id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.031 Rolnummer: A. 236163/VII-41365 Zaak: Arrest 260031 - Natuurbehoud - Vergunningen - 06/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-14 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-14 03:44 Fiche Arrest nr 260.031 van 6 juni 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.031 no lien 277558 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 260.031 van 6 juni 2024 in de zaak A. 236.163/VII-41.365 In zake : A.D. woonplaats kiezend in België tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 14 februari 2022 waarbij de aanvraag “schadevergoeding wildschade 22-AN-0004” niet ontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 30 december 2022 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. VII-41.365-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 mei
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kevan Aspeslagh, die loco advocaat Filip Vincke verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Volgens verzoeker brengen steenmarters aanzienlijke schade toe aan zijn woning. In 2021 dient hij bij het Agentschap voor Natuur en Bos een aanvraag tot schadevergoeding in op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juli 2009 ‘betreffende de vergoeding van wildschade of van schade door beschermde soorten en tot wijziging van hoofdstuk IV van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijke milieu’ (hierna: Soortenschadebesluit van 3 juli 2009). 3.
- Het Agentschap verklaart deze aanvraag op 5 augustus 2021 niet ontvankelijk. Tegen deze beslissing stelt verzoeker bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme die bij besluit van 22 februari 2022 het beroep als niet ontvankelijk afwijst. 3.
- Intussen heeft verzoeker op 9 februari 2022 een nieuwe aanvraag tot schadevergoeding ingediend. Daarin stelt hij dat de aanvraag betrekking heeft VII-41.365-2/8 op een nieuw wildschadegeval. 3.
- Deze aanvraag wordt op 14 februari 2022 niet ontvankelijk verklaard omdat het Agentschap voor Natuur en Bos van oordeel is dat het gaat om dezelfde schade die reeds het voorwerp was van de vorige aanvraag tot schadevergoeding. Dit is de thans bestreden beslissing. 3.
- Tegen het ministerieel besluit van 22 februari 2022 heeft verzoeker een beroep tot nietigverklaring ingediend (zaak A. 236.238/VII-41.370). Bij arrest nr. 256.310 van 20 april 2023 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.256.310) heeft de Raad van State de afstand van geding uitgesproken omdat verzoeker na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep werd voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure had ingediend. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van verzoeker
- In een enig middel voert verzoeker de schending aan van artikel 3, § 3, van het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van het motiverings-, het evenredigheids-, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij zet uiteen dat overeenkomstig artikel 3, § 3, van het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009 aanvraagformulieren die kennelijk niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend of die niet naar behoren werden ingevuld of aangevuld, of waaruit blijkt dat er niet voldaan is aan de voorwaarden om voor vergoeding in aanmerking te komen, niet kunnen leiden tot een vergoeding voor de wildschade of de schade door een beschermde soort, waarop ze eventueel betrekking hebben. Volgens verzoeker heeft de nieuwe aanvraag betrekking op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.031 VII-41.365-3/8 nieuwe schade die werd vastgesteld op 8 februari 2022 en die werd ingediend binnen de door artikel 3 van het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009 bepaalde termijn. Aan hem zou ook niet formeel zijn meegedeeld dat het aanvraagformulier onjuist of onvolledig werd ingevuld. De bestreden beslissing zou ook niet gebaseerd zijn op correcte en afdoende motieven. Verzoeker meent in eerste instantie dat het Agentschap voor Natuur en Bos op systematische wijze elke aanvraag tot schadevergoeding wegens wildschade als onontvankelijk afwijst. In zijn specifieke geval merkt hij op dat bij de aanvraag van 9 februari 2022 facturen werden gevoegd voor de aankoop van schrikdraden en dat ook wildcamera’s werden aangekocht. De aanvraag werd ook correct ingevuld, in tegenstelling tot de zienswijze van de verwerende partij. Verzoeker bekritiseert vervolgens dat slechts een schadevergoeding kan worden toegekend als er preventieve maatregelen werden genomen om schade te vermijden. Zulks druist volgens verzoeker in tegen het principe dat men vergoed moet worden voor schade veroorzaakt door een niet-bejaagbare wildsoort. Er anders over oordelen zou impliceren dat de last van de beslissing om een diersoort te beschermen door de overheid wordt afgewenteld op haar burgers, zonder dat die aanspraak kunnen maken op enige vergoeding, of toch minstens niet voor het eerste schadegeval.
- In zijn memorie van wederantwoord laat verzoeker nog het volgende gelden: “[…] Ten eerste stelt verzoekende partij vast dat verwerende partij meent dat de bestreden beslissing gebaseerd is op artikel 3, § 3 van het soortenschadebesluit, meer specifiek dat de tweede aanvraag tot schadevergoeding onontvankelijk zou zijn omdat zij kennelijk laattijdig zou zijn. Hiermee erkent verwerende partij dat de tweede aanvraag tot schadevergoeding naar behoren werd ingevuld en dat er voldaan is aan de voorwaarden om voor vergoeding in aanmerking te komen. Verwerende partij toont hiermee tevens aan dat de bestreden beslissing onvoldoende duidelijk en concreet gemotiveerd werd, anders was verdere uitleg en motivatie niet nodig. De bestreden beslissing stelde verzoekende partij duidelijk niet in staat om de beweegredenen achter de besluitvorming daadwerkelijk te begrijpen en te kennen. Er kan van een verzoekende partij niet verwacht worden dat zij eerste een procedure bij de Raad van State moet instellen om dan pas kennis te kunnen krijgen van de motieven. De motivering die verwerende partij geeft in haar memorie van antwoord ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.031 VII-41.365-4/8 strookt kennelijk niet met deze uit de bestreden beslissing. […] Er is duidelijk sprake van een motiveringsgebrek nu de motivering van verwerende partij dermate tegenstrijdig is dat deze gelijk moet worden gesteld met een gebrek aan motivering. […] Ten tweede stelt verzoekende partij vast dat het verweer van verwerende partij, net zoals de bestreden beslissing, zeer summier is. Er wordt geen antwoord geformuleerd op een aantal pertinente vaststellingen van verzoekende partij. Er bestaat een fundamenteel verschil tussen de eerste en de tweede aanvraag tot schadevergoeding, zowel wat betreft de vastgestelde schade als wat betreft de bewijsstukken. De aanvraag van juli 2021 vermeldt als schade: ‘Rieten dak, vloer zolder.’ De aanvraag van februari 2022 vermeldt als schade: ‘Ik ondervind aanzienlijke schade aan mijn woning (o.m. het rieten dak, zolderruimte, leidingen) toegebracht door steenmarters. Deze dieren verschaffen zich via de gemaakte gaten in het dak een toegang tot de zolder van de woning. Deze steenmarters bijten aan leidingen (elektriciteitskabels) zodat er een reëel gevaar voor kortsluiting en brand bestaat. Ook de opstapeling van uitwerpselen op de zolder is bijzonder hinderlijk en trekt ander ongedierte aan. Deze dieren maken bovendien enorm veel lawaai, zodat mijn nachtrust ernstig verstoord is, met gezondheidsproblemen tot gevolg.’ De schade van de eerste aanvraag beperkt zich tot het rieten dak en de vloer van de zolder. De schade van de tweede aanvraag omvat onder meer het rieten dak en de zolderruimte, maar ook de leidingen (elektriciteitskabels), de opstapeling van uitwerpselen en het lawaai maken een schadepost uit. De bewijsstukken die werden gevoegd bij de aanvraag van juli 2021 betreffen enerzijds foto’s van de schade aan het rieten dak en anderzijds een offerte voor het herstellen van het rieten dak. De bewijsstukken die werden gevoegd bij de aanvraag van februari 2022 betreffen, naast de foto’s van de schade aan het rieten dak, foto’s van de schrikdraad aangebracht op het plat dak, een offerte en een factuur van BOV Steenmarter (voor het plaatsen van schrikdraad en inspectie met advies van dak en woning om steenmarters te verdrijven), bewijzen van de aankoop van schrikdraden en een factuur voor de aankoop van bewakingscamera’s. […] Verwerende partij erkent in haar memorie van antwoord dat er na juli 2021 maatregelen genomen zijn (schrikdraad, camera’s), maar zij meent dat dit niets af doet van de vaststelling dat de schade steeds dezelfde is gebleven. Hiermee gaat zij enerzijds in tegen de bestreden beslissing die uitdrukkelijk stelt dat dezelfde schade en dezelfde bewijsstukken werden aangeleverd. Anderzijds is het standpunt van verwerende partij pertinent onwaar. De schade is niet steeds dezelfde gebleven. Het Agentschap voor Natuur en Bos heeft zich niet eens de moeite getroost om ter plaatse te gaan en de schade vast te stellen. De nieuwe aanvraag werd niet, minstens onvoldoende vergeleken met de eerste aanvraag. Dat de nieuwe aanvraag onzorgvuldig werd onderzocht is duidelijk. De bestreden beslissing is genomen op basis van aannames en een gebrekkig onderzoek naar de onderliggende feiten en vooral wijzigingen in de omstandigheden ten opzichte van de eerste aanvraag. Om onbegrijpelijke redenen meent verwerende partij in haar memorie van antwoord evenwel dat de bestreden beslissing niet onzorgvuldig of ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.031 VII-41.365-5/8 onredelijk is. Haar argumentatie is zeer summier en raakt kant noch wal. Zij meent dat van verzoekende partij, doch niet van het Agentschap voor Natuur en Bos, een hoge graad van zorgvuldigheid verwacht mag worden. Een verder verweer wordt niet gevoerd. Los daarvan blijkt dat verzoekende partij afdoende bewijsmateriaal heeft bijgebracht wat aantoont dat er sprake is van een andere schade dan voordien het geval is. […] […] De ambtenaar dient conform artikel 3, § 3 van het soortenschadebesluit de schadelijder bij een per post aangetekende brief met ontvangstbewijs op de hoogte te brengen van de aanvragen die niet ontvankelijk werden verklaard. De bestreden beslissing werd via e-mail ter kennis gebracht aan verzoekende partij. De beslissing is alleen al om die reden onwettig. Verwerende partij zwijgt hierover in alle talen in haar memorie van antwoord.” Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 3, § 1, van het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009 moet een aanvraag tot het verkrijgen van een vergoeding voor wildschade of schade door een beschermde soort, worden ingediend “met behulp van een formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het agentschap”, vergezeld van “bewijsstukken tot staving van de hoedanigheid van de aanvrager en van het bestaan en de omvang van de wildschade of de schade door een beschermde soort”. In artikel 3, § 3, van hetzelfde besluit wordt onder meer gesteld dat aanvraagformulieren die “niet naar behoren werden ingevuld of aangevuld, of waaruit blijkt dat er niet voldaan is aan de voorwaarden om voor vergoeding in aanmerking te komen”, niet kunnen leiden tot een vergoeding.
- De bestreden beslissing steunt op de volgende motieven: “Na onderzoek van uw aanvraag blijkt dat u reeds een schadevergoedingsaanvraag had ingediend voor dezelfde schade op 27 juli 2021, nl. schadedossier met referentienummer AVES/FF/752166/21-AN-0017 welke niet ontvankelijk werd verklaard. Omdat u de schadevergoedingsaanvraag van 27 juli 2021 herhaalt waarbij u ditmaal aangeeft dat de schade pas op 8/2/2022 werd ontdekt en daarbij dezelfde schade en bewijsstukken aanlevert, kunnen we aannemen dat deze nieuwe aanvraag welbewust niet correct is ingevuld.”
- Uit de aangehaalde overwegingen blijkt dat het Agentschap voor Natuur en Bos in essentie van oordeel is dat de kwestieuze aanvraag betrekking VII-41.365-6/8 heeft op een schadegeval dat reeds het voorwerp was van een vroeger ingediende aanvraag die als niet ontvankelijk werd afgewezen. Artikel 3, § 2, tweede lid, van het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009 waarin wordt bepaald dat “[i]ndien het formulier onjuist of onvolledig is ingevuld […] het Agentschap de schadelijder dit schriftelijk [laat] weten op het moment van de ontvangstmelding [om] hem gedurende tien dagen in de gelegenheid [te stellen] de aanvraag aan te vullen”, staat er niet aan in de weg dat het Agentschap onmiddellijk overgaat tot het niet ontvankelijk verklaren van aanvragen die niet tot een vergoeding wegens wildschade kunnen leiden omdat het voorwerp ervan overeenstemt met een aanvraag die voorheen reeds werd afgewezen. In de bestreden beslissing wordt er in dit verband specifiek op gewezen dat “dezelfde schade en bewijsstukken” worden aangeleverd als voor de schadevergoedingsaanvraag die op 27 juli 2021 werd ingediend. Verzoeker toont de feitelijke onjuistheid omtrent het bewijs van het bestaan en de omvang van de wildschade of de schade door een beschermde soort, zoals vereist door artikel 3, § 1, van het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009, niet aan. De bestreden beslissing wordt in rechte afdoende verantwoord door de niet weerlegde vaststelling dat verzoeker een aanvraag tot schadevergoeding heeft hernomen die reeds eerder als niet ontvankelijk werd afgewezen.
- Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.365-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.365-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div