← België

Arrest 259985 - Overheidsopdrachten - 03/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.985 Rolnummer: A. 241846/XIV-39507 Zaak: Arrest 259985 - Overheidsopdrachten - 03/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-06 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-06 07:45 Fiche Arrest nr 259.985 van 3 juni 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.985 no lien 277518 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 259.985 van 3 juni 2024 in de zaak A. 241.846/XII-9494 In zake: de NV DE PEUTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Liesbeth Peeters en Astrid Engelen kantoor houdend te 2300 Turnhout Parklaan 126/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE WESTERLO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 3 mei 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo d.d. 15 april 2024 waarbij een overheidsopdracht […] voor het bouwen van afscheidspaviljoenen en bergruimtes op 7 begraafplaatsen in Westerlo wordt gegund aan [de nv V.] tegen het offertebedrag van 623.642,82 EUR (excl. BTW) of 754.607,81 EUR (incl. BTW)”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-9494-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 mei
  3. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Astrid Engelen, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Benjamin Gorrebeeck en Ann-Sofie Custers, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Anke Meskens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de Auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp ‘Bouwen van afscheidspaviljoen

(6x)+ bergruimte
(6x)op 7 begraafplaatsen […] te Heultje / Oevel / Oosterwijk / Tongerlo (enkel paviljoen) / Voortkapel / Zoerle-Parwijs / Westerlo (enkel berging)’. Er wordt gekozen voor de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. De uitgave voor deze opdracht wordt geraamd op 591.457,64 euro, btw niet inbegrepen, en na herziening op 623.403,59 euro, btw niet inbegrepen. De opdracht wordt nationaal bekendgemaakt. XII-9494-2/14 3.
  1. In het bestek dat op deze opdracht van toepassing is, wordt bepaald dat de opdracht zal worden toegewezen aan de economisch meest voordelige offerte, met de prijs als enig gunningscriterium. Luidens punt A.3.4 ‘Vorm en inhoud offerte (art. 77-78 KB Plaatsing)’ dient elke inschrijver bij zijn offerte een attest van plaatsbezoek te voegen, als volgt: “De inschrijver is verplicht om vóór de indiening van zijn offerte ter plaatse te gaan om zich te vergewissen van de bestaande toestand van de bouwplaats en de gebouwen, de ligging, de omgeving en de toegangswegen, ten einde zo een correcte prijs te kunnen opmaken voor zijn inschrijving en daarvan het ‘attest van plaatsbezoek’ (zie bijlage) [te voegen] bij zijn offerte.” 3.
  2. Drie ondernemingen dienen een offerte in met volgende bedragen, btw niet inbegrepen: - nv D. 970.320,80 euro - bv V. 623.642,82 euro - nv De Peuter 798.344,24 euro. 3.
  3. Op 2 april 2024 wordt een gunningsverslag opgesteld. De offerte van de nv D. wordt als substantieel onregelmatig bevonden omdat geen attest van plaatsbezoek is bijgevoegd. Aangaande het prijsonderzoek wordt in het gunningsverslag het volgende vermeld: “
  4. Regelmatigheidsonderzoek van de offertes van geselecteerde inschrijvers […] Prijs- of kostenonderzoek Op basis van artikel 34 van het KB plaatsing werden de offertes nagekeken op rekenfouten, zuiver materiële fouten en leemtes. Deze werden niet vastgesteld. Hierbij werden geen schijnbaar afwijkende totaal- of eenheidsprijzen van significante posten gevonden van de regelmatig bevonden offertes. […].” XII-9494-3/14 Na toetsing aan het gunningscriterium prijs wordt de volgende finale rangschikking van de regelmatig bevonden offertes vastgesteld, bedragen inclusief btw:
  5. bv V. 754,607,81 euro
  6. nv De Peuter 965.996,53 euro. Vervolgens wordt voorgesteld om de opdracht toe te wijzen aan de bv V., tegen het nagerekende inschrijvingsbedrag van 754.607,81 euro, inclusief 21% btw. 3.
  7. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo beslist op 15 april 2024 om goedkeuring te hechten aan het gunningsverslag en de opdracht dienovereenkomstig toe te wijzen aan de bv V. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
  9. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 4, 83 en 84 van de wet van XII-9494-4/14 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachtenwet 2016), de artikelen 33 juncto 35 en 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Zij acht deze bepalingen en beginselen geschonden, “Doordat de bestreden beslissing overgaat tot het gunnen van de overheidsopdracht aan [V.] onder de overweging dat dit de economisch meest voordelige offerte is, Terwijl uit het verslag van nazicht van offertes niet blijkt of er een onderzoek werd gedaan naar de grote prijsverschillen in de verschillende offertes en wat het resultaat van dit onderzoek zou zijn, Zodat de aangehaalde bepalingen en beginselen werden geschonden ingevolge de bestreden beslissing, waardoor de overheidsopdracht zonder grondig onderzoek aan [V.] en niet aan verzoekster werd gegund.”
  10. De verzoekende partij licht toe dat, gelet op het aanzienlijke prijsverschil tussen de drie ingediende offertes, er een doorgedreven prijsonderzoek moest worden gevoerd. De prijs van de gekozen inschrijver wijkt met 346.677,98 euro (btw niet inbegrepen) af van de offerteprijs van de nv D. Ook vertoont de offerte van de gekozen inschrijver een significant prijsverschil met de offerte van de verzoekende partij, ten belope van 174.701,42 euro of een verschil van 21%. Die vaststelling had de verwerende partij overeenkomstig artikel 35 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 ertoe moeten brengen om een prijs- of kostenonderzoek te voeren, mede in het licht van de verplichting die uit laatstgenoemde bepaling voortvloeit om alle bedragen van elke offerte nauwgezet te controleren en een onderlinge prijsvergelijking door te voeren van alle eenheids- en totaalprijzen van alle offertes. De verzoekende partij betwist dat dit prijs- of kostenonderzoek plaatsvond, minstens blijkt dit niet afdoende uit de bestreden beslissing. XII-9494-5/14 Daardoor is volgens de verzoekende partij ook het transparantiebeginsel geschonden. De verzoekende partij wijst erop dat allerminst duidelijk is waarom er ondanks de grote prijsverschillen geen prijs- of kostenonderzoek werd gevoerd, zodat zij als inschrijver niet kan nagaan of alle eenheidsprijzen van de gekozen inschrijver wel realistisch zijn ondanks het zeer lage offertebedrag. Evenmin staat in die omstandigheden vast dat het gelijkheidsbeginsel tussen de inschrijvers werd geëerbiedigd. Dat een prijs- of kostenonderzoek zich te dezen opdrong, leidt de verzoekende partij af uit het feit dat de prijs van de gekozen inschrijver, afgezet tegenover de prijs van de verzoekende partij, een verschil oplevert van 21%, dit is meer dan 15%. Onder verwijzing naar het arrest van de Raad van State van 10 juli 2023, nr. 257.088, stelt de verzoekende partij dat ook buiten de gevallen bedoeld in artikel 36, § 4, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 deze 15%-grens haar relevantie behoudt bij het opsporen van mogelijk abnormale prijzen. In het geval er toch een prijs- of kostenonderzoek naar de eenheidsprijzen en de totaalprijzen zou zijn uitgevoerd, blijkt dit volgens de verzoekende partij in elk geval niet uit de bestreden beslissing. Met de algemene standaardformulering in de bestreden beslissing dat er “een algemeen prijsonderzoek” werd doorgevoerd, kan de verwerende partij alvast niet volstaan: naar het oordeel van de verzoekende partij is dit niet meer dan een loutere stijlformule, die in de voorliggende omstandigheden hoe dan ook geen inzicht biedt in (de omvang van) het gevoerde prijsonderzoek en die de redenen om geen doorgedreven prijsonderzoek te voeren niet inzichtelijk maakt.
  11. De verwerende partij stelt in haar nota in de eerste plaats dat de verzoekende partij onterecht van de veronderstelling uitgaat dat er “aanzienlijke prijsverschillen” zijn tussen de offerte van de gekozen inschrijver en die van de overige twee inschrijvers. Zij licht toe dat zij in het kader van het algemeen prijs- of kostenonderzoek geen rekening diende te houden met de onregelmatig bevonden offerte van de derde inschrijver, de nv D., op het risico af het prijsonderzoek onwerkzaam te maken. Te dezen is de offerte van deze inschrijver substantieel onregelmatig verklaard en geweerd omdat hij niet ter plaatse is XII-9494-6/14 geweest. Bij gebrek aan plaatsbezoek zijn de prijzen dus willekeurig opgegeven, wat iedere vergelijking onmogelijk maakt. Ten tweede wijst de verwerende partij erop dat de verzoekende partij het algemeen en het bijzonder prijs- of kostenonderzoek met elkaar lijkt te verwarren. Te dezen beschikte de verwerende partij over een ruime appreciatiemarge om te besluiten dat al dan niet schijnbaar abnormale prijzen voorliggen. Die ruime appreciatiemarge vloeit in de eerste plaats voort uit het gebrek terzake van een reglementair vermoeden van abnormale prijzen. De verwerende partij beklemtoont dat deze beoordelingsmarge ruimer is in het kader van plaatsingsprocedures die gekenmerkt zijn door onderhandelingen, zoals te dezen het geval is. Ook de specifieke aard van de opdracht verruimt deze beoordelingsmarge, nu het een atypische metaalconstructie betreft, met een uitzonderlijke vormgeving. Voor dergelijke opdrachten bestaan geen standaard eenheidsprijzen. Aannemers dienen een globale calculatie te maken op basis van productie en montage-uren, en materialen, lakwerk, plaat-, plooi-, knip- en walswerk. De specifieke aard van de opdracht stelt de verwerende partij niet vrij van een gedegen prijs- of kostenonderzoek, maar verruimt wel haar beoordelingsmarge. Tot slot verruimt uiteraard ook het gegeven dat slechts twee regelmatige offertes voorliggen de beoordelingsmarge van de verwerende partij. Immers, in die omstandigheid kunnen prijsverschillen slechts worden geacht een relatieve indicatie van het schijnbaar (ab)normaal karakter van prijzen te zijn. Binnen die ruime perken mocht de verwerende partij besluiten dat er te dezen geen schijnbare abnormale prijs voorlag, en dat er dus geen bijzonder prijs- of kostenonderzoek in de zin van artikel 36 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 moest worden opgestart. Dat geen dergelijk bijzonder prijs- of kostenonderzoek voorlag, doet volgens de verwerende partij overigens niet noodzakelijkerwijze besluiten dat er geen algemeen prijs- of kostenonderzoek is gevoerd. Ten derde wijst de verwerende partij er nog op dat er voor haar geen enkele verplichting bestond om formeel te motiveren waarom een bepaalde prijs a priori geen schijnbaar abnormaal karakter vertoont, zodat het volstaat dat uit de bestreden beslissing, minstens uit het administratief dossier, blijkt dat een vergelijking van de prijzen door de aanbestedende overheid werd uitgevoerd. Met verwijzing naar de ratio legis van de regelgeving inzake abnormale prijzen, merkt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.985 XII-9494-7/14 de verwerende partij op dat de formele motivering bij het prijs- of kostenonderzoek er niet toe strekt om de verzoekende partij toe te laten na te gaan of het gelijkheidsbeginsel werd nageleefd, maar wel om toe te laten dat nagegaan wordt of het onderzoek werd gevoerd en of de opgegeven prijs normaal is, in het maatschappelijk belang. Beoordeling
  12. Artikel 84 van de wet overheidsopdrachten 2016 luidt: “De aanbestedende overheid voert een prijzen- of kostenonderzoek uit op de ingediende offertes, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels. De Koning kan in uitzonderingen voorzien op het prijzen of kostenonderzoek voor de door Hem te bepalen opdrachten. Op haar verzoek verstrekken de inschrijvers tijdens de plaatsingsprocedure alle nodige inlichtingen om dit onderzoek mogelijk te maken.” Artikel 35 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 bevestigt dat de aanbestedende overheid de ingediende offertes aan een prijs- of kostenonderzoek onderwerpt en dat zij daartoe, overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de wet overheidsopdrachten 2016, de inschrijvers kan verzoeken alle nodige inlichtingen te verstrekken. Artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 bepaalt dat, indien uit dit algemeen prijs- of kostenonderzoek blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, de aanbestedende overheid een bevraging uitvoert. Artikel 36, §§ 2 tot 4, bevat nadere bepalingen in verband met dat bijzonder onderzoek. Overeenkomstig artikel 36, § 6, is artikel 36 echter niet van toepassing, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, op, onder meer, de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking voor een opdracht voor werken waarvan de geraamde waarde lager is dan 500.000 euro, zoals te dezen het geval is. XII-9494-8/14
  13. De verwerende partij was te dezen dus niet verplicht een prijsbevraging uit te voeren als bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit plaatsing
  14. Dit neemt niet weg dat de aanbestedende overheid ertoe gehouden is de ingediende offertes te onderwerpen aan het algemene prijs- en kostenonderzoek als bedoeld in artikel 35 van het voornoemde besluit. Dat onderzoek maakt immers een inherent onderdeel uit van het regelmatigheidsonderzoek van de offertes en dient steeds te worden uitgevoerd. Een aanbestedende overheid, die met naleving van het zorgvuldigheidsbeginsel wil handelen, is er immers toe gehouden om de regelmatigheid van een offerte na te gaan, en één van de elementen van regelmatigheid is dat de offerte geen abnormale prijzen bevat. In het kader van dat algemeen onderzoek moet de aanbestedende overheid de prijzen onderzoeken die in de offertes worden aangeboden, en moet zij beoordelen of die al dan niet abnormaal hoog of laag zijn. Zij kan daarbij, met toepassing van artikel 84 van de wet overheidsopdrachten 2016, de betrokken inschrijvers steeds vragen om concrete inlichtingen te verstrekken.
  15. Indien een aanbestedende overheid in het kader van een algemeen prijs- en kostenonderzoek met toepassing van artikel 84 van de wet overheidsopdrachten 2016 en artikel 35 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 tot de vaststelling komt dat er geen abnormale prijzen zijn, lijkt de formele motiveringsplicht niet te vereisen dat dit onderzoek in extenso wordt weergegeven in het gunningsverslag of in de bestreden beslissing. Op grond van de materiële motiveringsplicht moet echter wel uit het dossier blijken dat de aanbestedende overheid een ernstig algemeen prijs- en kostenonderzoek heeft verricht, onder meer dat zij de prijzen van elke offerte op zorgvuldige wijze heeft nagekeken. De motieven op grond waarvan zij alsdan van oordeel is dat de aangeboden prijzen niet abnormaal zijn, dienen uit het dossier te blijken zodat deze motieven aan de toetsing door de Raad van State kunnen worden onderworpen. XII-9494-9/14
  16. Te dezen heeft de verwerende partij, luidens de bestreden beslissing en het gunningsverslag, een algemeen prijsonderzoek “op basis van artikel 35 van het KB plaatsing” verricht. Er wordt besloten dat er “geen schijnbaar afwijkende totaal- of eenheidsprijzen van significante posten gevonden [werden] van de regelmatig bevonden offertes”.
  17. Dit algemeen prijsonderzoek lijkt, althans wat de totaalprijs betreft, zijn neerslag te vinden in het als vertrouwelijk neergelegde stuk ‘Onderzoek totaalprijzen’ dat de Raad van State heeft kunnen inzien. Uit dit stuk blijkt dat de verwerende partij de totaalprijzen van de twee regelmatige inschrijvers heeft vergeleken met de gemiddelde offerteprijs, en dat daaruit geen abnormale totale offerteprijzen met een “[m]aximale afwijking: 15 %” naar voren zijn gekomen. Er werd geen rekening gehouden met de substantieel onregelmatige offerte van de derde inschrijver. Voor zover de verzoekende partij aanvoert dat er te dezen een meer doorgedreven onderzoek had moeten worden gevoerd naar de totaalprijs van de gekozen inschrijver, met andere woorden dat een bijzonder prijsonderzoek met prijsverantwoording zich opdrong gelet op het grote prijsverschil tussen de drie offertes, wordt vastgesteld dat de totaalprijs van de offerte van de gekozen inschrijver (623.642,82 euro) te dezen inderdaad lager is dan de offerteprijs van de verzoekende partij (798.344,24 euro), en beduidend lager dan de prijs geboden door de nv D. (970.320,80 euro) (bedragen btw niet inbegrepen). De verwerende partij merkt evenwel terecht op dat er te dezen slechts twee regelmatige offertes zijn, waardoor er geen evident uitgangspunt voorhanden is om de ene offerte tot toetsingsmaatstaf te verheffen en om de andere offerte op basis daarvan als behept met een abnormale prijs te bestempelen. Blijkens het gunningsverslag werd de offerte van de derde inschrijver immers als substantieel onregelmatig verworpen, omwille van het ontbreken van het gevraagde attest van plaatsbezoek, verplichting die luidens punt A.3.4 van het XII-9494-10/14 bestek aan de inschrijver precies werd opgelegd “ten einde zo een correcte prijs te kunnen opmaken voor zijn inschrijving”. De aard van die onregelmatigheid lijkt bijgevolg wel degelijk een element te zijn dat het representatief karakter van de prijs van de derde inschrijver ondermijnt. In die omstandigheden lijkt het niet voor de hand liggend om de totaalprijs van die offerte ook in de vergelijking mee op te nemen, zoals de verzoekende partij doet. Met de verwerende partij wordt op het eerste gezicht vastgesteld dat, rekening houdend met het uitgangspunt van twee regelmatig ingediende offertes, het totale offertebedrag van de gekozen inschrijver minder dan 15 % onder het gemiddelde bedrag van de door de inschrijvers ingediende offertes ligt (per analogie met het – te dezen niet-toepasselijke – artikel 36, § 4, van het koninklijk besluit plaatsing 2017), namelijk 13 %. Daarnaast wordt vastgesteld dat de totaalprijs van de gekozen inschrijver ten bedrage van 623.642,82 euro geheel in de lijn ligt van de (herziene) raming van de waarde van de opdracht ten bedrage van 623.403,59 euro. De verzoekende partij betwist het realistisch karakter van de raming niet. Een raming kan in beginsel een objectief en relevant vergelijkingspunt vormen in het kader van de beoordeling van het abnormaal karakter van prijzen, temeer wanneer er aanzienlijke verschillen zijn tussen de prijzen van de offertes van de diverse inschrijvers.
  18. De verzoekende partij wijst er daarnaast evenwel op dat zij als inschrijver niet kan nagaan of ook alle eenheidsprijzen van de gekozen inschrijver realistisch zijn ondanks het lage offertebedrag. In het voornoemd stuk ‘Onderzoek totaalprijzen’ wordt zonder meer gesteld dat “[z]owel abnormaal HOGE als abnormaal LAGE prijzen” werden vastgesteld. Uit het administratief dossier blijkt evenwel niet dat, geplaatst voor die vaststelling, de verwerende partij dienvolgens een nader prijsonderzoek naar abnormale eenheidsprijzen heeft gevoerd. XII-9494-11/14 De verwerende partij stelt zelf in haar nota dat “[n]aar aanleiding van de schorsingsvordering van Verzoekende Partij [zij] uit een overvloed aan zorgvuldigheid een aanvullend nazicht [heeft] verricht”. Zij lijkt hiermee te erkennen dat zij het vertrouwelijk stuk ‘Controle eenheidsprijzen’ post factum heeft opgesteld. Dit stuk kan bijgevolg niet in aanmerking worden genomen om te besluiten dat de verwerende partij te dezen wel een onderzoek van de eenheidsprijzen zou hebben verricht, voorafgaand aan het nemen van de gunningsbeslissing. Dit stuk ‘Controle eenheidsprijzen’ blijkt bovendien louter een vergelijkende weergave te zijn, aan de hand van de meetstaat, van zowel de eenheidsprijzen van de gekozen inschrijver als die van de verzoekende partij met opgave van het “% afwijking tov raming”, alsook van het “% aandeel post tov totaal”. Uit dit stuk blijkt op het eerste gezicht dat er voor een aantal posten grote afwijkingspercentages zijn ten opzichte van de geraamde eenheidsprijs, zowel hoger als lager, ook voor een aantal, op het eerste gezicht, niet-verwaarloosbare posten.
  19. Er lijken bijgevolg elementen voorhanden te zijn die de verwerende partij ertoe hadden moeten brengen om een nader onderzoek te doen naar het al dan niet abnormale karakter van de door de gekozen inschrijver aangeboden eenheidsprijzen. Noch uit dit stuk, noch uit enig ander stuk van het dossier, blijken evenwel de redenen die de verwerende partij zou kunnen hebben aangenomen om te oordelen dat, ondanks het in het oog springen van een hoog afwijkingspercentage voor bepaalde posten, dit percentage toch geen schijnbaar abnormaal karakter zouvertonen. Voor zover de verwerende partij in haar nota stelt dat haar beoordelingsruimte om al dan niet over te gaan tot een bijzonder onderzoek naar abnormale (eenheids)prijzen des te meer aanwezig is in geval van een onderhandelingsprocedure, blijkt te dezen niet dat over de eenheidsprijzen werd XII-9494-12/14 onderhandeld. Voor zover zij in haar nota voorts stelt dat het een atypische metaalconstructie met een uitzonderlijke vormgeving betreft, en voor dergelijke opdrachten geen standaard eenheidsprijzen bestaan, lijkt deze argumentatie op het eerste gezicht een motivering post factum.
  20. De verwerende partij toont bijgevolg niet aan dat zij te dezen, voorafgaand aan het nemen van de gunningsbeslissing, de op haar rustende plicht om ook de eenheidsprijzen aan een zorgvuldig onderzoek te onderwerpen, heeft nageleefd. De enkele omstandigheid dat de totaalprijs van de offerte van de gekozen inschrijver de raming van de waarde van de opdracht benadert, toont op zich nog niet aan dat deze inschrijver in staat is ook voor de betrokken posten de opdracht op kwalitatieve wijze uit te voeren, noch dat de mededinging door de abnormaal laag lijkende prijzen niet zou zijn verstoord, en dat bijgevolg het normdoel van het verplichte prijsonderzoek zou zijn bereikt.
  21. De verwerende partij werpt voor het eerst ter terechtzitting op dat de verzoekende partij geen belang bij het middel zou hebben, gelet op het feit dat haar totale offerteprijs veel hoger is dan de geraamde totaalprijs. De verzoekende partij lijkt daartegenover op het eerste gezicht terecht te stellen dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de gunningsbeslissing op grond van dit middel verschillende uitkomsten kan hebben, en niet valt uit te sluiten dat de offerte van de gekozen inschrijver als onregelmatig zal dienen te worden geweerd. De verzoekende partij lijkt als regelmatige inschrijver hoe dan ook geacht te moeten worden te beschikken over het vereiste belang bij een middel waarin een gebrekkig prijsonderzoek wordt aangekaart. XII-9494-13/14 VI. Besluit
  22. Het enig middel is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook ingewilligd. VII. Kosten
  23. Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo van 15 april 2024 waarbij de overheidsopdracht ‘Bouwen van afscheidspaviljoen
(6x)+ bergruimte
(6x)op 7 begraafplaatsen […] te Heultje/ Oevel / Oosterwijk / Tongerlo (enkel paviljoen) / Voortkapel / Zoerle-Parwijs/ Westerlo (enkel berging)’ wordt gegund aan de bv V.. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Patricia De Somere XII-9494-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.985 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.772 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.