← België

Arrest 260004 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.004 Rolnummer: A. 236559/IX-10048 Zaak: Arrest 260004 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-06 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-06 07:14 Fiche Arrest nr 260.004 van 5 juni 2024 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.004 van 5 juni 2024 in de zaak A. 236.559/IX-10.048 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Karel Van Hoorebeke en Jeroom Joos kantoor houdend te 9000 Gent Coupure Rechts 162 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 3 juni 2022, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van de directieraad van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust van de Vlaamse overheid van 25 april 2022 waarbij aan verzoeker de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2021 definitief wordt toegekend; - de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust van de Vlaamse overheid van 23 mei 2022 waarbij aan de hoedanigheid van ambtenaar van verzoeker met ingang van 25 mei 2022 een einde wordt gesteld. IX-10.048-1/16 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 254.916 van 27 oktober 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 maart 2024. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jeroom Joos, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. IX-10.048-2/16 III. Feiten 3.1. Verzoeker is sedert 2004 in dienst bij de Vlaamse overheid, sinds 2009 als statutair personeelslid. Hij is werkzaam bij de dienst met afzonderlijk beheer Vloot van het intern verzelfstandigd agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust (hierna: het agentschap). Hij oefent er de functie uit van verkeersleider met de graad van radarwaarnemer in de verkeerscentrale te Zandvliet. 3.2. Verzoeker krijgt voor het werkjaar 2018 een evaluatie ‘onvoldoende’ omdat hij herhaaldelijk in slaap viel tijdens nachtelijke schermbewaking. 3.3. Op 22 februari 2021 vindt het planningsgesprek voor het werkjaar 2021 plaats. In het planningsverslag, dat door verzoeker en de twee evaluatoren wordt ondertekend, worden de afspraken uit het eindevaluatieverslag van werkjaar 2020 opnieuw opgenomen. 3.4. Van 23 februari 2021 tot 1 juni 2021 is verzoeker met ziekteverlof. 3.5. Nadat verzoeker het werk heeft hervat, doen zich twee incidenten voor die elk aanleiding geven tot een nota van 16 juni 2021. Een eerste nota heeft betrekking op het in slaap vallen tijdens het uitvoeren van de schermbewaking tijdens de nachtwacht van 5 juni 2021. De leidinggevenden noteren dat verzoekers gedrag de veiligheid in het gedrang brengt, dat verzoeker ook op 16 februari 2019 reeds tijdens de uitoefening van zijn werk in slaap was gevallen, dat verzoeker tekortschiet in de opvolging van het plan van aanpak dat hijzelf had opgesteld en dat de dienstleiding verzoekers gedrag niet langer kan aanvaarden. IX-10.048-3/16 Een tweede nota meldt dat verzoeker na de rust tijdens zijn nachtwacht van 11 juni 2021 moeilijk wakker te maken was en dat hij na het hernemen van zijn taken verschillende fouten maakte. De dienstleiding noteert hierbij dat verzoekers onbetrouwbaar gedrag niet verenigbaar is met de veiligheidsfunctie die hij uitoefent. In beide nota’s wordt aangestipt dat verzoeker zijn planning 2021 en zijn eigen plan van aanpak niet naleeft op de volgende punten: (

  1. i)modelmedewerker worden om het vertrouwen van de collega’s terug te winnen, (
  2. ii)ervoor zorg dragen om, conform het arbeidsreglement, “fatigue” te vermijden en fit en alert op het werk aan te komen, (iii) indien nodig, rechtstaand werken aan de console en (
  3. iv)krediet terugwinnen bij de collega’s door voorbeeldig gedrag. 3.6. Op 9 september 2021 wordt aan verzoeker, omwille van de twee vóórmelde feiten, de tuchtstraf van inhouding van één vijfde van de wedde gedurende twee maanden opgelegd. Deze tuchtstraf, uitgesproken door het afdelingshoofd Scheepvaartbegeleiding, wordt door verzoeker niet aangevochten. 3.7. Deze twee feiten komen opnieuw ter sprake tijdens een tussentijds evaluatiegesprek op 22 september 2021, samen met twee andere incidenten. Uit het tussentijds evaluatieverslag blijkt namelijk dat verzoeker op 20 augustus 2021 werd betrapt op roken (‘vapen’) op de werkvloer (waarvoor verzoeker zich verontschuldigt, stellende dat hij het vapetoestel die dag niet in zijn auto had gelaten en het zonder nadenken had gebruikt) en dat hij op 26 augustus 2021 de werkplaats zou hebben verlaten zonder wachtoverdracht (wat door verzoeker wordt betwist). In het tussentijds evaluatieverslag wordt aangegeven dat verzoeker niet goed zou zijn omgesprongen met de laatste kans die de dienstleiding hem eind december 2020 heeft gegeven. Er wordt als volgt besloten: “De opdracht die [verzoeker] eind 2020 kreeg was bewijzen dat zijn problematiek verenigbaar is met het werk. Daarnaast moest hij zich inzetten als modelverkeersleider en betrouwbaar zijn t.o.v. zijn collega’s én IX-10.048-4/16 de dienstleiding. Het gaat niet over een occasionele misstap, maar hij blijft consequent zijn voeten vegen aan gemaakte afspraken die een vertrouwensrelatie tussen werkgever en werknemer onmogelijk maken. Constant bewijst [verzoeker] dat hij niet betrouwbaar is in het nakomen van zijn afspraken.” In het tussentijds evaluatieverslag, dat door verzoeker en de evaluatoren wordt ondertekend, worden de planning en het plan van aanpak van verzoeker overlopen, waarbij wordt aangegeven in welke mate de afspraken al dan niet zijn nagekomen. 3.8. Op 3 februari 2022 vindt het eindevaluatiegesprek over het werkjaar 2021 plaats tussen verzoeker en zijn beide evaluatoren. In het eindevaluatieverslag komen de vier vóórmelde incidenten opnieuw ter sprake (de feiten van 5 juni 2021, de feiten van 11 juni 2021, het rookincident van 20 augustus 2021 en het verlaten van de werkplaats zonder wachtoverdracht op 26 augustus 2021), alsook een bijkomend incident op 17 december 2021 waarbij verzoeker niet onmiddellijk gevolg zou hebben gegeven aan een vraag van de regioverkeersleider. Verzoeker stelt dat hij zich dat laatste feit, dat door de evaluatoren als “[o]p zich […] een fait divers” wordt beschreven, niet herinnert. Nadat de planning en het plan van aanpak worden overlopen en de naleving ervan wordt geduid, besluiten de evaluatoren tot de uitspraak ‘onvoldoende’. Zij geven hierbij de volgende overwegingen mee: “[Verzoeker] had in 2021 goede en heldere momenten, waarop hij goed zijn werk deed. De fouten van juni en de tekortkomingen van augustus en december zoals hierboven vermeld, wegen echter té zwaar door op het presteren van [verzoeker] in 2021. Het vertrouwen met de dienstleiding en de collega’s werd niet hersteld maar werd nog verder ondergraven. De groep wil de opeenstapeling van zijn fouten niet meer opvangen. [Verzoeker] werkt in een veiligheidsfunctie waar de kwaliteit van het werk een rechtstreekse invloed heeft op het veilig en vlot scheepvaartverkeer, de missie van afdeling Scheepvaartbegeleiding. Ook de andere leidinggevenden van VCZV geven dezelfde boodschap: [verzoeker] is op zijn heldere momenten een goedwerkende collega, daarom kreeg hij ook al deze kansen. Maar de maat is vol! Die laatste kans was ook echt dé laatste en hij heeft deze (helaas/duidelijk) niet gegrepen. Om die redenen beslissen de eerste en tweede evaluator een negatieve evaluatie te geven voor het werkingsjaar 2021. IX-10.048-5/16 [Verzoeker] zegt dat hij de uitspraak onvoldoende kan begrijpen. Hij hoopte toch op een positieve evaluatie gezien zijn betere prestaties vanaf september tot december.” Dit eindevaluatieverslag werkjaar 2021 wordt door beide evaluatoren ondertekend op 24 februari 2022. Verzoeker ondertekent niet. 3.9. Op 9 maart 2022 stelt verzoeker tegen deze evaluatie een beroep in bij de raad van beroep voor de diensten van de Vlaamse overheid (hierna: de raad van beroep). 3.10. De raad van beroep beslist op 5 april 2022 dat verzoekers beroep ontvankelijk is en adviseert met zes stemmen tegen één dat het beroep gegrond is en de evaluatie ‘onvoldoende’ ongegrond. De raad van beroep overweegt hierbij wat volgt: “Overwegende dat de argumentatie van de overheid zich voornamelijk toespitst op de bewering dat door het onbetrouwbaar gedrag van verzoeker – onder meer slapen tijdens schermbewaking, niet terugkeren op de werkvloer na rust – de vertrouwensrelatie tussen werkgever en werknemer onmogelijk is geworden, Dat verzoeker reeds in 2021 een tuchtstraf desbetreffend opliep en dat hem dat ook tijdig door de overheid werd duidelijk gemaakt, mede gelet op het feit dat hij in een veiligheidsfunctie werkt, dat verdere feiten aanleiding zouden geven tot een evaluatie onvoldoende, Dat verzoeker sommige feiten ontkent ofwel minimaliseert, Dat hij bovendien argumenteert dat er slechts 2 persoonlijke nota’s werden opgesteld en dat de tussentijdse evaluatie pas in september 2021 plaatsgreep, waardoor hij te weinig tijd kreeg om de gesignaleerde gebreken te herstellen; Dat de overheid onvoldoende aantoont dat de enkele bewezen feiten voldoende zwaarwichtig zijn om een evaluatie ‘onvoldoende’ te rechtvaardigen, Dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat coaching en opvolgingsgesprekken hebben plaatsgevonden; Dat in deze omstandigheden het onredelijk en buiten proportie is om de evaluatie als onvoldoende te kwalificeren.” IX-10.048-6/16 3.11. Op 25 april 2022 beslist de directieraad van het agentschap bij unanimiteit om aan verzoeker voor het werkjaar 2021 de evaluatie ‘onvoldoende’ toe te kennen. Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.12. Daar verzoeker aldus binnen een periode van tien jaar een tweede beoordeling ‘onvoldoende’ heeft gekregen, deelt de administrateur-generaal van het agentschap op 3 mei 2022 aan verzoeker haar intentie mee om hem te ontslaan. Verzoeker wordt over dat voornemen gehoord op 9 mei 2022. 3.13. Op 23 mei 2022 beslist de administrateur-generaal om, met toepassing van artikel XI 8, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut (hierna: VPS), “[a]an de hoedanigheid van ambtenaar van [verzoeker] een einde [te maken]” met ingang van 25 mei 2022. Dat is de tweede bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel, dat is gericht tegen de eerste bestreden beslissing, beroept verzoeker zich op een schending van artikel 6 van het huishoudelijk reglement van de directieraad van het agentschap, de artikelen IV 1, § 2, IV 2 en IV 4, van het VPS, de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, de materiëlemotiveringsplicht, het IX-10.048-7/16 zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti. 5.1. Verzoeker betoogt, in wat als een eerste middelonderdeel kan worden beschouwd, dat de eerste bestreden beslissing niet rechtsgeldig werd genomen omdat de directieraad niet was samengesteld overeenkomstig de artikelen 2 en 6 van zijn huishoudelijk reglement. 5.2. In zijn toelichtende memorie stelt verzoeker dat de directieraad bestaat uit zes leden, namelijk: de administrateur-generaal, de algemeen directeurs van de twee ‘diensten afzonderlijk beheer’ (DAB) (Vloot en Loodswezen), de ‘algemeen directeur, adjunct-administrateur-generaal’ en de twee afdelingshoofden (Scheepvaartbegeleiding en Kust). De eerste bestreden beslissing werd genomen door slechts drie personen: de administrateur-generaal, het afdelingshoofd Kust en de waarnemend directeur van DAB Vloot, zodat de directieraad niet in quorum was en niet rechtsgeldig kon beslissen. 6.1. In haar laatste memorie doet de verwerende partij gelden dat de directieraad “in principe” niet uit zes, maar uit vijf leden bestaat. Zij stelt dat de functie van ‘algemeen directeur, adjunct-administrateur-generaal’ sinds 2014 niet meer is opgenomen in het personeelsplan en dus ook niet meer bestaat. Die situatie noopte volgens de verwerende partij niet tot een aanpassing van het huishoudelijk reglement. 6.2. Voorts argumenteert de verwerende partij dat de directieraad bij het nemen van de eerste bestreden beslissing in concreto uit vier leden bestond, omdat de twee waarnemende co-directeurs van DAB Loodswezen (S.D. en L.M.) op 19 april 2022 hun functie hadden neergelegd en de functie van (algemeen) directeur van die dienst op 25 april 2022 nog niet opnieuw was ingevuld. Wat L.M. betreft, weerspreekt de verwerende partij het auditoraatsverslag waarin wordt gesteld dat deze co-directeur de dienst pas op 1 augustus 2022 zou verlaten en dus IX-10.048-8/16 op de datum van de eerste bestreden beslissing nog van de directieraad deel uitmaakte. 6.3. Met betrekking tot het hoofd van de afdeling Scheepvaartbegeleiding argumenteert de verwerende partij dat uit het feit dat zij niet aan de beraadslaging heeft deelgenomen niet kan worden afgeleid dat die afdeling niet was vertegenwoordigd. In dat opzicht stelt de verwerende partij dat artikel 6 van het huishoudelijk reglement weliswaar voorschrijft dat de directieraad slechts rechtsgeldig kan beslissen wanneer de meerderheid van de leden vertegenwoordigd is, maar dat niet uitdrukkelijk is bepaald dat de vertegenwoordigde leden ook effectief aan de beraadslaging en de stemming moeten deelnemen. Te dezen, zo stipt de verwerende partij aan, blijkt uit de notulen dat het afdelingshoofd Scheepvaartbegeleiding, omwille van haar eerdere betrokkenheid bij verzoekers tuchtdossier, beslist heeft om niet aan de beraadslaging en de stemming deel te nemen. 6.4. Bewijs voor de rechtsgeldigheid van de eerste bestreden beslissing ziet de verwerende partij ten slotte in de vermelding, in die beslissing: “[d]e voorzitter stelt vast dat er conform het huishoudelijk reglement van de directieraad voldoende leden aanwezig zijn om tot een geldige beslissing te kunnen komen.” Beoordeling 7. Artikel 2 van het huishoudelijk reglement van de directieraad van het agentschap luidt als volgt: “De Directieraad bestaat uit volgende leden: 1° de administrateur-generaal 2° de algemeen directeurs van de DAB’s 3° de algemeen directeur, adjunct administrateur-generaal 4° de afdelingshoofden Deskundigen worden in functie van de agenda uitgenodigd.” IX-10.048-9/16 Artikel 6 van datzelfde reglement leert: “Buiten de gevallen van dringende noodzakelijkheid die in de notulen worden gemotiveerd, kan de Directieraad slechts geldig beslissen wanneer de meerderheid van de leden vertegenwoordigd is. Met het nemen van beslissingen wordt zowel het nemen van beslissingen in enge zin bedoeld, als het uitbrengen van adviezen, het doen van voorstellen, en eventuele andere. […] Bij stemming beslist de Directieraad bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen; onthoudingen worden daarbij niet als een stem beschouwd.” 8.1. Het quorum dat vereist is, wil een collegiaal orgaan rechtsgeldig kunnen beraadslagen en besluiten, speelt een wezenlijke rol in de totstandkoming van de beslissingen die dat orgaan neemt en is een substantiële vormvereiste. Het niet voldoen aan het quorumvereiste of de onregelmatige samenstelling van het orgaan maakt dat de beslissingen ervan door een onwettigheid zijn aangetast. 8.2. Te dezen is voorgeschreven dat de meerderheid van de leden van de directieraad vertegenwoordigd moet zijn. Dat betekent, al naargelang het standpunt inzake de werkelijke samenstelling dat wordt gevolgd, minstens vier van de zes leden of minstens drie van de vijf of vier leden. 9. In de eerste bestreden beslissing wordt geen melding gemaakt van een dringende noodzakelijkheid die een afwijking op het quorum zou wettigen. 10. Wat de ‘algemeen directeur, adjunct-administrateur-generaal’ betreft, stelt de Raad van State vast dat deze functiehouder in artikel 2 van het huishoudelijk reglement als lid van de directieraad is vermeld. Overeenkomstig artikel I.4, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 ‘houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid’ is in casu de administrateur-generaal als lijnmanager bevoegd voor het opstellen van het personeelsplan van het agentschap. IX-10.048-10/16 Uit de door de verwerende partij voorgelegde stukken blijkt niet dat de functie van ‘algemeen directeur, adjunct-administrateur-generaal’ binnen het agentschap de iure heeft opgehouden te bestaan. Wat voorligt zijn immers enkel twee tabellen, waarop na de functie “N-1 algemeen directeur (A2L)” het cijfer ‘0’ is geplaatst; deze stukken dragen noch de naam, noch de handtekening van de administrateur-generaal en vermelden zelfs niet dat zij door de administrateur-generaal zijn goedgekeurd. Aangezien uit deze stukken bijgevolg enkel kan worden opgemaakt dat de functie de facto niet is ingevuld, overtuigt de verwerende partij er niet van dat op die grond alléén het huishoudelijk reglement anders zou moeten worden toegepast. Zij overtuigt des te minder ervan om in het huishoudelijk reglement iets anders te lezen dan wat er staat, nu dat reglement zovele jaren na de vermeende aanpassing van het personeelsplan nog steeds niet aan die wijziging is aangepast, wat van een zorgvuldig handelend bestuur mocht worden verwacht. 11.1. De functie van (algemeen) directeur Loodswezen werd tijdelijk waargenomen door twee co-directeurs. Uit een e-mail van 19 april 2022 (stuk 7.7 van het administratief dossier) kan worden opgemaakt dat S.D. op 13 april 2022 met onmiddellijke ingang de dienst heeft verlaten en dat L.M. de dienst op 1 augustus 2022 zal verlaten. Tevens kan worden afgeleid dat L.M. tot die datum niet meer als (co-)directeur zal optreden, aangezien de administrateur-generaal schrijft: “Gelet op de lopende vacature voor directeur Loodswezen die wordt afgesloten op 6 mei, lijkt het mij niet zinvol opnieuw op zoek te gaan naar een waarnemend directeur. Om de periode te overbruggen, zal ik zo snel als mogelijk een nieuwe contactpersoon binnen het Loodswezen aanduiden bij wie iedereen terecht kan met alle vragen en opmerkingen.” IX-10.048-11/16 11.2. Hieruit blijkt dat de functie van (algemeen) directeur Loodswezen vanaf 19 april 2022 vacant is gelaten en dat geen waarnemend directeur werd aangesteld, ook niet (uitsluitend) met het oog op de vergaderingen van de directieraad. 11.3. Die werkwijze maakt geen overmacht uit en wettigt niet dat van de (algemeen) directeur Loodswezen abstractie zou worden gemaakt bij de bepaling van het quorum binnen de directieraad. Ook hier moet eraan worden herinnerd dat het de verantwoordelijkheid van de verwerende partij is om zich dusdanig te organiseren dat zij in staat is de door haarzelf uitgevaardigde reglementen na te leven. De verwerende partij had, om problemen inzake de samenstelling van de directieraad te vermijden, vooruitziend kunnen en moeten zijn. 12.1. Rest de vraag hoe de situatie van het hoofd van de afdeling Scheepvaartbegeleiding moet worden beoordeeld. 12.2. In de eerste bestreden beslissing is daaromtrent te lezen: “Na onderling overleg licht [N.B.], afdelingshoofd van de afdeling Scheepvaartbegeleiding, toe dat zij gezien haar eerdere betrokkenheid in het kader van een tuchtprocedure lastens [verzoeker] tijdens werkjaar 2021 niet deel wenst te nemen aan de beraadslaging en stemming over dit agendapunt, ondanks het gegeven dat zij geen evaluator is van [verzoeker]. [N.B.] beslist om de vergadering te verlaten voor de beraadslaging en stemming over dit agendapunt.” 12.3. De Raad van State merkt vooreerst op dat een hiërarchische overste die van rechtswege deel uitmaakt van een orgaan dat een beroep tegen een evaluatiebeslissing moet behandelen, niet ipso facto getuigt van een gebrek aan de vereiste onpartijdigheid enkel doordat hij aan dat personeelslid eerder reeds een tuchtsanctie heeft opgelegd. Mede in het licht van het gegeven dat verzoeker de tuchtsanctie van 9 september 2021 niet heeft aangevochten en verzoeker het afdelingshoofd Scheepvaartbegeleiding in het raam van de beroepsprocedure met betrekking tot de evaluatie 2021 niet heeft gewraakt, moet worden besloten dat niet IX-10.048-12/16 is aangetoond dat afdelingshoofd N.B. rechtens verplicht was om zich te onthouden. Dat is, gelet op het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst, des te minder het geval indien de geldige samenstelling van het orgaan in het gedrang komt. 12.4. Uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat N.B. noch aan de beraadslaging, noch aan de stemming over verzoekers evaluatie heeft deelgenomen. Bij dat agendapunt was de afdeling Scheepvaartbegeleiding bijgevolg niet vertegenwoordigd. Zoals de Raad van State ook reeds heeft geoordeeld in arrest nr. 231.196 van 12 mei 2015, wijzigt de afwezigheid om welke reden ook van een lid van een collegiaal orgaan niet de samenstelling van dat orgaan, noch het vereiste quorum. 13. De conclusie die uit het bovenstaande volgt, is dat de directieraad reglementair bestaat uit zes leden en dat krachtens artikel 6 van zijn huishoudelijk reglement de directieraad slechts geldig kan beslissen wanneer de meerderheid van de leden, dus vier in getale, vertegenwoordigd is. 14. De eerste bestreden beslissing is genomen door drie leden van de directieraad. Die miskenning van de artikelen 2 en 6 van het huishoudelijk reglement vitieert de regelmatigheid van die beslissing. Dat de directieraad het bij het nemen van deze beslissing anders zag, doet daaraan geen afbreuk. 15. Het eerste onderdeel van het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. 16. De overige onderdelen van het eerste middel behoeven op dit ogenblik geen antwoord. Het komt immers eerst aan de directieraad toe om, regelmatig samengesteld, een nieuwe beslissing te nemen. Op de strekking daarvan kan thans niet worden vooruitgelopen. IX-10.048-13/16 B. Tweede middel Standpunt van de partijen 17. In een tweede middel, gericht tegen de tweede bestreden beslissing, beroept verzoeker zich op een schending van de artikelen XI 5, eerste lid, 3°, en XI 8, van het VPS, de formelemotiveringsplicht en de materiëlemotiveringsplicht. 18. Verzoeker betoogt dat in toepassing van de vóórmelde bepalingen slechts tot ontslag casu quo vaststelling van ambtsneerlegging van een ambtenaar kan worden overgegaan indien binnen een periode van tien jaar na een evaluatie ‘onvoldoende’ een tweede evaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend. Aan die voorwaarde, zo stelt verzoeker, is niet (langer) voldaan wanneer het eerste middel gegrond wordt verklaard en de evaluatiebeslissing van 25 april 2022 wordt vernietigd. 19. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat zij “niet [betwist] dat indien de eerste bestreden beslissing wordt vernietigd, inderdaad de rechtsgeldige basis ontbreekt om over te gaan tot het ontslag van de verzoekende partij”. Beoordeling 20. Naar luid van artikel XI 5, eerste lid, 3°, van het VPS geeft het ontslag na twee onvoldoendes, zoals bepaald in artikel XI 8, aanleiding tot ambtsneerlegging. 21. Dat artikel XI 8 luidt dan weer, in de hier relevante paragraaf 1: “Een ambtenaar kan ontslagen worden als hij na een eerste evaluatie onvoldoende naar aanleiding van één van de tien eerstvolgende evaluaties een tweede evaluatie onvoldoende krijgt.” IX-10.048-14/16 Het bestaan van een tweede evaluatie ‘onvoldoende’ binnen de voorgeschreven termijn is derhalve een constitutieve voorwaarde om op grond van artikel XI 8 tot ontslag over te gaan. 22. Bij de beoordeling van het eerste middel is vastgesteld dat het, in de aangegeven mate, gegrond is. Daaruit volgt dat de eerste bestreden beslissing dient te worden vernietigd. Ten gevolge daarvan verdwijnt de evaluatie ‘onvoldoende’ van 25 april 2022 uit het rechtsverkeer en is niet langer voldaan aan de voormelde voorwaarde, wat er – zoals de verwerende partij ook bevestigt – moet toe leiden dat de tweede bestreden beslissing hetzelfde lot als de eerste bestreden beslissing ondergaat. 23. Het tweede middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de directieraad van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust van de Vlaamse overheid van 25 april 2022 waarbij aan XXXXde evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2021 definitief wordt toegekend. De Raad van State vernietigt de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust van de Vlaamse overheid van 23 mei 2022 waarbij aan de hoedanigheid van ambtenaar van XXXXmet ingang van 25 mei 2022 een einde wordt gesteld. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 44 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-10.048-15/16 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.048-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.004 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.916 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.