id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.100 Rolnummer: A. 235758/VII-41314 Zaak: Arrest 260100 - Natuurbehoud - Vergunningen - 13/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-27 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-11 03:09 Fiche Arrest nr 260.100 van 13 juni 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.100 no lien 277623 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 260.100 van 13 juni 2024 in de zaak A. 235.758/VII-41.314 In zake : A.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joëlle Gillemot kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 februari 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 22 december 2021 tot weigering van het verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing met betrekking tot een perceel gelegen te Essen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 19 januari 2023 een verslag opgesteld. VII-41.314-1/16 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 mei
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inge Van Den Dorpel, die loco advocaten Reiner Tijs en Joëlle Gillemot verschijnt voor verzoeker en advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is eigenaar van een perceel grond, gelegen te Essen, dat volgens de voorschriften van het gewestplan Turnhout bestemd is tot zone voor verblijfsrecreatie. 3.
- Met betrekking tot het voormelde perceel ontvangt het Agentschap voor Natuur en Bos op 27 augustus 2021 van verzoeker een verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing. De te ontbossen oppervlakte bedraagt 3 are en zal worden uitgevoerd met het oog op het bouwen van een weekendverblijf met toegangsweg. VII-41.314-2/16 3.
- De entiteit Adviezen, Vergunningen, Erkenningen en Subsidies van het Agentschap voor Natuur en Bos verleent een ongunstig advies over het verzoek. 3.
- Op 22 december 2021 weigert het Agentschap voor Natuur en Bos de gevraagde ontheffing van het verbod op ontbossing. Deze beslissing steunt op de volgende motieven: “- Het perceel is gelegen in een gebied voor verblijfsrecreatie. De ontbossing voor het oprichten van een weekendverblijf is verenigbaar met de ruimtelijke bestemming. - De te ontbossen oppervlakte bedraagt 3 are. - Het Agentschap voor Natuur en Bos concludeert op basis van een screening dat het project geen aanzienlijke milieueffecten op een bijzonder beschermd gebied kan hebben en dat er bijgevolg geen MER moet worden opgemaakt. - Het Agentschap voor Natuur en Bos heeft in uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering van 31 januari 2014 inzake de conceptnota ‘Plan van aanpak ruimtelijk bedreigde bossen’ een multi criteria analyse toegepast, waaruit blijkt dat deze bossen gekarakteriseerd worden als meest waardevol en dat bijgevolg behoud van deze bossen primeert. - Het aanwezige bos betreft een gemengd bosbestand van voornamelijk fijnspar, zomereik en ruwe berk. Recent werd een kapmachtiging voor het kappen van de aanwezige fijnsparbomen verkregen. Waartoe het bos na exploitatie van nature ontwikkelt als een inheems structuurrijk loofbos, met potenties tot een Europees habitatwaardig bos van habitattype 9190 ‘Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur’. - Het bos kent een ontstaansgeschiedenis van tussen 1850 en 1930, wat aangeeft dat er een reële kans bestaat op aanwezigheid en ontwikkeling van zeer waardevolle bosvegetatie. - De ecologische en landschappelijke waarde van het bos zijn hierbij niet gering. - De te ontbossen perceel is gelegen in een aaneengesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is en als bos behouden kan worden. - Volgens de afbakeningsprocessen van de natuurlijke en agrarische structuur in het kader van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen maakt het perceel deel uit van een gebied waarin het behoud en versterking van samenhangende boscomplexen vooropstaan (Gebied 16.
- Essen-Duinen). - Het perceel is gelegen in en nabij de natuur- en boscomplexen van Horendonk, het natuurcomplex De Maatjes en (op Nederlands grondgebied) de Rucphense bossen. Dat hierbij het perceel welk een ligging heeft tussen deze natuurcomplexen een belangrijke functie vervult als zone voor faunapassage en als rustplaats voor fauna. - De waarden en potenties van het bos als onderdeel van een natuurnetwerk werden alsook bevestigd in het INBO-document: ‘Natuurverbindingsgebieden in Vlaanderen: achtergronden, afbakening en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.100 VII-41.314-3/16 mogelijke inrichting. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007 (INBO.R.2007.14)’. - De geplande ontbossing voor bebouwing met aanhorigheden zoals de aanleg van verhardingen en oprit, tuinzones en tot slot het aanbrengen van erfafsluitingen, zal aanleiding geven tot verdere versnippering van het ecologisch waardevol gebied. Deze versnippering dient vermeden te worden zodat de natuurwaarde kan gewaarborgd blijven. - De ontbossing en de hierbij gewijzigde dynamiek binnen het bos leidt hierbij tot de degradatie van het boscomplex. Vermits de bebouwing, verhardingen en menselijke activiteiten tot verdere versnippering van het gebied leiden. - Bijkomende versnippering en bosdegradatie binnen het gebied kennen een negatief effect op faunapassage van de in de natuur- en boscomplexen aanwezige populaties van vleermuizen en vogelsoorten. Dat hierbij op lange termijn de isolatie van de leefgebieden en de beperkte genetische uitwisseling, de kansen op een gunstige staat van instandhouding van verschillende dier- en plantensoorten hypothekeert […].” Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
- Als eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 16.5.2 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’, van artikel 16 van de Grondwet, van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: eerste aanvullend protocol bij het EVRM), van het beginsel van gelijkheid van de burgers voor openbare lasten en van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker meent dat door de bestreden beslissing de oprichting van geen enkele constructie op het perceel nog mogelijk is. Daardoor kan hij geen genot meer hebben van het betrokken perceel en wordt zijn eigendomsrecht geschonden. Voorts zou er geen sprake zijn van een billijk evenwicht tussen het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.100 VII-41.314-4/16 ontbossingsverbod en de aan hem opgelegde lasten (eigendomsbeperking/quasi onteigening) die niet gepaard gaan met enige vergoeding. De bestreden beslissing is bovendien onvoldoende gemotiveerd en werd niet genomen op basis van een correcte feitenvinding. In werkelijkheid is er geen sprake van faunapassage nu het perceel omsloten is door gebouwen. Er valt dan ook niet in te zien hoe een verbod op ontbossing op dit perceel bijdraagt tot het behoud, de bescherming, het beheer en het herstel van de bossen en van hun natuurlijk milieu. Tot slot acht verzoeker de bestreden beslissing kennelijk onredelijk omdat slechts een vierde van het betrokken perceel zou worden ontbost.
- In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat bij de toetsing van de bestreden beslissing aan artikel 16 van de Grondwet rekening moet worden gehouden met de draagwijdte van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, dat een ontbossingsverbod als een beperking van het recht op het ongestoord genot van eigendom moet worden beschouwd, dat de waardevermindering van het perceel een evident gevolg is van het ontbossingsverbod en dat de bestreden beslissing “elke mogelijkheid tot realisatie van de bestemming hypothekeert”. Beoordeling
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt: “Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling.” Artikel 16 van de Grondwet heeft enkel betrekking op de daadwerkelijke onteigening, dit is de gedwongen overdracht van eigendom met eigendomsverlies tot gevolg en dus een werkelijke ontzetting van het bezit, minstens een blijvende verlamming van de drie bestanddelen van het eigendomsrecht, wat te dezen niet het geval is. De weigering van de ontheffing van het verbod op ontbossing heeft immers niet tot gevolg dat verzoeker uit zijn VII-41.314-5/16 eigendomsrechten wordt ontzet, noch dat hij ertoe wordt verplicht om tot eigendomsoverdracht over te gaan.
- Beperkingen van het eigendomsrecht die geen overdracht van de eigendom met zich meebrengen, vallen wel onder de waarborgen van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Artikel 1 van het eerste protocol bepaalt: “Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren.” Die bepaling biedt niet alleen bescherming tegen een daadwerkelijke onteigening of eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin, artikel 1, eerste protocol), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin, artikel 1, eerste protocol) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea, artikel 1, eerste protocol). Bovendien beschermt artikel 1 van het eerste protocol niet alleen het klassieke eigendomsrecht in de zakenrechtelijke betekenis maar ook de vermogensrechten. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof dat elke inmenging in het eigendomsrecht een billijk evenwicht dient te vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. VII-41.314-6/16 Een beperking van “het ongestoord genot” van eigendom houdt evenwel niet ipso facto een schending in van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Het tweede lid van dit artikel bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”.
- Het bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna: bosdecreet) voert een principieel ontbossingsverbod in met het oog op het behoud, de bescherming, het beheer en het herstel van de bossen en van hun natuurlijk milieu. Een door dat doel ingegeven weigering tot ontheffing van het decretale ontbossingsverbod kan worden ingepast in artikel 1, tweede lid, van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Er moet tevens een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Wanneer het gaat om een maatregel van reglementering van gebruik van eigendom, is het gebrek aan vergoeding één van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of het billijk evenwicht geëerbiedigd werd, maar kan dat gebrek aan vergoeding op zichzelf nooit een schending van het voormelde artikel 1 opleveren.
- In de bestreden beslissing wordt erop gewezen dat de “ecologische en landschappelijke waarde van het bos [...] niet gering [zijn]”, dat “er een reële kans bestaat op aanwezigheid en ontwikkeling van zeer waardevolle bosvegetatie” en dat het “te ontbossen perceel […] gelegen [is] in een aaneengesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is en als bos behouden kan worden”. Voorts wordt gesteld dat het perceel “een belangrijke functie vervult als zone voor faunapassage en als rustplaats voor fauna”, dat “[d]e geplande ontbossing voor bebouwing met aanhorigheden zoals de aanleg van verhardingen en oprit, tuinzones en tot slot het aanbrengen van erfafsluitingen, […] aanleiding [zal] geven tot verdere versnippering van het ecologisch waardevol gebied” en dat “[b]ijkomende versnippering en bosdegradatie binnen het gebied […] een negatief effect [kennen] op faunapassage van de in de natuur- en boscomplexen aanwezige populaties van vleermuizen en vogelsoorten”. De in de bestreden beslissing opgegeven motieven kunnen ingepast worden in de bescherming van het algemeen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.100 VII-41.314-7/16 belang in de zin van artikel 1, tweede lid, van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM.
- Verzoeker toont niet aan dat ingevolge de bestreden beslissing, waarmee zijn verzoek tot ontheffing van het ontbossingsverbod wordt geweigerd, geen constructies van welke aard dan ook meer zullen kunnen worden opgericht. De bestreden beslissing spreekt zich immers enkel uit over de concreet ingediende aanvraag en houdt meer bepaald rekening met “[d]e geplande ontbossing voor bebouwing met aanhorigheden zoals de aanleg van verhardingen en oprit, tuinzones en […] het aanbrengen van erfafsluitingen”. Uit niets blijkt dat ieder ander project op het betrokken perceel uitgesloten is, laat staan dat de bestreden beslissing ertoe strekt een volledig bouwverbod in te stellen.
- Uit het gegeven dat het perceel gelegen is in een zone voor verblijfsrecreatie kan verzoeker niet de gerechtvaardigde verwachting putten dat het bestuur, volledig voorbijgaand aan de bepalingen van het bosdecreet, ertoe gehouden zou zijn een toelating te verlenen voor eender welk project dat strekt tot het realiseren van een weekendverblijf op het betrokken terrein, te meer omdat volgens de begripsomschrijving van bos in de zin van artikel 3, § 1, van het bosdecreet de planologische bestemming van de percelen geen determinerend criterium is. In dit verband moet ook benadrukt worden dat de realisatie van de planologische bestemming afhankelijk is van de verenigbaarheid ervan met andere sectorale wetgeving, zoals in dit geval het bosdecreet. In bepaalde gevallen kunnen de door de sectorale wetgeving gestelde eisen ertoe leiden dat de bestemming die bepaald werd in de verordenende stedenbouwkundige voorschriften, niet kan worden gerealiseerd. De bestreden beslissing stelt overigens vast dat de beoogde ontbossing “verenigbaar [is] met de ruimtelijke bestemming”. Meer in het algemeen mag ook niet uit het oog worden verloren dat het Agentschap voor Natuur en Bos bij de beoordeling van een individuele ontheffingsaanvraag overeenkomstig artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt en dat bij de uitoefening van die bevoegdheid rekening moet worden gehouden met alle beschikbare feitelijke elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.100 VII-41.314-8/16 aanvraag. De dossiergerichte beoordeling van ontheffingsaanvragen brengt mee dat het verlenen van een individuele ontheffing van het verbod op ontbossing in een bepaald geval niet bij elkeen de gerechtvaardigde verwachting kan wekken dat ook zijn aanvraag dezelfde gewenste uitkomst zal kennen.
- Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie houdt het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten in dat de overheid niet zonder vergoeding lasten kan opleggen die groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen. Uit dat beginsel vloeit voort dat de onevenredig nadelige - dit zijn de buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een op zich rechtmatige overheidsdaad, zoals het opleggen van een erfdienstbaarheid van openbaar nut, niet ten laste van de getroffene behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld. In dit geval voorziet het bosdecreet niet in een vergoedingsregeling voor de eigenaars van beboste percelen wiens verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing wordt geweigerd. Dat verhindert niet dat de rechter in het kader van bepaalde geschillen moet onderzoeken of op grond van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten een vergoeding moet worden toegekend. Het ontbreekt de Raad van State echter aan rechtsmacht om dergelijk onderzoek te verrichten in het kader van een vernietigingsberoep tegen de bestreden beslissing.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 90bis, § 1, van het bosdecreet juncto artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 ‘tot vaststelling van nadere regels inzake ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.100 VII-41.314-9/16 compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Als eerste middelonderdeel voert verzoeker in essentie aan dat een beperkte ontbossing geen bedreiging vormt voor de vastgestelde waarden. Voorts wijst hij op de bebouwing en de weilanden in de onmiddellijke omgeving, op de ligging van zijn perceel aan een wegenis en op de bestemming ervan. Hij betwist dat het gedeeltelijk te ontbossen perceel onderdeel is van een aaneengesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is, dat een faunapassage en rustmoment voor vogels en vleermuizen in gevaar zou komen en dat er sprake zou zijn van versnippering van natuurwaarden. Verzoeker uit ook kritiek op een aantal specifieke weigeringsmotieven. Zo zijn de overwegingen in verband met de multicriteria-analyse, waaruit zou blijken dat deze bossen gekarakteriseerd worden als meest waardevol en het behoud ervan derhalve primeert, uiterst summier en niet duidelijk. Hij wijst er in dat verband onder meer op dat een aantal aannames zeer voorwaardelijk geformuleerd zijn (een “reële kans” op de aanwezigheid en ontwikkeling van zeer waardevolle bosvegetatie; het bos “kan” zich als inheems structuurrijk loofbos ontwikkelen). Daarnaast kan uit de loutere verwijzing naar de titel van een studie van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek uit 2007 `Natuurverbindingsgebieden in Vlaanderen: achtergronden, afbakening en mogelijke inrichting’ niet worden afgeleid dat het desbetreffende bos een essentieel deel van het natuurnetwerk zou vormen. De “gewijzigde dynamiek” waar de bestreden beslissing naar verwijst zou uiterst beperkt zijn, aangezien slechts een weekendverblijf en geen permanente woning zou worden opgericht. Tot slot beweert verzoeker er het raden naar te hebben welke vleermuizen en vogelsoorten ter plaatse aanwezig zouden zijn. In het tweede middelonderdeel argumenteert verzoeker dat klaarblijkelijk op 7 december 2021 een advies over zijn verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing werd uitgebracht maar dat de bestreden beslissing de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.100 VII-41.314-10/16 strekking van dit advies echter niet vermeldt. Uit artikel 90bis, § 1, van het bosdecreet en artikel 15 van besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 volgt nochtans dat dit advies een essentieel onderdeel is van de beslissingsprocedure over het verzoek tot ontheffing.
- Verzoeker onderlijnt in zijn memorie van wederantwoord dat de aanname van de verwerende partij omtrent de ligging van het perceel in een “aaneengesloten geheel van bossen” op basis van “een actuele foto uit Google Maps” feitelijk onjuist is, dat de zogeheten multicriteria-analyse niet “concreet en duidelijk” werd toegepast op de aanvraag, dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat er evenmin sprake is van een “aaneengesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is” zodat een beperkte ontbossing van het perceel niet kan leiden tot versnippering van de (beschermde) natuurwaarden en dat het in artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 vermelde advies “niet louter een vormvereiste [is] doch […] een essentieel deel van de bestreden beslissing”. Beoordeling Eerste onderdeel
- Artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet dient als rechtsgrond voor de bestreden beslissing. Naar luid van die bepaling kan de Vlaamse regering “op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen of een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en na advies van het Agentschap”. Bij de beoordeling van een individuele ontheffingsaanvraag in toepassing van voormelde bepaling van het bosdecreet beschikt het Agentschap over een ruime discretionaire bevoegdheid. In het kader van de uitoefening van die VII-41.314-11/16 bevoegdheid dient het Agentschap acht te slaan op alle beschikbare feitelijke elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Overeenkomstig artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 dient een “met reden omklede” beslissing over de ontheffing van het verbod op ontbossing te worden genomen.
- Bij de beoordeling van het eerste middel werd reeds aangegeven dat verzoeker uit de ligging van het betrokken perceel in een zone voor verblijfsrecreatie niet de gerechtvaardigde verwachting kan putten dat het bestuur ertoe gehouden is een toelating te verlenen voor eender welk project dat strekt tot het realiseren van een weekendverblijf op het betrokken perceel. Ook de vermelding als ‘bouwgrond voor weekendverblijven’ in een notariële akte, verhindert de verwerende partij niet op deugdelijke feitelijke gronden vast te stellen dat het perceel bebost is en onderdeel is van een aaneengesloten geheel van bossen.
- In zoverre verzoeker betwist dat zijn perceel deel uitmaakt van een aaneengesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is, wordt in de eerste plaats vastgesteld dat de motieven van bestreden beslissing enkel aangeven dat het betrokken perceel nog niet bebouwd is en als bos kan worden behouden. Voorts wordt in de bestreden beslissing met betrekking tot het waardevol en behoudenswaardig karakter van de bebossing gesteld dat “het perceel deel uit[maakt] van een gebied waarin het behoud en versterking van samenhangende boscomplexen vooropstaan (Gebied 16.
- Essen-Duinen)”, dat “[d]e waarden en potenties van het bos als onderdeel van een natuurnetwerk werden […] bevestigd in het INBO-document: ‘Natuurverbindingsgebieden in Vlaanderen: achtergronden, afbakening en mogelijke inrichting. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007 (INBO.R.2007.14)’”. Het betoog van verzoeker laat niet toe aan te nemen dat de in de bestreden beslissing opgegeven motieven een onterechte kwalificatie inhouden van het waardevol karakter van het bestaande bos. Gelet op de in de bestreden beslissing vermelde motieven, die een concrete betekenis en draagwijdte hebben, kan verzoeker zich niet beperken tot het VII-41.314-12/16 louter in vraag stellen van de ingeroepen functie als zone voor faunapassage en als rustplaats voor fauna.
- Het gegeven dat de omringende percelen reeds bebouwd zijn maakt de bestreden beslissing niet onredelijk. Het bestreden besluit geeft immers aan dat het betrokken perceel deel uitmaakt “van een gebied waarin het behoud en versterking van samenhangende boscomplexen vooropstaan”, en dat het betrokken perceel “welk een ligging heeft tussen deze natuurcomplexen een belangrijke functie vervult als zone voor faunapassage en als rustplaats voor fauna”. Rekening houdend met de diverse eigenschappen van het perceel voor het behoud van de aanwezige natuurwaarden in een ruimere omgeving, kan in redelijkheid afgeleid worden dat “verdere versnippering van het ecologisch waardevol gebied” voorkomen moet worden.
- Uitgaande van het principiële verbod op ontbossing, zoals vastgesteld in artikel 90bis, § 1, eerste lid, van het bosdecreet, kan niet aangenomen worden dat de op grond van de aangehaalde motieven genomen beslissing het redelijkheidsbeginsel schendt. In dit verband doet het ook niet ter zake dat de beoogde ontbossing slechts betrekking heeft op een beperkte oppervlakte van het betrokken perceel.
- Het eerste middelonderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het Agentschap voor Natuur en Bos het door artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 voorgeschreven advies heeft uitgebracht op 20 december 2021, zodat de vermelding van de datum van 7 december 2021 aangemerkt moet worden als een pure materiële misslag die de wettigheid van de bestreden beslissing niet aantast. Artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 vereist voorts niet dat de strekking van het advies van het Agentschap uitdrukkelijk wordt vermeld in de eindbeslissing over het verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing. VII-41.314-13/16
- Het tweede onderdeel is ongegrond. Conclusie
- Het tweede middel is in al zijn onderdelen ongegrond. C. Derde middel Standpunt van verzoeker
- In de memorie van wederantwoord werpt verzoeker een derde middel op dat ontleend is aan de schending van artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001, het verbod op machtsoverschrijding en het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens verzoeker raakt dit nieuwe middel de openbare orde. Hij betoogt dat uit artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 volgt dat de verwerende partij binnen een vervaltermijn van drie maanden, te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de behandelingstermijn, een beslissing over het verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing diende te nemen en dat na het verstrijken van deze beslissingstermijn de aanvraag wordt geacht te zijn afgewezen. Op het ogenblik dat het Agentschap voor Natuur en Bos de thans bestreden weigeringsbeslissing heeft genomen, was er met toepassing van artikel 15, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2021 reeds een stilzwijgende weigeringsbeslissing tot stand gekomen en was de verwerende partij bijgevolg niet meer bevoegd om uitspraak te doen over het verzoek. Beoordeling
- Artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 bepaalt dat binnen een termijn van drie maanden een “met reden omklede beslissing” over de ontheffing van het verbod op ontbossing genomen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.100 VII-41.314-14/16 wordt en dat in geval er binnen deze termijn van drie maanden geen beslissing wordt genomen “de aanvraag tot ontheffing van het verbod tot ontbossing [wordt] geacht te zijn afgewezen”.
- Het belang van verzoeker bij voorliggend annulatieberoep bestaat er concreet in dat zijn verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing, na de gebeurlijke vernietiging van de bestreden uitdrukkelijke weigeringsbeslissing, opnieuw moet worden onderzocht en beoordeeld door het Agentschap voor Natuur en Bos en dat de herneming van de procedure potentieel tot een voor hem gunstige beslissing kan leiden. Het gegrond bevinden van het middel zou ertoe leiden dat verzoeker wordt geconfronteerd met een definitief geworden stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek. Verzoekers belang wordt niet gediend door dergelijke vaststelling.
- Het voor het eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerde derde middel, daargelaten de vraag of het al dan niet de openbare orde raakt, is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.314-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.314-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div