id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.116 Rolnummer: A. 242132/IX-10481 Zaak: Arrest 260116 - Examens (onderwijs) - 13/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-14 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-06-11 03:09 Fiche Arrest nr 260.116 van 13 juni 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.116 van 13 juni 2024 in de zaak A. 242.132/IX-10.481 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieze Verheyen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 127A bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AUTONOOM PROVINCIEBEDRIJF PROVINCIAAL ONDERWIJS ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bus 9 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 12 juni 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “(
- i)[d]e beslissing tot definitieve uitsluiting van de directeur […] van 17 mei 2024 […]; […] (
- ii)[d]e beslissing tot bevestiging van de definitieve uitsluiting [van de beroepscommissie van het autonoom provinciebedrijf Provinciaal Onderwijs Antwerpen] van 5 juni 2024 [van verzoeker uit de school avAnt Provinciaal Onderwijs, campus Jacob Jordaens te Antwerpen]”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. IX-10.481-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 juni 2024, om 15.30 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lieze Verheyen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lobke Roodhooft, die loco advocaat Tom Peeters verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is in het schooljaar 2023-2024 leerling in het tweede leerjaar van de derde graad aan de school ‘avAnt Provinciaal Onderwijs’, campus Jacob Jordaens te Antwerpen. 3.2. Op 17 mei 2024 beslist de directeur van de betrokken school, na advies van de klassenraad en na verzoeker te hebben gehoord, om verzoeker “als tuchtmaatregel met onmiddellijke ingang uit de school uit te sluiten”. Daaraan wordt toegevoegd: “[Verzoeker] krijgt de kans om zijn examens op school af te leggen, dit zal doorgaan in een apart lokaal zodat [verzoeker] niet in contact komt met zijn medeleerlingen. De leerkrachten zullen alle leerstof met [verzoeker] delen, alsook de kans bieden om taken en toetsen in te halen. De afgesproken inhaalmomenten op 22/5/2024 en 29/5/2024 zullen ook gewoon doorgaan zoals gepland.” IX-10.481-2/11 Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.3. Op beroep van verzoeker overweegt en beslist de beroepscommissie van de verwerende partij op 5 juni 2024 wat volgt: “De beroepscommissie stelt vast dat [verzoeker] het huidige schooljaar is gestart met een gedragscontract. Desondanks vertoonde hij sinds de start van het schooljaar aanhoudend storend gedrag waardoor dit gedragscontract steeds negatief geëvalueerd werd. Ook de engagementsverklaring leidde niet tot enige wijziging in de attitude van [verzoeker]. Tijdens de laatstejaarsreis naar Frankrijk zijn er dan volkomen ontoelaatbare feiten door [verzoeker] gepleegd. Hierdoor zijn de veiligheid en alleszins het veiligheidsgevoel van de deelnemers aan de reis in het algemeen en van de begeleidende leerkrachten in het bijzonder in het gedrang gekomen. De feiten hebben tevens de school in diskrediet gebracht. Ter zitting van de beroepscommissie werden de feiten bij de uitdrukkelijke bevraging van [verzoeker] niet ontkend c.q. niet langer ontkend. Wat betreft de opgelegde tuchtsanctie is de beroepscommissie dan ook van oordeel dat de feiten die zich tijdens de reis in Frankrijk hebben voorgedaan, zoals verwoord in het dossier, zodanig ernstig zijn dat ze de opgelegde tuchtstraf van definitieve uitsluiting met onmiddellijke ingang rechtvaardigen. Gelet op de aard van deze feiten is de opgelegde sanctie ook proportioneel. Dit geldt des te meer nu deze feiten zijn gepleegd niettegenstaande er al corrigerende maatregelen door de school tijdens het schooljaar waren genomen, zoals eveneens in het dossier van de school vermeld, en die niet tot een verandering van het gedrag van [verzoeker] hebben geleid. Weliswaar heeft de individuele leerling recht om les te kunnen volgen. Hiertegenover staat echter wel het recht van de medeleerlingen en de personeelsleden van de school op een veilige en serene schoolomgeving. Door het handelen van [verzoeker] is hiervan geen sprake. Na kennisname van het dossier, de argumenten voor [verzoeker], zoals uiteengezet in het beroepsschrift d.d. 23 mei 2024 en voor de beroepscommissie op 4 juni 2024, en na uitvoerige beraadslaging, besluit de beroepscommissie, in voltallige samenstelling en bij unanimiteit, om op grond van voormelde feiten en overwegingen het besluit van de campusdirecteur tot definitieve uitsluiting met onmiddellijke ingang van [verzoeker] uit het avAnt Provinciaal Onderwijs campus Jacob Jordaens, te bevestigen.” Dat is de tweede bestreden beslissing. IX-10.481-3/11 IV. Ontvankelijkheid van de vordering Ambtshalve exceptie 4.1. Verzoeker vraagt de schorsing van tenuitvoerlegging van “de beslissing tot definitieve uitsluiting van de directeur” van 17 mei 2024 én van de beslissing “tot bevestiging van de definitieve uitsluiting” van de beroepscommissie van 5 juni 2024. 4.2. Alleen in laatste aanleg genomen beslissingen komen in aanmerking voor vernietiging of schorsing door de Raad van State. Dit betekent dat wanneer tegen een beslissing een georganiseerd administratief beroep openstaat, dat beroep eerst moet worden uitgeput en dat de beslissing over dat beroep de aanvankelijke beslissing vervangt; die aanvankelijke beslissing verdwijnt daarmee uit de rechtsorde. Het is dan ook alleen tegen de eindbeslissing – de beslissing na beroep – dat een verzoekende partij kan opkomen bij de Raad van State. 4.3. Te dezen heeft verzoeker de beslissing van de directeur van 17 mei 2024 om hem definitief uit te sluiten, aangevochten middels een georganiseerd administratief beroep bij het schoolbestuur. Dat beroep heeft geleid tot de beslissing van de beroepscommissie van 5 juni 2024. Die beslissing moet dan ook, op het eerste gezicht, worden aangemerkt als de in laatste aanleg genomen beslissing. De huidige vordering is dan ook, zo lijkt, slechts ontvankelijk in de mate ze de beslissing van de beroepscommissie van 5 juni 2024 tot voorwerp heeft. Ze lijkt niet ontvankelijk wat de beslissing van de directeur van 17 mei 2024 betreft. IX-10.481-4/11 Wanneer hierna aan ‘de bestreden beslissing’ wordt gerefereerd, wordt derhalve de voormelde beslissing van de beroepscommissie van 5 juni 2024 bedoeld. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid 6. Wat de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, voert verzoeker onder meer aan dat hij op dit ogenblik zijn laatste jaar in het secundair onderwijs beëindigt. De juni-examens zijn van start gegaan op 11 juni 2024. Hij betoogt geen andere school meer te kunnen vinden om aan de eindexamens deel te nemen en zal op die manier zijn schooljaar verliezen. Beoordeling 7. De bestreden beslissing is een tuchtmaatregel. Dat deze maatregel slechts enkele dagen vóór de aanvang van de juni-examens wordt opgelegd, dat aan verzoeker niet de mogelijkheid wordt geboden om die examens alsnog in de betrokken school af te leggen en dat evenmin in een alternatief wordt voorzien dat verzoekers kansen om te slagen voldoende gaaf houdt, maakt dat verzoeker voldoende aannemelijk aanvoert dat hij door de bestreden beslissing een schooljaar dreigt te verliezen. IX-10.481-5/11 Van een dergelijk nadeel neemt de Raad van State aan dat het getuigt van een uiterst dringende noodzakelijkheid, namelijk dat verzoeker de afwikkeling van een gewone vordering tot schorsing niet kan afwachten. 8. De verwerende partij betwist ter terechtzitting overigens ook niet dat deze voorwaarde is vervuld. 9. Aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is alvast voldaan. VII. Ernst van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 10. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 123/12 en 123/13, § 2, tweede lid, 6°, van de Codex Secundair Onderwijs, het zorgvuldigheidsbeginsel en het schoolreglement “onderdeel 4.4” van de verwerende partij. Met betrekking tot de bepalingen van artikel 123/12 en “onderdeel 4.4” van het schoolreglement betoogt verzoeker dat, anders dan bij de beroepen tegen evaluatiebeslissingen, de beroepscommissie “niet de mogelijkheid [heeft] om de initiële beslissing te hervormen of te vervangen met betrekking tot de tuchtmaatregel van de definitieve uitsluiting”. Volgens hem kan de beroepscommissie de definitieve uitsluiting alleen bevestigen of vernietigen. Verzoeker wijst erop dat de directeur in haar tuchtbeslissing aan hem de kans gegeven heeft om zijn examens op school af te leggen. Hoewel de bestreden beslissing deze tuchtbeslissing heeft bevestigd, werd hem meegedeeld IX-10.481-6/11 dat hij zijn examens toch niet mocht afleggen. Dit druist in tegen de bevoegdheid van de beroepscommissie. 11. Ter terechtzitting betoogt de verwerende partij dat de beroepscommissie geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of verzoeker de examens van juni nog mag afleggen. De beslissing om thans géén examens te mogen afleggen, gaat volgens haar uit van de algemeen directeur. Die beslissing wordt in de voorliggende vordering evenwel niet bestreden. De verwerende partij is voorts van oordeel dat de beslissing van de directeur om verzoeker enerzijds definitief uit te sluiten en, anderzijds, toch de mogelijkheid te geven om de juni-examens nog in de school af te leggen, “contra legem” is. Een definitieve uitsluiting verbreekt volgens haar dadelijk het contract tussen de leerling en de school. Beoordeling 12. Artikel 123/12, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs bepaalt: “Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot: 1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als:
- a)de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;
- b)het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement; 2° hetzij de bevestiging van de definitieve uitsluiting, hetzij de vernietiging van de definitieve uitsluiting. Het school- of centrumbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor deze beslissing van de beroepscommissie.” 13. Op het eerste gezicht biedt deze bepaling aan de beroepscommissie die wordt verzocht zich uit te spreken over een beroep van een leerling tegen een hem opgelegde tuchtmaatregel van de definitieve uitsluiting, slechts enkele mogelijkheden om te beslissen: ofwel verklaart zij het beroep onontvankelijk wegens laattijdigheid of wegens het niet-naleven van IX-10.481-7/11 voorgeschreven vormvereisten, ofwel bevestigt zij de definitieve uitsluiting, ofwel vernietigt zij de definitieve uitsluiting. 14. De thans bestreden beslissing lijkt een voor verzoekers schoolloopbaan wel erg belangrijk onderdeel van de oorspronkelijke tuchtbeslissing van de definitieve uitsluiting – de mogelijkheid voor verzoeker om de juni-examens nog in de betrokken school af te leggen – achterwege te hebben gelaten. Immers, verzoeker is laatstejaarsleerling en kan over een tweetal weken – mits een gunstige evaluatiebeslissing – zijn diploma secundair onderwijs behalen. Die concrete omstandigheden van de zaak laten prima facie niet toe te stellen dat de beroepscommissie zich ertoe heeft beperkt de oorspronkelijke tuchtbeslissing van de directeur te bevestigen. Integendeel, zij lijkt daaraan zelf – en dus anders dan de oorspronkelijke tuchtbeslissing van de directeur – een voor verzoeker nadelig gevolg te hebben gehecht, namelijk dat hij zijn juni-examens niet in de betrokken school mag afleggen, zodat zijn kansen om dit jaar te slagen en dus zijn diploma secundair onderwijs te behalen redelijkerwijze volledig worden gehypothekeerd. Zulks ontsnapt, zo lijkt, op grond van de aangehaalde bepaling aan de bevoegdheid van de beroepscommissie. 15.1. Het argument dat de beslissing om verzoeker niet toe te laten om deel te nemen aan de juni-examens niet in de bestreden beslissing zelf besloten ligt, maar een beslissing van de algemeen directeur is, kan niet overtuigen. Vooreerst maakt de bestreden beslissing op het eerste gezicht zelf geen enkele melding van de mogelijkheid om nog examens in juni af te leggen. IX-10.481-8/11 Voorts geeft de algemeen directeur van de verwerende partij in een e-mail van 10 juni 2024 aan dat het schoolbestuur “deze beslissing van de beroepscommissie [aanvaardt] en […] deze dan ook [implementeert]” en dat aan de definitieve uitsluiting “rechtsgevolgen [zijn] verbonden, meer bepaald dat de leerling aan de school geen lessen meer mag volgen en ook niet meer mag deelnemen aan examens”. Daarmee lijkt de algemeen directeur de bestreden beslissing slechts te parafraseren, te verduidelijken wat ze concreet voor verzoeker betekent. Er is derhalve geen reden om aan te nemen, zo lijkt, dat hij een eigen beslissing daaraan heeft toegevoegd of dat hij aan de bestreden beslissing een uitleg heeft gegeven die afwijkt van de inhoud ervan. 15.2. Zo toch mét de verwerende partij zou worden aangenomen dat de beslissing om verzoeker de deelname aan de juni-examens te ontzeggen, niet in de bestreden beslissing van de beroepscommissie vervat ligt, maar uitgaat van de algemeen directeur, dient op het eerste gezicht te worden tegengeworpen dat die algemeen directeur, op grond van de hiervóór aangehaalde bepalingen van de Codex Secundair Onderwijs, over geen enkele bevoegdheid ter zake beschikt wanneer de zaak bij de beroepscommissie aanhangig is. Die onbevoegdheid van de algemeen directeur lijkt zodanig apert, dat in die hypothese zijn beslissing prima facie voor onbestaande mag worden gehouden. Aan verzoeker lijkt dan ook niet te kunnen worden verweten dat hij die beslissing niet bij zijn vordering heeft betrokken. 16. Het argument, tot slot, dat een definitieve uitsluiting de deelname aan de examens eveneens uitsluit en dat de oorspronkelijke tuchtbeslissing van de directeur derhalve onwettig was, doet evenmin afbreuk aan wat voorafgaat. IX-10.481-9/11 Daargelaten of die stelling juist is, lijkt de beroepscommissie, die naar luid van artikel 123/13, § 2, tweede lid, 6°, van de Codex Secundair Onderwijs moet oordelen “of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het [schoolreglement]”, in dat geval op grond van artikel 123/12, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs de beroepen beslissing uitsluitend te hebben mogen vernietigen en níet, zoals zij in dit geval heeft gedaan, een eigen beslissing in de plaats te stellen van de beroepen beslissing. 17. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. VIII. Conclusie 18. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. IX. Omvang van de hierna uit te spreken schorsing 19. Met de middelen die verzoeker aanvoert tegen de bestreden beslissing – ook die welke in huidig arrest onbesproken zijn gebleven – geeft hij er blijk van zich alleen te richten tegen de bestreden beslissing in de mate dat aan hem de mogelijkheid wordt ontzegd om aan de examens van juni deel te nemen. Tegen de definitieve uitsluiting an sich lijkt verzoeker zich niet te verzetten. De hierna uit te spreken schorsing dient dan ook dienovereenkomstig te worden beperkt. BESLISSING IX-10.481-10/11 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van het autonoom provinciebedrijf Provinciaal Onderwijs Antwerpen van 5 juni 2024 waarbij de definitieve uitsluiting van XXXX met onmiddellijke ingang uit de school avAnt Provinciaal Onderwijs, campus Jacob Jordaens te Antwerpen, wordt bevestigd, in de mate dat aan XXXX de mogelijkheid wordt ontzegd om aan de examens van juni deel te nemen. 2. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jurgen Neuts IX-10.481-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.116 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div