id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.215 Rolnummer: A. 238645/IX-10225 Zaak: Arrest 260215 - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders - 21/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-27 Raadplegingen: 319 - laatst gezien 2026-06-18 18:27 Fiche Arrest nr 260.215 van 21 juni 2024 Justitie - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.215 van 21 juni 2024 in de zaak A. 238.645/IX-10.225 In zake : S.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolaas Vinckier kantoor houdend te 8800 Roeselare Hoogleedsesteenweg 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Boomstraat 14 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 maart 2023, strekt tot de nietigverklaring van beslissing M 21-1-0915 van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, van 16 februari
- II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 27 april
- IX-10.225-1/27 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
- Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nicolaas Vinckier, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster raakt op 11 september 2020 gewond tijdens een woordenwisseling met haar voormalige partner. De dader van de feiten wordt door het openbaar ministerie gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. De tenlastelegging in de dagvaarding betreft het toebrengen van opzettelijke slagen of verwondingen met een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg. Verzoekster voegt zich als IX-10.225-2/27 burgerlijke partij in deze strafprocedure en vordert schadevergoeding. IX-10.225-3/27 Bij vonnis van 12 mei 2021 wordt de dader van de feiten door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, schuldig verklaard aan een inbreuk op de artikelen 418 en 420, eerste lid, van het Strafwetboek (Sw). Het vonnis stelt dat de dader “[d]oor gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg slagen of verwondingen [heeft] toegebracht aan [verzoekster]”. Op burgerlijk gebied wordt de dader veroordeeld om een schadevergoeding te betalen aan verzoekster ten bedrage van 7370 euro (meer de vergoedende rente en de gerechtelijke rente). Omdat de dader deze schadevergoeding niet betaalt, dient verzoekster op 9 september 2021 een aanvraag voor financiële hulp in bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna: de Commissie). 3.
- Op 30 september 2022 stelt de verslaggever van de Commissie vast dat er een ontvankelijkheidsprobleem rijst doordat de feiten waarvan verzoekster het slachtoffer was door de correctionele rechter zijn gekwalificeerd als onopzettelijk misdrijf en dus niet als opzettelijke gewelddaad. Het verslag stelt dat verzoekster in haar verzoekschrift aangeeft dat het vonnis definitief is, en stelt dat het strafrechtelijk kracht van gewijsde erga omnes geldt. De verslaggever vraagt of verzoekster afstand doet van haar verzoekschrift. Met een schrijven van 10 november 2022 laat de raadsman van verzoekster weten dat zij geen afstand doet van het verzoekschrift. Hij zet uiteen dat het gezag van gewijsde in strafzaken niet absoluut is. Verzoekster stelt voor om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 3.
- Bij beslissing van 16 februari 2023 beoordeelt de Commissie het verzoek als volgt: IX-10.225-4/27 “V. Beoordeling door de Commissie In het verslag van de verslaggever dd. 30 september 2020 werd er reeds gewezen op een ontvankelijkheidsprobleem: ‘Initieel werd de beklaagde vervolgd door het Openbaar Ministerie voor het toebrengen van: ‘Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht met de omstandigheid dat de slagen of verwondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben gehad (art. 392, 398 en 399 lid 1 Sw) met de omstandigheid dat de schuldige het misdrijf heeft gepleegd tegen zijn echtgenoot of de persoon met wie hij samenleeft of samengeleefd heeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft of gehad heeft. (art 410 lid 1 en 2 Sw) […],’ De tenlastelegging werd door de correctionele rechter echter geherkwalificeerd, cf. vonnis dd. 12/05/2021, p. 4; ‘Op grond van de verklaring van de beklaagde en van de getuige [FD] omtrent het verloop der feiten dient aangenomen te worden dat er geen algemeen opzet aanwezig was in hoofde van de beklaagde om de burgerlijke partij [verzoekster] (wetens en willens) aan te randen. Volgens de beklaagde vloog zijn gin-glas, ten gevolge van een explosieve beweging met zijn beide armen, na de verbale opmerkingen van de burgerlijke partij, uit zijn hand en belandde tegen haar arm. Beklaagde stelde dat het niet zijn bedoeling was om dit glas in de richting van de burgerlijke partij te gooien (zie stuk 31 strafdossier). De getuige [FD] bevestigt in grote mate de verklaring van beklaagde omtrent de afwezigheid van opzet in zijnen hoofde. Hij verklaarde dat beklaagde een glas in zijn handen had en dit glas tijdens de heel heftige verbale discussie, in een colère weggooide. Volgens de getuige gooide beklaagde het glas niet in haar richting maar het botste ergens en kwam aldus op de arm van de burgerlijke partij terecht (zie navolgend proces-verbaal nr. 343/21 dd. 07 januari 2021). Aangezien de beklaagde geen oogmerk had om de persoon van de burgerlijke partij aan te randen dient de tenlastelegging, zoals voorzien in de dagvaarding, te worden heromschreven als zijnde een inbreuk op de artikelen 418 en 420 lid 1 Swb namelijk: ‘Door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg slagen of verwondingen te hebben toegebracht aan [verzoekster]’.’ De voorgebrachte feiten waarvan verzoekster het slachtoffer was, zijn gekwalificeerd als onopzettelijk misdrijf en maakt dus geen ‘opzettelijke gewelddaad’ uit. Verzoekster duidt in haar verzoekschrift aan dat het vonnis definitief is. Het strafrechtelijk kracht van gewijsde geldt erga omnes.’ Bij schriftelijke reactie dd. 10 november 2022 werd uitgebreid gereageerd op het opgeworpen ontvankelijkheidsprobleem. Ook ter terechtzitting verleende de raadsman van verzoekster hieromtrent bijkomende toelichting. De Commissie acht zich als administratief rechtscollege gebonden door het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke uitspraak. De beslissing van de strafrechter heeft immers gezag van gewijsde erga omnes, ook ten aanzien IX-10.225-5/27 van de Commissie. Dit betekent dat hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist, zich in beginsel opdringt aan elkeen. Zo oordeelde de Commissie in het verleden reeds dat wanneer de strafrechter heeft geoordeeld dat de slagen of verwondingen het gevolg waren van een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zij, zonder miskenning van het gezag van gewijsde niet meer kan beslissen dat de slagen het gevolg waren van een opzettelijke gewelddaad. De Commissie verwijst hieromtrent bovendien naar P. Verhoeven en L. Vulsteke, Het fonds voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, 2011, Gent, Larcier, rnr. 195: ‘(…) De kentering in de Cassatierechtspraak lijkt tot gevolg te hebben dat het gezag van gewijsde ook ten aanzien van de Commissie als administratieve rechter aan geldingskracht heeft ingeboet. De praktische relevantie zal weliswaar beperkt zijn omdat de benadeelde zich normalerwijze burgerlijke partij stelt voor de strafrechter en dus partij in het geding is. Indien het slachtoffer partij in het geding was, behoudt het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke beslissing zijn gelding, aangezien de benadeelde voor de strafrechter de gelegenheid heeft gehad op te komen voor zijn belangen. Het slachtoffer zal dan ook gebonden zijn door de vrijspraak van de verdachte of door de kwalificatie van de feiten door de strafrechter. (…)’ De Commissie is dan ook van oordeel dat, niettegenstaande hetgeen daaromtrent werd geargumenteerd in het schrijven van de raadsman dd. 10 november 2022 en ter rechtszitting, verzoekster wel degelijk vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden in het strafgeding, en dat zij heeft berust in de herkwalificatie naar onopzettelijk lichaamsleed, niettegenstaande zij zowel qua procedure als qua schuld van de beklaagde hoger beroep had kunnen aantekenen. Huidige opgeworpen discussie toont genoegzaam aan dat verzoekster wel degelijk in haar hoedanigheid van burgerlijke partij daartoe een belang kon laten gelden. De Commissie acht het dan ook irrelevant om in te gaan op de vraag van verzoekster om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het staat niet aan de Commissie in dit geval het gezag van het rechterlijk gewijsde te schenden. Aangezien er in deze omstandigheden geen sprake is van een opzettelijke gewelddaad in de zin van de wet van 1 augustus 1985, kan de Commissie niet anders dan het verzoek als niet ontvankelijk afwijzen. De Commissie wenst evenwel te beklemtonen dat de afwijzing van het verzoek evident geen afbreuk doet aan het leed van het slachtoffer, waarvoor de Commissie alle begrip toont. Als administratief rechtscollege heeft de Commissie zich echter te houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die haar werking regelen.” Dat is de bestreden beslissing. IX-10.225-6/27 IV. Onderzoek van de middelen A. Exceptie ten aanzien van beide middelen Uiteenzetting van de exceptie
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat de door verzoekster aangevoerde middelen niet ontvankelijk zijn omdat zij geen schending aanvoert van de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 ‘houdende fiscale en andere bepalingen’ (“wet van 1 augustus 1985”) of van het koninklijk besluit van 18 december 1986 ‘betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders’. Beoordeling
- De verwerende partij meent dat de middelen niet ontvankelijk zijn omdat ze niet de schending aanvoeren van bepalingen van de wet van 1 augustus 1985 waarin de hulp van de staat aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden is geregeld. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is de Raad van State bevoegd om uitspraak te doen bij wijze van arresten over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Het middel dat de schending van de artikelen 1, 3 en 4, eerste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering (VT Sv), de artikelen 22 en 202, 2°, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het algemeen rechtsbeginsel van gezag van gewijsde zoals vastgelegd in artikel 4, eerste lid, IX-10.225-7/27 VT Sv en artikel 6.1 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (EVRM), inroept, voert een overtreding van de wet aan zoals vereist in de voormelde wetsbepaling. Hetzelfde geldt voor het middel waarin verzoekster de schending van de motiveringplicht bedoeld in artikel 149 van de Grondwet aanvoert. De middelen zetten eveneens uiteen hoe volgens verzoekster de bestreden beslissing de opgesomde bepalingen schendt. Ze zijn derhalve ontvankelijk.
- De exceptie wordt verworpen. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 7.
- Verzoekster voert de schending aan van de artikelen 1, 3 en 4, eerste lid, VT Sv, de artikelen 22 en 202, 2°, Sv, het algemeen rechtsbeginsel dat de uitspraak van de strafrechter gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de burgerlijke en de administratieve rechter, zoals meer bepaald is vastgesteld in artikel 4, eerste lid, VT Sv en, voor zoveel als nodig, schending van de bepaling zelf, en artikel 6.1 EVRM. 7.
- Verzoekster zet uiteen dat het recht om hoger beroep in te stellen tegen vonnissen gewezen door de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken aan de burgerlijke partij alleen toekomt wat haar burgerlijke belangen betreft (artikel 202, 2°, Sv). Een burgerlijke partij kan zich voor de strafrechter niet inlaten met de strafvordering en heeft in de regel geen hoedanigheid om hoger beroep in te stellen tegen een beslissing op de tegen de beklaagde ingestelde strafvordering. Een dergelijk hoger beroep is niet ontvankelijk en brengt de strafvordering dan ook niet voor de appelrechter. Een burgerlijke partij kan zich enkel onrechtstreeks met de strafvordering inlaten wanneer de beslissing over de IX-10.225-8/27 strafvordering, in het bijzonder met betrekking tot de schuldvraag, een invloed heeft op de beslissing over de burgerlijke vordering. De vraag hoe een gedraging strafrechtelijk moet worden gekwalificeerd zal doorgaans geen invloed hebben op de burgerlijke vordering. Dit is alleen anders wanneer de kwalificatie deels betrekking heeft op een schadecomponent, zoals in het geval van artikel 399 Sw. Het bestaan en de hoegrootheid van de schade worden niet beïnvloed door de omstandigheid dat de schadeverwekkende gebeurtenis opzettelijk of onopzettelijk werd gepleegd. Dit debat behoort louter tot de strafvordering en speelt zich af buiten de burgerlijke partij om. Wanneer de kwalificatie van strafrechtelijke feiten geen invloed heeft op het bestaan en de omvang van de schade in hoofde van een burgerlijke partij, kan deze partij zich, aldus verzoekster, voor de strafrechter niet mengen in het debat omtrent de kwalificatie, ongeacht een eventueel moreel belang. Wanneer de rechtsvordering tot vergoeding van schade volledig wordt toegekend of toegekend op een wijze waarin de burgerlijke partij kan berusten, heeft deze burgerlijke partij geen hoedanigheid of belang om hoger beroep in te stellen. 7.
- Uit artikel 6.1 EVRM vloeit voort dat het gezag van gewijsde in strafzaken niet verhindert dat een partij in een later proces (burgerlijk of anders), de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid (zoals de kwalificatie), wanneer zij geen partij in het strafgeding was of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden. Het vrij doen gelden van haar belangen als procespartij houdt volgens verzoekster onder meer in: het kunnen aanvoeren van ontvankelijke middelen (waarop de strafrechter inhoudelijk moet antwoorden) en het op ontvankelijke wijze kunnen instellen van de rechtsmiddelen. Verzoekster stelde zich voor de correctionele rechtbank burgerlijke partij omwille van slagen en verwondingen die de beklaagde aan haar toebracht. De beklaagde werd door het openbaar ministerie vervolgd wegens opzettelijke slagen en verwondingen. Als burgerlijke partij vroeg verzoekster vergoeding van de lichamelijke en financiële schade die zij ten gevolge van deze IX-10.225-9/27 feiten had opgelopen. Haar vordering werd niet beïnvloed door de al dan niet opzettelijkheid in hoofde van de dader. De correctionele rechtbank achtte de beklaagde schuldig aan onopzettelijke slagen en verwondingen en kende de gevorderde schadevergoeding gedeeltelijk toe. De herkwalificatie van opzettelijk naar onopzettelijk had geen invloed op de mate waarin deze vordering werd toegekend. Verzoekster ging niet akkoord met de herkwalificatie maar wel met de haar toegekende schadevergoeding. Als partij waarvan de vordering ontvankelijk en gegrond werd verklaard ten belope van een bedrag waarin zij kon berusten, had verzoekster geen belang bij het instellen van enig rechtsmiddel. In tegenstelling tot wat in de bestreden beslissing wordt gesteld, kon zij geen hoger beroep instellen over de schuldvraag, aangezien de beklaagde wel degelijk schuldig werd bevonden en de burgerlijke rechtsvordering op basis van deze schuldigverklaring werd toegekend. Ook de overweging dat verzoekster “qua procedure” hoger beroep had kunnen instellen is niet correct en overigens niet relevant daar de strafrechtelijke kwalificatie geen procedurekwestie is. Aangezien de beslissing omtrent de kwalificatie van de feiten geen invloed had op de burgerlijke rechtsvordering en verzoekster tegen deze beslissing geen rechtsmiddel kon aanwenden, kon zij voor de strafrechter niet vrij haar belangen omtrent deze kwalificatie doen gelden. Bijgevolg stond het gezag van gewijsde in strafzaken er niet aan in de weg dat zij voor de Commissie de mogelijkheid had om de kwalificatie die in het strafproces aan de feiten was gegeven te betwisten en met name te bewijzen dat deze feiten niet onopzettelijk maar opzettelijk gebeurden. Volgens verzoekster kon de bestreden beslissing niet wettig oordelen dat zij vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden in het strafgeding en dat zij heeft berust in de herkwalificatie naar onopzettelijk lichaamsleed. Evenmin kon wettig worden geoordeeld dat de Commissie op het punt van de kwalificatie gebonden was door het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke uitspraak. IX-10.225-10/27 7.
- In ondergeschikte orde stelt verzoekster voor om volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt het algemeen rechtsbeginsel dat de uitspraak van de strafrechter gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de burgerlijke/administratieve rechter, zoals het meer bepaald is vastgelegd in artikel 4, eerste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 EVRM, in die interpretatie dat een burgerlijke partij in een strafprocedure wiens vordering tot schadevergoeding (gedeeltelijk) werd toegekend op basis van een schuldigverklaring van de beklaagde, achteraf de strafrechtelijke kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten voor een burgerlijk of administratief rechtscollege niet meer zou kunnen betwisten, zelfs wanneer deze kwalificatie geen invloed had op de mate waarin de strafrechter de vordering tot schadevergoeding toekende, terwijl dit wel kan door een partij die er al dan niet bewust voor koos niet tussen te komen in het strafproces en eveneens door een (burgerlijke) partij in de strafprocedure die niet vrij was haar belangen te doen gelden om een andere reden dan het feit dat de strafrechtelijke kwalificatie geen invloed had op haar vordering tot schadevergoeding?” Ter toelichting verwijst verzoekster naar rechtspraak in verband met de hoedanigheid van een burgerlijke partij en met betrekking tot de beperkingen op het gezag van gewijsde in strafzaken. 7.
- In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster, in repliek op de memorie van antwoord, hieraan toe dat het niet relevant is te verwijzen naar rechtspraak van de Raad van State waarin de betwisting weliswaar ook het gezag van gewijsde in strafzaken op een beslissing van de Commissie betrof, maar niet het middel werd opgeworpen en beoordeeld dat dit gezag van gewijsde moet worden beperkt wanneer een partij niet vrij is haar belangen te doen gelden. Verzoekster benadrukt dat zij, in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, ontkent dat zij haar verweer over de herkwalificatie in het strafproces heeft kunnen voordragen. Het betoog van verzoekster is precies dat zij als burgerlijke partij van wie de schadevergoeding niet afhankelijk is van de kwalificatie opzettelijk/niet-opzettelijk geen tegenspraak kon voeren over dit IX-10.225-11/27 aspect van de strafvordering. Alleen het openbaar ministerie en de beklaagde konden dit en alleen zij konden tegen deze beslissing een rechtsmiddel aanwenden. Verzoekster betoogt dat zij de uitspraak van de correctionele rechtbank niet naast zich wil neerleggen, maar dat zij op één specifiek punt niet gebonden is door het gezag van gewijsde van deze uitspraak, namelijk de kwalificatie als opzettelijk of niet-opzettelijk. Het aan verzoekster opdringen van de beslissing over dit punt zou in strijd zijn met haar recht op een eerlijk proces en het recht op verdediging. De stelling van de verwerende partij dat het gezag van gewijsde in strafzaken zich ertegen verzet dat een rechtbank en een administratief rechtscollege in twee dossiers met betrekking tot dezelfde feiten en dezelfde schadelijder, verschillend zouden oordelen over de kwalificatie van de feiten is in strijd met de rechtspraak van zowel het Hof van Cassatie als het Grondwettelijk Hof. Sinds 1997 relativeert het Hof van Cassatie het gezag van gewijsde in strafzaken niet alleen ten aanzien van een partij die geen partij was in het strafgeding (het arrest Stappers van 15 februari 1991), bovendien luidt de standaardformulering voortaan: “[h]et gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken staat niet eraan in de weg dat een partij, in een later burgerlijk proces, de mogelijkheid krijgt om de elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, wanneer zij geen partij in het strafgeding was of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden” (Cass. 7 maart 2008, Arr. Cass. 2008, 644). Met de toevoeging “of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden” beoogde het Hof van Cassatie uitdrukkelijk de gevallen waarin diegene die zich tegen het gezag van gewijsde verzet wel degelijk partij was in de strafzaak. Dat er zich dus gevallen kunnen voordoen waarin een rechtscollege een tegenstrijdige beslissing neemt ten aanzien van deze van de strafrechter is logisch en een inherent gegeven. Verzekeraars maken gebruik van deze rechtspraak om een regresvordering tegen hun verzekerde in te stellen op grond van ‘dronkenschap’ terwijl deze verzekerde hiervoor strafrechtelijk werd vrijgesproken. In arrest nr. 24/2019 van 14 februari 2019 gaat het Grondwettelijk Hof nog een stap verder en wordt het gezag van IX-10.225-12/27 rechterlijk gewijsde in strafzaken verdrags- en grondwetsconform geïnterpreteerd in die zin dat het in bepaalde omstandigheden zelfs niet geldt voor een partij die wel vrij haar belangen kon verdedigen. Volgens verzoekster stelt de verwerende partij ten onrechte de hoedanigheid van de procespartij en de mogelijkheid om haar belangen vrij te doen gelden gelijk. Verzoekster maakt daarbij de vergelijking met een WAM-verzekeraar die geconfronteerd wordt met een uitspraak over het opleggen van één gezamenlijke of twee aparte straffen voor ‘alcoholintoxicatie in het verkeer’ en ‘het veroorzaken van een verkeersongeval’, waaromtrent deze verzekeraar geen verweer kan voeren. Omdat deze uitspraak op dit punt impliciet maar zeker een causaal verband tussen het alcoholgebruik en het ongeval aanneemt of verwerpt, is deze beslissing niet zonder belang voor de verzekeraar die later regres wil uitoefenen op de verzekerde. Het is precies voor zulke gevallen dat het Hof van Cassatie aannam dat, zelfs wanneer de verzekeraar als vrijwillig tussenkomende partij procespartij was in de strafzaak, het gezag van gewijsde in strafzaken niet verhinderde in een later burgerlijk proces elementen uit dit strafproces te betwisten. Volgens verzoekster bevond zij zich als burgerlijke partij waarvan de vordering tot schadevergoeding niet afhing van de kwalificatie ‘opzettelijke’ dan wel ‘onopzettelijke’ slagen, in dezelfde positie. Zij was formeel procespartij maar kon haar belangen niet vrij doen gelden omdat de strafrechtelijke kwalificatie tot de strafvordering behoort. Verzoekster benadrukt dat met het vrij kunnen laten gelden van haar belangen iets anders wordt bedoeld dan fysiek op een zitting aanwezig zijn. Het gezag van gewijsde in strafzaken wordt gerelativeerd uit respect voor het beginsel van tegenspraak, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging. Wanneer een rechter niet gehouden is ten gronde te antwoorden op middelen van een bepaalde partij, dan heeft deze partij geen reële tegenspraak kunnen voeren. IX-10.225-13/27 Daarnaast stelt verzoekster dat de verwerende partij ten onrechte meent dat verzoekster beroep had kunnen aantekenen en het hof van beroep had kunnen verzoeken haar belang te beoordelen in functie van het latere verzoek bij de Commissie. Verzoekster meent dat zij niet de mogelijkheid had om over de herkwalificatie een ontvankelijk hoger beroep in te stellen. De strafrechter diende zich niet uit te spreken over een eventueel verzet van verzoekster tegen de strafrechtelijke kwalificatie aangezien de vordering van de vergoeding van de schade niet afhankelijk was van deze kwalificatie. Ten aanzien van de suggestie dat verzoekster hoger beroep kan aantekenen en het hof van beroep kan verzoeken om “haar belang te beoordelen in functie van een later verzoek bij de Commissie” meent verzoekster dat de strafrechter hierover enkel een obiter dictum-uitspraak zou kunnen doen. Een burgerlijke partij wordt immers enkel in de strafprocedure toegelaten om herstel van geleden schade te verkrijgen (artikel 4, eerste lid, VT Sv) en heeft voor de rest geen rol te spelen. De strafrechtbank mag buiten dit strikte kader geen burgerlijke beslissing nemen en op het louter beroep van een burgerlijke partij evenmin enige beslissing die verder zou reiken dan dit beperkte burgerlijke belang. Het lijdt volgens verzoekster geen twijfel dat een hoger beroep, louter om te horen zeggen dat de feiten zouden moeten worden gekwalificeerd als ‘opzettelijk’ en dit met het oog op een procedure voor de Commissie, als onontvankelijk zou zijn afgewezen. Tot slot zet verzoekster uiteen dat de relativering van het gezag van gewijsde in strafzaken in deze zaak er niet toe leidt dat dit gezag van gewijsde onbestaande zou zijn. Zij vraagt enkel dat een partij die op een bepaald punt geen werkelijke tegenspraak heeft kunnen voeren, niet gebonden kan zijn door het gezag van gewijsde over dat punt. Deze invulling van het algemeen rechtsbeginsel is de enige die verenigbaar is met artikel 6.1 EVRM, maar ze maakt dit beginsel niet inhoudsloos. Verzoekster zet de hypothesen uiteen waarin zij wel hoger beroep had kunnen instellen (vrijspraak, burgerlijke vordering afhankelijk van de kwalificatie). Gelet op de mogelijkheid tot tegenspraak zou in deze gevallen de IX-10.225-14/27 beslissing ten aanzien van verzoekster het gezag van gewijsde in strafzaken hebben genoten. In het voorliggende concrete geval is dat niet zo omdat aan de toepassingsvoorwaarden van dit algemeen rechtsbeginsel zoals ze uit artikel 6.1 EVRM voortvloeien, niet is voldaan. Beoordeling a. bespreking van het eerste middel
- De Commissie wijst het verzoek om hulp als niet-ontvankelijk af omdat er geen sprake is van een opzettelijke gewelddaad in de zin van de wet van 1 augustus
- De Commissie oordeelt dat zij het gezag van gewijsde in strafzaken niet mag schenden. De bestreden beslissing motiveert dit als volgt: “De Commissie acht zich als administratief rechtscollege gebonden door het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke uitspraak. De beslissing van de strafrechter heeft immers gezag van gewijsde erga omnes, ook ten aanzien van de Commissie. Dit betekent dat hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist, zich in beginsel opdringt aan elkeen. Zo oordeelde de Commissie in het verleden reeds dat wanneer de strafrechter heeft geoordeeld dat de slagen of verwondingen het gevolg waren van een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zij zonder miskenning van het gezag van gewijsde niet meer kan beslissen dat de slagen het gevolg waren van een opzettelijke gewelddaad. De Commissie verwijst hieromtrent bovendien naar P. Verhoeven en L. Vulsteke, Het fonds voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, 2011, Gent, Larcier, rnr. 195: ‘(…) De kentering in de Cassatierechtspraak lijkt tot gevolg te hebben dat het gezag van gewijsde ook ten aanzien van de Commissie als administratieve rechter aan geldingskracht heeft ingeboet. De praktische relevantie zal weliswaar beperkt zijn omdat de benadeelde zich normalerwijze burgerlijke partij stelt voor de strafrechter en dus partij in het geding is. Indien het slachtoffer partij in het geding was, behoudt het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke beslissing zijn gelding, aangezien de benadeelde voor de strafrechter de gelegenheid heeft gehad op te komen voor zijn belangen. Het slachtoffer zal dan ook gebonden zijn door de vrijspraak van de verdachte of door de kwalificatie van de feiten door de strafrechter. (…)’ IX-10.225-15/27 De Commissie is dan ook van oordeel dat, niettegenstaande hetgeen daaromtrent werd geargumenteerd in het schrijven van de raadsman dd. 10 november 2022 en ter rechtszitting, verzoekster wel degelijk vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden in het strafgeding, en dat zij heeft berust in de herkwalificatie naar onopzettelijk lichaamsleed, niettegenstaande zij zowel qua procedure als qua schuld van de beklaagde hoger beroep had kunnen aantekenen. Huidige opgeworpen discussie toont genoegzaam aan dat verzoekster wel degelijk in haar hoedanigheid van burgerlijke partij daartoe een belang kon laten gelden. De Commissie acht het dan ook irrelevant om in te gaan op de vraag van verzoekster om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het staat niet aan de Commissie in dit geval het gezag van het rechterlijk gewijsde te schenden. Aangezien er in deze omstandigheden geen sprake is van een opzettelijke gewelddaad in de zin van de wet van 1 augustus 1985, kan de Commissie niet anders dan het verzoek als niet ontvankelijk afwijzen.”
- Zoals het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 24/2019 van 14 februari 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.024), met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie (in het bijzonder Cass. 15 februari 1991, ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910215.13), heeft bevestigd, vormt het gezag van gewijsde dat verbonden is aan strafzaken ten aanzien van de burgerlijke rechter een algemeen rechtsbeginsel. Aan dit beginsel ligt de idee ten grondslag dat de strafvordering uitgeoefend wordt in naam en in het belang van de ganse samenleving. De beslissing over de strafvordering raakt de hele gemeenschap zodat deze beslissing eenieder bindt (Cass. 4 juli 1878, Pas. 1878, I, 296, conclusie eerste advocaat-generaal Mesdach de ter Kiele). Gelet op deze grondslag van het algemeen rechtsbeginsel geldt het gezag van gewijsde van rechterlijke beslissingen in strafzaken ook ten aanzien van de administratieve rechter.
- Het Grondwettelijk Hof heeft, eveneens in navolging van het Hof van Cassatie, vastgesteld dat dit gezag van gewijsde niet absoluut is. Het gezag van gewijsde van de definitieve beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke rechter, dat bijdraagt tot de zorg om tegenstrijdige beslissingen te IX-10.225-16/27 vermijden, moet immers worden geïnterpreteerd rekening houdend met de waarborgen van het recht op een eerlijk proces (het reeds vermelde arrest nr. 24/2019, overweging B.5.1). Het Grondwettelijk Hof wijst er aldus op dat, “[g]elet op het recht van verdediging en het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak, […] het Hof van Cassatie geoordeeld [heeft] dat ‘het gezag van het strafrechtelijk gewijsde er niet aan in de weg staat dat een partij in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten gelden’ (Cass., 2 oktober 1997, Arr. Cass., 1997, nr. 381; in dezelfde zin, Cass., 24 april 2006, S.05.0075.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060424.7; Cass., 7 maart 2008, C.06.0253.F)” (arrest nr. 24/2019, overweging B.5.2).
- In hetzelfde arrest nr. 24/2019 concludeert het Grondwettelijk Hof dat “het belang van het gezag van gewijsde in strafzaken en de zorg om te vermijden dat de strafrechter en de burgerlijke rechter tegenstrijdige beslissingen nemen, moeten worden afgewogen tegen het fundamentele recht van alle partijen op een eerlijk proces en op het recht van verdediging in het proces voor de burgerlijke rechter” (overweging B.7.1). Het Hof oordeelt dat het in die optiek coherent is dat wanneer een derde, die niet betrokken was bij het strafproces, voor de burgerlijke rechter bewijs kan voorleggen waarbij elementen van het strafgeding worden weerlegd, deze relativering van het gezag van gewijsde in strafzaken ook moet gelden ten aanzien van alle partijen die betrokken zijn bij het nieuwe debat voor de burgerlijke rechter. Er anders over oordelen zou een niet met het recht op een eerlijk proces verenigbaar verschil in behandeling vormen tussen de partijen in het voor de burgerlijke rechter gebrachte proces.
- Uit deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof kan geenszins worden afgeleid dat het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken ten aanzien van de burgerlijke rechter of ten aanzien van de IX-10.225-17/27 administratieve rechter niet meer zou gelden. Het algemeen rechtsbeginsel moet enkel worden gerelativeerd in die zin dat het moet worden afgewogen tegen het fundamentele recht van alle partijen op een eerlijk proces en het recht van verdediging in het proces voor de burgerlijke rechter of voor het administratief rechtscollege. Dit betekent dat, zoals ook volgt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie, gelet op artikel 6 EVRM, het gezag van gewijsde in strafzaken er niet aan in de weg staat dat een partij, in een later burgerlijk proces, de mogelijkheid krijgt om de elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, wanneer zij geen partij in het strafgeding was of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden (zie bijvoorbeeld Cass. 7 maart 2008, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080307.1). Hetzelfde geldt ten aanzien van een later administratiefrechtelijk proces.
- De bestreden beslissing stelt niet dat het gezag van gewijsde in strafzaken ten aanzien van verzoekster absoluut zou gelden, zonder enige vorm van relativering. De bestreden beslissing vermeldt daarentegen dat de kentering in de cassatierechtspraak tot gevolg lijkt te hebben dat het gezag van gewijsde ook ten aanzien van de Commissie als administratieve rechter aan geldingskracht heeft ingeboet. De Commissie is evenwel van oordeel, met verwijzing naar rechtsleer, dat “[i]ndien het slachtoffer partij in het geding was, […] het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke beslissing zijn gelding [behoudt], aangezien de benadeelde voor de strafrechter de gelegenheid heeft gehad op te komen voor zijn belangen”. De Commissie meent dat verzoekster in casu wel degelijk vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden, en dat zij hoewel zij zowel qua procedure als qua schuld van de beklaagde hoger beroep had kunnen aantekenen, nagelaten heeft dit te doen. IX-10.225-18/27 Om die reden past de Commissie in de bestreden beslissing het gezag van het strafrechtelijk gewijsde toe en acht zij zich gebonden door de kwalificatie van de feiten door de strafrechter als het onopzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel.
- Verzoekster voert evenwel aan dat de Commissie een onjuiste toepassing heeft gemaakt van het gerelativeerde beginsel van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde. Verzoekster betwist immers dat zij geacht kan worden in rechte haar belangen te hebben kunnen laten gelden voor de strafrechter. Zij was weliswaar burgerlijke partij in het strafgeding (artikelen 3 en 4 VT Sv), maar volgens haar kan een burgerlijke partij zich voor de strafrechter niet inlaten met de strafvordering. Zij kon als burgerlijke partij naar eigen zeggen geen tegenspraak voeren en geen verweer voordragen over het aspect van de strafvordering waarbij de vervolgde feiten worden gekwalificeerd door de strafrechter. Alleen het openbaar ministerie en de beklaagde zouden dit kunnen, en zouden tegen deze beslissing een rechtsmiddel kunnen aanwenden. Volgens verzoekster kan er geen gelijkstelling worden gemaakt tussen de formele hoedanigheid van procespartij en de mogelijkheid haar belangen vrij te doen gelden.
- Voor de beoordeling of de Commissie in casu al dan niet terecht gesteund heeft op het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken, is het doorslaggevend om na te gaan of een burgerlijke partij in een strafgeding, zoals verzoekster voor de rechtbank van eerste aanleg, kan worden geacht haar belangen vrij te hebben kunnen laten gelden, en dit in het licht van het recht op een eerlijk proces, hetgeen een recht op tegenspraak impliceert, en dit ook ten aanzien van het specifieke punt van de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten.
- Door zich burgerlijke partij te stellen voor de strafrechter, wordt het slachtoffer van een misdrijf partij in de strafprocedure, met een aantal uitdrukkelijk toegekende rechten – zie bijvoorbeeld het recht op inzage van het dossier bij de procureur des Konings of de onderzoeksrechter (artikelen 21bis en IX-10.225-19/27 61ter Sv) en bij de raadkamer (artikel 127, § 2, Sv), het recht om aanvullende onderzoeksdaden te vragen (artikelen 61quinquies en 127, § 3, Sv) of het recht van de burgerlijke partij om persoonlijk of in de persoon van een advocaat te verschijnen (artikel 185, § 1, Sv). De burgerlijke partij kan, net als de beklaagde, conclusies indienen bij de rechtbank en daarbij stavingsstukken neerleggen. De rechtbank die uitspraak doet op strafgebied en op burgerlijk gebied is onderworpen aan de verplichting om te antwoorden op de conclusies betreffende de strafvordering en de burgerlijke vordering.
- Verzoekster betwist dat de burgerlijke partij haar belangen kan doen gelden ten aanzien van de specifieke vraag hoe een gedraging strafrechtelijk wordt gekwalificeerd. In tegenstelling tot wat verzoekster voorhoudt, is het echter niet zo dat de burgerlijke partij zich niet kan mengen in het debat over de kwalificatie. Weliswaar wordt, zoals verzoekster terecht aangeeft, de strafvordering voor de correctionele rechtbank uitgeoefend door de procureur des Konings (artikel 1 VT Sv en artikel 22 Sv). De rechtbank is evenwel verplicht de voorgelegde feiten juist te kwalificeren. De rechtbank kan dit doen op eigen initiatief of op vraag van een van de partijen. Ook de burgerlijke partij kan de herkwalificatie van de feiten en de tenlastelegging vragen. Wanneer een strafrechter, zoals in onderhavig geval, beslist tot het herkwalificeren van de feiten zoals die uit de tenlastelegging door het openbaar ministerie volgen, moet de strafrechter alle partijen hiervan op de hoogte brengen en hen toelaten hierover te concluderen. Dit geldt ook voor de burgerlijke partij, die net als de beklaagde recht heeft op een eerlijk proces en op tegenspraak. De strafrechter neemt bij de beoordeling van de burgerlijke vordering de kwalificatie van de tenlastegelegde feiten in aanmerking. Op zijn minst zal de strafrechter aan de burgerlijke partij de mogelijkheid moeten geven om te concluderen over de eventuele gevolgen van een herkwalificatie voor de IX-10.225-20/27 burgerrechtelijke belangen van de burgerlijke partij. Daarbij is het niet op algemene wijze uitgesloten dat de kwalificatie als opzettelijk of onopzettelijk een weerslag kan hebben op het bepalen van de schade (zoals bijvoorbeeld de morele schade) en de schadevergoeding, en dus op de burgerlijke belangen van de burgerlijke partij. Het is daarbij evenmin uitgesloten dat de burgerlijke partij aanvoert dat de kwalificatie van het misdrijf als opzettelijk of onopzettelijk gevolgen heeft voor de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor hulp door de Commissie, en dus voor haar burgerlijke belangen.
- Verzoekster is daarnaast van mening dat het recht om haar belangen te kunnen laten gelden, ook moet inhouden dat zij op ontvankelijke wijze de rechtsmiddelen waarin de wet voorziet, kan instellen.
- Deze toevoeging door verzoekster aan het vereiste van het vrij kunnen doen gelden van haar belangen als procespartij voor de rechtbank van eerste aanleg faalt naar recht. De Raad van State ziet niet in waarom een procespartij geacht moet worden haar belangen enkel vrij te kunnen laten gelden als zij tegen een rechterlijke beslissing over haar burgerlijke belangen in beroep kan gaan. 20.
- De bewering van de Commissie in de bestreden beslissing dat verzoekster “zowel qua procedure als qua schuld van de beklaagde hoger beroep had kunnen aantekenen” is weliswaar niet volledig accuraat. Verzoekster wijst er immers terecht op dat, gelet op artikel 202, 2°, Sv, het recht om hoger beroep in te stellen voor de burgerlijke partij beperkt is tot haar burgerlijke belangen, zoals haar belang om herstel van de geleden schade te verkrijgen (zie Cass. 28 september 2021, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.4). In de mate dat de kwalificatie van het misdrijf geen invloed heeft op de schadevergoeding en de burgerlijke belangen, kan het hoger beroep hierop dus geen betrekking hebben. Wanneer de kwalificatie, zoals in casu het geval is, gevolgen heeft voor de mogelijkheid om een beroep in te stellen bij de Commissie, kan IX-10.225-21/27 evenwel niet a priori uitgesloten worden dat de burgerlijke partij gegriefd zou zijn door de in eerste aanleg aangenomen kwalificatie. 20.
- Overigens is het motief dat verzoekster hoger beroep had kunnen aantekenen geen dragend motief voor de beslissing. Het vormt een overtollig motief ten aanzien van de in rechte juiste vaststelling van de Commissie dat de benadeelde, als burgerlijke partij, voor de strafrechter de gelegenheid heeft gehad op te komen voor haar belangen.
- Ten aanzien van verzoekster, die als burgerlijke partij haar belangen vrij heeft kunnen laten gelden in de procedure voor de correctionele rechtbank, heeft de Commissie, in het licht van het recht op een eerlijk proces en het recht op tegenspraak, een correcte toepassing gemaakt van het gezag van gewijsde in strafzaken.
- De bestreden beslissing mocht terecht ervan uitgaan dat verzoekster, als burgerlijke partij in het strafgeding voor de correctionele rechtbank, haar belangen vrij heeft kunnen laten gelden. b. prejudiciële vraag
- In ondergeschikte orde vraagt verzoekster de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen: “Schendt het algemeen rechtsbeginsel dat de uitspraak van de strafrechter gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de burgerlijke/administratieve rechter, zoals het meer bepaald is vastgelegd in artikel 4, eerste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 EVRM, in die interpretatie dat een burgerlijke partij in een strafprocedure wiens vordering tot schadevergoeding (gedeeltelijk) werd toegekend op basis van een schuldigverklaring van de beklaagde, achteraf de strafrechtelijke kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten voor een burgerlijk of administratief rechtscollege niet meer zou kunnen betwisten, zelfs wanneer deze kwalificatie geen invloed had op de mate waarin de strafrechter de vordering tot schadevergoeding toekende, terwijl dit wel kan door een partij die er al dan niet bewust voor koos niet tussen te komen IX-10.225-22/27 in het strafproces en eveneens door een (burgerlijke) partij in de strafprocedure die niet vrij was haar belangen te doen gelden om een andere reden dan het feit dat de strafrechtelijke kwalificatie geen invloed had op haar vordering tot schadevergoeding?” 24.
- Het Grondwettelijk Hof is, overeenkomstig artikel 142 van de Grondwet en artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ slechts bevoegd om bij wijze van een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over wetten, decreten en de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regels. Het Hof is bijgevolg niet bevoegd om algemene rechtsbeginselen op hun grondwettigheid te toetsen. Er bestaat geen grond om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen die niet tot zijn bevoegdheid behoort. Er kan dan ook niet worden ingegaan op het verzoek tot het stellen van de door verzoekster geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. 24.
- Het Grondwettelijk Hof heeft zich, in het reeds vermelde arrest nr. 24/2019, weliswaar bevoegd geacht om de wettelijke bepaling in artikel 4, eerste lid, VT Sv te toetsen, in zoverre het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde voor de burgerlijke rechter erin is vastgelegd. Indien aangenomen zou worden dat verzoekster bedoelt artikel 4, eerste lid, VT Sv ter toetsing aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen, moet echter worden opgemerkt dat deze wettelijke bepaling niet van toepassing is in het voorliggende geschil. Artikel 4 VT Sv heeft immers betrekking op de verhouding tussen de burgerlijke rechtsvordering en de strafvordering. Het antwoord op een prejudiciële vraag met betrekking tot dit artikel 4 VT Sv is bijgevolg niet dienstig voor de oplossing van het voorliggende geschil.
- Er moet bijgevolg geen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof worden gesteld. c. besluit IX-10.225-23/27
- Het eerste middel is niet gegrond. C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 27.
- In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 149 van de Grondwet. 27.
- In haar verweer voor de Commissie voert verzoekster aan dat het begrip ‘opzettelijke gewelddaden’ in de wet van 1 augustus 1985 ruimer is dan en niet volledig samenvalt met het begrip ‘opzettelijke slagen en verwondingen’ van de artikelen 392, 398 en 399 Sw. Ongeacht het gezag van gewijsde in strafzaken is volgens verzoekster haar verzoek niet noodzakelijk onontvankelijk aangezien de daden waarvan zij slachtoffer is geworden nog steeds als opzettelijke gewelddaden in de ruimere zin van artikel 31, eerste lid, 1°, van de wet van 1 augustus 1985 zouden kunnen worden begrepen. Een gewelddaad is, aldus verzoekster, een uiting van macht en kracht, een kracht die met hevigheid, onstuimigheid wordt uitgeoefend. Wanneer deze ‘gewelddaad’ opzettelijk en bewust wordt gesteld, speelt het geen rol of men daarbij eveneens de intentie had om iemand te slaan of verwondingen toe te brengen. Men stelt immers een gewelddaad en men doet dit opzettelijk, méér vereist de wet van 1 augustus 1985 niet. Volgens verzoekster wordt in de bestreden beslissing nergens op dit middel geantwoord. Aangezien zij aanvoerde dat het begrip ‘opzettelijke gewelddaden’ ruimer is dan het strafrechtelijke begrip ‘opzettelijke slagen en verwondingen’ volstond het niet dat de Commissie zonder meer aangaf zich gebonden te achten door het strafrechtelijke gewijsde om op dit middel te antwoorden. Daartoe was minstens vereist dat de Commissie overwoog dat beide IX-10.225-24/27 begrippen wel volledig samenvallen. 27.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster dat de Commissie heeft nagelaten op haar tweede middel te antwoorden. Beoordeling
- Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis “met redenen [is] omkleed”, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Die regel moet door alle rechtscolleges worden geëerbiedigd en dus ook door de Commissie. Deze bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting voor de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen en de door de partijen aangevoerde middelen te verwerpen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Uit de motivering moet blijken op welke feiten de Commissie steunde om haar beslissing te nemen, zodat de partijen kunnen nagaan of zij een rechtsmiddel kunnen aanwenden en de Raad van State kan nagaan of de wet correct werd toegepast.
- Zoals bij de beoordeling van het eerste middel is vastgesteld, gaat de Commissie terecht ervan uit dat zij in casu gebonden is door het gezag van rechterlijk gewijsde in strafzaken. IX-10.225-25/27
- Dit strafrechtelijk gewijsde houdt in dat de Commissie gebonden is door wat de strafrechter noodzakelijk en zeker heeft beslist in verband met de tenlasteleggingen die hij aanneemt. Tot hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist, behoort de kwalificatie van het misdrijf en dus van de gewelddaad als “onopzettelijk”.
- Door haar beslissing te motiveren door te verwijzen naar het gezag van gewijsde in strafzaken, verschaft de Commissie logischerwijze en zonder dubbelzinnigheid een antwoord op het middel dat stelt dat het begrip ‘opzettelijke gewelddaden’ zoals bedoeld in de wet van 1 augustus 1985 een ruimer begrip is dan de opzettelijke slagen en verwondingen bedoeld in de artikelen 392, 398 en 399 Sw en op het middel van verzoekster dat uit het strafdossier zou blijken dat de feiten wel degelijk opzettelijk werden gepleegd. Het antwoord bestaat daarin dat wanneer de strafrechter de feiten als onopzettelijk heeft gekwalificeerd, de wet van 1 augustus 1985 niet inhoudt dat hieraan een andere betekenis kan worden gegeven.
- Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.225-26/27 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.225-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.215 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910215.13 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060424.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080307.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.4 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.024 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div