id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.153 Rolnummer: A. 231211/X-18383 Zaak: Arrest 260153 - O.C.M.W. - 18/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-27 Raadplegingen: 137 - laatst gezien 2026-06-15 02:43 Fiche Arrest nr 260.153 van 18 juni 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.153 no lien 277732 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 260.153 van 18 juni 2024 in de zaak A. 231.211/X-18.383 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de STAD XXXX 2. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jonas De Wit en Wouter Rubens kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : S.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Socquet kantoor houdend te 3000 Leuven Engels Plein 35, bus 107 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring van: “1. [D]e beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn [van XXXX] dd. 28 mei 2020 met betrekking tot de verdere organisatie van stad en OCMW […]; 2. [D]e beslissing van de gemeenteraad [van XXXX] dd. 28 mei 2020 met betrekking tot de verdere organisatie van stad en OCMW […].” X-18.383-1/26 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 15 september 2020. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. Alle partijen dienden bijkomend een toelichtende memorie in. Kamervoorzitter Johan Lust heeft op de terechtzitting van 29 september 2023 en de terechtzitting van 8 maart 2024 verslag uitgebracht. Advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Wouter Rubens, die verschijnt voor de verwerende partijen, en advocaat Tom Socquet, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn op de terechtzittingen van 29 september 2023 en 8 maart 2024 gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-18.383-2/26 III. Juridisch kader en feiten 3. Naar eis van artikel 162, § 1, eerste lid, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: het decreet lokaal bestuur) is er in elke gemeente een algemeen directeur die ten dienste staat van zowel de gemeente als het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) dat de gemeente bedient. Gelet op artikel 583, § 1, van het decreet lokaal bestuur heeft de gemeente de mogelijkheid om ofwel de titularissen van het ambt van gemeentesecretaris of van secretaris van het OCMW op te roepen om zich kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur, ofwel om ervoor te opteren onmiddellijk het ambt in te vullen door aanwerving of bevordering. Artikel 589, § 1, van het decreet lokaal bestuur schrijft voor dat de functiehouder die niet wordt aangesteld als algemeen directeur, wordt aangesteld hetzij als adjunct-algemeendirecteur, hetzij in een passende functie van niveau A. 4. Op 6 juli 2018 maken de tussenkomende partij, stadssecretaris van de stad XXXX, en verzoeker, secretaris van het OCMW van XXXX, in een consensusnota afspraken “met betrekking tot de ambtelijke invullingen vanaf 1 augustus 2018 naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Decreet Lokaal Bestuur en met betrekking tot de verdere organisatie van de Lokale Besturen van XXXX”. Het hoofddoel bestaat erin 1° dat een OCMW-welzijnsvereniging wordt opgericht volgens een welbepaald organisatiemodel (Blue Sky), 2° dat de huidige OCMW-functiehouders daarin worden aangesteld en 3° dat de tussenkomende partij wordt aangesteld als de algemeen directeur van de stad. Een en ander kadert “binnen een organisatiebrede en conflictvrije context”. Concreet wordt in de consensusnota in de eerste plaats gemikt op de oprichting van een publiekrechtelijke OCMW-welzijnsvereniging, met de naam Zorg- Experten- en Patrimoniumgroep (hierna: ZEP), waarin verzoeker de functie van algemeen directeur krijgt aangeboden met toepassing van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.153 X-18.383-3/26 artikel 589 van het decreet lokaal bestuur. Ook wordt in punt 11 van de consensusnota in een regeling voorzien voor het geval waarin de welzijnsvereniging niet ten laatste op 1 januari 2020 tot stand komt. Na een oproep tot de functiehouders om zich kandidaat stellen voor het ambt van algemeen directeur wordt dan als volgt gehandeld: “
- a)de beide functiehouders hebben zich kandidaat gesteld: er wordt een selectieprocedure georganiseerd met een schriftelijk en een mondeling deel waarvan de inhoud evenwicht[ig] is gespreid over de materies die in beide lokale besturen aan bod komen en dit met een waterdichte garantie op een objectief verloop. Alle verdere modaliteiten hiervan worden alsdan vastgesteld in een bijkomend te sluiten consensus tussen de huidige functiehouders om vervolgens voor goedkeuring te worden voorgelegd aan de gemeenteraad.
- b)er heeft zich slechts één functiehouder tijdig kandidaat gesteld: deze wordt met toepassing van artikel 583, §1, tweede lid, [decreet lokaal bestuur] aangesteld als algemeen directeur. Gelet op de verdiensten van de huidige functiehouders zal de gemeenteraad op het ogenblik van de definitieve aanstelling van een algemeen directeur, in toepassing van artikel 589, §1, [decreet lokaal bestuur] voorzien in de functie van een adjunct-algemeen directeur, en deze functie aanbieden aan de functiehouder die niet tot algemeen directeur is aangesteld. Overeenkomstig artikel 175 [decreet lokaal bestuur] staat de adjunct-algemeen directeur de algemeen directeur bij in de vervulling van zijn ambt en vervangt hem in geval van afwezigheid of verhindering. Binnen dit decretale kader zal aan de functie-inhoud van de adjunct-algemeen directeur concreet invulling worden gegeven in een functiebeschrijving, waarbij rekening moet worden gehouden met de competenties en de belangstellingensfeer van het betrokken personeelslid. Om die redenen zal de functiebeschrijving in samenspraak met het betrokken personeelslid worden opgesteld en zijn instemming bekomen, bij gebreke waaraan op verzoek van betrokkene tot disponibiliteit wegens ambtsopheffing moet worden besloten aangezien er geen andere passende functie denkbaar is met een hogere of gelijke hiërarchische positie, expertiseniveau en representativiteitsgraad als deze van adjunct-algemeen directeur. […] Bij aanvaarding van deze functie van adjunct-algemeen directeur gebeurt dit met behoud van het dienstverband, de rechtspositieregeling en decretale waarborgen. […].” 5.1. Op 19 juli 2018 verklaart de gemeenteraad van de stad XXXX de procedure in, en de inhoud van, de consensusnota te onderschrijven en tot de zijne te maken. Onder meer wordt goedgekeurd in artikel 8, § 1: X-18.383-4/26 “Indien ten laatste op 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging overeenkomstig het organisatiemodel Blue Sky in werking is getreden […], treedt integraal de regeling in werking zoals uitgewerkt in punt 11 van de consensusnota.” En in artikel 10: “§1. In de situatie bedoeld in artikel 7, § 1 [lees: artikel 8, § 1], van huidig besluit, beslist de gemeenteraad om in toepassing van artikel 589, § 1, van het [decreet lokaal bestuur] de functie van adjunct-algemeen directeur in te richten. §2. Deze functie wordt beschikbaar op het ogenblik dat de gemeenteraad overgaat tot definitieve aanstelling van de algemeen directeur en kan, ten persoonlijke titel, worden opgenomen door de functiehouder die niet tot algemeen directeur is aangesteld.” 5.2. Van zijn kant beslist ook de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW te XXXX op 24 juli 2018 onder andere: “Indien ten laatste op 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging overeenkomstig het organisatiemodel Blue Sky in werking is getreden […], treedt integraal de regeling in werking zoals uitgewerkt in punt 11 van de consensusnota.” 6. Op 23 mei 2019 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn tot de oprichting van de welzijnsvereniging ZEP. De beslissing wordt evenwel door de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding niet goedgekeurd op 23 augustus 2019. Daarop beslist de raad voor maatschappelijk welzijn op 28 november 2019 geen aangepast dossier tot oprichting van een welzijnsvereniging ZEP te zullen indienen. Verzoeker stelt tegen die beslissing op 22 januari 2020 het annulatieberoep gekend onder nr. A. 230.040/IX-9674 in. X-18.383-5/26 7. Met een brief van 27 maart 2020 bericht de stad XXXX aan de tussenkomende partij en verzoeker dat zij de eerdere besluitvorming van 19 juli 2018 en 24 juli 2018 zal herbekijken “in het licht van de sindsdien gewijzigde omstandigheden”. Gevraagd wordt naar hun standpunt over het eerdere consensusvoorstel van 6 juli 2018. Verzoeker antwoordt op 27 april 2020 dat aangezien overeenkomsten tot wet strekken, hij geen standpunt mag ontwikkelen dat afwijkt van de consensusnota, en dat zijn beroep bij de Raad van State noodzakelijk was om de overeenkomst van 6 juli 2018 te goeder trouw tot uitvoer te brengen. De tussenkomende partij van haar kant antwoordt, ook op 27 april 2020, dat het vasthouden van verzoeker, als enige, aan de oprichting van een welzijnsvereniging volgens het Blue Sky-model en zijn onderhuidse verzet tegen de totstandkoming van de nieuwe geïntegreerde organisatiestructuur lokaal bestuur niet strookt met “de door de consensusnota vereiste loyale uitvoering”. Zij zegt zichzelf niet meer gebonden te achten door de nota. 8. Op 28 mei 2020 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn zijn eerdere raadsbesluit van 24 juli 2018 te wijzigen nu het organisatiemodel Blue Sky dat in de consensusnota van 6 juli 2018 werd uitgewerkt, geen integrale uitvoering kan verkrijgen. Artikel 6, § 1, wordt vervangen door: “Indien ten laatste op 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging overeenkomstig het organisatiemodel Blue Sky in werking is getreden of indien de aanstelling van dhr. Pieter Vanhoutte als algemeen directeur van deze welzijnsvereniging niet is gebeurd en definitief uitvoerbaar is, komt het soeverein aan de gemeenteraad toe om de verdere procedure tot invulling van het ambt van algemeen directeur te bepalen.” Zelf beslist de gemeenteraad op 28 mei 2020, in artikel 4 van een besluit “met betrekking tot verdere organisatie stad en OCMW XXXX (consensusnota)”, zijn eerdere gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 te wijzigen als volgt: “- Artikel 8, § 1 wordt vervangen als volgt: Indien ten laatste op 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging overeenkomstig het organisatiemodel Blue Sky in werking is getreden of ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.153 X-18.383-6/26 indien de aanstelling van dhr. Pieter Vanhoutte als algemeen directeur van deze welzijnsvereniging niet is gebeurd en definitief uitvoerbaar is, komt het soeverein aan de gemeenteraad toe om de verdere procedure tot invulling van het ambt van algemeen directeur te bepalen. - Artikel 10 wordt vervangen als volgt: Nadat een algemeen directeur werd aangesteld, zal de niet aangestelde functiehouder secretaris overeenkomstig artikel 589, § 1 van het Decreet Lokaal Bestuur aangesteld worden in een nieuwe functie. Hierover zal deze functiehouder worden gehoord.” 9. Bij arrest nr. 253.356 van 24 maart 2022 verleent de Raad van State verzoeker akte van de afstand van zijn beroep tegen de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van 28 november 2019 om geen aangepast dossier tot oprichting van een welzijnsvereniging ZEP in te dienen. IV. Ontvankelijkheid A. Eerste excepties Uiteenzetting 10. De verwerende partijen voeren in de memorie van antwoord de volgende excepties aan. De tussenkomende partij sluit er zich bij aan. Het beroep tot nietigverklaring is in de eerste plaats onontvankelijk in zoverre het “moet strekken tot een oprichting van de Welzijnsvereniging ZEP én een aanstelling van verzoekende partij als algemeen directeur van deze Welzijnsvereniging”. In de tweede plaats is het beroep onontvankelijk in zoverre het “moet strekken tot een aanstelling van verzoekende partij als adjunct-algemeen directeur van de stad en OCMW XXXX”. Wat de bestreden beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn betreft, moet immers worden vastgesteld dat die raad er zich op geen enkele wijze in uitspreekt over een mogelijke aanstelling van verzoeker als adjunct-algemeendirecteur. Een vernietiging ervan kan voor hem niet resulteren in die functie en niet zijn belang dienen. Ook wat de bestreden X-18.383-7/26 gemeenteraadsbeslissing betreft, mist verzoeker volgens de verwerende partijen belang. Een aanstelling als adjunct-algemeendirecteur wordt er niet ipso facto door uitgesloten. Bovendien bezorgt een vernietiging verzoeker niet automatisch het voordeel van een aanstelling als adjunct-algemeendirecteur. In de derde plaats is verzoekers vordering “hoe dan ook onontvankelijk […] in zoverre deze gericht is tegen de bestreden gemeenteraadsbeslissing”. Namelijk bestaat er tussen de twee bestreden beslissingen niet de vereiste samenhang of verknochtheid opdat ze met één verzoekschrift aangevochten kunnen worden. Bijgevolg is het beroep onontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. Beoordeling 11. Mocht verzoeker de bestreden beslissingen elk met een afzonderlijk beroep hebben aangevochten, dan zou het zich hebben opgedrongen dat de Raad van State de beroepen samenvoegde in het belang van een goede rechtsbedeling. Er is bijgevolg geen reden om voorliggend beroep bij gebrek aan samenhang onontvankelijk te achten wat de ene of de andere bestreden beslissing betreft. 12. Nadat verzoeker afstand van geding deed met betrekking tot zijn annulatieberoep tegen de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van 28 november 2019, heeft het bevoegde lid van het auditoraat hem gevraagd naar de invloed van de gewijzigde omstandigheden op voorliggend beroep. Blijkens het auditoraatsverslag wijst verzoekers antwoord uit dat hij enkel nog de nietigverklaring van artikel 4 van de gemeenteraadsbeslissing van 28 mei 2020 nastreeft. Verzoeker bevestigt dit in zijn laatste memorie. X-18.383-8/26 13. Dat, zoals verzoeker in de laatste memorie doet gelden, de vernietiging van “de schrapping van de bepaling dat een ambt van adjunct-algemeendirecteur wordt ingericht dat wordt toegewezen aan de uittredende functievervuller die niet wordt aangesteld als algemeen directeur” in voorkomend geval tot gevolg heeft “dat dit geschrapte ambt van adjunct-algemeendirecteur van rechtswege en met terugwerkende kracht tot aan de aanstelling van de algemeen directeur herleeft én dat dit ambt dus geacht moet worden aan verzoeker te zijn toegewezen m.i.v. 1.06.2020” is onjuist. De bestreden gemeenteraadsbeslissing heeft niet het ambt van adjunct-algemeendirecteur afgeschaft maar alleen het engagement ongedaan gemaakt om die functie in te richten en ze dan aan te bieden aan de functiehouder die niet tot algemeen directeur is aangesteld. De gebeurlijke vernietiging van de bestreden gemeenteraadsbeslissing kan niet leiden tot het herleven van een functie die voorheen nog niet bestond, laat staan tot de vaststelling dat verzoeker deze functie al toegewezen kreeg. 14. Maar uit de omstandigheid dat een vernietiging in voorkomend geval niet ipso facto of met zekerheid meebrengt dat verzoeker als adjunct-algemeendirecteur wordt aangesteld, volgt nog geenszins dat verzoeker geen belang erbij heeft dat de vervanging van artikel 10 van de gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 zou worden teruggeschroefd. Terecht merkt verzoeker op dat de vervanging zijn vaste vooruitzicht op de decretale functie van adjunct-algemeendirecteur onderuithaalt. Zoals het vervolg der feiten heeft uitgewezen, is verzoeker na de aanstelling van de tussenkomende partij als algemeen directeur, ook effectief niet in de decretale graad van adjunct-algemeendirecteur aangesteld geworden, maar op 12 november 2020 in de “passende functie” van directeur Privaat patrimonium, op niveau A4. 15. De conclusie uit wat voorafgaat is dat verzoeker nog alleen belang stelt in de vernietiging van artikel 4 van de bestreden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.153 X-18.383-9/26 gemeenteraadsbeslissing van 28 mei 2020 en dat de besproken excepties niet uitwijzen dat zijn beroep wat dat artikel 4 betreft onontvankelijk is. Hierna wordt als verwerende partij dan ook nog alleen de stad XXXX beschouwd en wordt nog alleen aandacht besteed aan artikel 4 van de gemeenteraadsbeslissing van 28 mei 2020 (hierna: de bestreden beslissing). B. Bijkomende exceptie Uiteenzetting 16. In hun toelichtende memories (na de laatste memorie) betogen de verwerende partij en de tussenkomende partij dat het vast bureau van het OCMW verzoeker op 3 november 2023 om dringende reden heeft ontslagen, met toepassing van het decreet van 16 juni 2023 dat het decreet lokaal bestuur wijzigt wat de beëindiging betreft van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid (hierna: ontslagdecreet). Hierdoor is verzoeker zonder actueel belang. Indien hij zijn ontslag zou willen aanvechten, moet hij zich wenden tot de arbeidsgerechten, die uitsluitend een opzeggingsvergoeding en eventueel een bijkomende schadevergoeding kunnen toekennen. Verzoeker kan onmogelijk nog terugkeren als personeelslid en aangesteld worden tot (adjunct-) algemeen directeur. Het indienen van een beroep bij het Grondwettelijk Hof tegen het ontslagdecreet doet op geen enkele wijze afbreuk aan het verlies van zijn belang. In zoverre verzoeker meent nog over een “moreel belang omwille van het persoonlijk karakter van de bestreden beslissing” te beschikken, voert hij een drogreden aan. Blijkens alle voorgaande procedurestukken was het beroep gericht op een nieuwe kans om aangesteld te kunnen worden in bepaalde betrekkingen. Thans voor het eerst aanvoeren dat zijn belang “verder zou reiken dan het verschaffen van een nieuwe kans om mee te dingen naar de geambieerde betrekkingen, en hij tevens een moreel belang zou hebben” is ongeoorloofd. Het gaat de grenzen te buiten die hij in zijn verzoekschrift aan het debat heeft getrokken. Ten andere blijkt uit niets dat hij enig moreel belang heeft en dat de beslissing op enigerlei wijze zijn integriteit en reputatie zou hebben aangetast. X-18.383-10/26 Ten slotte is het belang om de bestreden beslissing onwettig te zien verklaren met het oog op een schadevergoedingsprocedure onvoldoende rechtstreeks, en is het ontslag om dringende reden en bijgevolg het verlies aan actueel belang persoonlijk verwijtbaar aan verzoeker. Beoordeling 17. Met de bestreden beslissing komt de verwerende partij, volgens verzoeker wederechtelijk, terug op eerdere beslissingen overeenkomstig een consensusnota tussen hem en de tussenkomende partij. In zoverre hier relevant, gaat het om de regeling tot selectie van de algemeen directeur ingeval per 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging is opgericht, en om de inrichting en beschikbaarstelling van de functie van adjunct-algemeendirecteur voor wie niet tot algemeen directeur wordt aangesteld. Van de oorspronkelijke bepalingen wordt afgestapt – mede – om reden van wat, kort gezegd, als verzoekers moeilijke, dwarse houding is beschouwd. In de memorie van antwoord wordt in dit verband gesproken van verschillende eigengereide demarches van verzoeker, van zijn uiterst gratuite bewering dat zijn demarches niet de onderlinge verstandhouding met de tussenkomende partij hebben aangetast en dat beiden zich maar professioneel moeten gedragen, van zijn flagrante ontkenning van de ernst van zijn oncollegiale stappen, waarmee hij “andermaal een loopje [neemt] met de realiteit waarin de onderlinge verstandhouding weldegelijk (fors) werd verstoord”. 18. De verwerende partij kan dan ook niet gevolgd worden wanneer zij in de toelichtende nota betoogt dat “in de bestreden beslissing […] geen enkel odium gelegd [wordt] op verzoekende partij”. Zij is des te meer ongeloofwaardig nu zij tegelijk, in dezelfde toelichtende memorie, bepleit dat twee recente verslagen van IDEWE (externe dienst voor preventie en bescherming op het werk), uit 2023, toegelaten zouden moeten worden in de procedure omdat ze beweerdelijk bevestigen “dat de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.153 X-18.383-11/26 motieven waarop de bestreden beslissing berust, alsook waarom diende teruggekomen te worden op de adjunctenfunctie als terugvaloptie, wel degelijk bestaande en correct waren”. Namelijk zouden ze duidelijk maken “dat verzoekende partij niet enkel met tussenkomende partij, maar met nagenoeg iedereen binnen het lokale bestuur XXXX een (ernstig) bezwaarde verstandhouding had, ingevolge zijn gedragingen, houdingen, acties, …” 19. Aangenomen wordt dat de motieven voor de bestreden beslissing en de eventuele onwettigheid ervan voor verzoeker een speciaal krenkend karakter vertonen en dat hij er dan ook een moreel belang bij heeft om de beslissing, op die grond, te doen vernietigen. Het mag waar zijn dat verzoeker met een vernietiging van de aanpassingen die hij met zijn beroep bestrijdt, initieel meer op het oog had dan louter die morele genoegdoening. Het betekent echter niet dat, voor zoveel door zijn ontslag nog alleen deze morele genoegdoening bereikbaar zou zijn, dit moreel belang zijn oorspronkelijk belang te buiten gaat en nieuw zou zijn. Geredelijk mag verondersteld worden dat het beroep er altijd mee toe gestrekt heeft de bestreden beslissing te doen vernietigen omdat de ondeugdelijke redenen waarop ze volgens verzoeker berust, voor hem meer dan gewoon grievend zijn. 20. Concluderend blijkt dat verzoeker alleszins een actueel moreel belang heeft overgehouden bij de vernietiging van de bestreden beslissing. In dit licht wordt met betrekking tot verzoekers belang te dezen geen verdere aandacht en onderzoek besteed aan het feit, en de mogelijke gevolgen ervan, dat hij (en anderen) aan het Grondwettelijk Hof de vernietiging heeft gevraagd van het ontslagdecreet, dat hij heeft aangekondigd zijn ontslag om dringende reden te zullen betwisten bij de bevoegde arbeidsrechtbank, en dat hij, nog vóór de sluiting van het debat te dezen, bij de Raad van State een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingesteld. X-18.383-12/26 V. Onderzoek van de middelen A. Algemeen 21. Verzoeker voert twee middelen aan. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti. De gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 voorziet in de decretale graad van adjunct-algemeendirecteur voor de functiehouder die niet als algemeen directeur wordt aangesteld. Hieruit put verzoeker, zo meent hij, een recht waarop de verwerende partij niet met de bestreden beslissing kon terugkomen zonder de aangevoerde beginselen te schenden. In een tweede middel noemt verzoeker de materiële- en formelemotiveringsplicht geschonden. Zowel de motivering om te verantwoorden dat de gemeenteraad een nieuwe procedure mag uitwerken tot aanstelling van de algemeen directeur als de motieven om af te zien van de functie van adjunct-algemeendirecteur voor de functiehouder die niet als algemeen directeur wordt aangesteld, zijn volgens hem onwettig. B. Wat de nieuwe procedure tot aanstelling van de algemeen directeur betreft (de vervanging van artikel 8, § 1, van de gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018) Standpunt van de partijen 22. Toegelicht wordt in het tweede middel dat de motivering ter verantwoording dat de gemeenteraad een nieuwe procedure mag uitwerken tot aanstelling van de algemeen directeur, in de plaats van de regeling in punt 11, § 1, van de consensusnota, onjuist is en onwettig. De ministeriële niet-goedkeuring van de welzijnsvereniging ZEP is geen wettige reden om geen selectieprocedure te organiseren, onder andere met een schriftelijk en een mondeling deel. Er is “geen sprake van een ‘impasse’ ‘binnen de ambtelijke organisatie van stad en OCMW’”. X-18.383-13/26 De omstandigheid dat de functiehouders in consensus mogen bepalen welke procedure wordt gevolgd, maakt geen belangenvermenging uit. Dat “ondersteunende proeven” volgens het decreet lokaal bestuur niet verplicht zijn, is geen reden om terug te komen op het voornemen om een selectieprocedure te organiseren zoals bepaald in punt 11, § 1, van de consensusnota. Een externe selectieprocedure zorgt ervoor dat een objectieve beslissing kan worden genomen over de aanstelling van de algemeen directeur. Het is niet omdat de voormalige secretarissen “bepaalde brieven hebben verstuurd om standpunten duidelijk te maken” dat zij niet meer professioneel zouden kunnen samenwerken en een nieuwe consensusregeling uitwerken. De uittredende functiehouders doen alleen een “technisch” voorstel, de gemeenteraad behoudt het laatste woord. 23. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord tegen dat er in de bestreden beslissing verschillende, in rechte en in feite aanvaardbare motieven voorkomen die schragen waarom het noodzakelijk was een nieuwe procedure uit te werken voor de aanstelling van de algemeen directeur ter vervanging van de regeling in punt 11, § 1, van de consensusnota. Zo wordt in de bestreden beslissing aangevoerd dat het vereiste dat tussen de secretarissen een aanvullende consensus wordt gesloten, een impasse creëert en de aanstelling van een algemeen directeur nog eens on hold zet (nadat ze eerder ook al on hold was gezet in afwachting van de oprichting van een welzijnsvereniging). Immers had de tussenkomende partij al laten weten dat een verderzetting van de consensusnota “om meerdere redenen onhoudbaar zou zijn, in het bijzonder de diverse demarches van verzoekende partij waaronder de diverse ingebrekestellingen, eigengereide procedure voor [de] Raad van State én het dreigement met een strafklacht”. 24. In de memorie van wederantwoord blijft verzoeker erbij dat er geen wettig motief voorhanden is om terug te komen op de goedgekeurde procedure tot aanstelling van de algemeen directeur. Het argument dat de procedure moest worden gewijzigd om reden van conflicten tussen verzoeker en de tussenkomende partij is onjuist. Beiden vervullen hun functies en werken X-18.383-14/26 professioneel samen. Een bijkomende consensus uitwerken tussen twee professionele ambtenaren is wel degelijk mogelijk. 25. In de laatste memorie beklemtoont de verwerende partij dat verzoeker zich in het verzoekschrift nooit concreet heeft verzet tegen de beslissing om af te zien van een selectieprocedure met organisatie van een schriftelijke en mondelinge proef. Hoe dan ook staat die beslissing volledig los van het belang dat verzoeker bij het beroep meent te hebben en dat gericht is op 1) de creatie en het aanbieden van de functie van directeur van de welzijnsvereniging en 2) de creatie van de functie van adjunct-algemeendirecteur. Bovendien is de beslissing wel degelijk afdoende gemotiveerd. Onder meer wordt ze verantwoord “vanuit een sense of urgency”: de organisatie van een schriftelijke en mondelinge proef alvorens te kunnen overgaan tot de aanstelling van een algemeen directeur zou afbreuk doen aan de invulling van het ambt op korte termijn. 26. Verzoeker reageert in zijn laatste memorie dat hij zich in zijn verzoekschrift wel heeft verzet tegen de wijziging van de procedure om een algemeen directeur aan te stellen. Hij heeft die wijziging ook betrokken bij de uiteenzetting van zijn belang. Voorts zet de verwerende partij, aldus verzoeker, nergens uiteen waarom de aanstelling van de algemeen directeur zo hoogdringend was dat de oorspronkelijke procedure waarin de consensusnota voorzag niet kon worden gevolgd. Het motief dat een consensus niet meer kon worden bereikt, verklaart niet waarom de principiële keuze voor de selectieprocedure met een schriftelijk en mondeling deel wordt verlaten. 27. De tussenkomende partij sluit zich aan bij het verweer van de verwerende partij. Beoordeling 28. De gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 stelt de definitieve aanstelling in de functie van algemeen directeur open voor uitsluitend de functiehouders-secretarissen. Tegelijk wordt de verdere aanstellingsprocedure, te beginnen met de oproeping van de kandidaten, bevroren tot (in beginsel) X-18.383-15/26 1 januari 2020 om de uitkomst van de oprichting van de welzijnsvereniging ZEP af te wachten. Is de welzijnsvereniging op die dag nog altijd niet in werking getreden, dan wordt volgens artikel 8, § 1, van de gemeenteraadsbeslissing gehandeld overeenkomstig punt 11 van de consensusnota van 6 juli 2018 tussen de tussenkomende partij en verzoeker. Dat houdt in dat wanneer, na een oproep, de beide functiehouders zich kandidaat stellen: “er […] een selectieprocedure georganiseerd [wordt] met een schriftelijk en mondeling deel waarvan de inhoud evenwicht[ig] is gespreid over de materies die in beide lokale besturen aan bod komen en dit met een waterdichte garantie op een objectief verloop. Alle verdere modaliteiten hiervan worden alsdan vastgesteld in een bijkomend te sluiten consensus tussen de huidige functiehouders om vervolgens voor goedkeuring te worden voorgelegd aan de gemeenteraad.” 29. De bestreden beslissing komt hierop terug door artikel 8, § 1, van de gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 te vervangen door de bepaling dat het “soeverein aan de gemeenteraad toe[komt] om de verdere procedure tot invulling van het ambt van algemeen directeur te bepalen”. Het opende voor de gemeenteraad de deur om, nog altijd op 20 mei 2020, zonder meer over te gaan tot een vergelijking van de titels en verdiensten van verzoeker en de tussenkomende partij, en om de tussenkomende partij op grond van haar duidelijk grotere aanspraken aan te stellen als algemeen directeur. 30. Reden volgens de bestreden beslissing om op artikel 8, § 1, van de gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 terug te komen is het risico dat de procedure geblokkeerd geraakt. Uit een aantal acties en handelingen van ná 19 juli 2018 kan immers blijken dat een bijkomende consensusregeling “niet meer haalbaar” is: “[Overwegende] dat in het bijzonder zonder enig overleg en dus in strijd met de door de functiehouders zelf onderschreven uitgangspunten [door verzoeker] een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State werd ingesteld tegen het besluit van de OCMW-raad van 28 november 2019; dat bijkomend en meer in het bijzonder kopie werd ontvangen van de brief van 10 maart 2020 waarin vanuit [verzoeker] gedreigd wordt strafklacht te zullen indienen tegen de stadssecretaris (en de voorzitter van het vast bureau en een personeelslid) naar aanleiding van de opvraging van stukken in dit dossier; dat ook uit de brief van 27 april 2020 van [de tussenkomende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.153 X-18.383-16/26 partij] blijkt dat het komen tot een bijkomende gedragen consensusregeling over de verdere procedure onmogelijk wordt geacht; dat één en ander aantoont dat een verdere toepassing van het overlegmodel op de invullingsprocedure van het ambt van algemeen directeur niet langer houdbaar is, gezien uit deze acties en briefwisseling kan blijken dat de betrokken functiehouders niet langer met zekerheid het algemeen belang en belang van de organisatie voorop stellen boven het eigen belang dat zij genieten bij de kandidaatstelling voor dit ambt van algemeen directeur; dat aldus moet worden vastgesteld in afwijking van het eerdere uitgangspunt, dat een bijkomende consensus onmogelijk wordt bevonden en het aanhouden van deze procedurele modaliteiten net de blokkering van de procedure tot gevolg zou hebben. Overwegende dat het algemeen belang dat gepaard gaat met de invulling van het hoogste ambt binnen stad en OCMW gediend is met een objectieve en correcte invulling op korte termijn; dat thans bijna twee jaar sinds de voorziene datum door het decreet voor de invulling van dit ambt (1/08/2018) verstreken zijn met een enorme impact op de organisatie en het personeel; dat de acties sinds het eerdere gemeenteraadsbesluit duidelijk maken dat de context en houdingen gewijzigd zijn; dat het thans opstarten van bijkomende gesprekken om tot een bijkomende consensusregeling te komen die zowel aanvaardbaar is voor beide functiehouders als de gemeenteraad, onmogelijk wordt geacht en tot al te veel verder tijdverlies zou leiden.” 31. Met andere woorden is naar luid van de bestreden beslissing de verstandhouding tussen de tussenkomende partij en verzoeker begin 2020 zodanig verstoord dat een bijkomende consensusregeling tussen hen voor onrealistisch moet worden gehouden. De Raad van State kan dat oordeel niet onwettig bevinden. Onder meer berust dat oordeel op een brief van de tussenkomende partij van 27 april 2020, waarin zij bekritiseert dat verzoeker als enige én zonder overleg persisteert bij de oprichting van een welzijnsvereniging volgens het Blue Sky-model. Het staaft volgens haar zijn “resolute keuze […] voor conflict en de definitieve afwijzing van de dialoog”. Eerder was er ook verzoekers brief van 10 maart 2020 waarmee hij de tussenkomende partij om een afschrift van een bestuursdocument vraagt en meedeelt dat hij zich bij gebrek aan gevolg binnen drie dagen genoodzaakt ziet een strafklacht tegen haar en nog twee anderen in te dienen. Dat verzoeker voor zijn hardnekkigheid met betrekking tot de welzijnsvereniging en voor zijn annulatieberoep tegen de beslissing van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.153 X-18.383-17/26 raad voor maatschappelijk welzijn van 28 november 2019 eventueel goede redenen heeft, dat zijn brief van 10 maart 2020 beweerdelijk “legitiem” is en in zijn specifieke context moet worden bekeken, dat twee professionele ambtenaren (moeten) kunnen samenwerken met het oog op een bijkomende consensus: het is niet van aard de vaststelling van de verwerende partij tegen te spreken, laat staan te ontkrachten, van de verwijdering en het gebrek aan verstandhouding tussen de tussenkomende partij en verzoeker. Daargelaten de vraag naar de toelaatbaarheid van de verregaande zeggenschap die aan de betrokken kandidaten is gelaten over de invulling van de selectieprocedure, heeft alleszins de verwerende partij op goede grond geoordeeld dat het niet redelijkerwijze te verwachten is dat er – op voldoende korte termijn – tussen verzoeker en de tussenkomende partij nog tot bijkomende afspraken kan worden gekomen over de verdere modaliteiten van de objectief gewaarborgde selectieprocedure voor het ambt van algemeen directeur, bestaande uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte. 32. Verklaart aldus deze breuk in de verstandhouding dat de gemeenteraad op 28 mei 2020 ervan afziet dat die modaliteiten worden vastgesteld in een bijkomend te sluiten consensus tussen de functiehouders, ze verklaart geenszins waarom meteen ook de keuze wordt losgelaten voor een “selectieprocedure […] met een schriftelijk en een mondeling deel waarvan de inhoud evenwicht[ig] is gespreid over de materies die in beide lokale besturen aan bod komen en dit met een waterdichte garantie op een objectief verloop”. 33. Anders dan de verwerende partij beweert, blijkt niet dat verzoeker zich nooit verzet zou hebben tegen, en geen belang zou hebben bij een beroep tegen, de beslissing om af te zien van een selectieprocedure met een schriftelijke en een mondelinge proef. Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift onmiskenbaar te verstaan ook de vervanging te bestrijden van de regeling in punt 11 van de consensusnota door specifiek het voorschrift dat het aan de gemeenteraad toekomt om de procedure tot invulling van het ambt van algemeen directeur te bepalen. Zoals hij in het besproken middel aanvoert, moest die regeling in punt 11 er juist voor zorgen “dat een objectieve beslissing kan worden genomen over de aanstelling van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.153 X-18.383-18/26 de algemeen directeur. Indien de gemeenteraad zelf beslist wie algemeen directeur wordt en waarom, is die objectiviteit niet gewaarborgd. Deze vrees is intussen bewaarheid met de aanstelling van de algemeen directeur.” 34. In haar laatste memorie verwijst de verwerende partij ter verantwoording dat zij niet tot de organisatie van een schriftelijke en mondelinge proef overging, naar “een sense of urgency”, die vereiste dat het hoogste ambt binnen stad en OCMW op korte termijn werd ingevuld. Met verzoeker wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing geen zodanige hoogdringendheid aanvoert dat geen schriftelijke en mondelinge proef meer georganiseerd zou kunnen worden met het oog op de aanstelling van de algemeen directeur. Evenmin beroept de gemeenteraad zich op een dergelijke hoogdringendheid wanneer hij nog dezelfde dag, op 28 mei 2020, overgaat tot de aanstelling van de tussenkomende partij als algemeen directeur. In die beslissing doet hij als eerste, doorslaggevende reden gelden dat bijkomende proeven niet noodzakelijk worden bevonden omdat de beide kandidaten een voldoende gestoffeerde kandidatuur indienden die een zorgvuldige en concrete vergelijking mogelijk maakt en omdat na zorgvuldige afweging en vergelijking blijkt dat tot een gemotiveerde keuze en beslissing kan worden gekomen. Dat er voor de verwerende partij geen speciale hoogdringendheid voorhanden is die noodzakelijk een schriftelijke en mondelinge proef in de weg staat, blijkt overigens reeds uit de beslissing van de gemeenteraad van 20 februari 2020 tot oproeping van de tussenkomende partij en verzoeker om zich kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur. In de beslissing wordt overwogen dat de gemeenteraad “de mogelijkheid voorbehoudt dat het bestuur, indien beide functiehouders zich kandidaat stellen, de nodige proeven inlast teneinde de vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten beter te kunnen peilen en onderbouwen; dat zodoende een objectief verloop van de aanstellingsprocedure met gelijke kansen voor beide functiehouders kan worden gegarandeerd”. X-18.383-19/26 35. De slotsom met betrekking tot de besproken wijziging luidt derhalve dat het tweede middel de vernietiging verantwoordt van de bestreden beslissing in zoverre ze in artikel 8, § 1, van het gemeenteraadsbesluit van 19 juli 2018 het voorschrift ongedaan maakt dat, met het oog op de invulling van het ambt van algemeen directeur, een selectieprocedure met een schriftelijk en een mondeling deel wordt georganiseerd. C. Wat het afzien van de functie van adjunct-algemeendirecteur betreft (de vervanging van artikel 10 van de gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018) Uiteenzetting van verzoeker 36. Inzake het eerste middel legt verzoeker uit dat hij rechten put uit de gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 om te voorzien in de decretale graad van adjunct-algemeendirecteur voor de uittredende functiehouder die niet als algemeen directeur wordt aangesteld. De verwerende partij kon daar niet op terugkomen zonder het rechtszekerheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel en patere legem quam ipse fecisti-beginsel te schenden. Rechtmatig gewekte verwachtingen worden zonder afdoende motivering niet ingelost. In het tweede middel betwist verzoeker de wettigheid van de motieven om af te zien van de functie van adjunct-algemeendirecteur. Het motief dat het openbaar ambt buiten de handel is, is irrelevant. Van de brief van 10 maart 2020 van verzoeker “wordt veel meer gemaakt dat hij inhoudt”. De specifieke omstandigheden mogen niet uit het oog worden verloren. Het mist elke redelijkheid om uit de brief af te leiden dat de tussenkomende partij verzoeker “niet meer als adjunct-algemeendirecteur kan dulden”. Men wil verzoeker straffen voor de brief en voor zijn beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van 28 november 2019. Beoordeling X-18.383-20/26 37. Overeenkomstig artikel 10 van de gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 beslist de gemeenteraad om, wanneer er ten laatste op 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging volgens het Blue Sky-model in werking is getreden, “in toepassing van artikel 589, § 1, van het [decreet lokaal bestuur] de functie van adjunct-algemeendirecteur in te richten”. De functie, die beschikbaar wordt op het ogenblik dat de gemeenteraad overgaat tot definitieve aanstelling van de algemeen directeur, kan ten persoonlijken titel worden opgenomen door de functiehouder die niet tot algemeen directeur is aangesteld. 38. De bestreden beslissing vervangt dit artikel 10 door de bepaling dat na de aanstelling van de algemeen directeur, “de niet aangestelde functiehouder secretaris overeenkomstig artikel 589, § 1 van het Decreet Lokaal Bestuur aangesteld [zal] worden in een nieuwe functie”, waarover de functiehouder zal worden gehoord. Gemotiveerd wordt wat volgt: “Overwegende dat in het gemeenteraadsbesluit van 19 juli 2018 […] (artikel 10) een functie als adjunct-algemeen directeur in het vooruitzicht werd gesteld, na definitieve aanstelling van een algemeen directeur; dat zulk[s] evenwel slechts aan de orde is zodra een algemeen directeur werd aangesteld, hetgeen nog niet het geval is; dat alsdan zal worden bekeken of deze functie de meest passende vormt en de niet als algemeen directeur aangestelde functiehouder hierover zal worden gehoord; dat de recente gebeurtenissen maken dat het niet aangewezen is om deze functie thans reeds in te richten, vooraleer de algemeen directeur werd aangesteld; dat vooreerst de openbare ambten buiten de handel zijn en hierover geen voorafnames mogelijk zijn; dat vervolgens de recente briefwisseling met in het bijzonder de brief van 10 maart 2020 met aankondiging van een strafklacht doet vermoeden dat de verstandhouding tussen beide functiehouders serieus bezwaard is, zodat zich de vraag stelt of het voorzien van een adjunct-functie wel aangewezen zal zijn, indachtig dat dergelijke functie decretaal omvat de rechterhand van de algemeen directeur te vormen en een goede één op één relatie veronderstelt; dat bovendien niet vooruit gelopen kan worden op de definitieve aanstelling van de algemeen directeur en dus het profiel van de titularis die in een andere passende functie moet worden aangesteld; dat het zodoende aangewezen is om in dergelijke omstandigheden, des te meer deze die zich sinds 19 juli 2018 hebben voorgedaan, niet vooruit te lopen op de invulling van de passende functie voor de niet als algemeen directeur aangestelde functiehouder; dat in voorkomend geval na definitieve aanstelling van de algemeen directeur in overleg zal getreden worden met de aan te stellen functiehouder, teneinde tot een nieuwe passende functie te komen rekening houdend met de persoonlijke interesses en competenties enerzijds en de belangen van de organisatie anderzijds.” X-18.383-21/26 39. De Raad van State deelt niet verzoekers zienswijze dat artikel 10 van de gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 hem een zo harde aanspraak op een aanstelling als adjunct-algemeendirecteur verleent dat er onder geen beding nog enige wijziging kan worden in aangebracht. Blijkens deze beslissing van 19 juli 2018 was de gemeenteraad van oordeel dat het “gepast voorkomt om op het ogenblik van de definitieve aanstelling van een algemeen directeur, in toepassing van artikel 589, § 1 van het Decreet Lokaal Bestuur ook te voorzien in de functie van een adjunct-algemeen directeur, en deze functie aan te bieden aan de functiehouder die niet tot algemeen directeur is aangesteld”. Wel zou daartoe eerst nog concreet invulling moeten worden gegeven aan de betrokken functie-inhoud in een op te stellen functiebeschrijving, waarbij rekening wordt gehouden met de competenties en de belangstellingensfeer van het betrokken personeelslid, en waarna de functiebeschrijving de instemming van de betrokken functiehouder verkrijgt. Als zodanig is het niet a priori uitgesloten dat de verwerende partij haar geclausuleerde voornemen, in het meer vermelde artikel 10, aanpast aan de gewijzigde omstandigheden, om aan de behoeften van het algemeen belang te voldoen. Evident moet voor de aanpassing een toereikende reden bestaan, wat onder meer inhoudt dat ze een redelijk verband van evenredigheid vertoont met de gewijzigde omstandigheden en hun weerslag op de eisen van het algemeen belang. 40. Naar de Raad van State de aangevoerde redengeving leest en begrijpt, berust de aangevochten wijziging in hoofdzaak op “de recente gebeurtenissen” die doen betwijfelen of het “wel aangewezen” blijft om (louter) in de mogelijkheid van de functie van adjunct-algemeendirecteur te voorzien voor de functiehouder die niet als algemeen directeur wordt aangesteld, gelet op het feit dat die functie “decretaal omvat de rechterhand van de algemeen directeur te vormen en een goede één op één relatie veronderstelt”. X-18.383-22/26 Zoals ook al hiervoor overwogen, sub randnummer 31, heeft de verwerende partij niet onterecht aangenomen dat de initieel goede verstandhouding tussen verzoeker en de tussenkomende partij intussen danig verstoord of, zoals in de bestreden beslissing wordt gezegd, “serieus bezwaard” is geraakt. “In het bijzonder” verzoekers brief van 10 maart 2020 met de aankondiging van een strafklacht kan dat staven, maar er is bijvoorbeeld ook de brief van de tussenkomende partij van 27 april 2020. Voorts valt de Raad van State de verwerende partij erin bij dat die verstoorde betrekkingen het problematisch maken dat de ene functiehouder de adjunct van de ander zou worden. Als rechterhand van de algemeen directeur dient immers de adjunct-algemeendirecteur met hem of haar samen te werken, te overleggen, informatie uit te wisselen. De Raad van State neemt er goed nota van dat de beide functiehouders volgens verzoeker bij het werk voldoende professionaliteit aan de dag moeten (kunnen) leggen om hun verstoorde verstandhouding te overstijgen. Dat volstaat evenwel niet om het redelijkerwijze onverantwoord te bevinden dat de verwerende partij, beducht voor het risico dat de functiehouders daar niet in slagen, het met het oog op het algemeen belang nodig heeft geacht om over de mogelijkheid te beschikken de functiehouder die niet als algemeen directeur wordt benoemd, in een andere functie dan die van adjunct-algemeendirecteur te benoemen. In dit licht is de Raad van State van oordeel dat er voor de besproken wijziging een reële en pertinente feitelijke aanleiding bestaat, die de verwerende partij een voldoende dwingende verantwoording verschaft om artikel 10 van de gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 te wijzigen en alzo afbreuk te doen aan het vertrouwen dat verzoeker eraan ontleende. De aanpassing komt overigens des te minder onredelijk of disproportioneel voor nu ze, op zich, niet uitsluit dat de functiehouder die geen algemeen directeur wordt toch nog als adjunct-algemeendirecteur wordt aangesteld, maar die uitkomst alleen niet meer behoudt als de enige mogelijkheid. 41. De middelen tonen niet de onwettigheid aan van de vervanging van artikel 10 van de gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018. X-18.383-23/26 X-18.383-24/26 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt artikel 4 van de beslissing van de gemeenteraad van de stad XXXX van 28 mei 2020 ‘met betrekking tot verdere organisatie stad en OCMW XXXX (consensusnota)’ in zoverre het in artikel 8, § 1, van het besluit van dezelfde gemeenteraad van 19 juli 2018 het voorschrift ongedaan maakt dat, met het oog op de invulling van het ambt van algemeen directeur, een selectieprocedure met een schriftelijk en een mondeling deel wordt georganiseerd waarvan de inhoud evenwichtig gespreid is over de materies die in de stad en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan bod komen. 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. 3. De stad XXXX wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro, op een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. 4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt noch de identiteit van verzoeker, noch die van de verwerende partijen bekendgemaakt. X-18.383-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.383-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.153 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div