id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 Rolnummer: A. 239902/IX-10310 Zaak: Arrest 260125 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 14/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-19 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-11 03:10 Fiche Arrest nr 260.125 van 14 juni 2024 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 no lien 277640 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.125 van 14 juni 2024 in de zaak A. 239.902/IX-10.310 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Rieder kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 39 tegen:
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie
- de DIRECTEUR-GENERAAL VAN DE PENITENTIAIRE INRICHTINGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karine Van Gulck kantoor houdend te 2600 Berchem Deken De Winterstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/23-0131 van de beroepscommissie van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 28 juli
- IX-10.310-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 15.591 van 18 september 2023 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 april
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sven Boullart, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lynn Lieckens, die loco advocaat Karine Van Gulck verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-10.310-2/16 III. Feiten
- Met de thans bestreden beslissing BC/23-0131 doet de beroepscommissie van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen op 28 juli 2023 uitspraak over een beroep van huidige verzoeker in cassatie tegen een beslissing van de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen van 19 juni 2023 tot hernieuwing van de plaatsing van verzoeker in een individueel bijzonder veiligheidsregime (“IBVR”). In de bestreden beslissing schetst de beroepscommissie de nuttige feiten ter beoordeling van het beroep. Dit feitenrelaas leert het volgende. Verzoeker komt op 14 oktober 2022 aan in de penitentiaire instelling te Beveren nadat hij vanuit Zwitserland uitgeleverd was aan België. Diezelfde dag wordt hem een bijzondere veiligheidsmaatregel opgelegd, die tot driemaal toe hernieuwd wordt. De bijzondere veiligheidsmaatregel en de vernieuwingen worden gedeeltelijk vernietigd door de klachtencommissie. Op 10 november 2022 neemt de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen een beslissing tot IBVR, die door de beroepscommissie wordt vernietigd. Op 22 december 2022 neemt de directeur-generaal een nieuwe beslissing tot IBVR. Op 17 februari 2023 neemt de directeur-generaal een beslissing tot hernieuwing van de plaatsing in IBVR. Op 23 maart 2023 verklaart de beroepscommissie het beroep van verzoeker hiertegen gedeeltelijk gegrond, wat het glasbezoek van de ouders van verzoeker betreft. Ter uitvoering van deze beslissing van de beroepscommissie neemt de directeur-generaal op 29 maart 2023 een nieuwe beslissing, waarin hij verwijst naar vertrouwelijke informatie om het bezoek achter glas voor de ouders ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 IX-10.310-3/16 te handhaven. Verzoeker tekent opnieuw beroep aan tegen deze beslissing. De beroepscommissie verklaart dat beroep op 15 april 2023 gegrond. Zij stelt haar beslissing in de plaats, zodat het bezoek van de ouders niet meer zou moeten plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand om de bezoekers te scheiden. Op 20 april 2023 besluit de directeur-generaal tot een hernieuwing van het IBVR van 22 december
- De beroepscommissie verklaart verzoekers beroep hiertegen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond op 15 juni
- Zij stelt haar beslissing in de plaats, zodat het bezoek van de ouders niet meer zou moeten plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand om de bezoekers te scheiden. Op 1 juni 2023 hernieuwt de directeur-generaal het IBVR. De maatregel van beperking van bezoek wordt gemilderd om tegemoet te komen aan verzoekers vraag om bezoek van zijn minderjarige kind te ontvangen. Op 19 juni 2023 neemt de directeur-generaal een beslissing tot hernieuwing van het IBVR voor de periode van 20 juni 2023 tot 18 augustus
- Het IBVR omvat de volgende maatregelen: “- Uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten; - Systematische controle van uitgaande en inkomende briefwisseling; - Glasbezoek, behalve voor zijn advocaat. Het bezoek van [het kind] en de eigen ouders van [verzoeker] kan doorgaan in de vorm van individueel bezoek aan tafel, onder volgende strikte en dwingende voorwaarden: · het individueel tafelbezoek vindt plaats in de jury-beraadslagings-ruimte (waar ook, op andere momenten, het bezoek met zijn advocaten doorgaat) · het bezoek vindt plaats in aanwezigheid van 2 leden van het penitentiair bewakingspersoneel en met een verbod van overdracht van documenten en voorwerpen · fysiek contact is beperkt tot een korte begroeting bij aanvang en einde van het bezoek. - Gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon; - Systematische toepassing van het onderzoek aan de kledij; - Ontnemen of onthouden van scherpe of gevaarlijke voorwerpen; - Observatie om de 120 minuten. Tussen 21 u en 6 u 10 wordt deze controle niet uitgevoerd om de nachtrust maximaal te respecteren. - Verplicht verblijf in de aan hem toegewezen verblijfsruimte.” IX-10.310-4/16 Op 28 juli 2023 verklaart de beroepscommissie verzoekers beroep tegen deze beslissing ongegrond. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, was geen partij in het geschil bij de beroepscommissie. Enkel de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen was betrokken als verwerende partij. Daaruit volgt dat enkel de laatstgenoemde te beschouwen is als verweerder in cassatie en dat de Belgische Staat buiten de zaak moet worden gesteld. Hierna wordt met “de verwerende partij” enkel nog de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen bedoeld.
- De verwerende partij verklaart dat de memorie van antwoord, ingediend door de Belgische Staat, ook aan haar toegerekend mag worden. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- Verzoeker beschikt volgens de verwerende partij niet (meer) over het vereiste belang. Hij kan met een vernietiging niets bereiken. De gevolgen van het ondergane veiligheidsregime kunnen niet meer ongedaan worden gemaakt: de maatregel werd immers al ondergaan en is verstreken. Een eventuele vernietiging van een beslissing tot het opleggen van een IBVR in het verleden zou aan verzoeker geen rechtstreeks voordeel meer opleveren dat is verbonden aan het verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde. Die vernietiging zou voor het verleden immers in rechte geen enkel rechtstreeks gevolg meer hebben: voor de betrokken periode kan geen ander regime meer worden georganiseerd. De bestreden beslissing was reeds achterhaald op het ogenblik dat verzoeker het cassatieberoep instelde: het bestreden IBVR verstreek ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 IX-10.310-5/16 op 18 augustus 2023 en werd vervangen door een nieuwe beslissing IBVR die inging op 19 augustus
- Inmiddels is er ook reeds een nieuwe beslissing van 2 oktober 2023 tot verdere plaatsing in een IBVR, die loopt tot 16 december
- Het louter nastreven van een precedentwaarde verleent aan verzoeker geen belang, vermits artikel 6 GerW aan de rechterlijke uitspraken precedentwaarde ontzegt. De eventuele intentie om op grond van een uitspraak van de Raad van State een vordering tot schadevergoeding in te stellen, houdt geen voldoende en rechtstreeks belang in. De latere beslissingen van de directeur-generaal inzake de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime zijn geen loutere verlenging van de beslissing van 19 juni
- Elke nieuwe beslissing inzake IBVR is een op zichzelf staande beslissing, waarbij alle formele en inhoudelijke voorwaarden van een eerste beslissing vervuld moeten zijn. De beslissing kan slechts worden hernieuwd na een voorafgaand verzoek van de directeur, dat vergezeld gaat van een psycho-medisch verslag en met inachtneming van de bepalingen van artikel 118, §§ 1 tot 4, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (“basiswet”). Beoordeling
- Met de exceptie lijkt de verwerende partij ervan uit te gaan dat verzoeker met huidig cassatieberoep de vernietiging vordert van de plaatsing in IBVR, terwijl het voorwerp van zijn vordering de vernietiging is van de beslissing van de beroepscommissie.
- De finaliteit van een cassatieberoep bestaat erin om de vermeend onwettige uitspraak van het administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het rechtscollege wordt voorgelegd, zodat verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger uitspraak van dat rechtscollege.
- Dat verzoeker de hem opgelegde maatregel volledig heeft ondergaan op het ogenblik van de uitspraak over zijn cassatieberoep, ontneemt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 IX-10.310-6/16 hem niet het belang bij zijn beroep. De mogelijkheid om na cassatie bij de beroepscommissie een gunstiger beslissing te verkrijgen, bestaat immers nog steeds. Verbreekt de Raad van State de voorliggende beslissing van de beroepscommissie, dan zal deze laatste in functie van de vernietigingsgrond kunnen of moeten vaststellen dat de beslissing van 19 juni 2023 onwettig aan verzoeker is opgelegd. Voor zover de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, kan zij in voorkomend geval aan verzoeker een niet-financiële tegemoetkoming toekennen (artikel 158, § 4, iuncto artikel 162, § 3, van de basiswet). De verwerende partij toont niet aan dat de beroepscommissie na een eventuele vernietiging van de bestreden uitspraak noodzakelijk zal moeten besluiten tot verwerping wegens een gebrek aan belang bij het beroep tegen de beslissing van de directeur-generaal, inzonderheid omdat de bestreden maatregel zijn volle uitwerking heeft gehad.
- Verzoeker heeft als partij die in het geding voor de beroepscommissie in het ongelijk is gesteld het vereiste belang bij het instellen van zijn cassatieberoep. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Het enige middel is genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet. Verzoeker vat het middel als volgt samen (voetnoot weggelaten): “
- Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed is. Deze verplichting geldt ook voor de Beroepscommissie gezien deze een administratief rechtscollege uitmaakt.
- Deze motiveringsverplichting houdt in dat de bodemrechter moet antwoorden op de middelen of de argumentatie van de betrokkene.
- Verzoekende partij heeft in zijn beroep van 26 juni 2023 een schending ingeroepen van de artikelen 3 en 6 EVRM tegen de beslissing van 19 juni
- IX-10.310-7/16 De bestreden beslissing beantwoordt dit zelfstandig middel uit het beroep niet, terwijl dit middel een afzonderlijke juridische betwisting voert in vergelijking met de overige middelen uit het beroep. Door het middel gegrond op de aangevoerde schending van de artikelen 3 en 6 EVRM niet te beantwoorden, schendt de bestreden beslissing artikel 149 van de Grondwet.”
- In de memorie van wederantwoord preciseert verzoeker dat het middel geenszins betrekking heeft op een schending van de artikelen 3 en 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (EVRM), maar op de schending van artikel 149 van de Grondwet. Hij merkt op dat de niet-proportionaliteit slechts één deelaspect is dat werd aangevoerd in het kader van de schending van artikel 3 EVRM. Hij heeft tevens aangevoerd dat de opgelegde maatregelen leiden tot ernstige fysieke en psychosociale ongemakken en dat deze maatregelen systematisch worden toegepast, wat volgens hem neerkomt op een onmenselijke en vernederende behandeling. Er werd geenszins onderzocht of de opgelegde maatregelen al dan niet neerkomen op een onmenselijke en vernederende behandeling. De verwerende partij kan hoegenaamd niet beweren dat de beroepscommissie de genomen maatregelen heeft geëvalueerd in het licht van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Zij heeft louter geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de billijkheid en proportionaliteit van de genomen maatregelen vermits de maatregelen mondjesmaat worden “versoepeld”. Wat artikel 6 EVRM betreft, is in het beroepsschrift aangevoerd dat “de bestreden beslissing in strijd (is) met artikel 6 EVRM, nu geen enkele tegenspraak door verzoeker mogelijk is, hetgeen kennelijk zijn rechten van verdediging schendt”. Het recht op tegenspraak in het kader van artikel 6 EVRM is ruimer dan louter het al dan niet vrijgeven van informatie of de zogenaamde garantie van de rechterlijke controle. De beroepscommissie heeft het uitdrukkelijk over haar eigen inzage in het register overeenkomstig de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 IX-10.310-8/16 bepalingen in artikel 8, § 1, van de basiswet. Zij benadrukt bovendien dat zij op die manier de rechten van verdediging conform artikel 6 EVRM wenst te garanderen, maar laat uitdrukkelijk na om een afdoende en met redenen omkleed antwoord te bieden op de aangevoerde schending van artikel 6 EVRM voor wat betreft de schending van het recht op tegenspraak van verzoeker. Beoordeling
- Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Deze regel geldt voor elk rechtscollege en dus ook voor de beroepscommissie.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Deze jurisdictionele motiveringsplicht houdt ook in dat het rechtscollege expliciet of impliciet moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden, maar worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 IX-10.310-9/16 rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. De bodemrechter is niet ertoe gehouden te antwoorden op de argumenten die een verzoekende partij ter staving van haar middel heeft aangevoerd, maar die geen afzonderlijk middel uitmaken. Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre het de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet afdoende weerlegt. 15.
- Verzoeker heeft bij de beroepscommissie als derde klacht de schending aangevoerd van de artikelen 3 en 6 EVRM en van artikel 4 van het Handvest. Verzoeker zet hierin uiteen dat de bestreden beslissing resulteert in “een lijden dat enig onvermijdbaar malaise van de hechtenis overschrijdt”. Hij merkt op dat de eenzame opsluiting zijn mentale gezondheid ernstig aantast. Hij wijst op de lange periode van isolement, het onbestaande contact met medegedetineerden, de beperking van educatieve activiteiten in de cel en de afwezigheid van zinvolle recreatiemogelijkheden. Eenzame opsluiting, zelfs in de gevallen waarin er slechts sprake is van relatieve isolatie, dient volgens verzoeker uitzonderlijk te blijven en “moet gebaseerd zijn op gegronde motieven”. De opgelegde maatregelen moeten “actueel verantwoord en proportioneel” zijn. Er is daarbij een “ernstige inhoudelijke motivering” vereist bij een verlengde periode van eenzame opsluiting en de beslissing moet het mogelijk maken “vast te stellen dat de autoriteiten een herbeoordeling hebben uitgevoerd”. Hij stelt dat de bestreden beslissing “dan ook in strijd is met artikel 3 van het EVRM, nu deze verzoeker blootstelt aan ontberingen die het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 IX-10.310-10/16 onvermijdelijke lijden (dat inherent is aan detentie) te boven gaan en neerkomen op een onmenselijke en vernederende behandeling”. Hij concludeert dat de hem opgelegde maatregel “niet noodzakelijk noch wettig verantwoord is, minstens disproportioneel, onredelijk en onbillijk”. 15.
- Uit deze uiteenzetting mocht de beroepscommissie afleiden dat verzoeker doelt, eensdeels, op de eis tot motivering van de hernieuwing van de hem opgelegde maatregel en, anderdeels, de proportionaliteit ervan. 15.
- De beroepscommissie oordeelt over de motiveringsplicht bij de hernieuwing van een IBVR en over de proportionaliteit van de opgelegde maatregel in de volgende bewoordingen (voetnoten weggelaten): “De beroepscommissie is van oordeel dat de motivering van de directeur- generaal voldoende elementen bevat, die wijzen op een nog steeds actueel vluchtrisico. Het risico op ontvluchting kan gelden als een voortdurende bedreiging voor de veiligheid. Dat er nog geen incidenten zijn gebeurd, betekent niet dat er geen actuele dreiging is. De directeur-generaal kan zich in dat kader terecht beroepen op de geactualiseerde vertrouwelijke informatie die hij verkrijgt van de veiligheidsdiensten. Men vermeldt ook collusiegevaar als mogelijke bedreiging voor de veiligheid, waarvan de beroepsindiener zegt dat dit nooit eerder ter sprake kwam en dat geen basis kan zijn voor beperkende maatregelen tijdens een detentie. De beroepscommissie is echter van oordeel dat dat ook een gevaar voor de externe of interne veiligheid kan inhouden, zodat de directeur-generaal hiervoor maatregelen kan nemen om de veiligheid te kunnen garanderen. Door telkens geactualiseerde info te verkrijgen voor een nieuwe beoordeling van de nood van beperkende maatregelen, garandeert de directeur-generaal dat de beoordeling rekening houdt met de meest recente situatie en met eventuele nieuwe elementen. Op die manier kan hij op een zorgvuldige en geïnformeerde manier het veiligheidsrisico inschatten. De beslissing van 19 juni 2023 is daarom genomen rekening houdend met de laatste stand van zaken en is gebaseerd op actuele informatie over het ontvluchtingsrisico en risico op collusie. […] De beroepscommissie dient tot slot te beoordelen of de beslissing redelijk is, bij een afweging van alle in aanmerking komende belangen. De beslissing tot hernieuwing van een IBVR vereist een afweging van verschillende belangen, enerzijds het kunnen vrijwaren van de veiligheid binnen de gevangenis en anderzijds de toestand en de belangen van de gedetineerde. Het IBVR moet proportioneel zijn, zowel wat de duur als wat de omvang betreft. IX-10.310-11/16 Zowel uit het medisch als uit het psychomedisch verslag blijkt dat er geen strikte medische contra-indicaties zijn. Wel geven zowel de psychiater en de arts mee dat er voldoende humaan contact moet zijn. Zoals de psychiater ook stelt, verhoogt de psychische druk bij de beroepsindiener, hoe langer hij in isolatie zit en zal men op termijn moeten nagaan of er toch enige versoepelingen mogelijk zijn om menselijk contact te verhogen. De beroepscommissie benadrukt in dat kader ook op dat men bij iedere hernieuwing steeds de afweging van belangen voor ogen moet houden en moet nagaan of het regime nog proportioneel is. Deze afweging moet ook steeds voldoende blijken uit de motivering van de beslissing. De beroepscommissie is van oordeel dat de maatregelen op dit moment proportioneel zijn om de interne en externe veiligheid te garanderen. Het regime van beroepsindiener heeft sinds zijn aankomst bepaalde versoepelingen heeft ondergaan. Hij is intussen overgeplaatst naar een verblijfsruimte waar hij beschikt over stromend water, een frigo, een normaal bed, TV, Prison cloud en telefoon op cel. Er zijn al versoepelingen geweest over de observatie en beroepsindiener heeft al extra voorwerpen op cel gekregen. Ook op vlak van beweging zijn er al versoepelingen doorgevoerd. Zo krijgt hij toegang tot een grotere wandeling en krijgt hij individuele fitnessmomenten. Wat het sociaal contact betreft, zijn er reeds telefoonnummers toegevoegd naar dewelke hij kan bellen en is er reeds glasbezoek toegekend met een aantal personen. Men heeft bij deze hernieuwing ook individueel tafelbezoek toegestaan met zijn [kind] en de eigen ouders, in uitvoering van eerdere beslissingen van de beroepscommissie. De beroepscommissie besluit dat er op dat vlak waar mogelijk toch tegemoet gekomen is aan de bezwaren van de beroepsindiener, aan de adviezen in de medische verslagen en aan de opmerkingen van de beroepscommissie. Met de versoepeling van het glasbezoek naar individueel tafelbezoek met de eigen ouders en met zijn [kind] houdt de beslissing rekening met de gezondheidstoestand van de beroepsindiener en diens nood aan humaan contact. Uit de voorgaande medische verslagen bleek dat het glasbezoek met de eigen ouders zwaar doorwoog op de psychische toestand van de beroepsindiener. Ook is er nu tegemoet gekomen aan de bezorgdheid over de begeleiding door een derde, vreemde persoon bij het bezoek van zijn [kind]. De eigen ouders kunnen [zijn kind] nu begeleiden, wat de eerste contactmomenten serener zal laten verlopen. De beroepscommissie ziet geen reden om het bezoek niet in de juryberaadslagingsruimte te laten doorgaan. De directeur-generaal geeft aan in zijn verweer dat ze voldoende gevarieerd speelgoed ter beschikking zullen stellen, wanneer zijn [kind] op bezoek komt. Op die manier kan het bezoek doorgaan op een manier die comfortabel is voor het kind en kan de ruimte toch kindvriendelijk worden ingericht. Op de vraag voor deelname aan de gemeenschappelijke wandeling of de sportmomenten in dezelfde ruimte met andere gedetineerden, is de beroepscommissie van oordeel dat de weigering door de directeur- generaal niet onwettig of onredelijk is. Gelet op het aanhoudend gevaar op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 IX-10.310-12/16 ontvluchting en collusie, is de beroepscommissie van oordeel dat een beperking van contacten met de buitenwereld en met medegedetineerden op dit moment geoorloofd is. Zoals gesteld in haar eerdere beslissing, ziet de beroepscommissie voorlopig geen mogelijkheid om deze waarborg op een andere manier te verzekeren dan via een uitsluiting van de gemeenschappelijke wandeling of een beperking van contact met medegedetineerden. Een verscherpt en voortdurend toezicht is bij een wandeling of een gemeenschappelijk sportmoment in ieder geval moeilijker te organiseren en te garanderen dan bij een bezoek. Het argument dat het verbod voor scherpe of gevaarlijke voorwerpen overbodig is geworden, omdat beroepsindiener al een aantal voorwerpen op cel heeft, volgt de beroepscommissie niet. Zoals de directeur-generaal stelt heeft hij nog geen onbeperkte toegang tot alle voorwerpen, zodat het doel van deze maatregel niet volledig uitgehold is. De maatregel heeft dus wel degelijk nog nut en de motivering van de directeur-generaal om deze te behouden om het gevaar voor derden te vermijden volstaat. De beroepscommissie besluit dat er geen elementen zijn om de beslissing van de directeur-generaal tot hernieuwing van het IBVR als onwettig of onredelijk te beschouwen.” 15.
- Hoewel de beroepscommissie in haar beoordeling geen expliciete melding maakt van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest, kan uit de hiervóór aangehaalde motivering worden achterhaald waarom zij van oordeel is dat het aan verzoeker opgelegde individueel bijzonder veiligheidsregime het onvermijdelijke lijden niet te boven gaat, waardoor er volgens haar geen sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling. De beroepscommissie heeft eveneens aangegeven dat en waarom het IBVR volgens haar afdoende is gemotiveerd. Verzoeker mag het met die beoordeling oneens zijn, maar de beroepscommissie heeft hiermee voldaan aan de in het middel aangevoerde jurisdictionele motiveringsplicht. 16.
- Verzoeker heeft in zijn beroepsschrift in zijn derde klacht weliswaar naast een schending van artikel 3 EVRM ook de schending van “artikel 6 van het EVRM” vermeld omdat “geen enkele tegenspraak door verzoeker mogelijk is”, zonder evenwel te preciseren welk onderdeel van artikel 6 EVRM hij viseert en zonder die grief nader uit te werken. Deze grief vormt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 IX-10.310-13/16 bijgevolg geen ontvankelijk argument waarop de beroepscommissie afzonderlijk moest antwoorden. 16.
- Weliswaar heeft verzoeker in het tweede onderdeel van zijn eerste klacht, afgeleid uit de schending van “artikel 116 en verdere” van de basiswet, de motivering betwist die verwijst naar de veiligheidsrisico’s, welke volgens hem na de zoveelste verlenging van het veiligheidsregime geen actuele beoordeling uitmaakt van de concrete omstandigheden en zijn gedragingen. In het kader van die grief merkt hij op dat hij de bedoelde informatie niet kan toetsen op haar juistheid, wat volgens hem een manifeste schending uitmaakt van zijn recht van verdediging zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM. 16.
- Los van de vraag of deze opmerking wel een afzonderlijk argument is waarop de beroepscommissie een antwoord moest geven, moet worden vastgesteld dat zij in de bestreden beslissing overweegt wat volgt: “Door telkens geactualiseerde info te verkrijgen voor een nieuwe beoordeling van de nood van beperkende maatregelen, garandeert de directeur-generaal dat de beoordeling rekening houdt met de meest recente situatie en met eventuele nieuwe elementen. Op die manier kan hij op een zorgvuldige en geïnformeerde manier het veiligheidsrisico inschatten. De beslissing van 19 juni 2023 is daarom genomen rekening houdend met de laatste stand van zaken en is gebaseerd op actuele informatie over het ontvluchtingsrisico en risico op collusie. Omtrent het vertrouwelijk karakter van deze informatie herhaalt de beroepscommissie haar eerder standpunt. Het is nog steeds gerechtvaardigd om de informatie niet ter beschikking te stellen van beroepsindiener aangezien de kennisgeving ervan de openbare veiligheid in het algemeen en de interne en externe veiligheid van de gevangenisinstelling in het bijzonder in gevaar zou kunnen brengen. Opnieuw benadrukt de beroepscommissie dat zij door de systematische inzage in het register conform art. 8 § 1 laatste lid van de basiswet de waarborgen van de gedetineerde zeer ernstig neemt en de rechterlijke controle conform artikel 6 EVRM wenst te garanderen, zodat er geen sprake zou zijn van een schending van de rechten van verdediging.” 16.
- Zodoende heeft de beroepscommissie zich uitgesproken over de rechten van verdediging van verzoeker. IX-10.310-14/16 In zoverre is het middel ongegrond.
- De schending van artikel 149 van de Grondwet is niet aangetoond, waardoor het enige middel dient te worden verworpen. IX-10.310-15/16 BESLISSING
- De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, wordt buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.310-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.