id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.098 Rolnummer: Zaak: Arrest 260098 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-17 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-11 03:09 Fiche Arrest nr 260.098 van 13 juni 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.098 no lien 277621 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 260.098 van 13 juni 2024 in de zaken I. A. 239.069/VII-42.028 II. A. 239.108/VII-42.037 In zake : I. de NV ALGEMENE BOUWONDERNEMING HEYLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen II. de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I. + II. R.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Fatema Hosseini kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
- De cassatieberoepen, ingesteld op 10 mei 2023 en 15 mei 2023, strekken tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0743 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 6 april 2023 in de zaak 2122-RvVb-0703-A. VII-42.028 & 42.037-1/9 II. Verloop van de rechtsplegingen
- De cassatieberoepen zijn toelaatbaar verklaard bij beschikkingen van 15 juni
- De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben elk een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 15 september 2023 en 4 oktober 2023 in beide zaken verslagen opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 april
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jordy Hendrikx, die loco advocaat Steven Van Geeteruyen verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak sub I en advocaat Anton Rombaut, die loco advocaten Yves Loix en Fatema Hosseini verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-42.028 & 42.037-2/9 III. Samenvoeging
- De twee cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het is gepast beide zaken samen te voegen. IV. Feiten 4.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg verleent aan de verzoekende partij sub I een omgevingsvergunning voor de afbraak van een gebouw en de oprichting van tien eengezinswoningen. De verwerende partij stelt een bestuurlijk beroep in tegen deze vergunning. De provinciale omgevingsambtenaar deelt op 8 april 2022 aan de verwerende partij mee dat de deputatie geen beslissing heeft genomen over haar beroep waardoor het beroep wordt geacht te zijn afgewezen en de bestreden beslissing als definitief wordt aanzien. 4.
- De verwerende partij vordert bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen de vernietiging van de stilzwijgende deputatiebeslissing. De verzoekende partijen werpen op dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het uitsluitend wordt gericht tegen de stilzwijgende beslissing in tweede bestuurlijke aanleg en niet wordt gericht tegen de in eerste aanleg verleende vergunning. 4.
- Het bestreden arrest verwerpt de exceptie van niet-ontvankelijkheid, verklaart het enige middel tot nietigverklaring gegrond, vernietigt de bestreden beslissing en beveelt de verzoekende partij sub II om een nieuwe beslissing te nemen over het bestuurlijk beroep. VII-42.028 & 42.037-3/9 V. Onderzoek van het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak sub I Uiteenzetting van het onderdeel
- De verzoekende partij sub I voert in het eerste onderdeel van het tweede middel de schending aan van artikel 15, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’. Zij komt op tegen de verwerping door de Raad voor Vergunningsbetwistingen van de exceptie van niet-ontvankelijkheid die zij had opgeworpen. Het bestreden arrest verwerpt die exceptie op grond van volgende redenen: “2.1 Artikel 66, § 3, tweede lid [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’] bepaalt: ‘Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het beroep of worden de beroepen geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien.’ Uit die bepaling volgt dat het verstrijken van de toepasselijke decretale vervaltermijn om te beslissen van rechtswege leidt tot een stilzwijgende afwijzing van het beroep. […] 2.2 Uit [het] arrest van de Raad van State [van 5 mei 2022 met nummer 253.650] volgt dat de stilzwijgende afwijzing van het bestuurlijk beroep tegen een uitdrukkelijke vergunningsbeslissing in eerste aanleg, op grond van artikel 66, §3, tweede lid [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’], twee vergunningsbeslissingen in het rechtsverkeer doet ontstaan:
(1)de stilzwijgende afwijzing van het bestuurlijk beroep in laatste aanleg;
(2)de uitdrukkelijke vergunningsbeslissing in eerste aanleg die ‘als definitief moet worden aangezien’. De [deputatie] wordt, althans in die situatie, geacht ingestemd te hebben met de motieven van de uitdrukkelijke vergunningsbeslissing in eerste aanleg. Daaruit volgt dat de verzoekende partij die geconfronteerd wordt met een stilzwijgende beslissing in de zin van artikel 66, §3, tweede lid [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’], niet alleen haar vernietigingsberoep formeel moet richten tegen die stilzwijgende vergunningsbeslissing in laatste aanleg. Om het rechterlijk beroep ontvankelijk aan te vatten, moet ze een middel uiteenzetten tegen de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.098 VII-42.028 & 42.037-4/9 motieven van de uitdrukkelijke beslissing in eerste administratieve aanleg, beslissing
(2). Een verzoekschrift dat, in die situatie, enkel middelen ontwikkelt tegen de stilzwijgende beslissing in laatste administratieve aanleg, beslissing
(1), is onontvankelijk. 3. Het verzoekschrift bevat onder punt ‘VII Middelen die de vernietiging verantwoorden’ kritiek die zich enkel toespitst op de stilzwijgende afwijzing van het bestuurlijk beroep in laatste aanleg, beslissing
(1). Het verzoekschrift bevat onder punt ‘VI Feitelijke en juridische voorgaanden’ tevens een verwijzing naar de ‘beslissing van het college van burgemeester en schepenen dd. 19 augustus 2021’ (stuk 3) en met name het ‘beroep bij de deputatie’ (stuk 4). Laatstgenoemd stuk betreft het administratief beroepschrift van de verzoekende partij waarin kritiek is opgenomen onder punt ‘Inhoudelijke argumentatie, gericht tegen de bestreden beslissing’ tegen de uitdrukkelijke beslissing in eerste administratieve aanleg, beslissing
(2). Redelijkerwijs kan niet worden betwist dat het vernietigingsberoep via de gevoegde overtuigingsstukken bij het verzoekschrift kritiek bevat die gericht is tegen beide vergunningsbeslissingen. In dit geval bevat het bijgevoegde administratief beroepschrift van de verzoekende partij, samen met het ontwikkelde enig middel in het verzoekschrift en de uiteenzetting in de wederantwoordnota, een afdoende toelichting van het middel dat is gericht tegen de motieven van de uitdrukkelijke beslissing in eerste administratieve aanleg.”
- De verzoekende partij sub I betoogt dat het bestreden arrest artikel 15, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ miskent door aan te nemen dat de verwerende partij een middel heeft geformuleerd tegen de uitdrukkelijke vergunningsbeslissing in eerste aanleg. De uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift over de feitelijke voorgaanden, waarin verwezen wordt naar het administratief beroepschrift tegen de in eerste aanleg genomen beslissing, kan volgens de verzoekende partij sub I niet volstaan als middel. Deze uiteenzetting zou niet voldoen aan de vereisten die aan een middel worden gesteld. De motieven van het administratief beroepschrift werden immers niet hernomen in het verzoekschrift, en hebben evenmin het voorwerp uitgemaakt van een tegensprekelijk debat. Pas in de wederantwoordnota van de verwerende partij zou een middel zijn uitgewerkt waarmee inhoudelijk kritiek werd geleverd tegen de vergunningsbeslissing in eerste administratieve aanleg. De verwerende partij zou ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.098 VII-42.028 & 42.037-5/9 dit hebben vastgeknoopt aan het bezwaar en het administratief beroep die tijdens de vergunningsprocedure werden ingediend. Uit de processtukken van de verwerende partij voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen zou blijken dat dit middel niet eerder werd ontwikkeld. De verzoekende partij sub I besluit dat het inleidend verzoekschrift voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen geen middel bevat dat gericht is tegen minstens één motief van de vergunningsbeslissing in eerste administratieve aanleg, zodat de Raad voor Vergunningsbetwistingen de draagwijdte heeft miskend van het begrip “middel”. Beoordeling
- Het bestreden arrest doet uitspraak over een beroep dat de verwerende partij heeft ingesteld tegen de stilzwijgende afwijzing van een bestuurlijk beroep in de zin van artikel 66, § 3, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’. Het verwerpt de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep waarin werd aangevoerd dat het verzoekschrift van de verwerende partij geen middel bevat dat opkomt tegen de motieven van de in eerste bestuurlijke aanleg verleende vergunning.
- Luidens artikel 15, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ moet het verzoekschrift waarmee het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen wordt ingesteld, een uiteenzetting bevatten van de feiten en de ingeroepen middelen. Onder “middel” dient te worden verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden algemeen rechtsbeginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat algemeen rechtsbeginsel wordt geschonden. Die omschrijving moet in het verzoekschrift zelf gebeuren; een middel kan niet worden afgeleid uit de kritiek die wordt aangevoerd in stukken die de beroeper bij zijn verzoekschrift voegt. De vereiste om een middel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.098 VII-42.028 & 42.037-6/9 voldoende duidelijk en nauwkeurig in het verzoekschrift te formuleren, strekt ertoe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de overige partijen te waarborgen.
- Het bestreden arrest stelt vast: - het verzoekschrift bevat onder het punt “Middelen die de vernietiging verantwoorden” kritiek die zich enkel toespitst op de stilzwijgende afwijzing van het bestuurlijk beroep in laatste instantie; - het verzoekschrift bevat onder het punt “Feitelijke en juridische voorgaanden” een verwijzing naar de uitdrukkelijke vergunningsbeslissing in eerste bestuurlijke aanleg, en naar het bestuurlijk beroep dat hiertegen werd ingesteld; - de uitdrukkelijke vergunningsbeslissing in eerste bestuurlijke aanleg en het bestuurlijk beroepschrift werden als stukken bij het verzoekschrift gevoegd; - het bijgevoegde bestuurlijk beroepschrift bevat kritiek tegen de in eerste bestuurlijke aanleg genomen beslissing. Door vervolgens te beslissen: “Redelijkerwijs kan niet worden betwist dat het vernietigingsberoep via de gevoegde overtuigingsstukken bij het verzoekschrift kritiek bevat die gericht is tegen beide vergunningsbeslissingen. In dit geval bevat het bijgevoegde administratief beroepschrift van de verzoekende partij [verwerende partij in cassatie], samen met het ontwikkelde enig middel in het verzoekschrift en de uiteenzetting in de wederantwoordnota, een afdoende toelichting van het middel dat is gericht tegen de motieven van de uitdrukkelijke beslissing in eerste administratieve aanleg”, en op grond hiervan de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen, miskent de Raad voor Vergunningsbetwistingen de draagwijdte van artikel 15, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’. Het onderdeel is gegrond. VII-42.028 & 42.037-7/9 VI. Gevolgen van de gegrondheid van het onderdeel
- De gegrondheid van het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak sub I volstaat om te besluiten tot vernietiging van het bestreden arrest. Noch de andere (onderdelen van) middelen die door de verzoekende partij sub I worden aangevoerd, noch de middelen die door de verzoekende partij sub II worden aangevoerd, moeten nog onderzocht worden.
- Nu besloten wordt tot vernietiging van het bestreden arrest als een gevolg van de gegrondheid van een door de verzoekende partij sub I opgeworpen middel, wordt de verzoekende partij sub II niet beschouwd als een “in het gelijk gestelde partij” in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, RvS-wet. Zij kan bijgevolg geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. BESLISSING
- De zaken A. 239.069/VII-42.028 en A. 239.108/VII-42.037 worden samengevoegd.
- De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2223-0743 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 6 april 2023 in de zaak 2122-RvVb-0703-A.
- Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
- De zaken worden verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep sub I , begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een VII-42.028 & 42.037-8/9 rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij sub I.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep sub II, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.028 & 42.037-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.098 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div