← België

Arrest 260124 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 14/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.124 Rolnummer: A. 239590/IX-10291 Zaak: Arrest 260124 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 14/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-19 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-06-11 03:10 Fiche Arrest nr 260.124 van 14 juni 2024 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.124 van 14 juni 2024 in de zaak A. 239.590/IX-10.291 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Rieder kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 39 tegen:

  1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie
  2. de DIRECTEUR-GENERAAL VAN DE PENITENTIAIRE INRICHTINGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karine Van Gulck kantoor houdend te 2600 Berchem Deken De Winterstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/23-0086 van de beroepscommissie van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 15 juni
  4. IX-10.291-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij beschikking nr. 15.544 van 1 september 2023 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 april
  6. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sven Boullart, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lynn Lieckens, die loco advocaat Karine Van Gulck verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. IX-10.291-2/15 III. Feiten 3.
  8. Met de thans bestreden beslissing BC/23-0086 doet de beroepscommissie van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen op 15 juni 2023 uitspraak over een beroep van huidige verzoeker in cassatie tegen een beslissing van de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen van 20 april 2023 tot hernieuwing van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime (“IBVR”) voor de periode van 21 april 2023 tot 19 juni
  9. In de bestreden beslissing schetst de beroepscommissie de nuttige feiten ter beoordeling van het beroep. Dit feitenrelaas leert het volgende. Verzoeker komt op 14 oktober 2022 aan in de penitentiaire instelling te Beveren nadat hij vanuit Zwitserland uitgeleverd was aan België. Diezelfde dag wordt hem een bijzondere veiligheidsmaatregel opgelegd, die tot driemaal toe hernieuwd wordt. De bijzondere veiligheidsmaatregel en de vernieuwingen worden gedeeltelijk vernietigd door de klachtencommissie. Op 10 november 2022 neemt de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen een beslissing tot IBVR, die door de beroepscommissie wordt vernietigd. Op 22 december 2022 neemt de directeur-generaal een nieuwe beslissing tot IBVR. Bij beschikking van de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 januari 2023 wordt aan de Belgische Staat het verbod opgelegd om uitvoering te geven aan deze IBVR van 22 december
  10. Op 25 januari 2023 verwerpt de beroepscommissie het beroep van verzoeker tegen deze IBVR-beslissing van 22 december
  11. 3.
  12. Op 17 februari 2023 neemt de directeur-generaal een beslissing tot hernieuwing van de plaatsing in IBVR. Op 23 maart 2023 verklaart de IX-10.291-3/15 beroepscommissie het beroep van verzoeker hiertegen gedeeltelijk gegrond, wat het glasbezoek van de ouders van verzoeker betreft. Ter uitvoering van deze beslissing van de beroepscommissie neemt de directeur-generaal op 29 maart 2023 een nieuwe beslissing, waarin hij verwijst naar vertrouwelijke informatie om het bezoek achter glas voor de ouders van verzoeker te handhaven. Verzoeker tekent opnieuw beroep aan tegen deze beslissing. De beroepscommissie verklaart dat beroep op 15 april 2023 gegrond. Zij stelt haar beslissing in de plaats, zodat het bezoek van de ouders niet meer zou moeten plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand om de bezoekers te scheiden. 3.
  13. Op 20 april 2023 besluit de directeur-generaal tot een hernieuwing van het IBVR, bestaande uit de volgende maatregelen: - uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, - controle van de uitgaande en binnenkomende post, - glasbezoek, - gedeeltelijke ontzegging van de telefoon, - systematisch onderzoek aan de kledij, - geen scherpe of gevaarlijke voorwerpen op cel, - een observatie om de 120 minuten, behalve tussen 21.00 uur en 6.10 uur, - verplicht verblijf in de aan hem toegewezen ruimte. 3.
  14. De beroepscommissie verklaart op 15 juni 2023 verzoekers beroep hiertegen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, als volgt: “Vernietigt de beroepscommissie de beslissing van 20 april 2023 van de directeur-generaal van de penitentiaire administratie tot hernieuwing van het IBVR, doch enkel in de mate dat deze beslissing oplegt dat ook ten aanzien van de eigen ouders van beroepsindiener het bezoek moet plaatsvinden in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt; − Stelt de beroepscommissie haar uitspraak overeenkomstig de artikelen 118 § 10 juncto 166 § 2 juncto 158 § 3, 2° van de basiswet in de plaats van de vernietigde beslissing en bepaalt zij dat het bezoek tussen de eigen ouders van beroepsindiener en beroepsindiener niet meer moet IX-10.291-4/15 plaatsvinden in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt. − Wijst de beroepscommissie het hoger beroep van beroepsindiener voor het overige af als ongegrond.” IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  15. De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, was geen partij in het geschil bij de beroepscommissie. Enkel de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen was betrokken als verwerende partij. Daaruit volgt dat enkel de laatstgenoemde te beschouwen is als verweerder in cassatie en dat de Belgische Staat buiten de zaak moet worden gesteld. Hierna wordt met “de verwerende partij” enkel nog de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen bedoeld.
  16. De verwerende partij verklaart dat de memorie van antwoord, ingediend door de Belgische Staat, ook aan haar toegerekend mag worden. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  17. Verzoeker beschikt volgens de verwerende partij niet (meer) over het vereiste belang. Hij kan met een vernietiging niets bereiken. De gevolgen van het ondergane veiligheidsregime kunnen niet meer ongedaan worden gemaakt: de maatregel werd immers al ondergaan en is verstreken. Een eventuele vernietiging van een beslissing tot het opleggen van een IBVR in het verleden zou aan verzoeker geen rechtstreeks voordeel meer opleveren dat is verbonden aan het verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde. Die vernietiging zou voor het verleden immers in rechte geen enkel rechtstreeks gevolg meer hebben: voor de betrokken periode kan geen ander regime meer worden georganiseerd. Dit zou dus niets veranderen aan de rechtstoestand van verzoeker. De door hem bestreden beslissing was reeds achterhaald op het IX-10.291-5/15 ogenblik dat hij het cassatieberoep instelde: het bestreden IBVR verstreek op 19 juni 2023 en werd vervangen door een nieuwe beslissing IBVR die inging op 20 juni
  18. Inmiddels is er ook reeds een nieuwe beslissing van 18 augustus 2023 tot verdere plaatsing in een IBVR, die loopt tot 17 oktober
  19. Het louter nastreven van een precedentwaarde verleent aan verzoeker geen belang, vermits artikel 6 GerW aan de rechterlijke uitspraken precedentwaarde ontzegt. De eventuele intentie om op grond van een uitspraak van de Raad van State een vordering tot schadevergoeding in te stellen, houdt geen voldoende en rechtstreeks belang in. De latere beslissingen van de directeur-generaal inzake de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime zijn geen loutere verlenging van de beslissing van 20 april
  20. Elke nieuwe beslissing inzake IBVR is een op zichzelf staande beslissing, waarbij alle formele en inhoudelijke voorwaarden van een eerste beslissing vervuld moeten zijn. De beslissing kan slechts worden hernieuwd na een voorafgaand verzoek van de directeur, dat vergezeld gaat van een psycho-medisch verslag en met inachtneming van de bepalingen van artikel 118, §§ 1 tot 4, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (“basiswet”). Beoordeling
  21. Met de exceptie lijkt de verwerende partij ervan uit te gaan dat verzoeker met huidig cassatieberoep de vernietiging vordert van de plaatsing in IBVR, terwijl het voorwerp van zijn vordering de vernietiging is van de beslissing van de beroepscommissie.
  22. De finaliteit van een cassatieberoep bestaat erin om de vermeend onwettige uitspraak van het administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het rechtscollege wordt voorgelegd, zodat de verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger uitspraak van dat rechtscollege. IX-10.291-6/15
  23. Dat verzoeker de hem opgelegde maatregel volledig heeft ondergaan op het ogenblik van de uitspraak over zijn cassatieberoep, ontneemt hem niet het belang bij zijn beroep. De mogelijkheid om na cassatie bij de beroepscommissie een gunstiger beslissing te verkrijgen, bestaat immers nog steeds. Verbreekt de Raad van State de voorliggende beslissing van de beroepscommissie, dan zal deze laatste in functie van de vernietigingsgrond kunnen of moeten vaststellen dat de beslissing van 20 april 2023 onwettig aan verzoeker is opgelegd. Voor zover de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, kan zij in voorkomend geval aan verzoeker een niet-financiële tegemoetkoming toekennen (artikel 158, § 4, iuncto artikel 162, § 3, van de basiswet). De verwerende partij toont niet aan dat de beroepscommissie na een eventuele vernietiging van de bestreden uitspraak noodzakelijk zal moeten besluiten tot verwerping wegens een gebrek aan belang bij het beroep tegen de beslissing van de directeur-generaal, inzonderheid omdat de bestreden maatregel zijn volle uitwerking heeft gehad.
  24. Verzoeker heeft als partij die in het geding voor de beroepscommissie in het ongelijk is gesteld het vereiste belang bij het instellen van zijn cassatieberoep. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  25. Het enige middel is genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet. Verzoeker vat het middel als volgt samen (voetnoot weggelaten): “
  26. Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed is. Deze verplichting geldt ook voor de Beroepscommissie gezien deze een administratief rechtscollege uitmaakt.
  27. Deze motiveringsverplichting houdt in dat de bodemrechter moet antwoorden op de middelen of de argumentatie van de betrokkene. IX-10.291-7/15
  28. Verzoekende partij heeft in zijn beroep van 27 april 2023 een schending ingeroepen van de artikelen 3, 6 en 13 EVRM tegen de beslissing van 20 april
  29. De bestreden beslissing beantwoordt dit zelfstandig middel uit het beroep niet, terwijl dit middel een afzonderlijke juridische betwisting voert in vergelijking met de overige middelen uit het beroep. Door het middel gegrond op de aangevoerde schending van de artikelen 3, 6 en 13 EVRM niet te beantwoorden, schendt de bestreden beslissing artikel 149 van de Grondwet.”
  30. In de memorie van wederantwoord preciseert verzoeker dat het middel geenszins betrekking heeft op een schending van de artikelen 3, 6 en 13 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (EVRM), maar op de schending van artikel 149 van de Grondwet. Hij merkt op dat de niet-proportionaliteit slechts één deelaspect is dat werd aangevoerd. Hij heeft tevens aangevoerd dat de opgelegde maatregelen leiden tot ernstige fysieke en psychosociale ongemakken en dat deze maatregelen systematisch worden toegepast, wat volgens hem neerkomt op een onmenselijke en vernederende behandeling. Er werd geenszins onderzocht of de opgelegde maatregelen al dan niet neerkomen op een onmenselijke en vernederende behandeling. Wat artikel 6 EVRM betreft, is in het beroepsschrift aangevoerd dat “de bestreden beslissing in strijd (is) met artikel 6 EVRM, nu geen enkele tegenspraak door verzoeker mogelijk is, hetgeen kennelijk zijn rechten van verdediging schendt”. Het recht op tegenspraak in het kader van artikel 6 EVRM is ruimer dan louter het al dan niet vrijgeven van informatie of de zogenaamde garantie van de rechterlijke controle. De beroepscommissie heeft het uitdrukkelijk over haar eigen inzage in het register overeenkomstig de bepalingen in artikel 8, § 1, van de basiswet. Zij benadrukt bovendien dat zij op die manier de rechten van verdediging conform artikel 6 EVRM wenst te garanderen, maar laat uitdrukkelijk na om een afdoende en met redenen omkleed IX-10.291-8/15 antwoord te bieden op de aangevoerde schending van artikel 6 EVRM voor wat de schending betreft van het recht op tegenspraak van verzoeker. Uit zijn beroepsschrift blijkt ten slotte duidelijk dat de schending van artikel 13 EVRM in samenhang moet worden gelezen met de tevens aangevoerde schending van de artikelen 3 en 6 EVRM. Beoordeling
  31. Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Deze regel geldt voor elk rechtscollege en dus ook voor de beroepscommissie.
  32. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Deze jurisdictionele motiveringsplicht houdt ook in dat het rechtscollege expliciet of impliciet moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing IX-10.291-9/15 kunnen beïnvloeden, maar worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. De bodemrechter is niet ertoe gehouden te antwoorden op de argumenten die een verzoekende partij ter staving van haar middel heeft aangevoerd, maar die geen afzonderlijk middel uitmaken. Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre het de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet afdoende weerlegt.
  33. Verzoeker heeft bij de beroepscommissie als derde klacht de schending aangevoerd van de artikelen 3, 6 en 13 EVRM en van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”). 16.
  34. Wat artikel 3 EVRM betreft, zet verzoeker uiteen dat de bestreden beslissing resulteert in “een lijden dat enig onvermijdbaar malaise van de hechtenis overschrijdt”. Hij merkt op dat de eenzame opsluiting zijn mentale gezondheid ernstig aantast. Hij wijst op het onbestaande contact met medegedetineerden en de minimale contacten met de buitenwereld, de beperking van educatieve activiteiten in de cel en de afwezigheid van betekenisvolle recreatiemogelijkheden. Eenzame opsluiting, zelfs in de gevallen waarin er slechts sprake is van relatieve isolatie, dient volgens verzoeker uitzonderlijk te blijven en “moet gebaseerd zijn op gegronde motieven”. De opgelegde maatregelen moeten “actueel verantwoord en proportioneel” zijn. Er is daarbij een “ernstige inhoudelijke motivering” vereist. Hij stelt: “Dat de bestreden IX-10.291-10/15 beslissing dan ook in strijd is met artikel 3 van het EVRM, nu deze verzoeker blootstelt aan ontberingen die het onvermijdelijke lijden (dat inherent is aan detentie) te boven gaan en neerkomen op een onmenselijke en vernederende behandeling.” Hij concludeert dat de hem opgelegde maatregel “niet noodzakelijk noch wettig verantwoord is, minstens disproportioneel, onredelijk en onbillijk”. Uit deze uiteenzetting mocht de beroepscommissie afleiden dat verzoeker doelt op de proportionaliteit van de hem opgelegde maatregel. 16.
  35. De beroepscommissie oordeelt over de proportionaliteit van de opgelegde maatregel in de volgende bewoordingen (voetnoten weggelaten): “De beroepscommissie dient tot slot te beoordelen of de beslissing onredelijk of billijk moet worden geacht, bij een afweging van alle in aanmerking komende belangen. De beslissing tot hernieuwing van een IBVR vereist een afweging van verschillende belangen, enerzijds het kunnen vrijwaren van de veiligheid binnen de gevangenis en anderzijds de toestand en de belangen van de gedetineerde. Het IBVR moet proportioneel zijn, zowel wat de duur als wat de omvang betreft. De beroepscommissie merkt op dat het regime van beroepsindiener sinds zijn aankomst bepaalde versoepelingen heeft ondergaan. Hij is intussen overgeplaatst naar een verblijfsruimte waar hij beschikt over stromend water, een frigo, een normaal bed, TV, Prison cloud en telefoon op cel. De observatiemaatregel werd eerder al versoepeld naar een observatie om de 60 minuten. Bovendien heeft de beroepsindiener extra voorwerpen op cel (bijvoorbeeld bestek, microgolf,…). Tot slot stelt de beroepscommissie vast dat de beroepsindiener toegang heeft gekregen tot een grotere wandeling, hetgeen toch tegemoetkomt aan zijn klachten van hyperventilatie en aan de medische adviezen. Dat is toegekend op terugkerende vraag van de beroepsindiener. Bij de beslissing van 20 april 2023 is ook de observatiemaatregel versoepeld. De observatie gebeurt nu om de 120 minuten in de plaats van om de 60 minuten. De genomen maatregelen zijn telkens gemotiveerd vanuit het vluchtrisico. De beroepscommissie besluit dat er op dat vlak waar mogelijk toch tegemoet gekomen is aan de bezwaren van de beroepsindiener, aan de adviezen in de medische verslagen en aan de opmerkingen van de beroepscommissie. Wat de vraag voor deelname aan de gemeenschappelijke wandeling betreft, is de beroepscommissie van oordeel dat de motivering van de directeur-generaal om dat niet toe te kennen volstaat. De directeur- IX-10.291-11/15 generaal stelt dat het beperken van contact met andere gedetineerden nodig is om het vluchtrisico en daarbij aansluitend het risico voor de veiligheid van anderen te vrijwaren. Dat er nu meer contact lijkt te zijn op de individuele wandeling (zoals besproken met de beroepsindiener tijdens de hoorzitting), versterkt dat argument. De beroepscommissie ziet op dit moment geen mogelijkheid om deze waarborg op een andere manier te verzekeren dan via een uitsluiting van de gemeenschappelijke wandeling, waar een verscherpt en voortdurend toezicht in ieder geval moeilijker te garanderen is dan bij een bezoek. De handhaving van het glasbezoek voor de ouders van de beroepsindiener acht de beroepscommissie daarentegen niet proportioneel.” 16.
  36. Hoewel de beroepscommissie in haar beoordeling geen expliciete melding maakt van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest, kan uit de hiervóór aangehaalde motivering worden achterhaald waarom zij van oordeel is dat het aan verzoeker opgelegde individueel bijzonder veiligheidsregime het onvermijdelijke lijden niet te boven gaat, waardoor er volgens haar geen sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling. De beroepscommissie verwijst naar de versoepelingen aan het regime – inzonderheid de observatiemaatregel – en naar het vluchtrisico die het regime rechtvaardigen. Zij vernietigt wel wegens disproportioneel, de beslissing voor wat betreft de beperking van bezoek in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt ten aanzien van de ouders van de beroepsindiener. Voor het overige acht de beroepscommissie het IBVR “conform de redelijkheid en billijkheid”. 17.
  37. Wat artikel 6 EVRM betreft, vermeldt verzoeker in zijn beroepsschrift enkel het volgende: “Bovendien is de bestreden beslissing in strijd met artikel 6 van het EVRM, nu geen enkele tegenspraak door verzoeker mogelijk is hetgeen kennelijk zijn rechten van verdediging schendt.” 17.
  38. Hierop antwoordt de beroepscommissie, met uitdrukkelijke verwijzing naar deze verdragsbepaling (voetnoot weggelaten): IX-10.291-12/15 “De beroepscommissie is van oordeel dat de motivering van de directeur- generaal voldoende elementen bevat, die wijzen op een nog steeds actueel vluchtrisico. Het risico op ontvluchting kan gelden als een voortdurende bedreiging voor de veiligheid. Dat er nog geen incidenten zijn gebeurd, betekent niet dat er geen actuele dreiging is. De directeur-generaal kan zich in dat kader terecht beroepen op de vertrouwelijke informatie die hij verkrijgt van de veiligheidsdiensten. Omtrent het vertrouwelijk karakter van deze informatie stelt de beroepscommissie dat het nog steeds gerechtvaardigd is de informatie niet ter beschikking te stellen van beroepsindiener aangezien de kennisgeving ervan de openbare veiligheid in het algemeen en de interne en externe veiligheid van de gevangenisinstelling in het bijzonder in gevaar zou kunnen brengen. Wel wenst de beroepscommissie nogmaals te benadrukken dat zij door de systematische inzage in het register conform art. 8 § 1 laatste lid van de basiswet de waarborgen van de gedetineerde zeer ernstig neemt en de rechterlijke controle conform artikel 6 EVRM wenst te garanderen, zodat er geen sprake zou zijn van een schending van de rechten van verdediging.” 17.
  39. De beroepscommissie wijst op en accepteert het vertrouwelijk karakter van de onderliggende informatie, wijst erop dat zij zelf kennis ervan heeft genomen en ziet bijgevolg geen schending van de rechten van verdediging zoals gewaarborgd bij artikel 6 EVRM. Gelet op de zeer summiere uiteenzetting van deze grief in het beroepsschrift, mag dit antwoord volstaan om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht. 18.
  40. Wat artikel 13 EVRM betreft, schrijft verzoeker enkel het volgende: “Tot slot komt ook artikel 13 van het EVRM inhoudende het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie in het gedrang, nu kennelijk geweigerd wordt uitvoering te geven aan de tussengekomen beslissingen van de Beroepscommissie.” 18.
  41. Verzoeker kan met die opmerking enkel refereren aan de omstandigheden waarin zijn ouders hem mogen bezoeken. Welnu, in de thans bestreden beslissing beslist de beroepscommissie (andermaal) met indeplaatsstelling “dat het bezoek tussen de eigen ouders van beroepsindiener en IX-10.291-13/15 beroepsindiener niet meer moet plaatsvinden in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt”. Méér kan verzoeker van de beroepscommissie niet vorderen. Los van de vraag of de aangehaalde zin wel een afzonderlijk te beantwoorden middel uitmaakt, is verzoeker zonder belang erbij.
  42. De schending van artikel 149 van de Grondwet is niet aangetoond, waardoor het enige middel dient te worden verworpen. BESLISSING
  43. De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, wordt buiten de zaak gesteld.
  44. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  45. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
  46. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.291-14/15 Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.291-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.