← België

Arrest 260039 - Wegverkeer van mensen (bussen) - 06/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.039 Rolnummer: A. 240007/IX-10331 Zaak: Arrest 260039 - Wegverkeer van mensen (bussen) - 06/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-07 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-11 03:07 Fiche Arrest nr 260.039 van 6 juni 2024 Economische zaken - Wegverkeer van mensen (bussen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.039 van 6 juni 2024 in de zaak A. 240.007/IX-10.331 In zake: K.N. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Wens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Jan van Gentstraat 29-31 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ DE LIJN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Vanhemelrijck kantoor houdend te 1910 Kampenhout Bergstraat 54 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 5 juni 2023 van de dienst Administratieve Boetes van de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn waarbij aan verzoekster een administratieve geldboete van 107 euro wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 11 december
  3. Op respectievelijk 4 maart 2024 en 28 februari 2024 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de IX-10.331-1/5 verzoekende partij en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 mei
  4. Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rik Wens, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur Anke Meskens, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Beoordeling
  6. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Bij het versturen aan verzoekster van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, IX-10.331-2/5 tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent. Verzoekster heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent.
  7. Met artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de wetgever stringente gevolgen willen verbinden aan het niet respecteren van de termijn voor het indienen van een memorie van wederantwoord, meer bepaald door het instellen van een onweerlegbaar vermoeden van het ontbreken van het vereiste belang. Dat vermoeden kan enkel door het bewijs van overmacht of onoverkomelijke dwaling ongedaan worden gemaakt.
  8. In de vraag om te worden gehoord en op de terechtzitting verklaart de raadsman van verzoekster geen memorie van antwoord te hebben ontvangen. Het aangetekend schrijven van 8 december 2023, uitgaand van de griffie van de Raad van State, waarbij een afschrift van de memorie van antwoord werd verstuurd naar het kantoor van de raadsman van verzoekster, werd volgens de e-tracker van bpost op 11 december 2023 afgeleverd. De verwerende partij legde op 14 mei 2024 een kopie neer van de e-mail waarmee zij op 1 december 2023 de memorie van antwoord heeft verstuurd naar het algemeen e-mailadres van het kantoor van de raadsman van verzoekster. Naar zeggen van de raadsman van verzoekster, heeft dit aangetekend schrijven noch het e-mailbericht hem bereikt. IX-10.331-3/5
  9. Opdat een kennisgeving bij een ter post aangetekende brief op geldige wijze geschiedt, is het voldoende dat de postbode zich aan de woning van de belanghebbende heeft aangemeld en, als hij de brief niet persoonlijk aan de belanghebbende of een gemachtigde heeft kunnen overhandigen, in de brievenbus van de belanghebbende een bericht heeft achtergelaten waarin deze ervan verwittigd wordt dat de brief te zijner beschikking is op het postkantoor. De raadsman van verzoekster spreekt de gegevens van de e-tracker van bpost niet tegen. De Raad van State neemt aan dat de zending wel degelijk werd afgeleverd en dat de kennisgeving op geldige wijze is geschied om de termijn te doen ingaan. De loutere verklaring van een verzoekende partij dat zij de zending niet heeft ontvangen of geen bericht van bpost in de brievenbus heeft gevonden, kan er niet toe leiden om de toepassing van voornoemd artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te beletten. De wetgever heeft inderdaad gewild dat onder geen beding een excuus voor het niet indienen van een memorie van wederantwoord aanvaard zou worden. Verzoekster toont evenmin overmacht aan. Zij heeft overigens nagelaten om zelfs na de kennisgeving door de hoofdgriffier in verband met de niet nageleefde termijn en de gevolgen daarvan voor het hangende beroep, minstens met de diensten van bpost contact op te nemen om na te gaan wat er was misgelopen of om te pogen om de wijze van postbedeling van die dag te reconstrueren.
  10. Er worden bijgevolg geen elementen aangevoerd die overmacht of een onoverwinnelijke dwaling uitmaken die verzoekster hebben verhinderd een memorie van wederantwoord in te dienen. Het wettelijk vermoeden van gebrek aan belang moet te dezen onverkort worden toegepast. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt het beroep.
  12. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van IX-10.331-4/5 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Wouter Pas, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Wouter Pas IX-10.331-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.