id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:A
§ 2
, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.028 VII-41.930-3/8 - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, - het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, en - artikel 149 van de Grondwet.
- Verzoeker zet uiteen dat in het bestreden arrest geen enkel antwoord is terug te vinden op zijn argument aangaande de verstrengde en/of bijkomende motiveringsplicht die op de deputatie rust wanneer zij haar eerder ingenomen standpunt wijzigt en ingaat tegen een andersluidend standpunt van de provinciale omgevingsambtenaar. Er zou door de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet gezegd worden waarom de verwerende partij in het licht van het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel in de bestreden beslissing kon volstaan met de zin “verweerster treedt het advies van [het Agentschap Innoveren en Ondernemen] bij” terwijl zij in de eerdere beslissing van 8 juli 2021 dat advies niet heeft gevolgd. De nalatigheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen om het door verzoeker aangekaarte motiveringsgebrek mee te nemen in zijn oordeel, maakt volgens verzoeker een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Beoordeling
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 4.3.1, §
§ 2
, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.028 VII-41.930-4/8 bestuurshandelingen’. Het middel is dan ook niet ontvankelijk in zoverre het de schending van deze bepalingen aanvoert.
- Het bestreden arrest stelt vast en oordeelt: - door te oordelen dat het aangevraagde niet verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening en niet in overeenstemming is met de doelstellingen van het decreet van 15 juli 2016 ‘betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid’, treedt de verwerende partij in de bestreden beslissing de adviezen van, respectievelijk, de provinciale omgevingsambtenaar en het Agentschap Innoveren en Ondernemen uitdrukkelijk bij; - hoewel de verwerende partij in haar eerdere beslissing van 8 juli 2021 niet uitdrukkelijk aangegeven heeft het standpunt van het Agentschap Innoveren en Ondernemen bij te treden, kan daaruit niet afgeleid worden dat de verwerende partij van het advies wenste af te wijken; - in de beslissing van 8 juli 2021 werd geen standpunt ingenomen ter weerlegging van het advies van het Agentschap Innoveren en Ondernemen, noch de redenen opgesomd waarom de aanvraag haar inziens in overeenstemming is met de doelstellingen van het integraal handelsvestigingsbeleid; dit hoefde ook niet nu het ontbreken van de m.e.r.-screening bij de aanvraag in eerste aanleg noodzakelijkerwijs tot een weigeringsbeslissing moest leiden. Met deze vaststellingen en beoordelingen heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen de stelling van verzoeker weerlegd dat de verwerende partij in de eerste beslissing van 8 juli 2021 is afgeweken van de ongunstige adviezen van de provinciale omgevingsambtenaar en het Agentschap Innoveren en Ondernemen. Het argument van verzoeker dat voor de verwerende partij een verstrengde en/of bijkomende motiveringsplicht gold, steunt volledig op deze stelling die in het bestreden arrest werd weerlegd. Met de weerlegging van de stelling van verzoeker heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen dan ook geantwoord op dit argument. De aangevoerde schending van de rechterlijke motiveringsplicht, bedoeld in artikel 149 van de Grondwet, mist bijgevolg feitelijke grondslag. Ook de aangevoerde miskenning van de draagwijdte van VII-41.930-5/8 verschillende beginselen van behoorlijk bestuur, mist om dezelfde reden feitelijke grondslag.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert de schending aan van: - artikel 4.3.1, §
§ 2
, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, - het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, en - artikel 149 van de Grondwet.
- In het eerste onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen een te steriele toets heeft gehanteerd van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel nu hij onvoldoende de context en motivatie van het volledige weigeringsbesluit in acht neemt. Meer in het bijzonder zou de Raad geen belang hechten aan de ruimere context van “de schrapping” van de woorden “het ongunstige advies van [het Agentschap Innoveren en Ondernemen] wordt bijgetreden” en het “herschrijven van de beoordeling” in de beslissing van 8 juli 2021, waaruit volgens verzoeker volgt dat de verwerende partij kenbaar maakte dat zij een visie had die afweek van dat ongunstige advies, zodat het vertrouwen werd gewekt dat die visie niet meer zou worden verlaten.
- In het tweede middelonderdeel laat verzoeker gelden dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen onterecht niet heeft gesteld dat er geen verstrengde motiveringsplicht geldt, nu hij onvoldoende de context en de motivatie van het volledige weigeringsbesluit in acht neemt. VII-41.930-6/8 Beoordeling
- In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 4.3.1, §
§ 2
, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, en van artikel 149 van de Grondwet.
- In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, nodigt verzoeker de Raad van State uit om opnieuw te beoordelen of de verwerende partij met de eerste vergunningsbeslissing rechtmatige verwachtingen heeft gewekt die zij met de tweede vergunningsbeslissing heeft beschaamd. Artikel 14, § 2, RvS-wet bepaalt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Bijgevolg kan het cassatieberoep niet ertoe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen over te doen.
- Het middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-41.930-7/8
- De te veel betaalde rolrechten ten bedrage van 300 euro dienen te worden terugbetaald aan de tussenkomende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.930-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div