id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.010 Rolnummer: A. 237242/XII-9751 Zaak: Arrest 260010 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 05/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-06 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-14 03:44 Fiche Arrest nr 260.010 van 5 juni 2024 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.010 no lien 277541 identiques ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 260.010 van 5 juni 2024 in de zaak A. 237.242/XIV-39.071 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5341 ZUID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2610 Antwerpen Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 september 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de meergemeentezone van 18 augustus 2022 tot herplaatsing van verzoeker. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 255.368 van 22 december 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. XIV-39.071-1/16 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 april 2024. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristien Vanderheiden die verschijnt voor verzoeker en advocaat Flora Wauters die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is adviseur bij de lokalepolitiezone. Hij oefent tot aan de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de betrekking van diensthoofd (adviseur klasse A3) uit. 3.2. Op 27 juni 2022 verklaart de politieraad deze door verzoeker beklede betrekking vacant (hierna: de beslissing van 27 juni 2022). 3.3. Op 18 augustus 2022 beslist de korpschef om verzoeker met ingang van 1 september 2022 te herplaatsen naar een andere dienst. XIV-39.071-2/16 Deze beslissing steunt op de volgende motivering: “Binnen de dienst […] is er nood aan een adviseur – medewerker met kennis van o.a. subsidiedossiers. Gezien uw expertise terzake, bent u dan ook de geschikte persoon om de dienst organisatiebeheersing te versterken.” Dit is de bestreden beslissing. 3.4. Verzoeker dient op 12 september 2022 een beroep tot nietig- verklaring en vordering tot schorsing in van de beslissing van 27 juni 2022. De politieraad trekt op 24 oktober 2022 de beslissing van 27 juni 2022 in. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 27 juni 2022. In het annulatieberoep wordt de afstand van geding uitgesproken. 3.5. Op 28 november 2022 verklaart de politieraad de betrekking die verzoeker tot aan de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bekleedde, opnieuw vacant (hierna: de beslissing van 28 november 2022). Verzoeker dient op 1 februari 2023 een beroep tot nietig- verklaring en vordering tot schorsing in van de beslissing van 28 november 2022. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 28 november 2022. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Exceptie van verzoeker 4. Verzoeker stelt in zijn laatste memorie dat de verwerende partij een geheel nieuwe interpretatie ontwikkelt in haar laatste memorie en dat zij hiermee tracht haar vergetelheid, c.q. haar fout om geen memorie van antwoord in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.010 XIV-39.071-3/16 te dienen, recht te zetten. Gezien de verwerende partij haar argumenten op een eerder moment kon opwerpen, is de gehele inhoud van de laatste memorie niet-ontvankelijk, behoudens de passages erin die een antwoord kunnen zijn op het verslag van het auditoraat. Beoordeling 5. De verwerende partij heeft geen memorie van antwoord ingediend. In de mate dat de verwerende partij in haar laatste memorie aanvoert wat zij reeds in de memorie van antwoord had kunnen aanvoeren, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. De laatste memorie, die wezenlijk ertoe strekt de partijen de kans te bieden te reageren op het auditoraatsverslag, wordt immers oneigenlijk gebruikt en het normale verloop van de rechtsgang wordt verstoord indien zou worden aangenomen dat ze kan worden aangewend om de inhoud van een eerder niet of niet-regelmatig ingediend processtuk, dat de auditeur-verslaggever niet in zijn onderzoek van de zaak heeft kunnen betrekken, alsnog mede tot voorwerp van het tegensprekelijke debat te maken. 6. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie wat het belang van verzoeker betreft 7. Bij e-mail van 23 april 2024 vraagt de eerste auditeur aan de partijen om een standpunt in te nemen naar aanleiding van de nieuwe gegevens waarvan de verwerende partij melding maakt in de laatste memorie, met name “de nieuwe vacantverklaring van de functie van diensthoofd […] die resulteerde in de aanstelling van een nieuw diensthoofd […] bij besluit van de politieraad van 23 oktober 2023” en die volgens de eerste auditeur “mogelijkerwijze een invloed zouden kunnen hebben op het actueel belang van verzoekende partij”. XIV-39.071-4/16 Standpunt van de partijen 8. Ter terechtzitting betwist de verwerende partij het belang van verzoeker. Zij zet uiteen dat de door verzoeker tot de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing beklede betrekking opnieuw vacant werd verklaard op 26 april 2023, dat verzoeker zich weliswaar kandidaat stelde, doch door de selectiecommissie op 28 september 2023 niet geschikt werd bevonden, en dat de politieraad op 23 oktober 2023 een derde aanstelde in de voormelde betrekking met ingang van 2 januari 2024. Geen van deze beslissingen werd door verzoeker bestreden met een beroep tot nietigverklaring. Aldus is verzoekers belang teloorgegaan. 9. Verzoeker meent dat hij zijn belang bij het beroep behoudt ondanks de benoeming van een derde in de functie die hij voor de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bekleedde. Hij verwijst vooreerst naar het op 24 april 2024 voorafgaand aan de terechtzitting in deze zaak, ingediende verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel. Hij zet voorts uiteen dat de vernietiging van de bestreden beslissing afstraalt op de benoemingsbeslissing. Door de vernietiging verdwijnt de bestreden beslissing immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer, waardoor er nooit een derde kon worden benoemd in die “bezette plaats”. Verzoeker verwijst ter adstructie van zijn belang ook naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waaruit verzoeker afleidt dat het recht op toegang tot de rechter niet mag worden ontnomen door een overdreven formalistisch standpunt ten voordele van de onwettig handelende overheid. Verzoeker benadrukt dat hij de betrekking waaruit hij door de bestreden beslissing werd verwijderd opnieuw wil opnemen en dat hij ook eerherstel wil bekomen door de vernietiging van de bestreden beslissing. Verzoeker wijst er tot slot op dat de vernietiging van de bestreden beslissing hem in een gunstigere uitgangspositie plaatst om deel te nemen aan selecties voor andere functies, met name een A3-functie in plaats van een A1-functie. XIV-39.071-5/16 Beoordeling 10. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR. 105, punt B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR. 109, punt 4.3.; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR. 105, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, punten 42 e.v.). XIV-39.071-6/16 11. De nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling door de Raad van State doet, met terugwerkende kracht, deze administratieve rechtshandeling erga omnes uit de rechtsorde verdwijnen. Ingevolge de retroactieve werking van een vernietigingsarrest moet de vernietigde beslissing worden geacht volledig, en dus retroactief, ongedaan te zijn gemaakt. In het rechtsverkeer zal aldus moeten worden gehandeld alsof die vernietigde beslissing nooit is genomen. Een vernietigingsarrest brengt derhalve de zaken weer in de toestand waarin ze zich vóór het nemen van de door het arrest vernietigde beslissing bevonden (“status quo ante”). 12. Te dezen impliceert de nietigverklaring van de bestreden beslissing dat verzoeker het ambt bekleedt van waaruit hij door de bestreden beslissing werd herplaatst en dat hij wordt geacht dit ononderbroken te hebben bekleed. Er is derhalve geen nieuw besluit nodig om het herstel van de wettigheid te verwezenlijken. Het komt aan de verwerende partij toe om de rechtstoestand van de opvolger of plaatsvervanger van verzoeker in dat ambt aan te passen aan de tussengekomen vernietiging en de daaruit volgende terugkeer van verzoeker. Het feit dat verzoeker de benoeming van de derde niet heeft bestreden, kan hem niet worden aangerekend om hem thans een actueel belang te ontzeggen. Verzoeker mocht er terecht van uitgaan dat, in geval van nietigverklaring van de bestreden beslissing, hij van rechtswege opnieuw het ambt waaruit hij werd herplaatst zou bekleden en dat de verwerende partij de toestand van zijn opvolger aan de tussengekomen vernietiging zou aanpassen. 13. De exceptie is ongegrond. VI. Onderzoek van het tweede en derde middel Standpunt van de partijen 14. Verzoeker voert in het tweede middel in het verzoekschrift de schending aan van artikel VI.II.85, 8°, RPPol in relatie tot de materiële- motiveringsplicht. Verzoeker zet uiteen dat een personeelslid in toepassing van de voormelde bepaling slechts kan worden herplaatst “wegens enigerlei oorzaak” en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.010 XIV-39.071-7/16 dat de materiëlemotiveringsplicht wordt geschonden als er geen deugdelijke reden met een noodzakelijk verband tussen de vermelde reden van herplaatsing en het herplaatste personeelslid bestaat. Uit die deugdelijke reden moet tevens blijken waarom precies dat personeelslid moet worden herplaatst. Bij gebrek aan een dergelijke deugdelijke reden is ook artikel VI.II.85, 8°, RPPol geschonden, omdat er dan geen “enigerlei oorzaak” voorhanden is. Volgens verzoeker bestaat er te dezen geen dergelijke deugdelijke reden. Hij betwist dat er sprake is van een nood aan een medewerker met kennis van subsidiedossiers op de dienst waarnaar hij is herplaatst. Ter adstructie van dat standpunt merkt verzoeker het volgende op. Ten eerste wijst hij erop dat, hoewel kort voor de bestreden beslissing verschillende functies vacant werden verklaard, er geen vacantverklaring voor het profiel adviseur-medewerker klasse A1 – functie waarin hij werd herplaatst –, werd gepubliceerd. Ten tweede is het volgens verzoeker niet evident om een diensthoofd klasse A3 aan te wijzen voor die beweerde behoefte, daar dit een degradatie met zich brengt en een grote morele en financiële impact heeft. Volgens verzoeker moest het bestuur de afweging maken of geen andere oplossing mogelijk was, zoals een invulling via mobiliteit of het herplaatsen van een medewerker met het profiel van adviseur klasse A1. Ten derde zet verzoeker uiteen dat uit niets de bijzondere nood aan kennis van subsidiedossiers op de bewuste dienst in relatie tot de professionele vaardigheden van verzoeker blijkt. Het is integendeel de dienst waarvan verzoeker vóór de herplaatsing diensthoofd was, die op financieel vlak belast is met subsidiedossiers. In het derde middel in het verzoekschrift waarin hij de schending van dezelfde bepaling en beginsel aanvoert, voegt verzoeker aan dit betoog toe dat uit artikel VI.II.87 RPPol in relatie tot de materiëlemotiveringsplicht volgt dat een herplaatsing moet gebeuren in een gelijkwaardige betrekking. Te dezen is van gelijkwaardigheid geen sprake. Verzoeker wijst erop dat hij immers is herplaatst van een betrekking van diensthoofd klasse A3 naar een betrekking van medewerker klasse A1 die onder het gezag van een diensthoofd staat. In de toelichtende memorie wijst verzoeker, wat het tweede middel betreft, er onder meer op dat hij inmiddels nog geen enkel dossier heeft behandeld dat een kennis van subsidies vereist, wat bewijst dat de beweerde nood ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.010 XIV-39.071-8/16 onbestaande was. In de laatste memorie voegt verzoeker daaraan toe dat hij over een periode van ongeveer anderhalf jaar hooguit vijf dagen aan een subsidiedossier heeft gewerkt. 15. De verwerende partij heeft geen memorie van antwoord ingediend. Zoals hiervoor uiteengezet (zie supra, nr. 4) wordt de laatste memorie slechts in aanmerking genomen in de mate dat daarin argumenten worden aangevoerd die de verwerende partij niet reeds in de memorie van antwoord had kunnen aanvoeren. Wat het tweede middel betreft, repliceert de verwerende partij op het auditoraatsverslag dat niet kan worden betwist dat verzoeker op basis van gegronde en objectieve redenen werd herplaatst. Volgens de verwerende partij zijn er “daarenboven” twee deugdelijke motieven die de herplaatsing verantwoorden en die op verzoeker kunnen worden betrokken. Ten eerste functioneerde verzoeker bijzonder stroef binnen zijn dienst en werd hij geplaagd door ernstige familiale problemen waardoor een minder belastende functie een win-win betekende. Ten tweede had verzoeker aangegeven niet langer onder de directie van D.B. te willen werken, waaronder zijn voormalige dienst ressorteert. “Ten overvloede” verwijst de verwerende partij naar de beoordeling van verzoekers kandidatuur in de selectieprocedures ingevolge de vacantverklaring van de voorheen door verzoeker beklede betrekking. Verzoeker werd in het kader van die selectieprocedures telkens ongeschikt bevonden. Wat het derde middel betreft, betwist de verwerende partij het standpunt vertolkt in het auditoraatsverslag dat verzoeker niet in een gelijkwaardige functie zou zijn herplaatst. De verwerende partij zet uiteen dat de functie waarin verzoeker werd herplaatst slechts een tussenstap zou zijn en dat het de bedoeling is dat verzoeker op termijn zou worden aangesteld als diensthoofd van de dienst waarnaar hij werd herplaatst. Dat is een functie als leidinggevende en dus een “gelijkaardige” functie. De verwerende partij verwijst voorts naar een “strategisch seminarie” eind 2023 waar aan alle directeurs werd gevraagd welke betrekkingen zij vacant wensten te verklaren. De directeur waaronder de dienst waarnaar verzoeker werd herplaatst, ressorteert, heeft echter niet gevraagd om de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.010 XIV-39.071-9/16 betrekking van diensthoofd van die dienst vacant te verklaren. Dat is volgens de verwerende partij geen prioriteit en bijgevolg is er geen selectieprocedure waaraan verzoeker kan deelnemen. Volgens de verwerende partij sluit dit evenwel niet uit dat in de toekomst alsnog een dergelijke selectieprocedure wordt georganiseerd. Beoordeling 16. De bestreden beslissing is een herplaatsing in de zin van artikel VI.II.85, 8°, RPPol. Artikel VI.II.85 RPPol bepaalt de gevallen waarin een personeelslid kan worden herplaatst. Het luidt: “Art. VI.II.85. Kan worden herplaatst, het personeelslid dat: 1° niet langer over de vereiste medische geschiktheid beschikt voor de uitoefening van de betrekking maar dat opnieuw kan worden geplaatst in een andere betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand; 2° daarom verzoekt omdat het, hetzij in de uitoefening van zijn functie hetzij omwille van zijn loutere hoedanigheid van politiepersoneelslid, slachtoffer is van een ernstige gewelddaad; 2° bis is aangewezen voor een betrekking bedoeld in artikel VI.II.68ter; 3° geen voldoening geeft tijdens de stage of opleiding die voortvloeit uit zijn aanwijzing in een gespecialiseerde betrekking; 4° heropgenomen wordt overeenkomstig titel III van deel IX; 5° als stagiair wegens beroepsongeschiktheid wordt herplaatst in zijn kader van oorsprong; 6° het personeelslid dat daarom verzoekt op grond van artikel VI.I.11, vierde lid, 2°; 7° het personeelslid dat uit disponibiliteit terugkeert en dat onder toepassing valt van artikel VIII.XI.12, 2°; 8° wegens enigerlei oorzaak moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking; 9° in het raam van het eindeloopbaanregime bedoeld in hoofdstuk VII een aangepaste betrekking heeft verkregen.” Naast een expliciete opsomming van een aantal objectieve redenen waarin de herplaatsing van een politieambtenaar mogelijk is (met name de gevallen voorzien in 1° tot 7° en in 9°), kan een herplaatsing ook gebeuren wanneer dat “wegens enigerlei oorzaak” vereist is (8°). Op grond van deze laatste bepaling is het herplaatsen van een personeelslid derhalve mogelijk in alle gevallen waarin de korpschef dit, met het dienstbelang voor ogen, gerechtvaardigd acht en daarvoor een deugdelijke reden heeft om het personeelslid aan te wijzen voor een andere dan XIV-39.071-10/16 de eigen betrekking. Elke herplaatsing van een personeelslid in de zin van artikel VI.II.85 RPPol vereist voorts dat er een noodzakelijk verband moet zijn tussen de in artikel VI.II.85 RPPol opgesomde reden van herplaatsing en het te herplaatsen personeelslid. Het onderscheid tussen artikel VI.II.85, 1° tot 7° en 9°, RPPol eensdeels, en artikel VI.II.85, 8°, RPPol anderdeels, bestaat erin dat dit verband noodzakelijk blijkt uit de vaststelling dat het personeelslid zich in één van de gevallen van artikel VI.II.85, 1° tot 7° of 9°, RPPol bevindt nu die reden enkel betrekking kan hebben op het te herplaatsen personeelslid, terwijl inzake een herplaatsing op basis van artikel VI.II.85, 8°, RPPol dat verband moet blijken uit de (deugdelijke) redenen waarom het betrokken personeelslid het voorwerp moet uitmaken van de herplaatsing. De korpschef heeft bij de uitoefening van de hem door de Koning toegekende bevoegdheid tot herplaatsing op grond van artikel VI.II.85, 8°, RPPol een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Hij apprecieert aldus discretionair of er sprake is van “enigerlei oorzaak” die vereist dat het betrokken personeelslid wordt aangewezen voor een andere dan de eigen betrekking. Het komt derhalve aan de Raad van State, binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om ter zake zelf een beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de korpschef is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is gekomen. Artikel VI.II.87 RPPol luidt: “De herplaatsing in een betrekking gebeurt met inachtneming van de functiebeschrijving en het gewenste profiel van de titularis van die betrekking. Inzonderheid moet het personeelslid geslaagd zijn voor de vereiste selectieproeven indien deze voor het toewijzen van de betrekking vereist zijn. […]”. Uit die bepaling volgt dat de korpschef een politieambtenaar slechts kan herplaatsen in een betrekking – dit is een plaats op het organiek kader – waaraan het bestuur op de geëigende wijze een welbepaalde inhoud heeft gegeven door middel van een functiebeschrijving en de toegangsvereisten voor die betrekking heeft bepaald. Op grond daarvan kan dan worden nagegaan of de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.010 XIV-39.071-11/16 ambtenaar in een betrekking terecht komt die gelijkwaardig is aan deze waaruit hij wordt verwijderd en of de herplaatsing dus op een deugdelijke grond berust. 17. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Wat de schending van artikel VI.II.85, 8°, RPPol in relatie tot de materiëlemotiveringsplicht betreft 18. Zoals hiervoor is vastgesteld (zie supra, nr. 15), vereist elke herplaatsing van een personeelslid in de zin van artikel VI.II.85 RPPol dat er een noodzakelijk verband moet zijn tussen de in artikel VI.II.85 RPPol opgesomde reden van herplaatsing en het te herplaatsen personeelslid. Voor een herplaatsing op basis van artikel VI.II.85, 8°, RPPol moet dat verband blijken uit de (deugdelijke) redenen waarom precies het betrokken personeelslid het voorwerp moet uitmaken van de herplaatsing. Volgens de bestreden beslissing bestaat de deugdelijke reden tot herplaatsing van verzoeker uit, eensdeels, “de nood aan een adviseur-medewerker met kennis van o.a. subsidiedossiers”, anderdeels, “de expertise terzake” van verzoeker. Verzoeker betwist het bestaan van die nood, daar de betrekking waarin hij is herplaatst niet vacant werd verklaard en het vooral de dienst is waarvan hij vóór de bestreden beslissing diensthoofd was die zich op financieel vlak bezighoudt met de subsidiedossiers en de verantwoording daarvan. In dat verband wijst verzoeker er in de toelichtende memorie op dat hij tot op dat ogenblik geen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.010 XIV-39.071-12/16 enkel dossier behandelde dat een kennis van subsidiedossiers vereiste en in de laatste memorie zet hij uiteen dat hij over een periode van ongeveer anderhalf jaar hooguit vijf dagen aan een subsidiedossier heeft gewerkt. De verwerende partij spreekt verzoeker in geen van deze beweringen tegen. In de laatste memorie beperkt de verwerende partij zich tot de loutere stellingname dat “uit het feitenrelaas” volgt dat “niet kan worden betwist” dat verzoeker op basis van gegronde en objectieve redenen werd herplaatst. Met verzoeker wordt evenwel vastgesteld dat de beweerde gegronde en objectieve redenen voor de herplaatsing uit niets blijken, niet uit het administratief dossier, maar evenmin – in tegenstelling tot wat de verwerende partij aanvoert –, uit het feitenrelaas desbetreffend in de laatste memorie van de verwerende partij, dat immers door geen enkel ter zake relevant stuk wordt ondersteund. Ook al beschikt de korpschef over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid om een personeelslid te herplaatsen “wegens enigerlei oorzaak”, dit ontslaat hem er niet van om van die “oorzaak” het bewijs te leveren. Het administratief dossier bevat geen enkel stuk dat een (zelfs maar begin van) bewijs levert van de beweerde nood aan een adviseur-medewerker met kennis van o.a. subsidiedossiers, zodat moet worden aangenomen dat het aangevoerde motief niet bestaat. Hieruit volgt derhalve dat de materiëlemotiveringsplicht is geschonden. Daarenboven blijkt uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier, de noodzaak om precies verzoeker te herplaatsen. Ook om die reden wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing niet berust op motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn zodat zij de bestreden beslissing niet kunnen schragen. 19. In de laatste memorie voert de verwerende partij aan dat er “daarenboven” minstens twee deugdelijke motieven zijn om de herplaatsing te verantwoorden, met name de vaststelling dat verzoeker “bijzonder stroef” functioneerde binnen zijn dienst, alsook de mededeling door verzoeker dat hij niet langer onder de directie van D.B. wenste te werken. Ter terechtzitting benadrukt de verwerende partij dat de reden voor de herplaatsing te vinden is in het gegeven dat verzoeker ongeschikt is voor de functie die hij bekleedde, zoals naderhand werd aangetoond door de selectiecommissie in het kader van de vacantverklaring van diezelfde functie. XIV-39.071-13/16 Dit argument leidt niet tot een andere conclusie. In het licht van de materiëlemotiveringsplicht mag immers met deze voor het eerst in de laatste memorie aangevoerde motieven noch met de uitgebreidere motivering van de motieven, rekening worden gehouden, nu deze motieven niet blijken uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier. 20. Het argument van de verwerende partij dat uit de twee selectieprocedures die werden georganiseerd ingevolge het vacant verklaren van de betrekking van waaruit verzoeker werd herplaatst, is gebleken dat verzoeker ongeschikt is voor die functie, doet niet anders besluiten. Krachtens de op de verwerende partij rustende materiëlemotiveringsplicht moet de bestreden beslissing steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die beslissing in aanmerking kunnen worden genomen (zie supra, nr. 16). Motieven die ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing nog niet bestonden – te dezen de (latere) beoordelingen door de selectiecommissie dat verzoeker niet geschikt is voor de functie – kunnen die beslissing bezwaarlijk verantwoorden. Bijgevolg wordt vastgesteld dat, op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, de korpschef op grond van nog niet bestaande motieven niet binnen de perken van zijn (ruime) appreciatie- bevoegdheid tot het besluit kon komen dat verzoeker moest worden herplaatst. 21. Derhalve wordt vastgesteld dat de verwerende partij niet aantoont dat de herplaatsing van verzoeker steunt op deugdelijke motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen, noch waarom precies verzoeker het voorwerp moet uitmaken van die herplaatsing. Wat de schending van artikel VI.II.87 RPPol in relatie tot de materiëlemotiveringsplicht betreft 22. Zoals hiervoor werd uiteengezet (zie supra, nr. 15) volgt uit artikel VI.II.87 RPPol dat de korpschef een politieambtenaar slechts kan herplaatsen in een betrekking die gelijkwaardig is aan deze waaruit hij wordt verwijderd. XIV-39.071-14/16 23. De beoordeling of de betrekking waarnaar de politieambtenaar wordt herplaatst gelijkwaardig is, staat ter appreciatie van, te dezen, de korpschef. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of beide betrekkingen gelijkwaardig zijn in de zin als hiervoor is bedoeld. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid tot haar besluit is gekomen. 24. Te dezen betreft het een herplaatsing vanuit een leidinggevende betrekking van diensthoofd (klasse A3) naar een niet-leidinggevende betrekking van medewerker (klasse A1). Te dezen, blijkt niet uit de bestreden beslissing, noch wordt aannemelijk gemaakt dat beide betrekkingen gelijkwaardig zijn. De verwerende partij spreekt dit overigens niet tegen. Zij voert daarentegen aan dat de herplaatsing slechts een “tussenstap” is en dat het de bedoeling is dat verzoeker “in de toekomst” diensthoofd wordt van de dienst waarnaar hij is herplaatst en dat dit wel een gelijkwaardige functie zal zijn. Alleen blijkt het vacant verklaren van die functie van diensthoofd volgens de verwerende partij “kennelijk geen prioriteit”, zodat verzoeker zich ruim anderhalf jaar na de bestreden beslissing nog steeds in de “tussenstap” bevindt. Daarenboven voert de verwerende partij aan dat verzoeker “in de toekomst”, wanneer de betrekking vacant zal worden verklaard, zal kunnen deelnemen aan de selectieprocedure. Hieruit blijkt dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat verzoeker het beweerde “einddoel” ooit zal bereiken, nog daargelaten of de verwerende partij dit überhaupt zou kunnen verzekeren gelet op de door artikel 10 van de Grondwet gewaarborgde gelijke toegang tot het openbaar ambt. Uit wat voorafgaat, volgt derhalve dat de korpschef niet binnen de perken van zijn beoordelingsbevoegdheid bleef door verzoeker te herplaatsen naar een betrekking waarvan niet blijkt noch aannemelijk is gemaakt dat die gelijkwaardig is aan de oorspronkelijke betrekking. XIV-39.071-15/16 Conclusie 25. Het tweede en het derde middel zijn in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de bestreden beslissing. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 44 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.071-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.010 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.368 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.210 citeert: ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.