id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.042 Rolnummer: A. 235767/IX-10013 Zaak: Arrest 260042 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-14 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-11 03:07 Fiche Arrest nr 260.042 van 6 juni 2024 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.042 no lien 277569 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.042 van 6 juni 2024 in de zaak A. 235.767/IX-10.013 In zake : A.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Roosens kantoor houdend te 3000 Leuven Quinten Metsysplein 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BEKKEVOORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jonas De Wit en Wouter Rubens kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 februari 2022, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Bekkevoort van 27 december 2021 waarbij (
(1)” bij die functie in het organogram. De vermelding van dat cijfer moet immers duidelijk maken dat de functie wordt uitgeoefend door een personeelslid van het OCMW. De Raad van State is van oordeel dat de verwerende partij aannemelijk maakt dat het ontbreken van deze vermelding op het organogram een louter materiële vergissing betreft, waarvan de oorsprong is toe te rekenen aan de externe opsteller ervan. In ieder geval is het ontbreken van die vermelding an sich, zonder enige andere indicatie, niet van aard om te besluiten dat het vast bureau verzoekster zou hebben aangesteld in een functie die tot de gemeente behoort. Bovendien heeft de verwerende partij deze materiële vergissing intussen ook rechtgezet in het nieuwe geïntegreerde organogram. Het vast bureau overwoog in dat verband op 27 november 2023: IX-10.013-12/23 “De afdeling Mens omvat alle activiteiten met een sociale of vrije tijdsgebonden invalshoek, inclusief burgerzaken. Deze afdeling wordt geleid door een afdelingshoofd (A1a-A3a). Bij de vorige aanpassing van het personeelsbehoefteplan (eind 2021) werd op het organogram (en dus ook in de formatie) vergeten aan te duiden dat het om een OCMW-functie gaat. Deze materiële vergissing wordt nu rechtgezet.” 18. Dat de verwerende partij in november 2021 zou hebben overwogen om het afdelingshoofd Mens als waarnemend directeur aan te stellen, doet aan wat voorafgaat geen afbreuk. Het stuk waaraan verzoekster refereert is een besluit van het vast bureau van 29 november 2021. Daaruit blijkt dat het de vakorganisaties waren die tijdens het overleg de vraag hebben gesteld: “Afdelingshoofd Mens A1-A3: vervanging algemeen directeur (AD)?”. Als antwoord daarop stelt het vast bureau dat de aangewezen beleidsmedewerker op dat ogenblik de meest voor de hand liggende functionaris is om de algemeen directeur te vervangen en dat “als” verzoekster “de functie van afdelingshoofd zou opnemen, zich opnieuw inwerkt in de materie van de passende functie e.d. meer”, “op termijn nog steeds bekeken [kan] worden of de vervangingsregeling van de AD moet bijgestuurd worden”. Daaruit blijkt dat het afdelingshoofd Mens precies níet is aangewezen als vervanger van de algemeen directeur. Er kan dan bezwaarlijk uit worden afgeleid dat deze functie tot de personeelsformatie van de gemeente zou behoren. 19. Het middel wordt verworpen. IX-10.013-13/23 C. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 20. Een eerste middel is geput uit de schending van “artikel 589, eerste lid” (bedoeld wordt: artikel 589, § 1), van het decreet lokaal bestuur, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en “meer in bijzonder de verworven rechten en legitieme verwachtingen die in hoofde van verzoekster zijn gecreëerd”. Verzoekster betoogt dat de nieuw gecreëerde functie van afdelingshoofd Mens geen ‘passende functie van niveau A’ is zoals bedoeld in artikel 589, § 1, van het decreet lokaal bestuur. Zij stelt dat er van een “evenwaardige functie” geen sprake is, maar integendeel van een “duidelijke degradatie en demotie”, zowel vergeleken met het ambt van OCMW-secretaris als met de tijdelijke functie ‘directeur Zorg en Sociale Zaken’. In die laatste functie immers, zo argumenteert verzoekster, maakte zij niet alleen deel uit van het managementteam, maar stond zij ook “op dezelfde lijn” als de algemeen directeur en de financieel directeur, zodat zij “de facto adjunct-algemeen directeur” was. Zulks is in de functie van afdelingshoofd Mens niet meer het geval, aangezien de titularis van die functie door de algemeen directeur wordt geëvalueerd. Bovendien betwist verzoekster dat de functie van afdelingshoofd Mens “naadloos” aansluit bij haar persoonlijke interesses en competenties. Eensdeels omdat die functie niet alleen diensten uit het OCMW omvat, maar ook de diensten ‘burgerzaken’ en ‘vrije tijd’, anderdeels omdat de opdrachten en bevoegdheden die verzoekster als directeur Zorg en Sociale Zaken had, grotendeels zijn overgenomen door de hoofdmaatschappelijk werker. Verzoekster besluit (
- i)dat de functie van afdelingshoofd Mens in werkelijkheid een “lege doos” is, minstens wat de sociale diensten betreft, (
- ii)dat het geen functie op A-niveau, maar op B-niveau is en (iii) dat het om een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.042 IX-10.013-14/23 duidelijke degradatie gaat. Zij betoogt voorts dat de functie enkel werd gecreëerd om tegemoet te komen aan de vóórmelde decretale verplichtingen en dat de gemeente niet de intentie heeft om de functie daadwerkelijk in te vullen indien verzoekster ze niet zou aanvaarden. Bewijs daarvoor ziet verzoekster in het organogram, in het gegeven dat in de functie van afdelingshoofd niet is voorzien voor de andere afdelingen in het organogram (met name de afdeling Ruimte), in het feit dat de hoofdmaatschappelijk werker van het managementteam deel uitmaakt, in het gegeven dat in de motivatienota voor de aanpassing van het personeelsbehoefteplan is aangegeven dat de functie van afdelingshoofd Mens in de eerste instantie wordt voorbehouden voor de ex-OCMW-secretaris en in het feit dat de besprekingen van de gemeenteraad over de nieuwe functie in besloten zitting hebben plaatsgevonden. 21. In de memorie van wederantwoord doet verzoekster nog gelden dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord ten onrechte geen onder- scheid maakt tussen een hiërarchische en een functionele leiding, in die zin dat een adjunct-algemeen directeur en een financieel directeur wel onder de functionele leiding van de algemeen directeur staan, maar door een evaluatiecomité worden geëvalueerd. Verzoekster stelt dat haar rechtmatige verwachtingen en het “verwachtingsbeginsel” worden geschonden door haar in een “ondergeschikte A- functie” te plaatsen. 22. In haar laatste memorie haalt verzoekster vooreerst een aantal nieuwe feitelijke elementen aan die volgens haar “van belang zijn voor de beoordeling van het 1ste middel”. Voorts betwist verzoekster dat de haar aangeboden functie “passend” is in de zin van artikel 589, § 1, van het decreet lokaal bestuur. Bewijs daarvoor ziet zij in de gebeurtenissen sinds 1 januari 2022. Verzoekster stelt dat haar werd meegedeeld dat de afscheidnemend hoofdmaatschappelijk werker niet zou worden vervangen en dat zij haar taken zou moeten overnemen – en dus wat dat betreft op B-niveau zou functioneren. Verzoekster stipt aan dat deze functie ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.042 IX-10.013-15/23 na het vertrek van de betrokkene niet opnieuw is ingevuld, spijts het bestaan van een wervingsreserve. Ook het feit dat zij in de haar toegewezen functie rechtstreeks aan de algemeen directeur zou moeten rapporteren, is voor verzoekster onaanvaardbaar en bovendien in strijd met het actieplan dat na tussenkomst van de externe preventieadviseur werd opgesteld. Meer nog, verzoekster stelt dat een aanstelling als afdelingshoofd Mens volgens de FOD WASO een inbreuk uitmaakt op de welzijnswetgeving. Voor verzoekster is het duidelijk dat de verwerende partij er, omwille van verzoeksters langdurige afwezigheid wegens ziekte, vanuit is gegaan dat zij niet meer zou terugkeren en dat dus ook geen passende functie moest worden gevonden. Verzoekster weerspreekt dat zij niet zou hebben uiteengezet op welke wijze het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden, en wijst erop dat zij steeds heeft aangevoerd dat zij er redelijkerwijze op mocht vertrouwen dat zij in de functie van adjunct- algemeendirecteur zou worden aangesteld. Verzoekster verwijst naar de besprekingen omtrent de bestuurlijke integratie die in 2018 en begin 2019 zijn gevoerd. Zij ziet daarvan ook bewijs in het organogram van de OCMW- personeelsformatie van november 2020, waarin naast de algemeen directeur en de financieel directeur nog een ‘directeur’ wordt voorzien, met verduidelijking dat dit de plaats is van de gewezen OCMW-secretaris. Verzoekster benadrukt tot slot dat een functie als afdelingshoofd totaal verschillend is, aangezien zij niet alleen aan de algemeen directeur rapporteert, maar er ook door wordt geëvalueerd en één negatieve evaluatie voor het bestuur volstaat om tot ontslag over te gaan. Als adjunct- algemeendirecteur daarentegen, zou verzoekster door een evaluatiecomité worden geëvalueerd, meer betrokken zijn bij beleidsbeslissingen en besprekingen met de bestuursorganen, eindverantwoordelijke zijn voor bepaalde beleidsdomeinen en optreden als vervanger van de algemeen directeur. IX-10.013-16/23 Beoordeling 23. Wat de schending van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel betreft, laat verzoekster na om in haar verzoekschrift aan te geven welke toezeggingen of beloften de verwerende partij inzake de invulling van de passende functie concreet zou hebben gedaan, maar niet is nagekomen, of welke vaste gedragslijn niet werd gehonoreerd. Dit falen kan niet worden verholpen in latere procedurestukken. In die mate is het middel onontvankelijk. 24. Verzoekster brengt in haar laatste memorie in een afzonderlijk deel “nieuwe feitelijke elementen” bij. Zij betoogt wel dat deze “van belang zijn voor de beoordeling van het 1ste middel”, maar legt vervolgens op die plaats op geen enkele wijze uit waarin dat belang precies bestaat en hoe deze feiten concreet op het middel kunnen worden betrokken. In die mate is het middel eveneens onontvankelijk. 25. Wat zij van die “nieuwe feitelijke elementen” vervolgens wél bij de bespreking van haar middel betrekt, is de grief dat de bestreden beslissing volgens de FOD WASO een inbreuk uitmaakt op de welzijnswetgeving. Die grief mist dan weer feitelijke grondslag. Immers, uit de brief die verzoekster in dat verband bijbrengt, blijkt alleen dat een inbreuk werd vastgesteld en een schriftelijke waarschuwing werd gegeven omtrent het feit dat de verwerende partij “niet zo snel mogelijk de maatregelen [heeft] uitgevoerd die [zij] heeft beslist op 26 augustus 2019 ten aanzien van verzoekster”. IX-10.013-17/23 In verband met de aanstelling van verzoekster in de functie van afdelingshoofd Mens werd alleen een “(corrigerend) advies” verschaft, waarbij werd geadviseerd – onder meer omdat de functie van verzoekster ondergeschikt is aan deze van algemeen directeur – “om contact op te nemen met een erkend gerechtelijk bemiddelaar”. Er werd aan de verwerende partij geen termijn verleend om zich “in regel te stellen” of om “maatregelen te nemen”, zoals voorzien in artikel 21 van het sociaal strafwetboek. 26. Artikel 589, § 1, eerste zin, van het decreet lokaal bestuur luidt: “De persoon, vermeld in artikel 583, § 1, eerste lid, die niet wordt aangesteld als algemeen directeur, wordt op persoonlijke titel en met behoud van de aard van zijn dienstverband en geldelijke anciënniteit aangesteld hetzij als adjunct-algemeendirecteur bij de gemeente, hetzij in een passende functie van niveau A bij de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient of bij een verzelfstandigde entiteit van de gemeente of vereniging van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient.” Verzoekster betwist niet de wettigheid van de keuze van het bestuur om niet te voorzien in de functie van adjunct-algemeendirecteur. 27. Dat de functie van afdelingshoofd Mens geen “evenwaardige functie” is en zelfs een “zeer duidelijke degradatie en demotie” ten opzichte van het ambt van OCMW-secretaris, zoals verzoekster betoogt, stoot op de vaststelling dat het hiervóór aangehaalde artikel 589, § 1, van het decreet lokaal bestuur geen gewag maakt van een “evenwaardige functie”, maar van een “passende functie van niveau A”. Dat de passende functie van niveau A niet de taken van de vroegere OCMW-secretaris kan omvatten, vloeit voort uit het decreet lokaal bestuur, omdat deze taken, onder meer aangevuld met de taken van de vroegere gemeentesecretaris, voortaan door de algemeen directeur moeten worden uitgeoefend. IX-10.013-18/23 Zoals de Raad van State eerder reeds heeft overwogen in arrest nr. 254.219 van 5 juli 2022, moet ook ten aanzien van verzoekster worden bedacht dat de OCMW-secretaris eertijds het OCMW ambtelijk aanstuurde in een functie met karakteristieken die een hoge graad van uniciteit vertoonden, zodat het onvermijdelijk is dat een passende functie van niveau A niet diezelfde unieke kenmerken vertoont. 28. Ook de vergelijking die verzoekster maakt met de functie van directeur Zorg en Sociale Zaken overtuigt niet. Zowel het college van burgemeester en schepenen (op 9 juli 2018) als de raad voor maatschappelijk welzijn (op 26 juli 2018) hebben uitdrukkelijk overwogen dat het gaat om een tijdelijke functiebeschrijving die “dient om duidelijkheid te creëren voor de niet waarnemende functiehouder” na 1 augustus 2018. De raad voor maatschappelijk welzijn heeft nog verduidelijkt dat het gaat om een “tijdelijk werkinstrument om deze periode te overbruggen”. Ook in de functiebeschrijving zelf is vermeld dat het gaat om een “tijdelijk instrument”. Het betreft duidelijk géén decretale graad, zodat verzoekster, overeenkomstig artikel 170 van het decreet lokaal bestuur, ook in die tijdelijke functie onder het hiërarchisch en functioneel gezag van de (toen: waarnemend) algemeen directeur viel. 29. Het is voorts niet onredelijk en al zeker niet in strijd met artikel 589, § 1, van het decreet lokaal bestuur dat zowel de verwerende partij als het gemeentebestuur de procedure tot aanwijzing van een algemeen directeur hebben afgewacht – daarvan kon verzoekster immers nog de laureaat worden – alvorens ten aanzien van de functiehouder voor wie een passende functie zou moeten worden gezocht, een definitieve functiebeschrijving op te stellen. Evenmin onwettig is het derhalve, dat die tijdelijke functie vervolgens ophoudt te bestaan. IX-10.013-19/23 30. Bij de definitieve beslissing welke functie de persoon, die overeenkomstig artikel 589, § 1, van het decreet lokaal bestuur niet wordt aangesteld als algemeen directeur, precies moet worden toegewezen, beschikt het bestuur over een discretionaire bevoegdheid die toelaat rekening te houden met de noden van dat bestuur (Parl.St. Vl.Parl. 2017-2018, nr. 1353/1, 9 en GwH 23 maart 2023, nr. 55/2023). 31. Nu verzoekster ook als afdelingshoofd Mens niet is aangesteld in een decretale graad, maakt zij niet duidelijk hoe de verwerende partij ertoe had kunnen komen dat zij in die functie níet onder het hiërarchisch en functioneel gezag van de algemeen directeur zou vallen. Artikel 170 van het decreet lokaal bestuur bepaalt immers dat de algemeen directeur instaat voor “de algemene leiding van de diensten van de gemeente en van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn” en dat hij tevens aan het hoofd van het personeel van deze besturen staat. 32. Voorts leert de door verzoekster voorgestane vergelijking tussen de functies van afdelingshoofd Mens en directeur Zorg en Sociale Zaken dat verzoekster ook krachtens de bestreden beslissing lid is van het managementteam. Wat dat betreft, kan verzoekster zich niet gegriefd achten. 33. Terecht stipt verzoekster aan dat bij de functiebeschrijving van de passende functie van niveau A waarin moet worden voorzien, rekening moet worden gehouden met haar competenties en belangstelling. Ter zake erkent verzoekster dat de afdeling Mens de ‘sociale diensten’ omvat die ook voorheen door het OCMW werden behartigd. Daarvan kan bezwaarlijk worden voorgehouden dat ze niet bij verzoeksters competenties en belangstelling aansluiten. Dat daaraan ook de diensten ‘vrije tijd’ en ‘burgerzaken’ zijn toegevoegd, wettigt niet de conclusie dat verzoeksters competenties en interesses ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.042 IX-10.013-20/23 zijn miskend. Nog daargelaten de bedenking dat de toewijzing van de verantwoordelijkheid over deze diensten de functie van afdelingshoofd Mens meer gewicht geeft en dus de erkenning van verzoeksters leidinggevende kwaliteiten lijkt te bevestigen, moet samen met de verwerende partij worden vastgesteld dat de diensten ‘vrije tijd’ en ‘burgerzaken’ evenzeer persoonsgericht zijn – en dus geenszins vreemd aan verzoeksters competenties. 34. Waar verzoekster aanvoert dat in het organogram voor andere afdelingen niet is voorzien in de functie van afdelingshoofd, doet de verwerende partij in de memorie van antwoord gelden dat dit, wat de door verzoekster aangehaalde afdeling Ruimte betreft, wordt verklaard door de aanwezigheid van een ‘onderafdelingshoofd’ op niveau A1a-A3a, met name de omgevingsambtenaar. In haar memorie van wederantwoord beperkt verzoekster zich ertoe haar kritiek te herhalen, doch zonder de toelichting van de verwerende partij te weerspreken. Ook in dat opzicht overtuigt het middel niet. 35. Al deze vaststellingen samengenomen doen besluiten dat de functie van afdelingshoofd Mens ook geen “louter papieren functie” is, zoals verzoekster aanvoert. 36. Tot slot steunt verzoekster haar betoog op de relatie tussen de functie van afdelingshoofd Mens en deze van hoofdmaatschappelijk werker. Uit de voorliggende stukken blijkt dat, ofschoon de functie van hoofdmaatschappelijk werker op heden niet intern is ingevuld, de functie- beschrijving van het afdelingshoofd Mens duidelijk verschillend is van deze van hoofdmaatschappelijk werker, in het bijzonder wat eensdeels de strategische en coördinerende taken en anderdeels de technische en gedragscompetenties betreft. IX-10.013-21/23 Bovendien werd voor de taken van hoofdmaatschappelijk werker in externe ondersteuning voorzien, zodat het afdelingshoofd Mens die taken niet – minstens niet allemaal – moet opnemen. Met verzoekster kan dan ook niet worden meegegaan in de stelling dat zij door de bestreden beslissing de facto op C-niveau zou moeten presteren. 37. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster niet aantoont dat de functie van afdelingshoofd Mens geen passende functie is zoals bedoeld in artikel 589, § 1, van het decreet lokaal bestuur. Het eerste middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.013-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.013-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div