id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.132 Rolnummer: A. 242104/X-18696 Zaak: Arrest 260132 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 14/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-18 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-11 03:10 Fiche Arrest nr 260.132 van 14 juni 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.132 no lien 277647 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 260.132 van 14 juni 2024 in de zaak A. 242.104/X-18.696 In zake:
- T.D.
- A.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Konstantijn Roelandt en Jens Joossens kantoor houdend te 2600 Antwerpen Koninklijkelaan 16/000 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE LEDE advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9620 Zottegem Gentse Steenweg 323 I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 juni 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede waarbij aan R. C. toelating wordt verleend voor de uitbating van het “buurtproject ‘Pop-up Bar Spoor 3’”. II. Verloop van de rechtspleging
- De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni 2024, om 11.30 uur. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. X-18.696-1/11 Advocaat Wienke Ceulemans, die loco advocaten Konstantijn Roelandt en Jens Joossens verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Ruben Merckx, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Recht tegenover verzoekers’ woonperceel in de Kloosterstraat te Lede ligt langs de oever van de Molenbeek een met bomen omzoomd perceel (hierna: het beboste terrein). Ten zuiden van verzoekers’ woonperceel bevinden zich twee percelen die samen een weide vormen (hierna: de betrokken weide) die groter is als het beboste terrein. Zowel het grootste deel van het beboste terrein als de betrokken weide zijn krachtens het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst - Ninove - Geraardsbergen - Zottegem gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Een klein deel van het beboste terrein – aan de oever van de Molenbeek – is gelegen in natuurgebied. Dit natuurgebied is opgenomen in het gebied “De Valleien van de Molenbeken (Lede)” van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN).
- Met een beslissing van 8 juni 2021 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede aan R. C. de toelating om op het beboste terrein de pop-up bar “Spoor 3” uit te baten op veertien specifieke dagen in juni, juli en augustus
- X-18.696-2/11
- Met een beslissing van 21 juni 2022 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede aan R. C. de toelating om de pop-up bar “Spoor 3” uit te baten op zestien specifieke dagen in juni, juli en augustus
- Met een beslissing van 4 april 2023 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede aan R. C. de toelating om de pop-up bar “Spoor 3” uit te baten op 120 dagen, waarvan dertig aaneengesloten dagen in de lente, zestig aaneengesloten dagen in de zomer en dertig aaneengesloten dagen in de winter. 7.
- Met het besluit van 20 februari 2024 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede aan R. C. de toelating om de pop-up bar “Spoor 3” uit te baten op 120 aaneengesloten dagen, meer bepaald tussen 10 mei en 6 september
- 7.
- Op vordering van verzoekers schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van het laatgenoemde besluit bij arrest nr. 259.é van 22 maart 2024 (zaak A. 241.373/X-18.604). In dit arrest wordt het volgende overwogen: “
- Voorshands wordt aangenomen dat het bestreden besluit – zoals iedere individuele overheidsbeslissing – moet kunnen worden ingepast in de bestaande regelgeving, zijnde niet alleen de rechtsregels die zijn uitgewerkt door de overheid die de beslissing heeft genomen, maar ook de verordenende bepalingen die uitgaan van andere bestuurlijke overheden. Zoals vermeld, liggen het beboste terrein en de betrokken weide in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en natuurgebied van het gewestplan. Op het eerste gezicht kwam het aan de verwerende partij toe om na te gaan of de toegelaten pop-up bar ingepast kan worden in de bestemmingsvoorschriften voor het landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het natuurgebied. Krachtens het inrichtingsbesluit geldt er in het eerstgenoemde gebied – naast het louter planologisch criterium dat het om landbouw moet gaan – een esthetisch criterium in verband met de schoonheidswaarde van het landschap en is het laatstgenoemde gebied bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. Op het eerste gezicht lijkt de exploitatie van een horecazaak volgens de gebruikelijke ruimtelijke-ordeningsterminologie gekwalificeerd te moeten worden als ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.132 X-18.696-3/11 handel en (commerciële) dienstverlening. Horecazaken lijken immers te vallen onder de in artikel 5 van het inrichtingsbesluit genoemde categorie van ‘handel [en] dienstverlening’ en niet onder de – in die bepaling afzonderlijk genoemde – categorie van ‘sociaal-culturele inrichtingen’ waarin schouwburgen, culturele centra, tentoonstellingsruimten, musea en dergelijke begrepen lijken te zijn. Daar niet in te zien valt dat de door het bestreden besluit toegelaten zomerbar de in het gewestplan voorziene bestemmingen zou betreffen, diende de verwerende partij prima facie na te gaan of er wettig toepassing kan worden gemaakt van de als volgt luidende afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.4, § 1, eerste lid, VCRO: ‘§
- In alle bestemmingsgebieden kunnen, naast de handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen worden vergund die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen.’ De beslissende overheid dient dus te onderzoeken of het gaat om sociaal-cultureel of recreatief medegebruik dat door zijn beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemmingen van de gebieden niet in het gedrang brengt (hierna: de afwijkingstoets). Op het eerste gezicht dient de afwijkingstoets te bestaan uit twee stappen. Eerst dient de overheid nauwkeurig te inventariseren welk gebruik er van het betrokken terrein zal worden gemaakt om uit te kunnen maken dat dit effectief sociaal-cultureel of recreatief is. Vervolgens dient de overheid na te gaan of dit gebruik daadwerkelijk een beperkte impact heeft zodat het de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang brengt. Bij de parlementaire voorbereiding van artikel 4.4.4 VCRO is volgende toelichting gegeven: ‘De impact kan beperkt zijn door (niet limitatief): […] – de tijdelijkheid van de ingreep (zoals bij een occasionele motorcross in agrarisch gebied, die bijvoorbeeld maximaal 3 keer per jaar wordt gehouden); […] Een evaluatie geval per geval is nodig. Enkele voorbeelden van zaken die onder het toepassingsgebied vallen, zijn: […] – het organiseren van een eenmalig jaarlijks popfestival in agrarisch gebied, waarbij de periode vanaf de voorbereiding tot aan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand slechts enkele weken duurt; […] – het tijdelijk en occasioneel opzetten van een tentenkamp van een jeugdbeweging in agrarisch gebied; […] – het organiseren van een mountainbikewedstrijd in agrarisch gebied of bosgebied; – het organiseren van een occasionele motorcross in agrarisch gebied na de oogst van de landbouwgewassen […]. X-18.696-4/11 Enkele voorbeelden van zaken die niet onder het toepassingsgebied vallen, zijn: – het organiseren van een occasionele motorcross of een popfestival in natuurgebied (dergelijke evenementen hebben weliswaar een occasioneel karakter, maar de impact op het natuurgebied kan niet beperkt worden genoemd, zodat de realisatie van de algemene bestemming in het gedrang wordt gebracht); […] – het organiseren van activiteiten waarvoor bepaalde gronden op permanente basis gehuurd worden en daardoor aan hun bestemming onttrokken worden, ook al zouden de activiteiten op zich slechts occasioneel plaats hebben; […] Het spreekt voor zich dat voor elk toepassingsgeval een gebiedsgerichte beoordeling essentieel is, waarbij rekening gehouden wordt met de algemene bestemming van het betrokken gebied maar ook met de nabijheid van andere bestemmingsgebieden en de goede ruimtelijke ordening in het algemeen. In die zin moeten de decretale bepalingen in kwetsbare gebieden (de ruimtelijk kwetsbare gebieden en degene, aangewezen op basis van andere wetgeving, zoals speciale beschermingszones) een veel striktere beoordeling krijgen dan in bepaalde andere gebieden. Zelfs binnen eenzelfde categorie van bestemmingsgebieden kan de toelaatbaarheid van de betrokken activiteiten verschillen, bijvoorbeeld wegens nabuurschap met andere bestemmingsgebieden […] of de feitelijke toestand zoals de aanwezigheid van bepaalde natuurwaarden of het landschappelijk landschappelijk waardevol karakter van een gebied bestemd voor agrarisch gebruik. Bij de plaatsgebonden beoordeling moeten ook elementen zoals de toegankelijkheid van een gebied en de verkeersimpact van bepaalde activiteiten in rekening worden gebracht’ (Parl.St. Vl.Parl. 2004-2005, nr. é/1, 11-12).
- Te dezen kan op het eerste gezicht noch uit de overwegingen van het bestreden besluit, noch uit de stukken van het administratief dossier worden opgemaakt dat de verwerende partij de tweeledige afwijkingstoets heeft uitgevoerd. De activiteiten die op het betrokken terrein mogen plaatsvinden zijn immers enkel omschreven als een zomerbar en er lijkt niet te zijn nagegaan of het gebruik van het terrein slechts een beperkte impact heeft die de verwezenlijking van de algemene bestemmingen landschappelijk waardevol agrarische gebied en natuurgebied niet in het gedrang brengt. Het gegeven dat bij de ‘algemene voorwaarden’ wordt gesteld dat de organisator erop moet toezien dat bij een indoor evenement het maximaal aantal gelijktijdig toegelaten personen in de zaal niet overschreden wordt, lijkt veeleer een standaardvoorwaarde te zijn in verband met de brandveiligheid en niets te zeggen over de aard van de georganiseerde activiteiten. Op het eerste gezicht kan dan ook niet worden aangenomen dat daarmee het sociaal-cultureel of recreatief medegebruik op afdoende wijze zou worden gemotiveerd in de bestreden beslissing. Dat de toegelaten zomerbar een beperkte impact zou hebben die de verwezenlijking van de in het gewestplan voorziene bestemmingen niet in het gedrang brengt, valt prima facie niet spontaan in te zien, nu er gedurende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.132 X-18.696-5/11 120 aaneengesloten dagen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat geëxploiteerd mag worden met een openluchtinstallatie voor geluidsversterking, waarbij in het bestreden besluit vermeld wordt dat de activiteiten op het beboste terrein ‘in geen geval [mogen] ontaarden in een fuif’. Bovendien wordt in dit besluit op het eerste gezicht niets gezegd over de mobiliteitsproblematiek en het gebruik van de betrokken weide als parkeerterrein, terwijl dit essentiële onderdelen van de toegelaten pop-up lijken te zijn waarvan voorshands wordt aangenomen dat ze mee onderworpen dienden te worden aan de afwijkingstoets.
- Aan de in het vorige randnummer gedane vaststellingen lijkt geen afbreuk te worden gedaan door de omstandigheden en elementen waarop de verwerende partij en R. C. zich beroepen, zoals het feit dat er bij een vorige editie van ‘Spoor 3’ een kleinschalige activiteit van kindermaquillage heeft plaatsgevonden en de – onjuiste – bewering dat de bestreden toelating slechts voor zes weekeindes zou gelden.
- De besproken middelen zijn in de aangegeven mate ernstig.”
- Op 7 mei 2024 doet R. C. opnieuw een aanvraag voor de pop-up bar Spoor 3, die hij nu benoemt als een buurtproject. Hij benadrukt in de aanvraag dat er in het verleden kleinschalige sociaal-culturele en recreatieve activiteiten, zoals kindermaquillage, hebben plaatsgevonden en dat “het doel van al deze aangelegenheden was het samenbrengen van de lokale bevolking in de natuur om er tijdelijk recreatief gebruik van te maken, zo vaak mogelijk met een culturele insteek”. Uit de aanvraag blijkt dat de betrokken weide – die ongeveer 2.700 m² groot is – gebruikt mag worden als parking voor de auto’s van de klanten van de bar.
- Bij besluit van 28 mei 2024 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede aan R. C. de toelating voor de uitbating van het “buurtproject ‘Pop-up Bar Spoor 3’”. De bar mag open zijn tot 1 uur ’s nachts op vrijdagen, zaterdagen en week- en zondagen die gevolgd worden door een feestdag en tot 24 uur op andere dagen. X-18.696-6/11
- Op 4 juni 2024 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede het besluit “Toelating buurtproject ‘pop-up bar Spoor 3’ (rechtzetting)”. IV. Precisering van het voorwerp
- Pas aan de vooravond van de terechtzitting, dit is op 13 juni 2024, deelt de verwerende partij met een e-mail aan de Raad van State en verzoekers het bestaan en de tekst van het besluit van 4 juni 2024 mee, wat niet getuigt van een loyale procesvoering. In deze e-mail stelt de verwerende partij dat aangezien artikel 1 van het besluit van 4 juni 2024 de toelating van 28 mei 2024 intrekt, de tegen die toelating gerichte vordering “zonder voorwerp [komt] te vallen”.
- Voorshands kan deze gevolgtrekking niet worden bijgevallen. Zoals verzoekers ter terechtzitting opmerken, moet prima facie worden vastgesteld dat artikel 2 van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 4 juni 2024 op grond van dezelfde overwegingen als in het besluit van 28 mei 2024 en onder dezelfde voorwaarden toelating voor de uitbating van het “buurtproject ‘Pop-up Bar Spoor 3’” verleent, zij het dat de periode waarin er mag worden uitgebaat van 121 naar 120 dagen is gebracht. Dat er, zoals de verwerende partij ter terechtzitting opmerkt, in het besluit van 4 juni 2024 inzake de natuurtoets een langer citaat is opgenomen uit het aanvraagdossier van 7 mei 2024, doet aan die vaststelling geen afbreuk. Aangenomen wordt derhalve dat het materiële voorwerp van de vordering nog steeds bestaat, weze het dat het op vandaag de vorm aanneemt van artikel 2 van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 4 juni
- X-18.696-7/11 V. Voorwaarden van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing. VI. Onderzoek van het eerste en het tweede middel Verzoekschrift 14.
- In het eerste middel voeren verzoekers onder meer de schending aan van artikel 4.4.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. In het tweede middel voeren verzoekers onder meer de schending aan van het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 14.
- Verzoekers lichten toe dat de zomerbar niet kan worden ingepast in de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan daar deze bar een horecagelegenheid is en geen sociaal-cultureel of recreatief event. Dat er in het verleden (oud)scouts of leden van andere vzw’s in de zomerbar een pint zijn komen drinken, verandert daar niets aan. Wanneer men de facebook-pagina van spoor 3 opent, wordt links bovenaan aangeduid dat het een “café” betreft en wordt als eerste bericht getoond: X-18.696-8/11 “Heb je iets te vieren deze zomer? Dat kan in Spoor 3! Stuur een berichtje of mail [R. C.] of bel […]. We bespreken samen datum en voorwaarden.” 14.
- Voorts ontbreekt elke inhoudelijke beoordeling in verband met de parking. Nochtans tast het parkeren van tientallen auto’s op de betrokken weide onmiskenbaar de door het gewestplan beschermde schoonheidswaarde van het gebied aan. Beoordeling
- Vooreerst wordt verwezen naar de aangehaalde overwegingen uit ’s Raads arrest nr. 259.é van 22 maart 2024 (randnr. 7.2) die hier als herhaald worden beschouwd.
- De determinerende overweging op grond waarvan de toelating verleend wordt, lijkt te zijn dat de verwerende partij de stelling van aanvrager R. C. overneemt dat de pop-up bar een buurtproject is en geen horecagelegenheid, daar de aanvrager “tot doel [heeft] de lokale bevolking in de natuur samen te brengen om er recreatief gebruik van te maken, dit met een culturele insteek”. Daarbij wordt dan gewezen op DJ-optredens, een optreden van een cello-kwartet en kindernamiddagen die in het verleden reeds werden georganiseerd op het terrein. Niet zonder pertinentie wijst verzoeker op de facebook-pagina van “Spoor 3” waarin de zomerbar zich uitdrukkelijk als “café” afficheert. Op het eerste gezicht lijkt een en ander uit te wijzen dat de zomerbar hoofdzakelijk een – tot in de nacht geopend – café is, waarin de voornoemde activiteiten slechts een bijkomstige rol spelen.
- Voorts voeren verzoekers prima facie terecht aan dat er geen toetsing gebeurd is van de inpasbaarheid van de parking in de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. X-18.696-9/11
- De besproken middelen zijn in de aangegeven mate ernstig. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Verzoekschrift
- In het verzoekschrift wordt uiteengezet dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een gewone procedure tot schorsing, daar deze procedure onvermijdelijk te laat zou komen om verdere schadelijke gevolgen voor verzoekers te voorkomen. Volgens verzoekers zal de zomerbar die wordt opgestart op 16 juni 2024 een bijzonder negatief effect hebben op hun leefomgeving, gelet op de mobiliteits- en geluidsimpact. Beoordeling
- Niet zonder overtuigingskracht wijzen verzoekers op de kans dat hun leefomgeving betekenisvol verstoord wordt door de toegestane zomerbar met een openluchtinstallatie voor geluidsversterking en pieken van 150 klanten, waarvan een deel zich met de auto verplaatst.
- Terecht merken verzoekers op dat de behandeling van hun zaak in een gewone procedure tot schorsing te laat zou komen om de door hen gevreesde schadelijke gevolgen te voorkomen.
- De conclusie is dat er voldaan is aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van artikel 2 van het besluit van het college van X-18.696-10/11 burgemeester en schepenen van de gemeente Lede van 4 juni 2024 “Toelating buurtproject ‘pop-up bar Spoor 3’ (rechtzetting)”. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.696-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.132 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div