← België

Arrest 260052 - Schooltucht - 06/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.052 Rolnummer: A. 242041/IX-10476 Zaak: Arrest 260052 - Schooltucht - 06/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-10 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-15 02:42 Fiche Arrest nr 260.052 van 6 juni 2024 Onderwijs en cultuur - Schooltucht Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.052 no lien 277579 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.052 van 6 juni 2024 in de zaak A. 242.041/IX-10.476 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Célia De Bondt kantoor houdend te 1000 Brussel Koloniënstraat 56 bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW DON BOSCO ONDERWIJSCENTRUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 30 mei 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Don Bosco Onderwijscentrum van 21 mei 2024 tot definitieve uitsluiting van XXXX uit het Don Bosco Technisch Instituut te Halle. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 juni 2024 om 14.00 uur. IX-10.476-1/6 Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Célia De Bondt, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie
  4. De verwerende partij betwist in een exceptie dat de bestreden beslissing, een tuchtmaatregel van definitieve uitsluiting van een leerling, te beschouwen is als een administratieve rechtshandeling waarover de Raad van State vermag te oordelen in het kader van een annulatieberoep en, bijgevolg, van een vordering tot schorsing. Beoordeling
  5. De school waaruit verzoeker met de bestreden beslissing definitief wordt uitgesloten – en waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is – is een vrije onderwijsinstelling, opgericht op privé-initiatief. De betrekking tussen die instelling en haar leerlingen ontstaat door een overeenkomst, zodat in beginsel de rechtsverhouding tussen partijen van contractuele aard is en de geschillen daaromtrent rechten betreffen waarvoor, gelet op artikel 144, eerste lid, van de Grondwet, uitsluitend de gewone rechter bevoegd is. IX-10.476-2/6 Weliswaar kunnen instellingen die zijn opgericht door privépersonen, maar die erkend zijn door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, en wanneer die instellingen een deel van het openbaar gezag uitoefenen, optreden als administratieve overheden in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mits hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden, meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen eenzijdig te bepalen of door verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen. Dergelijke beslissingen kunnen dan het voorwerp zijn van een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing.
  6. Aan verzoeker is een maatregel van definitieve uitsluiting opgelegd, waaronder naar luid van artikel 123/10, § 1, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs moet worden verstaan: het ontnemen van het recht om vanaf een bepaalde datum het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen in de school. Aan zo een tuchtmaatregel zijn, in beginsel, geen dwingende rechtsgevolgen verbonden voor derden; ze is essentieel louter te begrijpen als behorende tot de regels van de interne organisatie van de onderwijsinstelling.
  7. De vaststelling dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van beroepen gericht tegen tuchtmaatregelen in het vrij onderwijs mag vaste rechtspraak heten, getuige bijvoorbeeld de arresten nr. 121.835 van 23 juli 2003, nr. 206.914 van 18 augustus 2010, nr. 213.958 van 17 juni 2011, nr. 215.148 van 14 september 2011, nr. 217.573 van 26 januari 2012, nr. 218.187 van 23 februari 2012, nr. 218.837 van 10 april 2012, nr. 223.358 van 2 mei 2013, nr. 238.480 van 12 juni 2017, nr. 242.489 van 1 oktober 2018 en, meer recent nog, nr. 258.134 van 5 december
  8. Wie bijgevolg reden ziet om de Raad van State – en dan nog wel in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid – ervan te kunnen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.052 IX-10.476-3/6 overtuigen om af te wijken van zijn vaste rechtspraak, moet zijn argumenten – mede ook gezien het schriftelijk karakter van de procedure – nauwgezet in zijn inleidend verzoekschrift verwoorden. Verzoeker bespreekt daarin evenwel met geen woord de rechtsmacht van de Raad van State.
  9. Er dient derhalve in de huidige stand van de procedure te worden geoordeeld dat de verwerende partij de bestreden uitsluitingsbeslissing niet heeft genomen als administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De Raad van State beschikt derhalve op het eerste gezicht niet over de rechtsmacht om kennis te nemen van de voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  10. Ter terechtzitting wijst verzoeker erop dat in het verzoekschrift onder de hoofding ‘IV. Wat betreft de uiterst dringende noodzakelijkheid’ is toegelicht dat de uitvoering van de definitieve uitsluiting de facto betekent dat hij op een C-attest afstevent. Een dergelijke beslissing is wel vatbaar voor vernietiging door de Raad van State, zo besluit hij. Daargelaten dat verzoeker dit argument in zijn verzoekschrift slechts aanhaalt ter ondersteuning van de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid, dient vastgesteld dat verzoeker niet aanvoert, laat staan aantoont dat een C-attest op vandaag voorhanden is. Evident heeft verzoeker het ook niet tot voorwerp van zijn vordering gemaakt. Even evident kan de Raad van State zich in het kader van de voorliggende vordering niet erover uitspreken.
  11. Zo verzoeker bedoelt dat de bestreden beslissing een C-attest inhoudt, moet hem vooreerst worden tegengeworpen dat hij dat niet met de vereiste duidelijkheid en precisie reeds in zijn verzoekschrift onder de bijzondere aandacht van de Raad van State heeft gebracht. Bovendien betekent meegaan in de redenering van verzoeker dat tegen die “evaluatiebeslissing” een beroep als bedoeld in artikel 123/15 van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.052 IX-10.476-4/6 de Codex Secundair Onderwijs openstaat. Vooralsnog blijkt niet dat verzoeker die beroepsprocedure heeft ingesteld. Dit maakt dat de vordering in de door verzoeker geformuleerde hypothese onontvankelijk is.
  12. De exceptie, desnoods ambtshalve geformuleerd, vertoont de vereiste ernst opdat ze in de huidige stand van het geding kan worden aangenomen. Dienvolgens moet de vordering worden verworpen. IV. Rechtsplegingsvergoeding
  13. Wat voorafgaat impliceert dat de verwerende partij als de “in het gelijk gestelde partij” in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet worden beschouwd. In haar nota vordert zij “de basisrechtsplegingsvergoeding van € 940,00”. Die basisrechtsplegingsvergoeding bedraagt evenwel 770 euro. Op het méér gevorderde, kan de verwerende partij geen aanspraak maken. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt de vordering.
  15. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  16. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.476-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jurgen Neuts IX-10.476-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.052 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.