← België

Arrest 260007 - Examens (onderwijs) - 05/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 Rolnummer: A. 237575/IX-10150 Zaak: Arrest 260007 - Examens (onderwijs) - 05/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-06 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-06-06 07:14 Fiche Arrest nr 260.007 van 5 juni 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 no lien 277538 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.007 van 5 juni 2024 in de zaak A. 237.575/IX-10.150 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ineke Michielsen en Bram Vangeel kantoor houdend te 2440 Geel Diestseweg 155 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 25 augustus 2022 waarbij het beroep van verzoeker ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat hij op het examen 156 op 240 punten behaalt en niet gunstig is gerangschikt, wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.150-1/27 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 april
  3. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ineke Michielsen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Regelgeving en feiten 3.
  5. De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’, zoals het gold ten tijde van de betrokken examensessie). Dat toelatingsexamen “beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden”. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 IX-10.150-2/27 toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde (KIW)’ (hierna: ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen (GC)’ (hierna: ‘generieke competenties’) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat voor het hier bedoelde examen 1276 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2020 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). IX-10.150-3/27 3.
  6. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2022 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2022’ (hierna: het werkings- en examenreglement). 3.
  7. Verzoeker neemt op 5 juli 2022 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. 3.
  8. Initieel behaalt verzoeker een score van 51 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 89 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’ en 140 op 240 punten in het totaal. Het verslag van de beraadslaging van de examencommissie van 12 juli 2022 over de examenresultaten vermeldt evenwel: “Het Besluit van de Vlaamse Regering tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts van 14 januari 2020 bepaalt een startquotum van 1276 voor arts […] met als doel het aantal startende studenten in de [opleiding] arts [...] af te stemmen op het federaal bepaalde contingent voor artsen […]. Dit kadert in de zorg om het gewenste aantal artsen […] op te leiden in overeenstemming met de maatschappelijke noden en verwachtingen. Terzelfdertijd stelt de examencommissie vast dat het aantal geslaagden voor het toelatingsexamen arts ver onder het voorziene startquotum van 1276 ligt. Het slaagpercentage voor het toelatingsexamen arts in 2022 bedraagt 24,5%. Verder geldt ook de vaststelling dat het te lage slaagcijfer voor het toelatingsexamen arts en de toepassing van de bindende voorkeur voor beide toelatingsexamens een negatieve impact heeft op het bereiken van [het quotum] voor arts […] en bijgevolg op het gewenst aantal studenten dat zich voor de [opleiding] geneeskunde […] kan inschrijven. Gelet op het voorgaande, besluit de examencommissie om met deze elementen rekening te houden bij de vaststelling van de definitieve resultaten en het aantal gunstig gerangschikten. De examencommissie neemt bijgevolg de volgende beslissingen: - De examencommissie kent voor het toelatingsexamen arts 8 bijkomende punten toe aan het onderdeel KIW en 8 bijkomende punten aan het onderdeel GC met een maximum van 120 voor elk onderdeel en van 240 voor het totaal. Door 8 punten aan beide onderdelen toe te kennen hebben alle kandidaten een gelijk voordeel en dit voor zowel KIW als voor GC. Ook in de totale score hebben alle kandidaten eenzelfde voordeel. De ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 IX-10.150-4/27 toekenning van 8 punten aan beide onderdelen bewaart ook de eerdere rangschikking van de reeds gerangschikte kandidaten.” De score van verzoeker wordt aldus opgetrokken tot 59 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 97 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’ en 156 op 240 punten in het totaal. De cesuur is door de examencommissie bepaald op 133 punten. De examencommissie besluit dat verzoeker niet gunstig gerangschikt is om te worden toegelaten tot de beoogde opleiding, aangezien hij een onvoldoende behaalt voor het onderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’. 3.
  9. Verzoeker stelt op 25 juli 2022 tegen de beslissing van de examencommissie over zijn examenresultaat een beroep in bij de interne beroepsinstantie, die luidens artikel 67 van het werkings- en examenreglement is samengesteld uit “de examencommissie met de voorzitter van de examencommissie als voorzitter”. In zijn beroepschrift voert hij aan: “Het toekennen van 8 extra punten voor het onderdeel KIW en 8 extra punten voor het onderdeel GC is arbitrair, werd nadien toegekend, en veronderstelt dat beide examens even moeilijk waren en dus even veel/weinig geslaagden hadden. Spijtig genoeg hebben wij geen inzage in de slaagpercentages van de beide onderdelen, maar het lijkt ons weinig waarschijnlijk dat de slaagpercentages voor deze beide onderdelen exact gelijk waren. Indien het klopt dat de slaagpercentages voor het onderdeel KIW duidelijk slechter waren dan de slaagpercentages voor het onderdeel GC is het toekennen van 8 extra punten voor de beide onderdelen geen correcte manier om tot het quotum te komen om de volgende redenen: 1/ Stel dat het quotum voorziet dat 1/3 (33%) van de deelnemers kan geselecteerd worden en het slaagpercentage van KIW 20% en het slaagpercentage op GC 40% is, dan zal het toekennen van 8 extra punten op KIW en GC de slaagpercentages van KIW doen stijgen, maar ook het slaagpercentage op GC, terwijl op GC er eigenlijk al voldoende geslaagden waren. Hierdoor zullen deelnemers die eigenlijk ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 IX-10.150-5/27 onvoldoende/minder dan gemiddeld scoren op GC, maar beter op KIW bevoordeeld worden. Omgekeerd worden deelnemers die beter scoren op GC maar minder op KIW benadeeld. Hierdoor krijg je eigenlijk een selectie van deelnemers die dus minder vaardigheden (gemeten door GC en niet door KIW) bezitten die noodzakelijk zijn om een goed arts te worden. 2/ Indien het slaagpercentage voor KIW onvoldoende is, bewijst dit dat dit onderdeel van het examen te moeilijk was om op een correcte manier de deelnemers met kennis te onderscheiden van de deelnemers zonder voldoende kennis (en die dus gokken). Stel een theoretische deelnemers populatie van 500 ‘gokkers’ (die alle vragen gokken) en 500 ‘uitstekende studenten’. Door het gebruik van een multiple choice examen met giscorrectie zal de spreiding van de gokkers zich gedragen als een Gauss curve met het gemiddelde of de mediaan op
  10. Een goed examen zou er moeten in slagen om voor de uitstekende studenten een Gauss curve te hebben met het gemiddelde of de mediaan op 75%. Op die manier krijg je een zo goed mogelijke scheiding tussen de gokkers en uitstekende studenten. Echter, indien het examen ‘te moeilijk’ is en het gemiddelde of de mediaan van de goede studenten op 50% of nog lager ligt, dan krijg je een grotere overlap tussen de gokkers en de goede studenten. Je zal dus met andere woorden meer gokkers bevoordelen als het examen te moeilijk is. Dit probleem wordt nog verergerd indien de afleiders (de ‘foute’ antwoorden) niet random zijn. Indien er bijvoorbeeld bij de 3 foute antwoorden 1 antwoord zit die je bij een courante of logische rekenfout uitkomt zullen de ‘uitstekende studenten’ meer kans hebben om dit foute antwoord te bekomen dan de gokkers. Hierdoor kan de Gauss curve van de ‘uitstekende’ studenten nog meer uitgerokken worden naar onder en dus nog meer gaan overlappen met de gokkers. Om die reden klopt de eerdere redenering van de examencommissie van 9 juli 2018 niet. Zij kenden toen vijf punten toe aan beide onderdelen KIW en GC om zo alle kandidaten een zelfde voordeel te geven. Indien het onderdeel GC goed is opgesteld en er dus in slaagt om de ‘gokkers’ van de ‘goede studenten’ te onderscheiden (lees voldoende geslaagden zijn) is er geen reden om bij GC punten op te tellen. Dat zal de onderscheidende waarde van de test om de ‘gokkers’ van de ‘goede studenten’ voor dit onderdeel verminderen. Dit zal als gevolg hebben dat er dus meer ‘gokkers’ voor dit onderdeel zullen slagen. Anderzijds, door meer punten toe te kennen op het onderdeel KIW zal de test er niet beter in slagen om de ‘gokkers’ van de ‘goede studenten’ te onderscheiden. De overlapping tussen beide groepen blijft even groot. Het is dus een slechte test. Om die reden klopt ook […] het tweede deel van de redenering van de examencommissie niet, met name dat door de gelijke verdeling van de bijkomende punten het evenwicht tussen beide competenties, wetenschappelijke en generieke wordt bewaard. Integendeel, men zal de ‘goede test’ van GC dus minder goed maken, maar de slechte test, blijft dus even slecht. In eerdere beslissingen van de [examencommissie] werd in gelijkaardige gevallen, waarbij er 1 punt te kort (na bijtelling van punten voor KIW) was om geslaagd te zijn voor het onderdeel KIW gesteld dat de kandidaat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 IX-10.150-6/27 niet geslaagd was. Echter men kan niet meer spreken van geslaagd of niet geslaagd door 8 punten bij te tellen, immers, alle deelnemers met een resultaat tussen 52 en 59 op 120 (voordat er 8 punten werden bijgeteld) waren ook niet geslaagd. De [examencommissie] heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er 8 punten en geen 9 punten werden bijgeteld. Concreet: door de beslissing van de [examencommissie] om 8 punten extra toe te kennen op GC en op KIW kunnen we besluiten dat ten minste een onderdeel (vermoedelijk KIW) te moeilijk was. Aangezien ik 9 punten te kort had voor KIW, maar zeer goed gescoord had voor GC haalde ik een totaal resultaat dat ver boven de cesuur lag (156/120, cesuur 133). Zelfs zonder de 16 punten correctie haalde ik nog een totaal resultaat die boven de cesuur lag. Dit doet dus vermoeden dat er deelnemers geselecteerd werden die misschien maar 1 punt beter scoorden op KIW, maar duidelijk veel slechter scoorden op GC en dus ook een veel slechtere totaalscore hadden. Die kandidaat dan wel selecteren omdat hij ‘geslaagd’ is voor het onderdeel KIW is methodologisch niet te verantwoorden, omdat hij, zonder het bijtellen van die 8 punten ook niet geslaagd zou zijn en de test van dit onderdeel er minder in slaagt om de ‘gokkers’ van de ‘goede studenten[’] te onderscheiden Aangezien • het toekennen van die 8 extra punten op KIW en GC arbitrair is en niet werd beschreven in het examen reglement • indien een gewogen puntenbijtelling per examenonderdeel of 1 cesuur op het totale examen (zonder verplicht te slagen voor de beide onderdelen) was gebruikt ik wellicht wel geselecteerd zou zijn. betwist ik mijn behaalde resultaat tov de [examencommissie].” 3.
  11. Op 25 augustus 2022 beslist de beroepsinstantie dat verzoekers beroep ontvankelijk, maar ongegrond is en dat de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat hij een score van 156 op 240 punten behaalt en niet gunstig gerangschikt is, wordt bevestigd. Dat is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motieven (met weglating van de voetnoot): “De beroepsinstantie heeft integraal kennisgenomen van de argumenten zoals die zijn opgenomen in het beroepschrift en formuleert hiernavolgende beschouwingen. Middel 1 U betwist de beslissing van de examencommissie om 8 bijkomende punten toe te kennen voor beide onderdelen. IX-10.150-7/27 De beroepsinstantie gaat eerst in op de validiteit van de genomen beslissing door de examencommissie. Het toelatingsexamen arts vond plaats op dinsdag 5 juli
  12. Op 12 juli 2022 vond de beraadslagingsvergadering van de examencommissie plaats, dewelke bevoegd is voor de vaststelling van de examenresultaten en gunstig gerangschikte deelnemers. Op grond van de resultaten van het toelatingsexamen arts is gebleken dat initieel slechts 970 deelnemers geslaagd waren op beide onderdelen en in aanmerking kwamen voor rangschikking. Het startquotum van 1276 werd dus niet behaald. Gelet op het feit dat het decretaal vastgelegde startquotum voor het jaar 2022 niet werd behaald, heeft de examencommissie toepassing gemaakt van artikel 29 van het Besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts van 2 februari
  13. Dit houdt in dat de examencommissie bepaalt of er een herziening van de vastgelegde examenresultaten van de deelnemers gebeurt. De doorgevoerde herziening streeft een legitiem doel na, i.e. ervoor te zorgen dat de startquota worden behaald zoals zij bij Besluit van de Vlaamse Regering werden vastgesteld. Indien dit aantal niet wordt behaald en er bijgevolg minder studenten starten aan de opleiding arts of tandarts, zal dit op termijn voor een tekort aan afgestudeerden zorgen in deze beroepen, hetgeen een impact heeft op de maatschappij. Het is dan ook noodzakelijk dat de examencommissie een herzieningsmaatregel neemt. De maatregel mag echter niet verder gaan dan noodzakelijk om het vooropgestelde doel te bereiken (= evenredigheidsbeginsel). De examencommissie heeft 8 bijkomende punten toegekend aan het onderdeel KIW en 8 bijkomende punten aan het onderdeel GC met een maximum van 120 voor elk onderdeel en van 240 voor het totaal. De examencommissie kent aan beide examenonderdelen dus evenveel punten toe, zodanig dat alle deelnemers een gelijk voordeel halen uit deze maatregel. De maatregel heeft tot gevolg dat het aantal deelnemers dat ten minste de helft van de punten heeft behaald op elk van beide onderdelen stijgt tot 1370 te rangschikken deelnemers. Dit overstijgt het startquotum voor de opleiding tot arts. Het aantal gunstig gerangschikte deelnemers, rekening houdend met de bepaling van de cesuur (133 op 240), komt hierbij op
  14. De genomen maatregel heeft dan ook zijn doel bereikt. Indien de examencommissie aan beide onderdelen meer dan 8 bijkomende punten zou toekennen aan de deelnemers, zouden meer deelnemers gerangschikt kunnen worden. Dit zou zich evenwel niet vertalen in een proportionele toename van het aantal gunstig gerangschikten, aangezien de toepassing van de cesuur maakt dat het aantal gunstig gerangschikten in de nabijheid van het vastgelegde startquotum blijft. Toekenning van meer dan 8 bijkomende punten aan beide examenonderdelen zou dus een maatregel zijn die haar doel voorbijgaat. Immers, het startquotum wordt bij Besluit van de Vlaamse Regering bepaald, rekening houdend met onder andere het federale contingent. Het is m.a.w. niet opportuun méér deelnemers te laten starten aan de opleiding dan door het Besluit is vastgelegd. Bovendien zou het volledig arbitrair zijn indien bijkomende punten werden toegekend zonder dat dit een welbepaald legitiem doel bereikt. IX-10.150-8/27 Het is belangrijk voor alle deelnemers dat een dergelijk ingrijpen door de examencommissie op een redelijke, zorgvuldige en gemotiveerde wijze wordt uitgevoerd. De redenen en de wijze waarop de examenresultaten herzien werden, werden dan ook aan de deelnemers ter kennis gebracht op hetzelfde moment als de bekendmaking van de definitieve examenresultaten. De beroepsinstantie bevestigt de beslissing van de examencommissie. Het eerste middel is ongegrond. Middel 2 U vraagt om een gewogen puntenbijtelling toe te kennen in plaats van voor beide examenonderdelen hetzelfde aantal bijkomende punten toe te kennen. De beroepsinstantie overweegt dat de herzieningsmaatregel als doel heeft ervoor te zorgen dat er meer deelnemers zijn die op beide examenonderdelen slagen om zo het startquotum te behalen. De maatregel heeft echter niet tot doel het ene of andere examenonderdeel als belangrijker te beschouwen. Beide onderdelen worden op 120 punten gequoteerd net omdat zij even zwaar doorwegen in de beoordeling. Indien de examencommissie ervoor zou kiezen om enkel voor het onderdeel KIW 8 bijkomende punten toe te kennen, impliceert dit dat beide onderdelen niet als even belangrijk worden beschouwd. Bovendien zou iemand die goed scoort op GC maar minder op KIW, bevoordeeld worden. Dit is een ongewenst effect, reden waarom de examencommissie ervoor geopteerd heeft voor beide onderdelen evenveel bijkomende punten toe te kennen. Het is immers niet de bedoeling om deelnemers onderling te verschuiven in de rangschikking, doch wel ervoor te zorgen dat op een zo neutraal mogelijke wijze meer deelnemers slagen op beide onderdelen van het toelatingsexamen. De beroepsinstantie stipt nog aan dat een gelijkmatige verdeling van de bijkomend toegekende punten tussen de twee examenonderdelen niet willekeurig is, maar daarentegen net het evenwicht bewaart tussen het belang van beide examenonderdelen, waarvan de Vlaamse Regering heeft bepaald dat ze ‘hetzelfde gewicht’ hebben (artikel 27, eerste lid, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018) en de examencommissie in het werkings- en examenreglement heeft bepaald dat ze gelijk worden gewaardeerd, namelijk elk op 120 van de 240 te behalen punten (artikel 54 van het werkings- en examenreglement), en voor elk waarvan de kandidaten geslaagd moeten zijn (artikel II.187, § 3 van de Codex Hoger Onderwijs). Deze verdeling verstoort de selectie van de meest bekwame kandidaten niet, nu alle deelnemers op dezelfde wijze en in beginsel in dezelfde mate het voordeel van de bijkomende punten genieten. Deze redenering werd bevestigd door de Raad van State in 2018 en
  15. De beroepsinstantie bevestigt de beslissing van de examencommissie. Het tweede middel is ongegrond. Middel 3 U vraagt tenslotte om gunstig gerangschikt te worden op basis van uw totaalresultaat, zonder verplichting om te slagen voor beide onderdelen. IX-10.150-9/27 Op grond van artikel II.187 § 3 van de Codex Hoger Onderwijs dient een deelnemer ten minste de helft van de punten te behalen op alle onderdelen van het examen om geslaagd te zijn voor het toelatingsexamen. Om gunstig gerangschikt te worden dient een deelnemer geslaagd te zijn én bovendien in voorkomend geval de vastgelegde cesuur te behalen, die in casu vastgelegd is op 133/
  16. De slaagvoorwaarde behaalde u met een resultaat van 59/120 (incl. 8 bijkomend toegekende punten) voor het examenonderdeel KIW echter niet. Artikelen 9 en 28 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts en artikel 17 van het Werkings- en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2022 hernemen en bevestigen deze regel. De beroepsinstantie verwijst dienaangaande naar het verslag van de examencommissie van 12 juli 2022 dat gepubliceerd werd op de website van het toelatingsexamen arts en tandarts. De beroepsinstantie kan dan ook niet ingaan op uw verzoek. Kandidaten dienen immers voor de beide examenonderdelen te slagen en een tekort voor het ene onderdeel kan niet worden gecompenseerd door een ‘overschot’ van behaalde punten op het andere onderdeel. Het behaalde resultaat op de beide examenonderdelen samen is slechts van belang voor de rangschikking van de deelnemers die voor elk van beide onderdelen geslaagd zijn. U bent evenwel, na de toekenning van de bijkomende punten, niet geslaagd voor de beide examenonderdelen. Het derde middel is ongegrond.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  17. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij het volgende op wat het belang van verzoeker betreft: “
  18. Verzoekende partij beperkt de toelichting van zijn belang tot de volgende zinssnede: ‘Verzoeker heeft belang bij het bestrijden van de beslissing over zijn beroep bij de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts.’ Het belang wordt dus niet concreet toegelicht.
  19. Verzoekende partij betwist de beslissing waarbij hij niet geslaagd is voor het toelatingsexamen arts. Het belang bij zijn vordering hangt samen met het belang van zijn middelen, in casu enige middel. Verwerende partij verwijst in dit verband naar de rechtspraak van Uw Raad, in het bijzonder wat het toelatingsexamen arts-tandarts betreft naar het arrest van 21 november 2017, nr. 239.934 […]: IX-10.150-10/27 ‘Ontvankelijkheid van de vordering De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, gesteund op het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van verzoeker. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over deze exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek en een uitspraak over deze exceptie zouden slechts nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.’ De inwilliging van het enige middel leidt of moet kunnen leiden tot een beslissing dat hij wél geslaagd is. Dit is in casu niet het geval. Zulks blijkt hierna uit de repliek van verwerende partij op dit enige middel. Het enige middel is onontvankelijk, minstens niet gegrond.
  20. Bij gebreke aan het niet vervuld zijn van de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot nietigverklaring, is de vordering van verzoekende partij onontvankelijk.”
  21. In haar laatste memorie doet de verwerende partij nog gelden wat volgt: “
  22. De Eerste Auditeur-afdelingshoofd volgt verwerende partij in haar standpunt, zoals opgenomen in haar memorie van antwoord van 12 maart 2023, dat het belang van verzoekende partij samenhangt met het belang van zijn middelen, in casu het enig middel.
  23. Het vierde middelonderdeel van het enig middel acht de Eerste Auditeur-afdelingshoofd onontvankelijk om reden dat Uw Raad niet bevoegd is om kritiek op de decretale bepaling dat elke kandidaat minstens de helft op elk examenonderdeel moet behalen om te slagen, te onderzoeken. Dit komt toe aan het Grondwettelijk Hof. Verwerende partij treedt dit standpunt ten volle bij.” Met betrekking tot de drie andere middelonderdelen besluit de verwerende partij telkens dat zij “haar repliek uit haar memorie van antwoord [handhaaft] en […] ten volle het standpunt van de Eerste Auditeur-afdelingshoofd [bijtreedt]” en dat deze middelonderdelen ongegrond zijn. Beoordeling
  24. Wat het verband tussen de ontvankelijkheid van het beroep en de ontvankelijkheid van de aangevoerde middelen betreft, kan de verwerende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 IX-10.150-11/27 partij hierin worden bijgevallen dat het, uit het oogpunt van de ontvankelijkheid van het beroep, zaak is dat minstens één ontvankelijk middel wordt aangevoerd. Is het enige middel onontvankelijk – bijvoorbeeld, omdat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel – dan leidt dit tot de vaststelling dat het beroep in zijn geheel onontvankelijk is.
  25. Evenwel moet worden vastgesteld dat de verwerende partij zich in haar laatste memorie “ten volle” aansluit bij de conclusies van het auditoraatsverslag en aangeeft dat drie van de vier middelonderdelen ‘ongegrond’ zijn. Daaruit kan en moet worden afgeleid dat de verwerende partij haar exceptie niet langer handhaaft.
  26. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 9.
  27. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van artikel 27, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018), van het vertrouwensbeginsel, van het gelijkheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht. 9.
  28. In een eerste onderdeel betoogt verzoeker dat “het toekennen van evenveel punten voor beide onderdelen […] ervoor [zorgt] dat beide onderdelen net geen gelijk gewicht meer hebben door hun verschil in moeilijkheidsgraad”. Hij verwijst naar de bepalingen van artikel 27, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 waaruit volgt dat de twee examenonderdelen “hetzelfde gewicht” hebben. Dat principe wordt volgens verzoeker geschonden doordat beide onderdelen een verschillende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 IX-10.150-12/27 moeilijkheidsgraad hebben “en dit verschil in gewicht [wordt] nog versterkt […] door aan beide onderdelen evenveel punten toe te kennen”. Hij vindt het daarom “foutief” om te stellen, zoals de bestreden beslissing doet, dat om het gewicht van beide onderdelen gelijk te laten zijn, voor beide onderdelen evenveel bijkomende punten moeten worden toegekend. Volgens hem gaat de beroepsinstantie uit van een “statistische illusie”. Het is niet omdat beide onderdelen op 120 punten worden gequoteerd, dat ze beide “even moeilijk” zijn. Verzoeker heeft “sterke vermoedens” dat het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ moeilijker was dan het examenonderdeel ‘generieke competenties’ – hij vraagt dat de verwerende partij de slaagpercentages en de gemiddelde resultaten voor beide onderdelen meedeelt. Dat betekent dat “in absolute termen” gelijke maten worden gebruikt, maar dat de testen relatief gezien niet gelijkwaardig zijn en dat ze bijgevolg geen gelijk gewicht hebben. Uit een toelichting van verzoeker zou blijken dat “deelnemers die beter scoren op onderdeel GC, maar minder op KIW benadeeld worden” en dat, omgekeerd, “deelnemers die onvoldoende of minder dan gemiddeld scoren op GC, maar beter op KIW, bevoordeeld worden”. Dit resulteert, aldus verzoeker, “in een selectie van deelnemers die minder vaardigheden (gemeten door GC en niet door KIW) bezitten die noodzakelijk zijn om een goed arts te worden”. Verzoeker meent dat de bestreden beslissing minstens is aangetast door een gebrek in de materiële motivering. Op zijn kritiek wordt in de bestreden beslissing niet ingegaan en de beroepsinstantie vertrekt van het “onjuiste” tegendeel. Dat de werkwijze van de examencommissie de “meest ‘neutrale’ verschuiving” in de ranking van de kandidaten zou hebben teweeggebracht, betwist verzoeker nog. 9.
  29. In een tweede onderdeel voert verzoeker aan dat “de beschreven werkwijze zorgt voor een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van de voor het totaal geslaagde kandidaten en […] de selectie van de meest geschikte kandidaten [belet]”. Hij betoogt dat het toekennen van acht bijkomende punten per examenonderdeel het onderscheid in moeilijkheidsgraad tussen de beide onderdelen – die een gelijk gewicht zouden moeten hebben – dermate vergroot dat de validiteit van de rangschikking van de kandidaten is aangetast en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 IX-10.150-13/27 niet langer overeenstemt met de doelstelling om de meest geschikte kandidaten te selecteren. Er zijn kandidaten gunstig gerangschikt met een (veel) lagere totaalscore dan verzoeker. De rechtspraak waaraan de bestreden beslissing refereert, betreft andere feitelijke omstandigheden. Daarop mocht de verwerende partij dus niet steunen. Verzoeker wijst erop dat hij 59 punten op 120 behaalde voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ en 97 punten op 120 voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’. Het tekort voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ noemt hij “zeer nipt” en “betekenisloos” wanneer rekening wordt gehouden met zijn “terechte grieven”. Hij benadrukt dat hij een totaalscore van 156 punten op 240 heeft neergezet. Zelfs zonder de zestien bijkomende punten behaalde hij een totaalscore die boven de cesuur lag. Dit kan volgens verzoeker betekenen dat kandidaten zijn geselecteerd die één punt beter scoorden op het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, maar een veel lagere totaalscore hebben behaald. Daaruit leidt verzoeker af dat in dit geval de rangschikking met het oog op het selecteren van de meest geschikte kandidaten wel degelijk én ten nadele van verzoeker werd verstoord. Verzoeker besluit dat het toelatingsexamen door zijn moeilijkheidsgraad en de wijze van beoordelen door de examencommissie, niet meer beantwoordt aan het doel om de meest bekwame kandidaten te selecteren. 9.
  30. In een derde onderdeel stelt verzoeker dat de bestreden beslissing “onjuist” motiveert waarom precies ‘acht’ bijkomende punten per examenonderdeel moesten worden toegekend. Hij noemt dat cijfer arbitrair. Volgens verzoeker is het een foutieve methode om te kijken welk effect het heeft om één punt, twee punten, drie punten, enzovoort, extra toe te kennen. Een “cut-off” moet steeds op voorhand worden bepaald en mag niet “iteratief” gebeuren. Volgens eigen simulaties van verzoeker was het zelfs beter geweest om “de cut-off (het breekpunt) voor KIW veel meer te verlagen dan met de huidige 8 punten”. De motivering van de bestreden beslissing biedt geen afdoende antwoord op de vraag waarom per examenonderdeel acht extra punten werden toegekend. Noch wordt daarmee een antwoord gegeven op de kritiek dat IX-10.150-14/27 die werkwijze een groter verschil creëert tussen de beide examenonderdelen en hun moeilijkheidsgraad. 9.
  31. In een vierde onderdeel voert verzoeker aan dat “in de bestreden beslissing […] onterecht [wordt] vastgehouden aan het principe dat voor beide examenonderdelen minstens de helft dient te worden behaald”. Verzoeker stelt vast dat de beroepsinstantie verwijst naar artikel II.187, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs en hij weet dat deze bepaling voorschrijft dat voor beide examenonderdelen minstens de helft van de punten moet worden behaald. Dat leidt volgens hem ertoe dat “niet de beste kandidaten worden geselecteerd”. Verzoeker licht dit als volgt toe: “De voorwaarde om minstens de helft voor elk examenonderdeel te halen vereist dat beide examenonderdelen exact even moeilijk zijn (dit wil zeggen even veel geslaagden voor beide onderdelen) om te voldoen aan de voorwaarde van gelijk gewicht toe te kennen aan beide examenonderdelen. Van zodra één examenonderdeel moeilijker is zal dit gewicht verstoord zijn. Het aangehaalde artikel had nooit tot doel van toepassing te zijn in situaties als de huidige waarbij punten worden bijgeteld en dus per definitie van een irreëel resultaat wordt vertrokken. Van zodra punten worden bijgeteld, is de meest correcte werkwijze om vanaf dan eenvoudigweg alle punten op te tellen en te ranken op basis van eindresultaat. Uit de modellen in stuk 3 blijkt dit de beste garantie om een gelijk gewicht aan beide onderdelen toe te kennen en dus artikel 27, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 te respecteren. Artikel II.187 § 3 bepaalt immers ook, dat de geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores gunstig worden gerangschikt. Hieruit blijkt het belang dat aan de hoogte van de scores wordt gehecht. Door te oordelen dat ook bij een puntenbijtelling slechts van ‘geslaagde kandidaten’ kan worden gesproken indien voor beide examenonderdelen de helft wordt behaald, wordt de selectie op grond van de hoogtes van de scores echter geheel verstoord, zoals uiteengezet in de andere middelenonderdelen en stuk
  32. Kort samengevat: zodra de kunstgreep van het bijtellen van punten wordt uitgevoerd, is de helft behalen voor beide onderdelen niet langer het correcte breekpunt om de goede kandidaten van de minder goede te onderscheiden.”
  33. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat verzoeker “op de eerste plaats de extra puntentoekenning” betwist. Hij heeft ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 IX-10.150-15/27 daarbij evenwel geen belang, zo stelt de verwerende partij, aangezien hij zelf ook bijkomende punten nodig heeft om te kunnen slagen. Zij acht daarom “[h]et enige middel […], in al zijn middelonderdelen, onontvankelijk”.
  34. In de memorie van wederantwoord doet verzoeker vooreerst met betrekking tot de exceptie van de verwerende partij gelden dat zijn betwisting niet beperkt blijft tot de vraag óf er punten konden worden bijgeteld, maar ook gaat over de wijze waarop dit is gebeurd. Voorts wijst verzoeker erop, in verband met het eerste middelonderdeel, dat zijn “zeer sterke vermoedens” dat het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ moeilijker was dan het andere examenonderdeel, worden bevestigd door het administratief dossier. Hij vraagt ook om “zowel de slaagpercentages als gemiddelde resultaten van beide onderdelen vóór de puntenbijtelling mee te delen in de procedure”. Verzoeker doet tot slot nog gelden wat volgt (met weglating van de voetnoot): “Verweerder gaat er in memorie van antwoord van uit dat de wetgever met ‘gelijk gewicht’ alleen maar bedoelt dat beide onderdelen op evenveel punten worden gequoteerd en in verhouding evenveel meetellen in het totaalresultaat. Het is net dit punt dat ter discussie staat. De wetgever heeft duidelijk de bedoelding gehad om niet alleen kandidaten te selecteren die goed zijn in wetenschappelijke kennis, maar ook voldoende vaardigheden bezitten. Het is in theorie mogelijk om een examen op te stellen waarbij beide examenonderdelen op evenveel punten worden gequoteerd en in verhouding evenveel meetellen in het totaalresultaat waarbij het volledige gewicht bij het KIW gedeelte komt te liggen en het GC gedeelte er eigenlijk niet meer toe doet. Om die reden kunnen we er van uit gaan dat de wetgever wel degelijk bedoelde dat beide onderdelen een gelijk gewicht in de finale selectie van de kandidaten moest hebben wat net niet de interpretatie van verwerende partij betekent. De examencommissie had volgens het examenreglement het recht om de resultaten te herzien, maar heeft hierbij de keuze gemaakt om een gelijk aantal extra punten bij beide onderdelen bij te tellen waardoor een abnormaal hoog gewicht aan het kennisgedeelte ontstond. Hierdoor kregen juist niet alle kandidaten een gelijk voordeel: kandidaten die eerder sterker zijn op KIW werden bevoordeeld tegenover kandidaten die eerder sterker zijn op GC. IX-10.150-16/27 Verwerende partij stelt nog dat nergens in het verslag van de beraadslagingsvergadering er sprake is van een ‘te moeilijk examen’, of een ‘te moeilijk’ onderdeel KIW. Het is echter niet omdat dit in het verslag niet met die termen wordt benoemd, dat dit niet de feitelijke realiteit betreft. Uit de door verwerende partij zelf uitvoerig geciteerde feitelijke omstandigheden blijkt immers samengevat dat er te weinig geslaagden waren. Dit betekent met andere woorden dat het examen te moeilijk is om binnen de examenpopulatie voldoende geslaagden te kunnen selecteren. Dit heeft inderdaad te maken met het aantal kandidaten en het kennisniveau van de deelnemers. Het aantal kandidaten is de voorbije jaren redelijk stabiel gebleven rond
  35. Er zijn geen indicaties dat het kennisniveau van de kandidaten in 2022 plots veel slechter zou zijn dan het kennisniveau van de kandidaten de jaren voorheen. Het is wel zo dat het quotum elk jaar wordt aangepast. Dit quotum kent de examencommissie ruimschoots op tijd, en is in stijgende lijn om het aantal artsen op niveau te houden. Rekening houdend met deze parameters had de examencommissie een examen kunnen opstellen met als opzet voldoende kandidaten te selecteren zonder nadien kunstingrepen te moeten uitvoeren. Verder schuift verwerende partij nog de interpretatie naar voor als zou het verschil in moeilijkheidsgraad tussen beide examenonderdelen een subjectief gegeven zijn. Statistisch gezien klopt dit uiteraard niet. Het slaagpercentage van elk onderdeel en/of het gemiddelde van elk onderdeel kan als objectieve maat gezien worden voor de moeilijkheidsgraad. Het examen moet zo opgesteld worden dat het er in slaagt de goede van de minder goede kandidaten te onderscheiden. Hiervoor is er een examenonderdeel dat kennis meet (KIW) en een examenonderdeel dat vaardigheden meet (GC). Verwerende partij tracht te beargumenteren waarom het niet onlogisch zou zijn dat het slaagpercentage voor het onderdeel KIW lager zou liggen. In deze redenering is het verwerende partij die afbreuk doet aan de veronderstelde en beoogde gelijkwaardigheid tussen en het gelijke gewicht van de onderdelen. Zeer concreet tegenvoorbeeld: Door gemakkelijkere vragen te kiezen voor het KIW-onderdeel had de examencommissie perfect een examen kunnen opstellen met een slaagpercentage van (of minstens omstreeks) 70% voor KIW en 70% voor GC. In casu zijn de verschillen in slaagpercentage echter verre van verwaarloosbaar: Volgens de cijfers die werden ontvangen blijkt, na de punten bijtelling, slechts 35.9% geslaagd te zijn voor KIW en 81.7% voor GC. Wanneer rekening wordt gehouden met de grieven die verzoeker aanhaalde voor de interne beroepsinstantie en de resultaten in die zin worden beoordeeld ten einde deze ongelijke omstandigheden zo weinig mogelijk invloed te laten hebben op de selectie van de kandidaten, zou dit tot een meer wetsconforme selectie alsook concreet de selectie van verzoeker leiden. Deze objectieve vaststelling van niet-geringe omvang aan ongelijkheid, wordt geenszins weerlegd door het betoog van verwerende partij over ‘itemresponsanalyse’. De hierop voortgebouwde argumentatie mist relevantie. Verzoekende partij heeft immers niet beweerd dat er meer probleemvragen in het onderdeel KIW staan dan in het onderdeel GC. Het is immers denkbaar dat individuele vragen de itemresponsanalyse ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 IX-10.150-17/27 doorstaan, maar de combinatie van al deze individuele vragen leidt niet noodzakelijk tot een goede test gezien het wettelijk beoogde doel. Uit de praktijk blijkt immers nog steeds dat ongeacht de beweringen omtrent de itemresponsanalyse, de KIW-test er verre van in slaagt voldoende kandidaten te selecteren zonder dat er een kunstgreep van punten- bijtelling dient te gebeuren. Het is net deze objectieve vaststelling aan cijfergegevens die verzoeker wenst aan te kaarten. Waar verwerende partij stelt als zou een gewogen of preferentiële toekenning gelijk staan met een toekenning van extra punten op individuele basis, wordt het argument van verzoeker opnieuw foutief geïnterpreteerd. Het is immers niet omdat door middel van gewogen puntentelling een zo gelijk mogelijk gewicht aan beide onderdelen zou worden gegeven, dat hiermee voor elke deelnemer een individuele beoordeling zou dienen worden gemaakt. Verzoeker doelt immers op volgende twee stappen: 1) allereerst uitmaken welke gewogen puntentelling aangewezen is op grond van de objectieve (cfr. hoger uiteengezet) moeilijkheidsgraad van beide onderdelen. 2) Vervolgens is de bijtelling voor iedere deelnemer gelijk. Verzoekers argumentatie is dus van heel andere aard dan deze die werd beoordeeld door Uw Raad in de door verwerende partij op pg. 23 van haar memorie aangehaalde rechtspraak. Verwerende partij maakt nog melding van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Eigen aan een vermoeden is dat dit kan worden weerlegd. Verzoeker meent dit te doen aan de hand van de bijgebrachte statistische uiteenzetting. Verwerende partij betwist de waarde van deze statistische uiteenzetting, zonder echter de erin vervatte concrete bevindingen te weerleggen. Het volledigheidshalve gevoerde wederantwoord hierop van Dr. [VC], wordt gevoegd als stuk
  36. Ook de inhoud van dit stuk mag integraal worden aanzien als door verzoeker bijgetreden argumentatie over de hoger uiteen gezette statistische bevindingen die laten vaststellen dat de bestreden beslissing de aangehaalde bepalingen en principes schendt.”
  37. In zijn laatste memorie doet verzoeker nog opmerken wat volgt. In verband met het eerste middelonderdeel benadrukt verzoeker dat wanneer er een verschil in moeilijkheidsgraad is tussen beide examenonderdelen, de wijze van het bijtellen van punten het evenwicht tussen die onderdelen net méér verstoort. Zijn uitgangspunt is dat beide onderdelen even belangrijk worden geacht. Dat heeft een weerslag op het evenwicht van zodra extra punten worden bijgeteld. Hij ontkent voorts te vertrekken van de stelling dat “gelijk gewicht” “gelijke moeilijkheidsgraad” betekent. Verzoeker vertrekt vanuit het uitgangspunt van een verschil in moeilijkheidsgraad en heeft vervolgens het gewicht van de beide onderdelen berekend. Hij weet zijn “statistische IX-10.150-18/27 methodologische argumentatie” niet begrepen. Verwijzingen naar eerdere rechtspraak van de Raad van State kunnen niet zonder meer worden betrokken op de voorliggende zaak, aangezien verzoeker een “welbepaalde concrete situatie aankaart”, namelijk het “zeer aanzienlijke verschil in moeilijkheidsgraad tussen beide onderdelen”. De door verzoeker voorgestelde wijze van bijtellen van punten geeft een “meer daadwerkelijk gelijk gewicht aan beide onderdelen”. Wat het tweede middelonderdeel betreft, doet verzoeker nog gelden dat zijn kritiek luidt dat er voor hem géén tekort zou zijn voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ wanneer de “statistisch meer correcte wijze van puntenbijtelling” zou zijn gebeurd. Met betrekking tot het derde middelonderdeel betoogt verzoeker nog dat geen antwoord wordt verschaft op zijn vraag waarom acht en niet, bijvoorbeeld, negen punten per examenonderdeel werden bijgeteld. Evenmin verneemt hij een antwoord op zijn vaststelling dat de gehanteerde werkwijze van bijtellen een groter verschil creëert tussen het gewicht van de beide examenonderdelen. Wat het vierde middelonderdeel aangaat, merkt verzoeker op dat hij niet de decretale bepaling op zich heeft willen laten onderzoeken. Hij wil slechts verduidelijken dat deze bepaling nooit tot doel had van toepassing te zijn in situaties als de voorliggende. Van zodra punten worden bijgeteld, zo herhaalt verzoeker, is de meest correcte werkwijze om alle punten op te tellen en de ranking te laten gebeuren op basis van het eindresultaat. Door te oordelen dat ook in het geval van bijtellen van punten slechts van “geslaagde kandidaten” sprake is wanneer zij voor beide examenonderdelen de helft van de punten hebben behaald, wordt de selectie geheel verstoord. Artikel II.187, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs wordt in de redenering van de beroepsinstantie niet gerespecteerd, nu die bepaling het heeft over het “behalen” van punten, terwijl er strikt genomen punten werden bijgeteld en dus niet “behaald”. Beoordeling IX-10.150-19/27 a. de exceptie van de verwerende partij
  38. Met betrekking tot haar exceptie in verband met het enige middel kon de verwerende partij in het auditoraatsverslag vernemen dat alvast de auditeur-verslaggever van oordeel is dat verzoeker niet het bijtellen van punten an sich bekritiseert, maar wel de wijze waarop het bijtellen is verlopen en dat aan verzoeker dus niet het belang bij het middel kan worden ontzegd.
  39. In haar laatste memorie komt de verwerende partij niet langer op die exceptie terug. Meer nog, zoals gezien sub 5, valt de verwerende partij wat drie middelonderdelen betreft “ten volle” het standpunt van de auditeur- verslaggever bij en acht zij deze middelonderdelen ongegrond. Voor het geval dat al niet als een afstand van de exceptie kan worden beschouwd, sluit de Raad van State zich, na een eigen onderzoek, aan bij het voormelde standpunt van de auditeur-verslaggever.
  40. De exceptie wordt verworpen. b. eerste onderdeel
  41. Artikel 27, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018, zoals het gold voor de betrokken examensessie, luidde: “De twee onderdelen van het examen vermeld in artikel 22, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid, 1° en 2°, hebben hetzelfde gewicht.” Aan de examenonderdelen ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ en ‘generieke competenties’ wordt dus eenzelfde ‘gewicht’ toegekend.
  42. Het uitgangspunt van verzoeker bij dit middelonderdeel – en zijn kritiek – luidt dat beide examenonderdelen een verschillende moeilijkheidsgraad kennen. Hij wil voorts dat de slaagpercentages en gemiddelde IX-10.150-20/27 resultaten voor de beide examenonderdelen worden verdisconteerd om het “gewicht” voor de beide examenonderdelen gelijk te stellen. Daarmee geeft verzoeker aan het begrip ‘gewicht’ echter een invulling die geenszins strookt met de spraakgebruikelijke betekenis ervan. Met ‘gewicht’ wordt te dezen bedoeld: ‘belang’. Het voormelde artikel 27, eerste lid, houdt bijgevolg slechts in dat aan beide examenonderdelen evenveel belang wordt gehecht. Vandaar dat artikel 28, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 vereist dat een kandidaat, om te slagen, op elk van de twee examenonderdelen de helft of meer van de bepaalde punten moet behalen. Tegen een verschil in moeilijkheidsgraad tussen de beide examenonderdelen – wat overigens wel degelijk een subjectief gegeven betreft – biedt de voormelde bepaling geen waarborg.
  43. Het middelonderdeel faalt. c. tweede onderdeel
  44. Gewis is het zo dat andere kandidaten van het toelatingsexamen met een lagere totaalscore dan verzoeker wél gunstig werden gerangschikt. Verzoeker gaat evenwel ten onrechte ervan uit dat (alleen) de totaalscore dienstig is om de “meest geschikte kandidaten” te selecteren. Zoals gezien, bestaat het toelatingsexamen uit twee onderdelen. Die twee examenonderdelen meten verschillende capaciteiten. Aan beide onderdelen wordt hetzelfde gewicht – en dus hetzelfde belang – toegekend. Om te kunnen slagen voor het toelatingsexamen moet een kandidaat bovendien voor beide examenonderdelen minstens de helft van de punten behalen. IX-10.150-21/27 De beide examenonderdelen moeten de examencommissie ertoe in staat stellen de bekwaamheid van de kandidaten na te gaan om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Het is verre van onredelijk te oordelen dat een kandidaat die voor één van beide examenonderdelen niet de helft van de punten behaalt – ongeacht zijn score voor het andere examenonderdeel – niet behoort tot de groep van kandidaten die van deze bekwaamheid getuigt.
  45. Ook het tweede middelonderdeel faalt. IX-10.150-22/27 d. derde onderdeel
  46. Voor zover verzoeker uitgaat van de – zoals gezien: onjuiste – vooronderstelling dat beide examenonderdelen eenzelfde “moeilijkheidsgraad” moeten hebben, faalt het middelonderdeel. 22.
  47. Verzoeker betoogt tevens dat zijn vraag waarom acht – “en bijvoorbeeld geen 9” – bijkomende punten werden toegekend, geen afdoend antwoord heeft gekregen. 22.
  48. Vooreerst moet worden gewezen op het destijds geldende artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018: “De examencommissie bepaalt of er een herziening van de vastgelegde examenresultaten van de kandidaten gebeurt en legt de regels in dat verband vast in het werkingsreglement.” Krachtens deze bepaling vermag de examencommissie te bepalen dat er een herziening van de vastgelegde examenresultaten van de kandidaten gebeurt. Die bevoegdheid van de examencommissie houdt de bevoegdheid in om op wettige gronden bijkomende punten toe te kennen. Hoeveel punten bijkomend worden toegekend, behoort tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de examencommissie. 22.
  49. In dit geval heeft de examencommissie, blijkens het verslag van haar beraadslaging van 12 juli 2022, vastgesteld dat op basis van de initieel behaalde resultaten slechts 970 deelnemers in aanmerking kwamen voor rangschikking en dat dit aantal ver onder het startquotum van 1276 ligt. Zij heeft erop gewezen dat het startquotum als doel heeft het aantal startende studenten in de opleiding tot arts af te stemmen op het federaal bepaalde contingent voor artsen en dat dit kadert in de zorg om het gewenste aantal artsen op te leiden in overeenstemming met de maatschappelijke noden en verwachtingen. Op die grond heeft de examencommissie beslist om aan elke deelnemer aan het examen acht bijkomende punten toe te kennen voor het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 IX-10.150-23/27 examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ en acht bijkomende punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’. Precies die bijkomende punten bleken nodig om het startquotum te kunnen bereiken. Ten gevolge van de toekenning van die bijkomende punten nam het aantal te rangschikken deelnemers luidens het verslag van de beraadslaging van de examencommissie toe tot
  50. Aangezien dat aantal dan weer het startquotum overschreed, was er voor de examencommissie aanleiding om met toepassing van artikel 8, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 en artikel 17, tweede lid, van het werkings- en examenreglement alsnog de cesuur te bepalen. In die zin is het aantal toegekende bijkomende punten allerminst als arbitrair te beschouwen. Het zorgt ervoor dat er net genoeg geslaagden zijn om het startquotum te bereiken. Méér punten toekennen, zoals verzoeker suggereert, zou betekenen dat ook méér kandidaten – waaronder verzoeker – slagen. Kandidaten die door een hoge score voor het ene examenonderdeel ook een hoge totaalscore laten optekenen, zouden daardoor ook gunstig gerangschikt kunnen worden. De Raad van State bedenkt daarbij echter dat hoe meer bijkomende punten worden toegekend, hoe meer afstand wordt genomen van de in artikel II.187, § 1, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs vermelde doelstelling van het toelatingsexamen, namelijk “de bekwaamheid van de studenten [toetsen] om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden”. 22.
  51. In die mate faalt het middelonderdeel eveneens. 23.
  52. Tot slot houdt verzoeker voor dat een “cut-off” niet “iteratief” mag gebeuren. Hij laat evenwel na te verduidelijken wat zich precies daartegen verzet. IX-10.150-24/27 In die mate kan het middelonderdeel niet tot vernietiging leiden. 23.
  53. Voor zover verzoeker daarmee opnieuw aansluiting zou zoeken bij het verschil in moeilijkheidsgraad tussen de beide examenonderdelen, kan worden verwezen naar hetgeen daarover hiervóór is geschreven. Ook in die mate faalt het middelonderdeel. e. vierde onderdeel
  54. Artikel II.187, § 3, leden 1 tot 4, van de Codex Hoger Onderwijs, luidt als volgt: “De georganiseerde toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, zijn vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met de quota, vermeld in paragraaf 4.” Met het vierde middelonderdeel vraagt verzoeker wezenlijk dat wordt afgestapt van de in deze decreetsbepaling opgenomen regel dat alleen de kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen, geslaagd zijn. Dat een decreetsbepaling terzijde wordt gelaten vermag hij niet te verwachten van de beroepsinstantie, noch van de Raad van State.
  55. De kritiek dat door de werkwijze van de examencommissie artikel II.187, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs geschonden wordt omdat die bepaling het heeft over de “behaalde” punten, wat volgens hem niet te rijmen valt met het bijtellen van punten, brengt verzoeker pas in zijn laatste memorie te berde. IX-10.150-25/27 Aangenomen wordt dat niets eraan in de weg stond dat verzoeker die kritiek ook al in zijn verzoekschrift kon formuleren. Het argument is daarom laattijdig en dus onontvankelijk.
  56. Het vierde middelonderdeel kan evenmin worden aangenomen.
  57. Het enige middel kan in zijn geheel niet tot vernietiging leiden. BESLISSING
  58. De Raad van State verwerpt het beroep.
  59. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  60. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.150-26/27 Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.150-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.