← België

Arrest 260005 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.005 Rolnummer: A. 235811/IX-10015 Zaak: Arrest 260005 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-10 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-06 07:14 Fiche Arrest nr 260.005 van 5 juni 2024 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.005 van 5 juni 2024 in de zaak A. 235.811/IX-10.015 In zake : XXXX die woonplaats kiest bij de Algemene Centrale der Openbare Diensten gevestigd te 1000 Brussel Fontainasplein 9-11 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Martens kantoor houdend te 9000 Gent Gustaaf Callierlaan 291 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van: “
  2. De beslissing d.d. 16.03.2021 om aan [verzoekster] de eindvermelding ‘te verbeteren’ toe te kennen voor de evaluatiecyclus 2020 bij de FOD Financiën.
  3. Het advies van de Interdepartementale Beroepscommissie inzake Evaluatie d.d. 21.09.2021 waarin wordt voorgesteld om de eindvermelding ‘te verbeteren’ van [verzoekster] voor de evaluatiecyclus 2020 te behouden, waaruit van rechtswege volgt dat de eindvermelding ‘te verbeteren’ definitief wordt toegekend.
  4. De beslissing van de FOD Financiën (van onbekende datum) om geen gevolg te geven aan de aanbeveling van de federale Ombudsman om de aan [verzoekster] toegekende ongunstige evaluatie (te verbeteren) voor de evaluatiecyclus 2020 teniet te doen gelet op de stukken die werden toegevoegd aan het evaluatiedossier en die rechtstreeks verband houden met de vermelding van een veronderstelde IX-10.015-1/26 integriteitsschending zoals die door verzoekster op 19.12.2019 werd gedaan bij de federale Ombudsman.” II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 maart
  6. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor de verzoekende partij en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten IX-10.015-2/26 3.
  8. Verzoekster is sinds 1 februari 1999 werkzaam als statutair personeelslid bij de FOD Financiën. Sinds 1 september 2015 oefent zij de functie uit van attaché (A22) op de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (hierna: AABBI), cel Invorderingen van de gewestelijke directie Antwerpen, inspectie Fraudebestrijding. 3.
  9. Voor de evaluatiecyclus 2019 wordt aan verzoekster door haar evaluator W.D. de eindbeoordeling ‘te verbeteren’ toegekend. Deze evaluatie wordt bevestigd door de Interdepartementale Beroepscommissie inzake Evaluatie (hierna: de beroepscommissie). Tegen deze beslissing heeft verzoekster een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State. Bij arrest nr. 260.006 van heden verleent de Raad akte van de afstand van dat beroep. 3.
  10. In het raam van de evaluatiecyclus 2020 vindt op 16 juni 2020 een planningsgesprek plaats. Er wordt geen consensus bereikt en de daaropvolgende bemiddelingsprocedure leidt niet tot een gunstig resultaat. Het komt vervolgens aan de hiërarchische meerdere van evaluator W.D., namelijk directeur J.H., toe om de planningsdoelstellingen vast te leggen. Dat gebeurt op 11 augustus
  11. 3.
  12. Op 14 oktober 2020 vindt een functioneringsgesprek plaats tussen verzoekster en haar evaluator. Bij de beoordeling worden de zeven prestatiedoelstellingen, de acht ontwikkelingsdoelstellingen en de drie doelstellingen inzake de beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst als ‘behaald’ aangemerkt, alsook vijf van de zes doelstellingen inzake ‘bijdrage aan de teamprestaties’. Binnen deze laatste groep wordt de doelstelling ‘meewerken aan de uitbouw van positieve contacten, a.d.h.v. al dan niet aanwezig zijn van (niet-constructieve) negatieve opmerkingen’ als ‘niet behaald’ aangemerkt. 3.
  13. Het evaluatiegesprek met verzoeksters evaluator vindt plaats op 11 maart 2021, via Teams. Bij die gelegenheid worden vijf doelstellingen als ‘niet IX-10.015-3/26 behaald’ beoordeeld (drie ontwikkelingsdoelstellingen, de doelstelling ‘constructieve contacten en informatie-uitwisseling met de AA I&I’ binnen het criterium ‘beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst’ en een doelstelling binnen het criterium ‘bijdrage aan de teamprestaties’). Aan verzoekster wordt voor de evaluatiecyclus 2020 de eindvermelding ‘te verbeteren’ toegekend. Het evaluatieverslag, dat door de evaluator, de directeur en verzoekster wordt ondertekend, vermeldt bij ‘algemene functionering’ de volgende opmerkingen: “[Verzoekster] moet opletten om haar prestaties niet over te belichten. Haar invorderingscollega’s realiseren ook mooie resultaten en die blijven daar heel bescheiden over. Het is belangrijk dat alles in zijn juiste proporties gehouden wordt. Het ongepast negatief ventileren blijft echter een probleem. [Verzoekster] moet zich concentreren op haar eigen dossiers. Zij is geen teamleider. Het constant bekritiseren van teamleider en centrumdirecteur is nergens voor nodig. Het komt haar evenmin toe om haar collega’s te beoordelen. Er werd aan [verzoekster] gevraagd om aan de nodige introspectie te doen. Het stiekem opnemen van gesprekken en het gebruiken van deze opnames is echter totaal onaanvaardbaar en heeft een grote vertrouwensbreuk tot gevolg. Belangrijke waarden als loyaliteit, betrouwbaarheid, eerlijkheid, openheid, collegialiteit, respect, … werden m.i. zwaar geschonden. Ook haar werking in teamverband heeft zij daardoor zeer zwaar gehypothekeerd. In samenhang met haar blijvende negativiteit (en ik verwijs o.a. naar al haar opmerkingen in het functioneringsgesprek en de mailings van 2020), zou een evaluatie ‘onvoldoende’ m.i. hierdoor volledig gerechtvaardigd zijn. Gelet echter op het feit dat haar dossierbehandeling als voldoende bevredigend kan beschouwd worden en de zeer zware impact van een onvoldoende wordt beslist om haar evaluatie te milderen tot een ‘te verbeteren’. Kort samengevat wordt haar dus een ‘te verbeteren’ toegekend omwille van volgende elementen: - negatieve mailing i.g.v. afwijkende meningen - negatieve opmerkingen en uitlatingen in het functioneringsgesprek - negatieve bemerkingen in het halfjaarlijks activiteitenverslag - het maken én gebruiken van stiekeme audio-opnamen en daardoor een vertrouwensbreuk - vertrouwensbreuk met de juridische dienst van de AAII Hasselt.” Dat is de eerste bestreden beslissing. IX-10.015-4/26 3.
  14. Op 12 april 2021 tekent verzoekster tegen deze evaluatie een beroep aan bij de beroepscommissie. Op 13 september 2021 dient verzoekster een schriftelijk verweer in, samen met een aantal aanvullende stukken. 3.
  15. De beroepscommissie hoort zowel verzoekster en haar verdediger als de evaluator en adviseert op 21 september 2021 om de eindvermelding ‘te verbeteren’ te behouden. De beroepscommissie overweegt daarbij het volgende: “Overwegende dat de geëvalueerde en de verdediging de regelmatigheid van de evaluatiecyclus 2020 in vraag stellen omdat, onder meer, de functiebeschrijving niet aangepast is, het planningsgesprek laattijdig werd gevoerd en zowel het functionerings- als het evaluatiegesprek niet reglementair werden gevoerd; dat bij de evaluatie 19 op 24 doelstellingen als ‘behaald’ werden beoordeeld, waardoor de geëvalueerde recht heeft op de eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’; dat zij vragen om de toekenning van de eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ voor te stellen; Overwegende dat de evaluator toelicht dat de geëvalueerde een bekwame medewerker is en de haar toegewezen taken op behoorlijke wijze uitvoert; dat de eindvermelding ‘te verbeteren’ gebaseerd is op elementen die vallen onder het criterium ‘bijdrage aan de teamprestaties’ omdat de geëvalueerde door haar houding de ganse dienst immobiliseert en er met quasi iedereen een vertrouwensbreuk is ontstaan; dat de geëvalueerde met name beslissingen in de hiërarchie, die in strijd zijn met haar eigen opvattingen, moeilijk of niet kan aanvaarden en hierover op uitgebreide, niet-waarheidsgetrouwe, niet-objectieve en niet-respectvolle wijze communiceert; dat moest vastgesteld worden dat deze houding een pijnlijke voortzetting is van de voorgaande jaren; Beoordeling Overwegende dat de competenties en arbeidsattitudes van de geëvalueerde duidelijk blijken uit het administratief dossier, en de evaluator overigens ook mondeling beaamt dat de geëvalueerde een bekwame medewerker is die haar taken naar behoren vervult; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de evaluatieprocedure formeel niet geheel in overeenstemming met de reglementering ter zake is verlopen; Overwegende dat de eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ wordt toegekend als het overgrote gedeelte van de prestatiedoelstellingen zijn behaald, de geëvalueerde over de noodzakelijke competenties beschikt, IX-10.015-5/26 beschikbaar is geweest voor de gebruikers van de dienst en op een behoorlijke manier heeft bijgedragen tot de teamprestaties; dat het criterium ‘bijdrage tot de teamprestaties’ evenwel wordt beoordeeld als een verzwarend of verzachtend element en op zich de eindvermelding ‘te verbeteren’ kan rechtvaardigen als het niet nakomen van dat criterium de goede werking of het imago van de dienst ernstig schaadt (art. 13 § 1 laatste lid Evaluatiebesluit); Overwegende dat uit het administratief dossier en de mondelinge toelichtingen blijkt dat de houding en de communicatie van de geëvalueerde soms weinig respectvol is en kwetsend overkomt – wat zij overigens zelf beaamt en beseft; dat hierdoor de goede teamwerking in het gedrang komt en daardoor het criterium ‘bijdrage aan de teamprestaties’ bij de evaluatie inderdaad als bezwarend element kan weerhouden worden; dat inhoudelijk voldoende blijkt waarom de eindvermelding ‘te verbeteren’ werd toegekend, ondanks het behalen van 19 op 24 doelstellingen.” Dat is de tweede bestreden beslissing. 3.
  16. Ondertussen dient verzoekster op 18 mei 2021 tegen de door de evaluator toegekende evaluatie ‘te verbeteren’ een klacht in bij de federale ombudsman, Centrum Integriteit (CINT, hierna: de ombudsman); verzoekster is van oordeel dat het gaat om een represaillemaatregel omwille van een veronderstelde integriteitsschending die zij in 2019 heeft gemeld. Op 4 juni 2021 brengt de ombudsman de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën daarvan op de hoogte. Hij vraagt hem om, “in overeenstemming met artikel 16 van de wet van 15 september 2013, een gemotiveerd verslag over te maken waaruit blijkt dat de negatieve maatregel, met name de eindbeoordeling ‘te verbeteren’ in de ontwikkelcirkel 2020 geen enkel verband houdt met de melding van een veronderstelde integriteitsschending door [verzoekster]” en daartoe alle nuttige documenten toe te voegen. Met een brief van 29 juli 2021 stelt de ombudsman, na ontvangst van het gemotiveerd verslag, aan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën voor om verzoeksters ongunstige evaluatie ‘te verbeteren’ te wijzigen naar ‘voldoet aan de verwachtingen’. Dit voorstel steunt, samengevat, op het oordeel dat uit het gemotiveerd verslag “niet ontegensprekelijk blijkt dat de eindbeoordeling ‘te verbeteren’ in de ontwikkelcirkel 2020 geen enkel verband IX-10.015-6/26 houdt” met de voormelde melding van een veronderstelde integriteitsschending door verzoekster. De ombudsman stipt daarbij aan dat er eensdeels sprake is van een vermoeden van partijdigheid omdat evaluator W.D. als mogelijk betrokkene bij de integriteitsschending werd genoemd en daaromtrent ook een verklaring heeft afgelegd, maar niettemin vervolgens als evaluator is opgetreden. Anderdeels, zo stelt de ombudsman, overtuigen de argumenten op grond waarvan bepaalde doelstellingen bij de evaluatie als ‘niet behaald’ werden beoordeeld ook inhoudelijk niet. De voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën stelt daarop voor om het advies van de beroepscommissie af te wachten. Daaraan voegt hij toe te willen ingaan op de aanbeveling van de ombudsman om een andere functionele chef voor verzoekster te zoeken. 3.
  17. Op 19 oktober 2021 deelt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën aan de ombudsman mee dat de beoordeling ‘te verbeteren’ definitief wordt, gelet op het unanieme advies van de beroepscommissie. Er zal een procedure interne mobiliteit worden opgestart om een nieuwe leidinggevende aan te stellen voor verzoekster. 3.
  18. Op 26 oktober 2021 schrijft de ombudsman aan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën onder andere het volgende (enkele voetnoten zijn weggelaten): “In onze brief van 29 juli 2021 bezorgden we u onze vaststellingen met betrekking tot het evaluatiedossier en het gemotiveerd verslag van 6 juli 2021 van de hand van [W.D.], evaluator van [verzoekster]. Uit onze inhoudelijke analyse bleek dat de eindvermelding ‘te verbeteren’ voornamelijk gebaseerd is op documenten die rechtstreeks verwijzen naar de melding en het onderzoek in het dossier INT/2020/00002/N/01 (het dossier [M.]). Door het toevoegen van stukken aan het evaluatiedossier die rechtstreeks betrekking hebben op het door het CINT gevoerde onderzoek én de rol die [verzoekster] in het dossier [M.] heeft gespeeld bij herhaling mee te nemen in de elementen die tot de eindevaluatie ‘te verbeteren’ hebben geleid, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat de eindbeoordeling moet worden IX-10.015-7/26 beschouwd als een negatieve maatregel naar aanleiding van haar melding zoals omschreven in art. 15, § 1 van de wet van 15 september
  19. De bescherming wordt van rechtswege toegekend en zoals reeds gesteld in onze brief van 29 juli 2021 moet ontegensprekelijk blijken dat de eindbeoordeling ‘te verbeteren’ in de ontwikkelcirkel 2020 geen enkel verband houdt met de melding van een veronderstelde integriteitsschending. De administratie is niet in de mogelijkheid gebleken om dit bewijs te leveren. Ook de uitspraak van de Interdepartementale Beroepscommissie verandert niets aan het voorstel van de federale Ombudsman. De Interdepartementale Beroepscommissie komt tot een bevestiging van de eindvermelding op basis van dezelfde stukken als de evaluator. Daarbij werd het verband tussen de evaluatie en het door CINT gevoerde onderzoek genegeerd. Gelet op het bovenstaande en met het oog op het vermijden van een officiële aanbeveling in toepassing van artikel 16, § 5 van de wet van 15 september 2013 betreffende de melding van een veronderstelde integriteitsschending in de federale administratieve overheden door haar personeelsleden, wensen wij ons voorstel te hernemen om de beoordeling ‘te verbeteren’ te neutraliseren door een ‘voldoet aan de verwachtingen’.” 3.
  20. Met een brief van 29 oktober 2021 antwoordt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën aan de ombudsman het volgende: “Wij hebben u via een schrijven op 19 oktober 2021 laten weten dat de eindvermelding ‘te verbeteren’ van de evaluatiecyclus 2020 van [verzoekster] behouden blijft. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 32, 2de lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt wordt de vermelding ‘te verbeteren’ voor de periode van 1 januari 2020 tot 31 december 2020 dan ook definitief. Op basis van de objectieve feiten in het dossier blijven wij bij onze beslissing. Deze feiten werden door een onafhankelijke commissie, los van de FOD Financiën of een persoon betrokken bij het integriteitsonderzoek, beoordeeld en de eindvermelding werd met unanimiteit van de stemmen gemotiveerd bevestigd. De FOD Financiën kan in deze concrete situatie omwille van de gelijke behandeling niet afdoende verantwoorden (ten opzichte van de overige medewerkers van de FOD Financiën) dat een collega die de doelstellingen duidelijk niet haalt, dezelfde eindbeoordeling ontvangt als de medewerkers die wel al hun doelstellingen halen. Het criterium van onderscheid ‘het al dan niet indienen van een melding van een veronderstelde integriteits-schending’ lijkt in deze situatie niet pertinent.” 3.
  21. Daarop richt de ombudsman op 29 november 2021 aan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën een aanbeveling met toepassing van artikel 16, § 5, vierde lid, van de (ondertussen bij wet van IX-10.015-8/26 8 december 2022 met ingang van 2 januari 2023 opgeheven) wet van 15 september 2013, om de eindevaluatie ‘te verbeteren’ voor de evaluatiecyclus 2020 van verzoekster te neutraliseren door de eindevaluatie ‘voldoet aan de verwachtingen’. 3.
  22. Met een brief van 15 december 2021 deelt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën aan de ombudsman mee dat hij bij zijn standpunt blijft, onder verwijzing naar de definitief geworden beslissing van de beroepscommissie die had voorgesteld de eindvermelding ‘te verbeteren’ te behouden, zoals vermeld in het schrijven van 29 oktober
  23. Dat is de derde bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid A. Ratione temporis Uiteenzetting van de exceptie 4.
  24. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie op inzake de tijdigheid van het door verzoekster ingestelde beroep. De verwerende partij betoogt dat de zestigdagentermijn om bij de Raad van State een beroep in te stellen weliswaar overeenkomstig artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-Wet) kan worden geschorst door het indienen van een klacht bij een ombuds, maar dat die bepaling in casu niet van toepassing is. De verwerende partij argumenteert dat verzoekster op 18 mei 2021 een gemotiveerde klacht heeft neergelegd bij de federale ombudsman, gericht tegen het evaluatieverslag met vermelding ‘te verbeteren’, maar dat die evaluatie op dat ogenblik nog geen “akte” was zoals bedoeld in het voormelde artikel 19, derde lid, RvS-Wet omdat overeenkomstig het geldende evaluatiebesluit een evaluatiebeslissing (in geval van betwisting door het personeelslid) pas tot stand komt hetzij na een eensluidend advies van de beroepscommissie, hetzij na een IX-10.015-9/26 beslissing van de leidend ambtenaar. Die klacht, die volgens de verwerende partij dus te vroeg werd ingediend, werd opgeschort naar aanleiding van de besluitvorming in de schoot van de beroepscommissie en vervolgens afgedaan met de mededeling van de voorzitter van het directiecomité dat niet wordt ingegaan op de aanbeveling van de ombudsman. De “klacht” die verzoekster vervolgens op 27 oktober 2021 aan de ombudsman meent te hebben gericht, is volgens de verwerende partij evenmin een klacht in de zin van het voormelde artikel 19, derde lid, RvS-Wet maar slechts een “informatief bericht” aan de ombudsman, waarmee de eertijds opgeschorte behandeling van haar klacht van 18 mei 2021 opnieuw op gang is gebracht. De verwerende partij is van oordeel dat de ombudsman verzoeksters bericht van 27 oktober 2021 ook in die zin heeft behandeld. De verwerende partij besluit dat het beroep, ingesteld op 1 (lees: 3) maart 2022, laattijdig is nu verzoekster reeds op 20 oktober 2021 kennis heeft genomen van het bericht dat de evaluatie ‘te verbeteren’ definitief is geworden. 4.
  25. In haar laatste memorie handhaaft de verwerende partij haar exceptie en doet zij nog gelden dat verzoeksters bericht van 27 oktober 2021 niet als een nieuwe klacht kan worden beschouwd, omdat zulks ertoe zou leiden dat artikel 13, § 1, van de wet van 22 maart 1995 ‘tot instelling van de federale ombudsmannen’ – dat voorziet in een opschorting van het onderzoek van een klacht tijdens een beroepsprocedure – zinledig zou zijn. De klachtprocedure die werd opgestart met de klacht van 18 mei 2021 zou dan immers niet meer kunnen worden hervat. Tot slot merkt de verwerende partij op dat de erkenning van het schrijven van 27 oktober 2021 als klacht strijdt met de wil van de wetgever om de beroepstermijnen niet onnodig lang te rekken. IX-10.015-10/26 Beoordeling 5.
  26. Artikel 16, § 6, vierde lid, van de wet van 15 september 2013 ‘betreffende de melding van een veronderstelde integriteitsschending in de federale administratieve overheden door haar personeelsleden’ (opgeheven, zoals hiervóór vermeld) luidt als volgt: “Onverminderd artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, schorsen noch stuiten de indiening en het onderzoek van een klacht de termijnen voor het instellen van beroepen bij de rechtbank of van georganiseerde administratieve beroepen.” Artikel 19, derde lid, RvS-Wet luidt: “Wanneer een klacht wordt ingediend tegen een akte of een reglement die vatbaar is voor beroep in de zin van artikel 14, § 1, bij een persoon die door een wet, een decreet of een ordonnantie bekleed is met de functie van ombudsman, binnen één van de verjaringstermijnen bedoeld in het tweede lid, wordt deze termijn voor de indiener van deze klacht opgeschort. Het resterende deel van die termijn vangt aan hetzij op het moment dat de klager in kennis wordt gesteld van de beslissing om zijn klacht niet te behandelen of te verwerpen, hetzij bij het verstrijken van een termijn van vier maanden die begint te lopen vanaf de indiening van de klacht, als de beslissing niet eerder tussenkomt. In dit laatste geval rechtvaardigt de klager dit door een attest van de betrokken ombudsman.” 5.
  27. Met “de verjaringstermijnen bedoeld in het tweede lid” wordt bedoeld de verjaringstermijnen voor de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14, § 1, RvS-Wet, zijnde in principe zestig dagen nadat de bestreden beslissing werd bekendgemaakt of betekend dan wel nadat de verzoekende partij ervan kennis heeft genomen. 6.
  28. Overeenkomstig artikel 32 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ (hierna: het evaluatiebesluit) is een evaluatiebeslissing met eindvermelding in geval van een tijdig beroep bij de beroepscommissie slechts definitief nadat hetzij de beroepscommissie voorstelt de vermelding te behouden, hetzij de leidend IX-10.015-11/26 ambtenaar na voorstel van de beroepscommissie tot wijziging van de vermelding, eigener gezag een beslissing neemt. 6.
  29. Met de verwerende partij wordt aldus meegegaan in de analyse dat verzoeksters klacht van 18 mei 2021, gericht tegen de initiële evaluatiebeslissing door de evaluator, niet is gericht tegen een akte die vatbaar is voor een beroep bij de Raad van State – die beslissing is immers door verzoeksters beroep bij de beroepscommissie niet de eindbeslissing in de administratieve procedure. Die vaststelling is evenwel enkel relevant voor de vraag of de klacht de opschorting van de beroepstermijn overeenkomstig artikel 19, derde lid, RvS-Wet tot gevolg heeft; ze doet geen afbreuk eraan dat verzoeksters klacht van 18 mei 2021 door de federale ombudsman ontvankelijk werd bevonden en in behandeling werd genomen.
  30. Uit de bepalingen van de wet van 22 maart 1995 ‘tot instelling van de federale ombudsmannen’ kan niet worden afgeleid dat het is uitgesloten dat een betrokkene met betrekking tot een bepaald twistpunt op ontvankelijke wijze een tweede klacht indient. Artikel 9, tweede lid, 3°, van de voormelde wet bepaalt enkel dat de ombudsmannen weigeren een klacht te behandelen wanneer “de klacht in wezen dezelfde is als een eerder door de ombudsmannen afgewezen klacht en ze geen nieuwe feiten [bevat]”. Op 27 oktober 2021 had de ombudsman verzoeksters klacht van 18 mei 2021 niet afgewezen, zodat de hiervóór aangehaalde wetsbepaling geen toepassing vindt.
  31. Het feit dat de eindvermelding ‘te verbeteren’ op grond van het eensluidend advies van de beroepscommissie definitief is geworden, is aan verzoekster meegedeeld met een bericht van 14 oktober 2021, dat op 20 oktober IX-10.015-12/26 2021 aan verzoekster is betekend. Op diezelfde dag laat de ombudsman aan verzoekster weten dat hij in kennis werd gesteld van die beslissing en dat hij “momenteel de verdere stappen [bekijkt] die we kunnen ondernemen”.
  32. Met een e-mail van 27 oktober 2021 deelt verzoekster aan de ombudsman het volgende mee: “Ik snap geenszins hoe dit alles mogelijk is [aan]gezien ik [ter zake] voor ontwikkelcirkel 2020 uw dienst al in een heel vroeg stadium op de hoogte gesteld heb, toen er gedreigd werd met een negatieve beoordeling en ook later nog uw dienst [ter zake] uitdrukkelijk berichtte. De vertrouwenspersoon integriteit heeft mij destijds meegedeeld dat ik [ter zake] de nodige bescherming genoot die door de wetgever wettelijk uitgewerkt is, hetgeen voor mij doorslaggevend was. Ik moet helaas vaststellen dat in de praktijk de bescherming van de wetgever tot nog toe dode letter is gebleven voor mijn ontwikkelcirkel 2020 met alle gevolgen vandien. Ik ontvang thans uw hogervermeld schrijven, waarin u evenmin meedeelt of en binnen welke termijn uw dienst zal tussenkomen zodat de wettelijk voorziene bescherming géén dode letter blijft. Nochtans begint mijn beroepstermijn voor de Raad van State te lopen vanaf de ontvangst van de beslissing van de beroepscommissie. Op die wijze worden mijn rechten ikv de wet op de federale ombudsmannen evenmin gevrijwaard. Ik verzoek u dan ook met aandrang om ten spoedigste het nodige te doen opdat ik voor ontwikkelcirkel 2020 de door de wetgever gegarandeerde bescherming krijg en mij alleszins in elk geval spoedig en duidelijk te berichten.”
  33. Dit bericht, dat door verzoekster als een nieuwe klacht wordt aangezien, wordt ook door de ombudsman in die zin begrepen. Op 28 oktober 2021 wordt immers aan verzoekster geantwoord: “Concreet nemen we de datum van uw bericht van gisteren 27/10/2021 als indieningsdatum van een nieuwe klacht bij de federale Ombudsman (INT/2020/0002/P/02). Dit biedt de garantie dat de termijn van 4 maanden maximaal kan worden benut.” 11.
  34. Zoals hiervóór is aangegeven, verhindert de wetgeving in de gegeven omstandigheden niet dat een tweede ontvankelijke klacht bij de ombudsman wordt ingediend. De stelling van de verwerende partij, dat het slechts om een “informatief bericht” zou gaan, wordt derhalve niet bijgevallen. IX-10.015-13/26 11.
  35. Aangezien de klacht van 27 oktober 2021 het gevolg is van een nieuwe beslissing in verzoeksters dossier (namelijk die van de beroepscommissie) en de kennisgeving van die beslissing ook de beroepstermijn bij de Raad van State doet ingaan, kan het indienen van die klacht niet worden beschouwd als het onnodig rekken van die beroepstermijn. 11.
  36. Het feit dat de procedure naar aanleiding van de tweede klacht samenloopt met die welke werd opgestart na de klacht van 18 mei 2021, doet aan wat voorafgaat geen afbreuk. 11.
  37. De termijn die voor verzoekster openstond om bij de Raad van State een annulatieberoep in te stellen tegen de evaluatie met eindvermelding ‘te verbeteren’ is, gelet op de betekening ervan op 20 oktober 2021, met toepassing van artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement, aangevangen op 23 oktober 2021 om – in beginsel – te eindigen op 21 december
  38. Gelet op de klacht van 27 oktober 2021, is deze termijn vanaf die datum opgeschort, waarbij het resterende deel van de beroepstermijn overeenkomstig artikel 19, derde lid, RvS-Wet aanvangt “hetzij op het moment dat de klager in kennis wordt gesteld van de beslissing om zijn klacht niet te behandelen of te verwerpen, hetzij bij het verstrijken van een termijn van vier maanden die begint te lopen vanaf de indiening van de klacht, als de beslissing niet eerder tussenkomt”. 11.
  39. Aangezien de ombudsman niet heeft beslist om verzoeksters klacht van 27 oktober 2021 niet te behandelen of ze te verwerpen, is het restant van de beroepstermijn aangevangen vier maanden na het indienen van die klacht, hetzij op 27 februari
  40. Het beroep, ingesteld op 3 maart 2022, is tijdig in zoverre het is gericht tegen de tweede bestreden beslissing. IX-10.015-14/26 De exceptie ratione temporis wordt verworpen. B. Ratione materiae Exceptie
  41. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve opgeworpen dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate dat het is gericht tegen de eerste en de derde bestreden beslissing. De eerste bestreden beslissing is immers niet de definitieve en griefhoudende evaluatiebeslissing, aangezien dat in casu de beslissing van de beroepscommissie is. De derde bestreden beslissing is dan weer slechts een aanbeveling zonder rechtsgevolgen voor de partijen en bijgevolg geen administratieve rechtshandeling.
  42. Verzoekster stelt in haar laatste memorie zich naar de wijsheid van de Raad te gedragen. Beoordeling
  43. Wanneer een personeelslid tegen een evaluatieverslag met een eindvermelding tijdig een beroep instelt, dan werkt dat beroep krachtens artikel 30/1, derde lid, van het evaluatiebesluit opschortend. Naar luid van artikel 32 van dat besluit wordt de vermelding definitief wanneer de beroepscommissie voorstelt om ze te behouden. Zoals de Raad van State reeds heeft overwogen, onder meer in arrest nr. 254.384 van 2 september 2022, maakt het met redenen omklede advies van de beroepscommissie, waarin wordt voorgesteld om de in het evaluatieverslag toegekende vermelding te behouden, de voor de verzoekende partij griefhoudende akte uit. Het is immers deze met redenen omklede beoordeling door de beroepscommissie – die inhoudt dat het evaluatiedossier opnieuw is onderzocht IX-10.015-15/26 nadat het betrokken personeelslid werd gehoord en die bij bevestiging van de in het evaluatieverslag toegekende vermelding deze laatste definitief maakt – die moet worden aangemerkt als de laatste handeling van de verwerende partij met betrekking tot de evaluatie van het personeelslid. Wanneer de beoordeling in dit met redenen omklede advies van de beroepscommissie de vermelding uit het evaluatieverslag behoudt, moet dat advies geacht worden in de plaats te zijn gekomen van de beoordeling in het evaluatieverslag. De eerste bestreden beslissing, zijnde de evaluatie door de evaluator, is daardoor uit het rechtsverkeer verdwenen en kan niet langer het voorwerp uitmaken van een beroep bij de Raad van State. In de mate dat verzoeksters beroep is gericht tegen de eerste bestreden beslissing, is het derhalve onontvankelijk.
  44. De derde bestreden beslissing is een loutere aanbeveling van de federale ombudsman, die noch voor verzoekster, noch voor de verwerende partij bindende rechtsgevolgen heeft. Het gaat derhalve niet om een administratieve rechtshandeling die voor nietigverklaring vatbaar is. Ook in zoverre het annulatieberoep is gericht tegen de derde bestreden beslissing, is het onontvankelijk.
  45. Het beroep is enkel ontvankelijk in de mate dat het is gericht tegen de tweede bestreden beslissing, hierna de bestreden beslissing genoemd. IX-10.015-16/26 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  46. In een eerste middel beroept verzoekster zich op een schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Verzoekster zet uiteen dat haar evaluator W.D. en diens hiërarchische meerdere J.H. eerder reeds hebben aangegeven dat zij verzoekster willen verwijderen uit de AABBI-directie Antwerpen en dat ten aanzien van beiden door de preventieadviseur psychosociale aspecten opmerkingen zijn gemaakt. Volgens verzoekster blijkt de vooringenomenheid van de evaluator ook uit het verloop van het functioneringsgesprek, alsook uit andere voorgaande incidenten. In die omstandigheden moet naar het oordeel van verzoekster worden besloten dat er sprake is van subjectieve partijdigheid in hoofde van zowel de evaluator als diens meerdere.
  47. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster, in antwoord op een exceptie dienaangaande van de verwerende partij, dat zij deze kritiek voor het eerst vermag op te werpen in de beroepsfase, aangezien het onpartijdigheidsbeginsel raakt aan de openbare orde. Bovendien, zo betoogt verzoekster, heeft zij ook tijdens de evaluatieprocedure zelf impliciet, maar zeker gewezen op een gebrek aan onpartijdigheid. Verzoekster betwist voorts dat zij niet zou aantonen dat de eindvermelding ‘te verbeteren’ het gevolg is van een partijdige beoordeling en zij stipt aan dat ook uit de tussenkomst van de ombudsman blijkt dat W.D. en J.H. niet als onpartijdig kunnen worden beschouwd. IX-10.015-17/26 Beoordeling
  48. De verwerende partij toont niet aan dat er op verzoekster een stelplicht rustte om haar grieven ter zake voorafgaand aan de procedure voor de beroepscommissie te doen kennen. Overigens blijkt uit zowel het verslag van het functioneringsgesprek als uit de evaluatie duidelijk dat verzoekster de objectiviteit van haar evaluator alsdan wel degelijk in vraag heeft gesteld. Er is derhalve geen reden om tot de onontvankelijkheid van het middel te besluiten.
  49. Zoals met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione materiae is vastgesteld, vormt enkel het advies van de beroepscommissie het voorwerp van het beroep. De initiële evaluatiebeslissing van de evaluator is uit het rechtsverkeer verdwenen.
  50. Artikel 25 van het evaluatiebesluit regelt de samenstelling van de beroepscommissie. Artikel 29 van dat besluit bepaalt dat een beroepscommissielid enkel kan zetelen wanneer het op geen enkele wijze heeft deelgenomen aan de toekenning van de vermelding, dat de leidend ambtenaar van de federale dienst waartoe het personeelslid in beroep behoort niet zetelt en dat het personeelslid en de evaluator ambtshalve worden opgeroepen om te worden gehoord. Gelet op de devolutieve werking van het beroep wordt de zaak opnieuw onderzocht door de beroepscommissie, die tot een eigen oordeel komt. Het is derhalve van die beroepscommissie dat verzoekster de vooringenomenheid moet aantonen.
  51. Verzoekster voert niet aan, laat staan dat zij bewijst op welke wijze er sprake is van een subjectieve partijdigheid in hoofde van één of meer leden van de beroepscommissie. Evenmin zet verzoekster uiteen hoe de door haar omschreven subjectieve partijdigheid in hoofde van evaluator W.D. en diens IX-10.015-18/26 hiërarchische meerdere J.H. zou kunnen doorwerken op de bestreden beslissing zelf. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  52. Een tweede middel steunt op een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Verzoekster betoogt dat zij voorafgaand aan de hoorzitting van de beroepscommissie een uitgebreid schriftelijk verweer heeft ingediend waarin wettigheidskritiek wordt uitgeoefend wegens, onder meer, schendingen van de geldende evaluatiewetgeving en -reglementering, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de wet van 15 september 2013, alsook wegens het gemis aan deugdelijke motivering voor de beoordeling ‘niet behaald’ bij vijf van de vierentwintig evaluatiecriteria. In antwoord daarop beperkt de beroepscommissie zich tot de overweging “dat uit het administratief dossier blijkt dat de evaluatieprocedure formeel niet geheel in overeenstemming met de reglementering ter zake is verlopen”. Dat is voor verzoekster eensdeels een understatement en anderdeels geen antwoord op de door haar aangevoerde kritieken, terwijl het precies aan de beroepscommissie toeviel om aan te tonen dat met die kritiek rekening werd gehouden.
  53. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat uit de – bij unanimiteit genomen – bestreden beslissing duidelijk blijkt waarom de beroepscommissie heeft besloten tot het behoud van de vermelding ‘te verbeteren’, zodat er van een gebrekkige motivering geen sprake kan zijn. De verwerende partij IX-10.015-19/26 stipt daarbij nog aan dat verzoekster niet de overweging van de beroepscommissie betwist dat haar houding soms kwetsend en weinig respectvol overkomt en dat verzoekster ook niet aantoont dat de beroepscommissie tot een ander besluit had moeten komen.
  54. In haar laatste memorie onderneemt de verwerende partij geen poging om de conclusies van het auditoraatsverslag – waarin het middel gegrond wordt bevonden – tegen te spreken. Beoordeling
  55. In het aanvullend schriftelijk verweer dat verzoekster bij de beroepscommissie heeft neergelegd, heeft zij verschillende grieven ontwikkeld met betrekking tot de wijze waarop de initiële evaluatiebeslissing tot stand is gekomen. Verzoekster doet daarbij onder meer gelden dat de evaluatie procedureel kaduuk is en zij argumenteert ook inhoudelijk met betrekking tot de vijf doelstellingen die als ‘niet behaald’ werden aangemerkt.
  56. Om te voldoen aan de formelemotiveringsplicht dient de beroepscommissie niet noodzakelijk op elke grief apart te antwoorden. Wel is vereist dat de formele motivering ervan blijk geeft dat de bezwaren van verzoekster daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat verzoekster kan begrijpen waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor verzoeksters beroep van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor haar gunstiger beslissing zouden (moeten) leiden.
  57. Uit de bestreden beslissing kan worden opgemaakt dat de beroepscommissie de grieven van verzoekster zeer wel heeft begrepen. Zij brengt ze immers uitdrukkelijk in herinnering: IX-10.015-20/26 “Overwegende dat de geëvalueerde en de verdediging de regelmatigheid van de evaluatiecyclus 2020 in vraag stellen omdat, onder meer, de functiebeschrijving niet aangepast is, het planningsgesprek laattijdig werd gevoerd en zowel het functionerings- als het evaluatiegesprek niet reglementair werden gevoerd; dat bij de evaluatie 19 op 24 doelstellingen als ‘behaald’ werden beoordeeld, waardoor de geëvalueerde recht heeft op de eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’; dat zij vragen om de toekenning van de eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ voor te stellen.”
  58. De beroepscommissie onderneemt vervolgens evenwel geen enkele poging om die grieven te bespreken, laat staan te weerleggen. Meer nog, de beroepscommissie erkent in de bestreden beslissing uitdrukkelijk “dat uit het administratief dossier blijkt dat de evaluatieprocedure formeel niet geheel in overeenstemming met de reglementering ter zake is verlopen”. Wat precies onder “niet geheel” moet worden begrepen of waarom die vaststelling niettemin de regelmatigheid van de evaluatieprocedure niet vitieert, daarover blijft de beroepscommissie stilzwijgend. Aldus wordt verzoekster, en vervolgens ook de Raad van State, geheel in het ongewisse gelaten over de motieven van de beroepscommissie.
  59. Ook verzoeksters inhoudelijke kritiek bij de wijze waarop zij voor vijf doelstellingen werd beoordeeld, krijgt in de bestreden beslissing geen enkel antwoord. De loutere overweging dat het criterium ‘bijdrage aan de teamprestaties’ de eindvermelding ‘te verbeteren’ kan rechtvaardigen, volstaat in het licht daarvan niet, onder meer omdat die beoordeling zonder meer ervan uitgaat dat verzoekster voor slechts 19 van de 24 doelstellingen ‘behaald’ scoorde – wat verzoekster precies betwist.
  60. Dat de beroepscommissie unaniem tot de bestreden beslissing is gekomen, zoals de verwerende partij aanstipt, is een vaststelling die vreemd is aan de formelemotiveringsplicht.
  61. Het tweede middel is gegrond. IX-10.015-21/26 C. Derde middel
  62. In een derde middel beroept verzoekster zich op een schending van artikel 13 van het evaluatiebesluit en van de materiëlemotiveringsplicht. a. eerste middelonderdeel Standpunt van de partijen
  63. Verzoekster betoogt – samengevat – dat zij, gelet op de doelstellingen die zij volgens de evaluator – daarin bijgevallen door de beroepscommissie – wél heeft behaald, op grond van artikel 13 van het evaluatiebesluit alleszins de eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ moet krijgen. Zij stipt daarbij aan dat zij voor elk van de vier criteria meer dan de helft van de doelstellingen heeft behaald.
  64. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat het behoud van de vermelding ‘te verbeteren’ steunt op een gebrek aan realisatie van de doelstelling ‘bijdrage aan de teamprestaties’, wat als bezwarend element in aanmerking wordt genomen. Beoordeling
  65. Artikel 13, § 1, van het evaluatiebesluit luidt als volgt: “De vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ wordt toegekend aan het personeelslid dat aan de volgende vier criteria voldoet: 1° het overgrote gedeelte van zijn prestatiedoelstellingen hebben gerealiseerd; 2° over de competenties beschikken die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevredigende wijze uit te oefenen of die competenties hebben ontwikkeld als een dergelijke doelstelling tijdens het planningsgesprek was vastgesteld; 3° beschikbaar zijn geweest voor de gebruikers van de dienst; 4° op een behoorlijke manier hebben bijgedragen tot de teamprestaties. Als het personeelslid aan de eerste drie criteria voldoet, heeft het recht op de vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’, behalve als het IX-10.015-22/26 niet-nakomen van het laatste criterium van dien aard is dat het de goede werking of het imago van de dienst ernstig schaadt zonder het voorwerp van een tuchtprocedure uit te maken.” Artikel 14, § 1, van hetzelfde besluit stelt met betrekking tot de vermelding ‘te verbeteren’ nog het volgende: “De vermelding ‘te verbeteren’ wordt toegekend aan het personeelslid dat: 1° ofwel maar tussen de 50 en 70 % van zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd; 2° ofwel de competenties die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevredigende wijze te kunnen blijven uitoefenen niet heeft ontwikkeld terwijl het die doelstelling kreeg toegewezen tijdens het planningsgesprek; 3° ofwel weinig beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst. De bijdrage tot de teamprestaties wordt beoordeeld als een verzwarend of verzachtend element. Ze kan echter op zich de vermelding ‘te verbeteren’ rechtvaardigen als het niet-nakomen van dat criterium van dien aard is dat het de goede werking of het imago van de dienst ernstig schaadt. Als het personeelslid echter het voorwerp is van een tuchtprocedure voor feiten die dat domein betreffen, mag hier met die feiten geen rekening worden gehouden.”
  66. Mede gelet op het gemis aan een andere interpretatie in het verslag aan de Koning dat het besluit vergezelt, is de Raad van State van oordeel dat geen redenen worden aangevoerd waarom deze bepalingen anders zouden moeten worden gelezen dan als volgt: - een personeelslid krijgt de vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ wanneer het voldoet aan de vier opgesomde criteria. Daargelaten de vraag of een onder woorden gebrachte beoordeling daaraan afbreuk zou kunnen doen, is de Raad van oordeel dat het personeelslid, voor de andere criteria dan de prestatiedoelstellingen, per criterium in de regel ‘voldoet’ wanneer het op minstens de helft van de onderliggende competenties ‘behaald’ scoort; - voor de personeelsleden die enkel niet voldoen voor het criterium ‘op een behoorlijke manier hebben bijgedragen tot de teamprestaties’ geldt dat het recht op de vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ vervalt wanneer het niet-nakomen van dat criterium van aard is om de goede werking of het imago van de dienst ernstig te schaden. IX-10.015-23/26
  67. Verzoekster werd door de evaluator als volgt beoordeeld: - prestatiedoelstellingen: zeven doelstellingen behaald; - ontwikkelingsdoelstellingen: vijf doelstellingen behaald, drie doelstellingen niet behaald; - beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst: twee doelstellingen behaald, één doelstelling niet behaald; - bijdrage aan de teamprestaties: vijf doelstellingen behaald, één doelstelling niet behaald. Wat de sub 40 vermelde benadering van de quotering betreft, stelt de Raad van State vast dat in de initiële evaluatiebeslissing bij geen van de laatste drie criteria uitdrukkelijk is gemotiveerd waarom verzoekster, spijts de verhouding tussen wel en niet behaalde doelstellingen, voor dat criterium niet zou voldoen. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de beroepscommissie een of meer van deze doelstellingen anders heeft beoordeeld.
  68. Aangezien verzoekster alle prestatiedoelstellingen behaalde, heeft zij ook “het overgrote gedeelte” ervan gerealiseerd. Zij behaalde ook (ruim) meer dan de helft van de doelstellingen voor elk van de drie andere criteria, wat in de gegeven omstandigheden doet besluiten dat verzoekster in de voorwaarden verkeert om op grond van de huidige beoordeling de vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ te verkrijgen.
  69. Lezing van artikel 14, § 1, van het evaluatiebesluit leidt niet tot een andere conclusie. Verzoeksters evaluatie beantwoordt immers niet aan één van de drie criteria die in deze bepaling worden opgesomd om alsnog een vermelding ‘te verbeteren’ toe te kennen.
  70. Door te overwegen dat aan verzoekster in deze omstandigheden op basis van het criterium ‘bijdrage aan de teamprestaties’ als “bezwarend IX-10.015-24/26 element” een eindvermelding ‘te verbeteren’ kan worden toegekend, miskent de beroepscommissie artikel 13, § 1, van het evaluatiebesluit.
  71. Het eerste onderdeel van het derde middel is in de aangegeven mate gegrond. b. tweede middelonderdeel
  72. In een tweede onderdeel van het derde middel betwist verzoekster ondergeschikt de deugdelijkheid van de motieven om de beoordeling ‘niet behaald’ toe te kennen voor één onderdeel van het criterium ‘bijdrage aan de teamprestaties’.
  73. Gelet op het gegrond bevinden van het tweede middel en het eerste onderdeel van het derde middel, behoeft dit middelonderdeel vooralsnog geen nader onderzoek. BESLISSING
  74. De Raad van State vernietigt het advies van de Interdepartementale Beroepscommissie inzake Evaluatie van 21 september 2021 waarin wordt voorgesteld om de eindvermelding ‘te verbeteren’ van XXXX voor de evaluatiecyclus 2020 te behouden.
  75. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  76. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
  77. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.015-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.015-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.