← België

Arrest 260172 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 18/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.172 Rolnummer: A. 242130/X-18700 Zaak: Arrest 260172 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 18/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-27 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-06-11 03:12 Fiche Arrest nr 260.172 van 18 juni 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.172 no lien 277747 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 260.172 van 18 juni 2024 in de zaak A. 242.130/X-18.700 In zake: R.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE HOLSBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2650 Kessel Torenvensstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 12 juni 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek van 23 mei 2024 houdende [het opleggen van] een last tot herstel van pad 65 te Kortrijk-Dutsel onder dwangsom aan [R.B.] om binnen de 15 dagen na datum van de kennisgeving van het besluit over te gaan tot het wegnemen van alle obstakels en belemmeringen op zijn perceel te Kortrijk-Dutsel, 2de afdeling, wijk C/70, die het gebruik van de publieke weg pad 65 hinderen” en van “de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek van 6 juni 2024 houdende de handhaving van de eerste bestreden beslissing”. II. Verloop van de rechtspleging ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.172 X-18.700-1/14
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 juni 2024, om 11 uur. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor verzoeker, en advocaat Joris Claes, die loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is eigenaar van de percelen gelegen aan de Bredestraat te Holsbeek, kadastraal gekend als 2de afdeling, nrs. 78/a, 78/e, 77/c, 71/e, 71/g, 70/c en 70/b. Hij baat – naar eigen zeggen sinds anderhalf jaar – een speciaalzaak uit voor landbouw, tuinbouw en robotisatie, en staat daarbij onder meer in voor het ijken van de software van onbemande robottractoren van landbouwers en uitbaters van golfterreinen. Ongeveer 2ha10ca van verzoekers voormelde percelen is akkerland/grasland dat wordt gebruikt om er onbemande robottractoren te laten op rijden, met het oog op de ijking van hun software. Verder bevindt zich op X-18.700-2/14 verzoekers percelen een paardenweide. Zowel de paardenweide als het akkerland/grasland zijn omheind. 3.
  5. Doorheen verzoekers land, meer bepaald op het perceel nr. 70/c, loopt volgens de Atlas der Buurtwegen het pad nr. 65: Verzoeker geeft zijn onder randnummer 3.1 vermelde percelen als volgt weer (gele kleur) – het kwestieuze pad nr. 65 op verzoekers perceel nr. 70/c is er ter verduidelijking benaderend (in het rood) op aangegeven : X-18.700-3/14 3.
  6. De verwerende partij wenst het pad nr. 65, dat volgens haar een door verzoeker ten onrechte afgesloten gemeenteweg betreft, heropend te zien. Met een schrijven van 16 februari 2024 vraagt zij verzoeker om tijdens een overleg op 13 maart 2024 te verduidelijken welke initiatieven hij als eigenaar op korte termijn plant om de publieke trage weg 65 weer onbelemmerd openbaar toegankelijk te maken. Daarbij wordt het volgende vermeld: “Als eigenaar van de grond waarop de doorgang en het gebruik van een publieke weg wordt gehinderd, bent u ook verantwoordelijk voor het weghalen van de voormelde obstakels en belemmeringen. Een andere piste zou kunnen zijn dat u zelf het nodige doet om pad nr. 65 op uw eigendom te laten verleggen.” 3.
  7. Met een schrijven van 11 maart 2024 antwoordt verzoeker aan de verwerende partij onder meer dat het pad nr. 65 al 40 jaar niet meer gebruikt wordt. Hij vraagt de verwerende partij om het dossier grondig te herbekijken en hem X-18.700-4/14 feedback te geven alvorens hem uit te nodigen op een vergadering. Om die reden stelt verzoeker niet aanwezig te kunnen zijn op de vergadering van 13 maart
  8. 3.
  9. Op 21 maart 2024 wordt verzoeker alsnog gehoord. 3.
  10. Bij schrijven van 12 april 2024 maant de verwerende partij verzoeker aan om haar tegen uiterlijk 30 april 2024 ons schriftelijk te bevestigen: “• Ofwel dat u uw volle medewerking verleent voor de officiële verlegging van het pad nr. 65 onder de geschetste voorwaarden over uw eigendom. • Ofwel dat u tegen uiterlijk 15 mei as. het nodige doet om het huidige pad nr. 65 op uw eigendom vrij te maken van alle obstakels of belemmeringen zodat het over zijn volledige breedte weer publiek toegankelijk wordt.” Indien verzoeker nalaat om zijn keuze tegen 30 april 2024 schriftelijk te bevestigen, dan zal de verwerende partij hem in gebreke stellen om het pad nr. 65 zonder verwijl vrij te maken. 3.
  11. Met een brief van 28 april 2024 vraagt verzoeker om uitstel met betrekking tot verweersters vraag tot vrijmaking van het pad nr. 65, teneinde verder overleg alle kansen te geven. Verzoeker wijst er onder meer op dat het pad nr. 65 “eigenlijk al meer dan 54 jaar niet meer [wordt] gebruikt” en “denk[t] aan de mogelijke overlast door de vele wandelaars die zullen afwijken van het pad en de velden oplopen waarbij autonome robotica taken uitvoeren”. 3.
  12. Met het eerste bestreden besluit van 23 mei 2024 beslist het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij wat volgt: “Artikel
  13. Het college van burgemeester en schepenen maant eigenaar [R.B.] aan om binnen de termijn van 15 dagen na datum van de kennisgeving van dit besluit over te gaan tot het wegnemen van alle obstakels en belemmeringen op zijn perceel Kortrijk-Dutsel, 2de afd., wijk C/70, die het gebruik van de publieke weg pad nr. 65 hinderen. Meer bepaald moet de eigenaar binnen deze termijn de volgende werken uitvoeren: X-18.700-5/14 • het integraal verwijderen van de draadafspanning en palen/weideomheining over de volledige oppervlakte van pad nr. 65 op het perceel KD, 2de afd., wijk C/70 • de wegbedding moet over de volledige breedte van 1,65 m worden geëgd en geëgaliseerd, zodat een normaal gebruik door weggebruikers onbelemmerd mogelijk is. Art.
  14. Indien de eigenaar nalaat om de voormelde werken uit te voeren binnen de gestelde termijn, zal een dwangsom van 500 euro per dag, met een maximum van 30.000 euro verschuldigd zijn. Deze dwangsom verbeurt zodra voormelde vooropgestelde uitvoeringstermijn wordt overschreden en voormelde werken/maatregelen niet volledig werden uitgevoerd. De dwangsom is invorderbaar bij dwangbevel.” 3.
  15. Met een mailbericht van 31 mei 2024 schrijft verzoeker aan de verwerende partij dat de last onder dwangsom tot grote praktische problemen lijdt en dat een verlegging van het pad nr. 65 in ieders belang is. Daarbij wordt er onder meer op gewezen dat pad nr. 65 “reeds meer dan 30 jaar in onbruik en derhalve verjaard” is en dat de stukken in verzoekers bezit hem “op het spoor [zet] om 30 jaar onbruik te bewijzen”. 3.
  16. Met het tweede bestreden besluit van 6 juni 2024 beslist het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij: “Artikel
  17. Het college handhaaft onverminderd zijn besluit van 23 mei 2024 inzake de opgelegde last tot herstel onder dwangsom voor pad 65 t.a.v. de eigenaar-overtreder [R.B.] m.b.t. het perceel te Kortrijk-Dutsel, 2de afd. wijk C/
  18. Art.
  19. In uitvoering van art. 49 van het Gemeentewegendecreet beslist het college - gelet op de tijdspanne die verlopen is tussen de e-mail van 31 mei en de terugkoppeling van dit collegebesluit - om de termijn van 15 dagen waarbinnen de last moest zijn uitgevoerd op te schorten met 7 kalenderdagen met ingang van 7 juni 2024 en eindigend op 13 juni
  20. De termijn waarbinnen de last tot herstel moet worden uitgevoerd herneemt derhalve op vrijdag 14 juni en loopt af op donderdag 20 juni 2024.” X-18.700-6/14 IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  21. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  22. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Ernst van de middelen Uiteenzetting van het enige middel
  23. Verzoeker voert in zijn enige middel de schending aan van de artikelen 38, 40 en 47 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeente- wegen’ (gemeentewegendecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (motiveringswet) en het materiële-, zorgvuldigheids-, redelijkheids- en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker betwist dat er überhaupt sprake is van een bestaande gemeenteweg”, nu hij en zijn voorgangers al minstens 24 jaar lang betogen “dat pad 65 reeds meer dan 30 jaar in onbruik is – en derhalve verjaard”. In een bezwaar X-18.700-7/14 van verzoekers rechtsvoorganger P.S. wordt vermeld “dat pad 65 al meer dan 30 jaar in onbruik is”. In een beslissing van de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 9 maart 2006 wordt vermeld “dat pad 65 niet-zichtbaar en begaanbaar is, zijnde de buitengerechtelijke bekentenis van de administratieve overheid dat vermelde gemeenteweg in onbruik en dus onbestaande is”. Ook dient een dading tussen de verwerende partij en M.V.D. minstens als een rechtsfeit te worden beschouwd “waaruit blijkt dat de gemeenteweg in onbruik is”. In ieder geval wijzen ook de terreinkenmerken uit “dat zowel pad 65 als pad 34 al meer dan 30 jaar in onbruik zijn aangezien de bedding van pad 34 waarop pad 65 zou moeten aansluiten, over zijn ganse breedte is ingenomen door een levende haag”. Verzoeker mocht erop vertrouwen dat hem geen last tot herstel zou worden opgelegd “in die zin dat de gemeente al 24 jaar weet dat verzoeker en diens rechtsvoorganger het bestaan van pad 65 betwisten”, zonder ook maar enig ogenblik te zijn tegengesproken, en dit zeker in het licht van de redelijke en constructieve houding van verzoeker en zijn bereidheid om het pad nr. 65 te verleggen naar de zuidkant van zijn eigendom, “maar waaromtrent verzoeker vanaf 2017 niets meer mocht vernemen”. De verwerende partij gaat ook voorbij aan verzoekers schrijven van 11 maart 2024 “waarin wordt opgemerkt dat […] pad 65 is afgeschaft, dat [dit] al 40 jaar in onbruik is, dat zijn roboticatractoren daar nu rijden, … […]”. In zijn brief van 28 april 2024 aan de verwerende partij heeft verzoeker vermeld dat hij een landmeter zal aanspreken om alles te laten opmeten, zodat hij precies weet welke impact de verlegging van het pad nr. 65 op zijn perceel heeft, en opdat hij alle mogelijkheden zou hebben om een goed tegenvoorstel te doen, erop wijzend dat de landmeter tot 28 april 2024 met verlof was. Verzoekers benadering was wel degelijk oplossingsgericht. De verwerende partij heeft dan ook ten onrechte gesteld dat verzoeker de aanmaningsbrief van 12 april 2024 – met de keuze tussen de openstelling van pad nr. 65 dan wel een akkoordverklaring met de verlegging ervan – niet heeft beantwoord. “Door geen acht te slaan op de werkelijke inhoud van het schrijven van 28 april 2024” heeft de verwerende partij het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids- en X-18.700-8/14 redelijkheidsbeginsel geschonden, en ondergeschikt ook de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Voorts acht verzoeker de last onder dwangsom disproportioneel en ongemotiveerd en dit zowel voor wat betreft de hoogte van de dwangsom als de termijn waarbinnen aan de last gevolg moet worden gegeven. Het houdt een schending in van artikel 47, § 2, laatste lid, van het gemeentewegendecreet en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Het dwangsombedrag van 500 euro per dag van niet-uitvoering is disproportioneel hoog, in die zin dat het niet alleen een afschrikkend effect heeft “maar gewoonweg de toegang tot de rechter uitholt”. Overeenkomstig artikel 48 van het gemeentewegendecreet zal de verwerende partij de dwangsommen kunnen innen bij dwangbevel, “waartegen verzoeker dan pas verzet zal kunnen doen bij de rechtbank van eerste aanleg, dus op het ogenblik dat de dwangsommen al zijn verbeurd”. Gelet op artikel 50, § 1, van het gemeentewegendecreet verjaart het vorderingsrecht van de gemeente om de dwangsommen bij dwangbevel te innen na 6 maanden. Het maximumbedrag van de dwangsommen van 30.000 euro zal bereikt worden na 60 dagen niet-uitvoering van de last tot herstel. Het is kennelijk onredelijk dat verzoeker op het ogenblik dat hij voor het eerst verzet kan doen tegen de verbeurte van de dwangsom “meteen zou worden geconfronteerd met het risico dat zijn verzet wordt afgewezen en een bedrag van 30.000,00 euro aan dwangsommen moet betalen om dan alsnog tot de heropening van pad 65 te moeten overgaan”. Het zou volgens verzoeker anders zijn geweest indien de dwangsom 25 euro per dag had bedragen en na zes maanden ongeveer 4.500 euro zou hebben belopen. Beoordeling 7.
  24. Artikel 38 van het gemeentewegendecreet luidt: “Artikel 38 Het is verboden: 1° een gemeenteweg te wijzigen, te verplaatsen of op te heffen zonder voorafgaand akkoord van de gemeenteraad; X-18.700-9/14 2° een gemeenteweg volledig of gedeeltelijk in te nemen op een wijze die het gewone gebruiksrecht overstijgt; 3° de toegang tot een gemeenteweg of het gebruik en beheer ervan te belemmeren, te hinderen of onmogelijk te maken; 4° op of in gemeentewegen werkzaamheden uit te voeren of gemeentewegen op welke wijze ook te beschadigen zonder voorafgaande toestemming van het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde.” Artikel 40 van het gemeentewegendecreet bepaalt: “Artikel 40 Het college van burgemeester en schepenen kan aan elke overtreder een last opleggen tot herstel van een overtreding van verbodsbepalingen als vermeld in artikel 38, of van het reglement, vermeld in artikel
  25. De last tot herstel omvat: 1° de te nemen herstelmaatregelen; 2° het tijdskader voor het nemen van de herstelmaatregelen; 3° de gevolgen van het niet of niet tijdig uitvoeren van de herstelmaatregelen, namelijk ofwel de uitoefening van bestuursdwang in de zin van onderafdeling 2, ofwel de verplichting tot betaling van een dwangsom in de zin van onderafdeling 3; 4° in voorkomend geval de kosten die verhaald worden bij de toepassing van bestuursdwang. Het besluit tot het opleggen van de last tot herstel wordt met een beveiligde zending bekendgemaakt aan de overtreder.” De artikelen 47 tot 50 van het gemeentewegendecreet luiden: “Artikel 47 §
  26. Het college van burgemeester en schepenen heeft de bevoegdheid om te bepalen dat door het niet of niet tijdig uitvoeren van de opgelegde last tot herstel in de zin van onderafdeling 1 een dwangsom verschuldigd is. Het is niet mogelijk om te kiezen voor een dwangsom in plaats van voor bestuursdwang als, gelet op het belang dat geschonden wordt door de overtreding, het risico bestaat dat de overtreding ondanks de last tot herstel onder dwangsom nog zou worden voortgezet of herhaald. §
  27. Het college van burgemeester en schepenen stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het college van burgemeester en schepenen stelt ook een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Artikel 48 X-18.700-10/14 §
  28. Een dwangsom wordt door de overtreder van rechtswege verbeurd op het ogenblik waarop de in de last gegeven termijn om de illegale situatie of handeling te beëindigen verstrijkt zonder dat aan de last uitvoering is gegeven, dan wel wanneer na het verstrijken van voormelde termijn een herhaling van de overtreding plaatsvindt. Verbeurte vindt plaats van rechtswege. §
  29. Verbeurde dwangsommen komen toe aan de gemeente. §
  30. Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen dertig dagen nadat ze van rechtswege is verbeurd. §
  31. Het college van burgemeester en schepenen kan van de overtreder bij dwangbevel het verschuldigde bedrag, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen, en wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing. Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de overtreder bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van de gemeente, bij de rechtbank van eerste aanleg van de gemeente. Dat verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet. Artikel
  32. Het college van burgemeester en schepenen dat een last tot herstel onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen als de overtreder blijvend of tijdelijk, volledig of gedeeltelijk in de onmogelijkheid verkeert om aan zijn verplichtingen te voldoen. Het college van burgemeester en schepenen dat een last tot herstel onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen als het besluit een jaar van kracht is geweest zonder dat een dwangsom is verbeurd. Artikel 50 §
  33. De bevoegdheid tot invordering van verbeurde bedragen verjaart na verloop van zes maanden na de dag waarop die bedragen zijn verbeurd. De verjaring wordt geschorst door faillissement en door ieder wettelijk beletsel voor de invordering van de dwangsom. §
  34. Als uit een besluit tot intrekking of wijziging van de last tot herstel voortvloeit dat een al genomen besluit tot invordering van de dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt dat invorderingsbesluit. Het college van burgemeester en schepenen kan een nieuw besluit tot invordering nemen dat in overeenstemming is met de gewijzigde last tot herstel.” 7.
  35. Vooreerst zij erop gewezen dat de betwisting of er sprake is van een dertigjarig niet-gebruik door het publiek van het pad nr. 65 een burgerlijk recht X-18.700-11/14 betreft, zodat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om erover te oordelen. 7.
  36. Dat verzoekers rechtsvoorganger bereid was om het pad nr. 65 te verleggen naar de zuidkant van zijn eigendom, en dat verzoeker en diens voorganger het bestaan van het pad nr. 65 betwisten, doet voorts nog niet prima facie aannemen dat verzoeker er rechtmatig op mocht vertrouwen dat hem geen last tot herstel ingevolge de afsluiting van dit pad zou worden opgelegd. Dit geldt te dezen nog meer nu verzoeker, die zijn activiteiten pas sedert anderhalf jaar op het met dat doel omheinde perceel 70/c blijkt uit te voeren, ermee bekend was of alleszins bekend moest zijn dat het pad nr. 65 aldaar duidelijk op de Atlas der Buurtwegen staat aangegeven (randnummer 3.2). 7.
  37. Met het eerste bestreden besluit stelt de verwerende partij vast dat verzoeker met zijn brief van 28 april 2024 in gebreke is gebleven om “zijn keuze bekend te maken conform de aanmaning van 12 april 2024”, meer bepaald om tegen 30 april 2024 schriftelijk mede te delen of hij het pad nr. 65 zal vrijmaken, dan wel of hij zijn volledige medewerking zal verlenen aan de officiële verlegging van dit pad. Die conclusie van de verwerende partij lijkt niet ten onrechte, nu verzoeker in zijn antwoordbrief van 28 april 2024 aan de verwerende partij uitdrukkelijk aangeeft “alle mogelijkheden [te willen] bekijken om zelf een goed tegenvoorstel te kunnen doen” en zodoende inderdaad nalaat om zijn keuze tussen de beide voormelde opties tijdig kenbaar te maken. 7.
  38. Overeenkomstig artikel 47, § 2, laatste lid, van het gemeentewegendecreet dienen de dwangsombedragen “in redelijke verhouding [te staan] tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom”. Verzoeker overtuigt er in de huidige stand van de rechtspleging niet van dat een dwangsom van 500 euro per dag van niet-naleving van de opgelegde last, met een maximum van 30.000 euro, disproportioneel of anderszins onwettig zou zijn, in acht genomen de ernst van de inbreuk, waarbij het pad nr. 65 over de volledige lengte van verzoekers perceel nr. 70/c wordt belemmerd door een draadafspanning die de weide afbakent, en gelet op het doel van de dwangsom, te X-18.700-12/14 weten de vrijmaking van het pad nr. 65, waarbij de wegbedding van het pad nr. 65 na afbraak van de omheining over de volledige breedte van 1,65 m zal dienen geëgd en geëgaliseerd te worden opdat terug een normaal en onbelemmerd gebruik ervan door weggebruikers mogelijk zou zijn. Evenmin overtuigt verzoeker ervan dat de termijn waarbinnen de last tot herstel moet worden uitgevoerd disproportioneel zou zijn, temeer nu de tweede bestreden beslissing de initiële termijn van 15 dagen met zeven kalenderdagen heeft opgeschort. 7.
  39. Verzoekers betoog dat het dwangsombedrag “de toegang tot de rechter” uitholt doordat het onredelijk hoog zou zijn, kan gezien de onjuistheid van deze premisse geen bijval vinden. Zijn standpunt dat het onredelijk zou zijn dat hij “op het ogenblik dat hij voor het eerst verzet kan doen tegen de verbeurte meteen zou worden geconfronteerd met het risico dat zijn verzet wordt afgewezen en het bedrag van 30.000,00 euro aan dwangsommen moet betalen om dan alsnog tot de heropening van pad 65 te moeten overgaan”, kan in het licht daarvan evenmin bijval vinden. Waar verzoeker zich erover beklaagt dat hij overeenkomstig artikel 48 van het gemeentewegendecreet pas eerst bij de rechtbank van eerste aanleg verzet zal kunnen aantekenen tegen het dwangbevel tot betaling van de dwangsom, houdt zijn betoog prima facie een onontvankelijke kritiek in op dat decreet, voor de beoordeling waarvan de Raad van State niet bevoegd is. 7.
  40. Het enige middel is niet ernstig. VII. Besluit
  41. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. X-18.700-13/14 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Stephan De Taeye X-18.700-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.172 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.163 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.