← België

Arrest 260128 - Overheidsopdrachten - 14/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.128 Rolnummer: Zaak: Arrest 260128 - Overheidsopdrachten - 14/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-17 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-06-11 03:10 Fiche Arrest nr 260.128 van 14 juni 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Samenvoeging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.128 no lien 277643 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 260.128 van 14 juni 2024 in de zaken A. 238.657/XII-9353 (I.) A. 238.658/XII-9354 (II.) In zake : I. + II. de NV UMAMI CATERING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Teerlinck en Louise Galot kantoor houdend te 1040 Brussel IJzerlaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I. + II. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: I. + II. de NV ARAMARK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bertrand Wittamer kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 235 -------------------------------------------------------------------------------------------------- XII-9353-1/8 I. Voorwerp van de beroepen

  1. Het beroep in de zaak A. 238.657 (I.), ingesteld op 28 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 1 maart 2023 waarbij de offerte van de nv Umami Catering voor perceel 1 van de overheidsopdracht voor de bereiding, verpakking, levering en bedeling van maaltijden en de recuperatie van afval in verband met de geleverde maaltijden, die het voorwerp uitmaakt van het bestek MAT22-464-22, substantieel onregelmatig wordt verklaard, en de opdracht wordt gegund aan de nv Aramark. Tevens wordt een “schadevergoeding tot herstel” gevorderd, ten bedrage van 112.500 euro, vermeerderd met de vergoedende intresten en de verwijlintresten.
  2. Het beroep in de zaak A. 238.658 (II.), ingesteld op 28 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 1 maart 2023 waarbij de offerte van de nv Umami Catering voor perceel 2 van de overheidsopdracht voor de bereiding, verpakking, levering en bedeling van maaltijden en de recuperatie van afval in verband met de geleverde maaltijden, die het voorwerp uitmaakt van het bestek MAT22-464-22, substantieel onregelmatig wordt verklaard, en de opdracht wordt gegund aan de nv Aramark. Tevens wordt een “schadevergoeding tot herstel” gevorderd, ten bedrage van 225.000 euro, vermeerderd met de vergoedende intresten en de verwijlintresten. XII-9353-2/8 II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 256.324 van 21 april 2023 zijn de zaken gevoegd, wat de vorderingen tot schorsing betreft, en is de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen bevolen. De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag overeenkomstig artikel 59 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ opgesteld. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIIe kamer bij beschikkingen van 17 januari 2024 aan de partijen voorgesteld dat de zaken niet op een openbare terechtzitting worden behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikkingen, werden de debatten gesloten en werden de zaken in beraad genomen op 19 maart
  4. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. XII-9353-3/8 III. Feiten 4.
  6. De FOD Binnenlandse Zaken schrijft voor rekening van Fedasil een overheidsopdracht uit voor diensten met als voorwerp “de bereiding, verpakking, levering en […] bedeling van maaltijden en de recuperatie van afval in verband met de geleverde maaltijden” aan de centra voor de opvang en tijdelijke huisvesting van personen die om een internationale bescherming verzoeken. De opdracht bestaat uit twee percelen. Op 1 maart 2023 verklaart de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwingen de offertes van de verzoekende partij voor de percelen 1 en 2 van de opdracht substantieel onregelmatig, en beslist zij die percelen te gunnen aan de nv Aramark. Tegen die beslissingen heeft de verzoekende partij vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingesteld (zaak A. 238.657 in verband met perceel 1, en zaak A. 238.658 in verband met perceel 2). Bij arrest nr. 256.324 van 21 april 2023 heeft de Raad van State de twee zaken samengevoegd, en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen bevolen. 4.
  7. De beslissingen van 1 maart 2023 vormen ook het voorwerp van de voorliggende beroepen, die de voortzetting vormen van de procedures bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Die beroepen zijn ingesteld op 28 april
  8. 4.
  9. Eveneens op 28 april 2023 neemt de minister twee beslissingen, waarbij de respectieve beslissingen van 1 maart 2023 worden ingetrokken, de offertes van de verzoekende partij opnieuw substantieel onregelmatig worden verklaard, en de percelen 1 en 2 opnieuw worden gegund aan de nv Aramark. Tegen die beslissingen heeft de verzoekende partij vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingesteld (zaak A. 239.078 in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.128 XII-9353-4/8 verband met perceel 1, en zaak A. 239.079 in verband met perceel 2). Bij arrest nr. 256.766 van 13 juni 2023 heeft de Raad van State de twee zaken samengevoegd, en de vorderingen verworpen. De verzoekende partij heeft tegen de beslissingen van 28 april 2023 geen beroepen tot nietigverklaring ingesteld. IV. Samenvoeging
  10. Zoals de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen van 1 maart 2023, het ene in verband met perceel 1, het andere in verband met perceel 2, zijn ook de beroepen tot nietigverklaring van die beslissingen samenhangend. In het belang van een goede rechtsbedeling worden beide zaken dan ook eveneens in verband met de beroepen tot nietigverklaring samengevoegd. V. Afstand van geding
  11. Met brieven van 1 augustus 2023 doet de verzoekende partij afstand van haar beroepen tot nietigverklaring en haar vorderingen tot schadevergoeding. Hieraan is uiteraard niet vreemd het feit dat de bestreden beslissingen inmiddels, op 28 april 2023, zijn ingetrokken. VI. Kosten
  12. In de gegeven omstandigheden past het de kosten van de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van de beroepen tot nietigverklaring ten laste van de verwerende partij te leggen. XII-9353-5/8
  13. De verzoekende partij vordert in elk van de twee zaken, telkens zowel voor de vordering tot schorsing als voor het beroep tot nietigverklaring, een basisrechtsplegingsvergoeding van 770 euro. Volgens artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de wetten op de Raad van State kan de Raad, bij een met redenen omklede beslissing, het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In zijn beoordeling houdt de Raad rekening met de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij (1°), de complexiteit van de zaak (2°) en de kennelijk onredelijke aard van de situatie (3°). Er is te dezen geen reden om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verlagen, in zoverre ze verschuldigd is voor de procedures over de vorderingen tot schorsing. Het zou echter onredelijk zijn om voor de procedures over de beroepen tot nietigverklaring in de twee zaken de rechtsplegingsvergoeding andermaal vast te stellen op het basisbedrag. Het gaat immers om verzoekschriften die in een belangrijke mate overeenkomen met de respectieve verzoekschriften tot schorsing. Bovendien heeft de verzoekende partij in beide zaken enkel een verzoekschrift ingediend, en geen memorie van wederantwoord of laatste memorie. De Raad van State herleidt de rechtsplegingsvergoeding in de twee procedures over de beroepen tot nietigverklaring dan ook telkens tot de helft van het basisbedrag, dit is telkens tot 385 euro. Het totale bedrag van de rechtsplegingsvergoedingen in de twee zaken bedraagt derhalve tweemaal 770 euro voor de schorsingsprocedures, en tweemaal 385 euro voor de procedures ten gronde, zijnde 2310 euro.
  14. Met toepassing van artikel 70, § 1, vijfde lid, van het voornoemde besluit van de Regent zijn de rechten en de bijdragen verbonden aan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.128 XII-9353-6/8 de vorderingen tot schadevergoeding in de gegeven omstandigheden niet verschuldigd en dienen ze aan de verzoekende partij te worden terugbetaald. BESLISSING
  15. De zaken A. 238.657/XII-9353 en A. 238.658/XII-9354 worden gevoegd.
  16. De Raad van State verleent akte van de afstand van de beroepen tot nietigverklaring en de vorderingen tot schadevergoeding.
  17. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op rolrechten van 800 euro, bijdragen van 96 euro, en rechtsplegingsvergoedingen van 2310 euro, die verschuldigd zijn aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op rolrechten van 300 euro. De rechten van 400 euro en de bijdragen van 48 euro verbonden aan de vorderingen tot schadevergoeding dienen aan de verzoekende partij te worden terugbetaald. XII-9353-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Paul Lemmens XII-9353-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.