinatie bijgebracht moest worden, schendt de verwerende partij artikel 8, § 2, van de wet overheidsopdrachten 2016 en haar eigen bestek. Dat het VCA-attest op één onderneming zou zijn toegespitst, zoals de tussenkomende partij betoogt, is volgens de verzoekende partijen niet van aard afbreuk te doen aan de bepalingen van de wet overheidsopdrachten 2016 en in het bijzonder aan de notie “ondernemer” die in die wet wordt gehanteerd. XII-9118-7/14
  18. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat artikel 8, § 2, van de wet overheidsopdrachten 2016 een facultatief karakter heeft. Maakt een aanbestedende overheid geen gebruik van de mogelijkheid om voor een combinatie van kandidaten of inschrijvers te verduidelijken op welke andere wijze zij aan de selectiecriteria moeten voldoen, dan geldt onverminderd het beginsel dat de selectiecriteria gelden voor zowel een afzonderlijke kandidaat of inschrijver als een combinatie van kandidaten of inschrijvers. De verzoekende partijen gaan ook in op artikel 73, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), in het bijzonder op de bepaling volgens welke een ondernemer zich voor het vervullen van de in artikel 68, § 4, 6°, bedoelde criteria inzake de studie- en beroepskwalificaties of inzake beroepservaring slechts mag beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer de kandidaat of inschrijver het deel van de opdracht waarvoor hij over de betreffende beroepskwalificatie beschikt, zelf zal uitvoeren. Die bepaling verzet zich niet tegen het gegeven dat de eerste verzoekende partij, die niet-gecertificeerd is, de helft van de uitvoering van de opdracht voor haar rekening zou nemen. Die bepaling is te dezen immers niet relevant. Binnen de combinatie van de verzoekende partijen werd geen beroep gedaan op de draagkracht van de ene of de andere entiteit om aan de selectiecriteria te voldoen, om de eenvoudige reden dat de “inschrijver”, met name de combinatie van de verzoekende partijen, de gevraagde certificering reeds bijbracht en het bestek niet vereiste dat elke deelnemer aan een combinatie de certificering moest bijbrengen. Beoordeling
  19. Artikel 8, § 2, van de wet overheidsopdrachten 2016 luidt als volgt: “Combinaties van ondernemers mogen deelnemen aan overheids- opdrachten. Een aanbesteder kan niet eisen dat zij voor het indienen van een aanvraag tot deelname of een offerte een bepaalde rechtsvorm aannemen. XII-9118-8/14 Aanbesteders kunnen in de opdrachtdocumenten verduidelijken op welke wijze combinaties van ondernemingen aan de vereisten op het gebied van economische en financiële draagkracht en technische en beroepsbekwaam- heid als bedoeld in artikel 71, eerste lid, 2° en 3°, moeten voldoen, wat de klassieke sectoren betreft, dan wel, wat de speciale sectoren betreft, aan de criteria en voorschriften op het gebied van kwalificatie en kwalitatieve selectie als bedoeld in Titel 3, Hoofdstuk 4, Afdeling 3, Onderafdeling 2, mits deze gerechtvaardigd zijn op basis van objectieve gronden en proportioneel zijn. De Koning kan de voorwaarden voor de toepassing van die vereisten bepalen. Alle aan combinaties van ondernemers opgelegde voorwaarden voor uitvoering van een opdracht, die afwijken van de voorwaarden die aan individuele deelnemers zijn opgelegd, moeten eveneens op objectieve gronden berusten en dienen proportioneel te zijn. […].” Artikel 71, eerste lid, van dezelfde wet luidt als volgt: “Het selectiecriterium of de selectiecriteria kunnen betrekking hebben op : 1° geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen; en/of 2° de economische en financiële draagkracht; en/of 3° de technische en beroepsbekwaamheid.” Artikel 78, eerste lid, van dezelfde wet luidt als volgt: “Een ondernemer kan, in voorkomend geval en voor een bepaalde opdracht, zich beroepen op de economische en financiële draagkracht en de technische en beroepsbekwaamheid van andere entiteiten zoals bedoeld in artikel 71, eerste lid, 2° en 3°.” Artikel 73, § 1, eerste en derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “Overeenkomstig artikel 78 van de wet, kan een ondernemer zich eventueel en voor een welbepaalde opdracht beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten, met betrekking tot de in artikel 67 bedoelde criteria inzake economische en financiële draagkracht en de in artikelen 68 en 70 bedoelde criteria inzake technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid. Wat betreft de in artikel 68, § 4, 6°, bedoelde criteria inzake de studie- en beroeps- kwalificaties, of inzake de relevante beroepservaring, mogen de ondernemers zich evenwel slechts beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer laatstgenoemde de werken of diensten waarvoor die draagkracht vereist is, zal uitvoeren. Wanneer een ondernemer zich op de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.964 XII-9118-9/14 draagkracht van andere entiteiten wil beroepen, toont hij ten behoeve van de aanbestedende overheid aan dat hij zal kunnen beschikken over de nodige middelen, met name door overlegging van een verbintenis daartoe van deze andere entiteiten. […] Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van ondernemers zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of van andere entiteiten.”
  20. Te dezen wordt in het bestek van de inschrijvers vereist dat zij beschikken over een ISO 9001-certificaat en een VCA-certificaat. Met een ISO 9001-certificaat wordt gecertificeerd dat de betrokken onderneming een kwaliteitssysteem heeft ingevoerd en op peil houdt, dat conform is met de eisen van de internationale norm ISO 9001:2015 ‘Kwaliteitsmanagementsystemen’. Met een VCA-certificaat wordt gecertificeerd dat de betrokken onderneming een veiligheidsbeheersysteem bezit en onderhoudt, dat in overeenstemming is met de kenmerken van het veiligheidszorgsysteem beschreven in de Belgische ‘VCA** - Versie 2008/5.1’, waarbij VCA staat voor “Veiligheid, gezondheid en milieu Checklist Aannemers”. Gelet op het voorwerp van de twee certificaten, kan aangenomen worden dat zij het bewijs kunnen leveren van het feit dat de inschrijver aan bepaalde kwaliteits- en veiligheidsnormen voldoet. Het voldoen aan deze door onafhankelijke organisaties gestelde normen kan derhalve beschouwd worden als een beroepskwalificatie in de zin van artikel 68, § 4, 6°, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, en meer in het algemeen als een bewijs van de technische en beroepsbekwaamheid van de ondernemer, in de zin van artikel 68 van het voornoemde besluit.
  21. Volgens artikel 73, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 mag een inschrijver zich voor criteria inzake onder meer de beroepskwalificaties slechts beroepen op de draagkracht van andere entiteiten in zoverre de betrokken entiteit de werken of diensten waarvoor die draagkracht vereist is, ook effectief zal verrichten. A contrario volgt hieruit dat indien de inschrijver de opdracht, of een deel daarvan, zelf wil uitvoeren, hij dan ook zelf XII-9118-10/14 moet beantwoorden aan de criteria inzake beroepskwalificaties die voor de opdracht of voor het betrokken deel ervan vereist zijn. Artikel 73, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 bepaalt dat een combinatie van ondernemers zich kan beroepen op de draagkracht van één of meer deelnemers aan de combinatie, onder dezelfde voorwaarden als een individuele aannemer zich kan beroepen op de draagkracht van een andere entiteit. Dit betekent dat, als de combinatie zich beroept op de draagkracht van één of meer van haar deelnemers om te voldoen aan criteria inzake onder meer de beroepskwalificaties, dit slechts mogelijk is in zoverre de betrokken deelnemer de werken of diensten waarvoor die draagkracht vereist is, ook effectief zal verrichten.
  22. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, blijkt uit de intentieverklaring in verband met de overeenkomst van tijdelijke maatschap, gevoegd bij de offerte van de verzoekende partijen, dat tussen hen is afgesproken dat elke vennoot recht heeft op de uitvoering van de helft van de werken. Dit wil zeggen dat, in geval van gunning van de opdracht, de eerste verzoekende partij in beginsel de helft van de werken zal uitvoeren. Er wordt niet betwist dat de eerste verzoekende partij niet beschikt over de vereiste ISO- en VCA-certificaten. De vraag is dan ook of de certificaten toegekend aan de tweede verzoekende partij volstaan om te voldoen aan het selectievereiste in verband met die twee certificaten.
  23. De verwerende partij en de tussenkomende partij benadrukken dat de twee certificaten betrekking hebben op de gehele werking van de betrokken onderneming. De verwerende partij verwijst in dit verband naar het arrest van de Raad van State van 15 juli 2010, nr. 206.645, nv Labonorm, overweging 8.
  24. In dat arrest heeft de Raad van State erkend dat het vroegere ISO 9002-certificaat, dat betrekking had op een bepaalde kwaliteitsbewaking in de onderneming, niet te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.964 XII-9118-11/14 herleiden was tot een specifiek onderdeel van de uit te voeren werken, maar integendeel betrekking had op de “volledige onderneming van de inschrijver”. Dat certificaat moest garanderen dat de betrokken aannemer aan bepaalde normen inzake kwaliteitsbewaking voldeed, en zulks niet enkel in verband met de werken die hij in het kader van de betrokken overheidsopdracht zou uitvoeren. De Raad van State bevestigt die zienswijze in verband met de twee certificaten die het voorwerp van de huidige betwisting vormen.
  25. Uit het voorgaande volgt dat, als een combinatie van onder- nemingen zich inschrijft voor een overheidsopdracht, het vereiste van de twee certificaten, als bewijs van de technische en beroepsbekwaamheid van een inschrijver, geldt voor de hele combinatie. Dit betekent dat het vereiste in dit geval geldt voor alle deelnemers aan de combinatie, afzonderlijk beschouwd. Daarover anders oordelen, zou immers betekenen dat de kwaliteitseisen waarvoor de twee certificaten staan, niet voor het geheel van de bedrijfsactiviteiten van de “inschrijver” zouden gelden. Zoals de verwerende partij en de tussenkomende partij terecht benadrukken, zou een certificering voor slechts een deel van de bedrijfsactiviteiten van een “inschrijver” niet stroken met de specifieke kenmerken van de bedoelde certificaten. Het voorgaande belet niet dat een combinatie van onder- nemingen zich voor het voldoen aan een selectievereiste in verband met de technische en beroepsbekwaamheid kan beroepen op de draagkracht van één van de deelnemers aan de combinatie. In dat geval is dan wel vereist dat die deelnemer voldoet aan de selectievereisten die gelden voor het deel van de opdracht dat hij zal uitvoeren. Nu de eerste verzoekende partij zelf een deel van de werken zou uitvoeren – in beginsel de helft van de werken, wat niet onaanzienlijk is –, diende zij dus zelf te beschikken over de vereiste certificering voor het geheel van haar ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.964 XII-9118-12/14 onderneming, ongeacht de aard van de werken die zij zou uitvoeren. Om te bewijzen dat zij aan de door de certificaten gedekte kwaliteits- en veiligheidseisen voldeed, kon zij zich daarentegen niet beroepen op de certificatie waarover de tweede verzoekende partij beschikte. De conclusie is dan ook dat de verwerende partij wettig kon beslissen om de tijdelijke maatschap, bestaande uit de verzoekende partijen, niet te selecteren, op grond dat één van de vennoten niet beschikte over de vereiste certificaten.
  26. Het vereiste dat elk van de deelnemers aan een combinatie van ondernemingen diende te beschikken over de bedoelde certificaten, vloeit te dezen voort uit artikel 73, § 1, eerste en derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 en uit de aard van die certificaten. In die omstandigheden diende de verwerende partij niet te verduidelijken, met toepassing van artikel 8, § 2, van de wet overheidsopdrachten 2016, op welke wijze combinaties van ondernemingen aan het selectievereiste in verband met de certificaten moesten voldoen.
  27. Gelet op het voorgaande, moet ook besloten worden dat de bestreden beslissing steunt op een motief dat het niet selecteren van de verzoekende partijen kan dragen. Dat motief is ook in het verslag van nazicht vermeld. Aan de materiële en de formele motiveringsplicht is derhalve voldaan.
  28. Het middel kan niet aangenomen worden. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep.
  30. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9118-13/14 De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Paul Lemmens XII-9118-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.964 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.