← België

Arrest 260276 - Overheidsopdrachten - 26/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.276 Rolnummer: A. 234819/XII-9145 Zaak: Arrest 260276 - Overheidsopdrachten - 26/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-03 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-15 02:44 Fiche Arrest nr 260.276 van 26 juni 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.276 no lien 277881 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 260.276 van 26 juni 2024 in de zaak A. 234.819/XII-9145 In zake : de NV SWINNEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Fien Duymelinck kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE KALMTHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Simon Verhoeven kantoor houdend te 2600 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Lagey kantoor houdend te 2640 Mortsel Eggestraat 30 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.

  1. Het beroep, ingesteld op 14 oktober 2021, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing van het college van burgemeester en schepenen [van de gemeente Kalmthout] van 16 augustus 2021 houdende de gunning van de opdracht ‘Bouw nieuwe brandtoren’ aan IDD-C. […], alsook de impliciete beslissing om de opdracht niet te gunnen aan [de nv Swinnen]”. 1.
  2. Met hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij tevens een schadevergoeding tot herstel. XII-9145-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Anke Meskens heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 mei
  4. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Van Heuven die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Ellen Wouters, die loco advocaten Simon Verhoeven en Joris Lagey verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Anke Meskens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De gemeente Kalmthout schrijft een overheidsopdracht voor werken uit voor de bouw van een nieuwe brandtoren op de Kalmthoutse Heide. XII-9145-2/25 De opdracht wordt geplaatst bij wijze van vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking en wordt geraamd op 670.626, 68 euro, btw niet inbegrepen. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 4 mei
  7. 3.
  8. Het bijzonder bestek, gekend onder referentie OW/2021/08, is van toepassing. De prijs is het enig gunningscriterium. De opdracht wordt beschouwd als een opdracht tegen globale prijs. Wat de technische en beroepsbekwaamheid betreft, vraagt het bestek dat de inschrijver minstens twee referenties opgeeft, als volgt: Nr. Selectiecriteria Minimumvereisten 1 Referenties Referenties van 2 projecten met een staalstructuur met architecturale waarde, een gelijkaardige complexiteit of dezelfde afwerkingsgraad als dit dossier. 3.
  9. Vier inschrijvers, waaronder de verzoekende partij en de tm IDD-C., dienen een offerte in. 3.
  10. Met een e-mailbericht van 18 juni 2021 vraagt de verwerende partij overeenkomstig artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017) aan de tm IDD-C. om een prijsverantwoording te verstrekken voor de opgegeven eenheidsprijzen voor posten 03.06.11.C ‘Walsp[ro]fielen in S355’ en 03.06.12.C ‘Blanke warmgewalste koker- en buisprofielen S355’. Met e-mailberichten van 25 juni 2021 en 29 juni 2021 verstrekt de tm IDD-C. een prijsverantwoording. XII-9145-3/25 3.
  11. Op 30 juni 2021 verzoekt de aanbestedende overheid de tm IDD-C. nog om een aantal documenten te bezorgen, als volgt: “[…] Bedankt voor ons constructieve gesprek gisteren, en voor de offerte van het staal. Zoals in ons overleg gisteren besproken zou je ons nog volgende bezorgen: - Alternatieve knopen staalstructuur: detail en prijsvoorstel - Alternatieve takel en ligger: detail en prijsvoorstel - Alternatieve sectie voor de houten balken en prijsvoorstel - Engagement met onderaannemer staal Kan je ons ook nog deze administratieve documenten bezorgen? - uittreksel strafregister - attest niet-faling - RSZ-attest - attest FOD Financiën –> Dit voor allebei de leden van de TM Zouden wij dit uiterlijk volgende donderdag 8/07/2021 kunnen ontvangen? […].” Met een e-mailbericht van 9 juli 2021 bezorgt de tm IDD-C. aan de verwerende partij de gevraagde administratieve documenten. Met een e-mailbericht van 13 juli 2021 bezorgt zij nog de gevraagde toelichting van de offerte. Tevens deelt zij mee dat, aangezien haar onderaannemer V. zich niet ertoe kon verbinden om de prefab van de staal- constructie hetzelfde jaar nog uit te voeren, zij zich genoodzaakt zag om deze onderaannemer V. te vervangen door een andere onderaannemer F., van wie zij tevens een verbintenis tot terbeschikkingstelling van expertise en middelen voorlegt. 3.
  12. Op 24 juni 2021 wordt een verslag van nazicht opgesteld. Op 19 juli 2021 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout om de opdracht te gunnen aan de tm IDD-C. XII-9145-4/25 Met een aangetekend schrijven van 20 juli 2021 en een e-mailbericht van 9 augustus 2021 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund. 3.
  13. Met een e-mailbericht van 10 augustus 2021 wijst de raadsman van de verzoekende partij de verwerende partij erop dat bij gebrek aan gelijktijdige aangetekende en elektronische verzending van de gunningsbeslissing de beroepstermijn van 15 dagen pas is beginnen lopen vanaf 9 augustus. Daarnaast wijst hij ook reeds op de volgende vermeende onregelmatigheden, om welke reden hij vraagt om over te gaan tot intrekking van de gunningsbeslissing van 19 juli 2021: “• Uit de niet-gunningsbeslissing blijkt dat, alhoewel de prijs van de laagste inschrijver IDD méér dan 15% afwijkt van de gemiddelde prijzen, er geen verantwoording werd gevraagd van de totaalprijzen, enkel van 2 eenheidsprijzen (schending van artikel 36 § 4 KB Plaatsing) • Alleszins wordt in de niet-gunningsbeslissing – ik heb nog geen kennis van het verslag van nazicht – geen enkele, zelfs niet beknopte informatie aangereikt inzake het prijsonderzoek en de redenen voor het aanvaarden van de prijsverantwoording van IDD (schending van de Formelemotiveringswet, zie RvS 21 juni 2016, nr. 235.175).” 3.
  14. Dit bezwaar leidt tot een bijkomend onderzoek van de offertes. Op 11 augustus 2021 wordt een aangepast verslag van nazicht opgesteld. Wat het administratief nazicht van de offertes betreft, wordt in dit verslag onder meer verwezen naar een “bijlage administratief nazicht”. Wat het “selectiecriterium referenties” betreft, bevat de in deze bijlage opgenomen overzichtstabel voor alle inschrijvers de vermelding “ja”. Na correcties als gevolg van het rekenkundig nazicht en leemtes, vermeldt het verslag van nazicht de volgende rangschikkingsbedragen voor de offertes, btw niet inbegrepen: - tm IDD-C.: 601.081,59 euro; - O.: 898.898,98 euro; - P.: 1.043.148,70 euro; XII-9145-5/25 - nv Swinnen: 828.754,95 euro. Over het prijs- en kostenonderzoek vermeldt het verslag van nazicht het volgende: “
  15. ONDERZOEK ABNORMALE PRIJZEN 11.
  16. ONDERZOEK ABNORMALE INSCHRIJVINGSPRIJZEN De vergelijking van de totaalprijzen met het gewogen gemiddelde min 15% conform art 36§4 KB Plaatsing is niet van toepassing aangezien het gaat om een onderhandelingsprocedure. 11.
  17. Onderzoek abnormale eenheidsprijzen Uit het onderzoek naar abnormale eenheidsprijzen komen 2 mogelijks abnormale eenheidsprijzen naar voor: 03.06.11C Walsprofielen in S355 [tm IDD-C.] 03.06.12C Blanke warmgewalste koker- en buisprofielen S355 [tm IDD-C.] We adviseren de aanbestedende overheid om voor deze artikels hetzij prijsverantwoording te vragen aan de inschrijver, hetzij dit te behandelen in het kader van een onderhandelingsprocedure waarbij de inschrijver desgevallend toelichting zou kunnen geven en/of de EP’en nog kan aanpassen. De bouwheer heeft in het kader van de onderhandelingsprocedure [tm IDD-C.] gevraagd om de prijzen van bovenstaande 2 posten toe te lichten. In zijn toelichting splitst IDD de betreffende eenheidsprijzen verder op in meer detail (aankoop materialen, galvaniseren, engineering, bevestigingen, prefabricatie, montage,…). De IR Stabiliteit oordeelt op basis van deze toelichting dat de gedetailleerde hoeveelheden en bijhorende eenheidsprijzen conform het ontwerpdossier zijn en marktconform ten aanzien van het tijdstip van indienen van de bieding. IDD voegt er eveneens een offerte bij van de staalhandelaar om de materiaalkost te duiden. Daarnaast blijkt uit de onderhandelingsgesprekken met alle inschrijvers dat [tm IDD-C.] de opdracht inhoudelijk meer in detail heeft onderzocht en uitgewerkt. Hierdoor verkleint [tm IDD-C.] zijn risico en kan deze partij scherper inschrijven. Alles samen verklaart [TM IDD-C.] zo hun mogelijkheid om laag in te schrijven op de betreffende posten en een relatief lage totale offerteprijs aan te bieden. We adviseren de bouwheer om [TM-IDD-C.] de garantie over deze materiaalprijzen schriftelijk te laten bevestigen en zich juridisch te bevragen over de geoorloofdheid van deze verantwoording.” 3.
  18. Met een e-mailbericht van 12 augustus 2021 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat de opdracht nog niet werd gesloten en dat zij voornemens is de gunningsbeslissing in te trekken: XII-9145-6/25 “De opdracht werd nog niet gesloten en de gunningsbeslissing zal kortelings - op het college van 16 augustus 2021 - worden ingetrokken omdat bij nazicht inderdaad blijkt dat er problemen zijn met de formele motivering. Het lijkt aldus niet nodig om de Raad van State hieromtrent te vatten. De (andere) onregelmatigheden die u aanhaalt - en meer nog de niet-conformiteit met artikel 36, § 4 van het KB Plaatsing - betwisten wij echter met klem en gaan volgens ons uit van een onjuiste lezing van de vermelde bepaling. Deze bepaling is enkel van toepassing op openbare en niet-openbare procedures en zoals u weet werd in dit geval gebruik gemaakt van een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. De gemeente wenst ook alvast mee te geven dat het gevoerde prijsonderzoek correct en nauwkeurig is verlopen en dat de bezorgdheden op dat punt onterecht zijn. Uw cliënt zal evident worden geïnformeerd van zodra de nieuwe gunningsbeslissing werd genomen.” 3.
  19. Nadat zij door de verwerende partij naar aanleiding van de bezwaren van de verzoekende partij tegen de gunningsbeslissing van 19 juli 2021 om een bijkomende toelichting werd gevraagd, verstrekt de tm IDD-C. op 12 augustus 2021 nog een prijstoelichting. 3.
  20. Op 16 augustus 2021 beslist het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij om de gunningsbeslissing van 19 juli 2021 in te trekken. In de intrekkingsbeslissing wordt onder meer verwezen naar het bezwaar van de verzoekende partij van 10 augustus 2021 en gesteld dat “[n]a bijkomend technisch en na juridisch nazicht van het aanbestedingsverslag bleek dat er zich een aantal onvolkomenheden bevonden in de formele motivering van de beslissing”. Met een aangetekend schrijven van 16 augustus 2021 wordt de intrekkingsbeslissing aan de vier inschrijvers meegedeeld. 3.
  21. Met een afzonderlijk besluit van dezelfde datum beslist het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de tm IDD-C., tegen het nagerekende inschrijvingsbedrag van 727.308,72 euro, btw inbegrepen. XII-9145-7/25 Dit is de bestreden beslissing. Luidens deze beslissing maakt het verslag van nazicht van de offertes er integraal deel van uit. In aanvulling op dit verslag bevat de gunningsbeslissing van 16 augustus 2021 nog de volgende motivering: “• De dienst OW heeft het toegangsrecht van de inschrijvers onderzocht. Alle inschrijvingen kunnen weerhouden worden. • Studiebureau Bureau Bouwtechniek maakte een verslag op van nazicht der biedingen. Daaruit blijkt dat alle inschrijvingen regelmatig zijn. Na rekenkundig nazicht en leemtes zijn de inschrijvingsbedragen als volgt : […] • Openbare werken heeft aan aannemer [tm IDD-C.] prijsverantwoording opgevraagd voor posten 03.06.11.C en 03.06.12.C (staalstructuur). • Op 25 juni 2021 ontving het bestuur een uitgebreide prijsverantwoording van [tm IDD-C.] betreffende de voormelde posten. De inschrijver voegt een offerte bij van de staalhandelaar (onderaannemer) waarin deze prijzen verder worden geduid. De inschrijver heeft dan ook de betreffende eenheidsprijzen verder meer in detail opgesplitst (aankoop materialen, galvaniseren, engineering, bevestigingen, prefabricatie, montage, ...). Uit deze opsplitsing blijkt ook dat het bouwproces en productieproces van het staal doelmatig is. De ingenieur Stabiliteit oordeelt op basis van deze toelichting dat de gedetailleerde hoeveelheden en bijhorende eenheidsprijzen conform het ontwerpdossier zijn en marktconform ten aanzien van het tijdstip van indienen van de bieding. De inschrijver voegt eveneens een offerte bij van de staalhandelaar om de materiaalkost te duiden. • Het bestuur ontving ook – voor zover nodig – bijkomende informatie over de onderaannemer die zou worden ingezet, waaruit blijkt dat ook deze – net zoals de inschrijver zelf – voldoet aan alle wettelijke verplichtingen, waaronder onder meer sociaal-, arbeids- en milieurechtelijke verplichtingen en deze verplichtingen in het kader van deze opdracht dan ook zullen worden gerespecteerd. • Op 10 augustus 2021 ontving het gemeentebestuur een klacht naar aanleiding van het ontbreken van de formele motivering naar de abnormale eenheidsprijzen toe. In de klacht wordt er ook – zij het ten onrechte – gehekeld dat ook een onderzoek conform artikel 36, § 4 KB Plaatsing dient te worden uitgevoerd. • Op 11 augustus 2021 heeft het bestuur vanuit haar zorgvuldigheids- verplichting de inschrijver bijkomend bevraagd omtrent de prijs ter bijkomende verificatie naar aanleiding van de klacht. Dit hoewel het bestuur van oordeel was dat de opgegeven totaalprijs in feite niet abnormaal is, omdat deze slechts in beperkte mate afwijkt van de door haar vooropgestelde raming en er voor de afwijkende eenheidsprijzen een afdoende verantwoording voorhanden was, zoals zij dit ook eerder (ingetrokken gunningsbeslissing d.d. 19 juli 2021) van oordeel was. XII-9145-8/25 • Op 12 augustus 2021 ontving het bestuur bijkomende informatie, waaruit (nogmaals) blijkt dat de prijzen – en in het bijzonder ook deze van de bovenvermelde posten – niet abnormaal zijn, gelet op de hierboven gegeven toelichtingen (o.m. naar eenheidsprijzen toe, die op zich ook geen abnormaal karakter hebben bij nader onderzoek). Er werd uitvoerig toegelicht waarom de opgegeven prijzen geen abnormaal karakter vertonen. Redenen zijn onder meer dat het een kleinere onderneming betreft, waardoor ook de overheadkosten beperkt zijn; dat de studie en engineering volledig in eigen huis kunnen worden gedaan; dat het basismateriaal rechtstreeks wordt aangekocht en niet via een onderaannemer, waardoor de marges ook beperkt kunnen blijven; dat er hoofdzakelijk met lokale onderaannemers wordt gewerkt, waardoor de reis- en transportkosten ook tot een minimum beperkt worden; dat er gebruik wordt gemaakt van moderne prefabtechnieken, wat ervoor zorgt dat arbeidskosten kunnen worden uitgespaard; dat de hoofdstructuur reeds werd uitgetekend in het kader van de aanbesteding waardoor er op een gerichte wijze prijzen konden worden opgevraagd bij leveranciers en onderaannemers, zodat er op een nauwkeurigere wijze prijs kon worden geboden, ... . De inschrijver maakt aannemelijk dat hij de opdracht aan de vooropgestelde prijs kan uitvoeren. Het bestuur vindt deze redenen – mede in het licht van de andere motieven die reeds werden geboden bij de eenheidsprijzen – aannemelijk en kan deze aanvaarden. • Het bestuur stelt dan ook vast dat de totaalprijs, alsook de eenheidsprijzen, geen abnormaal karakter vertonen. • De dienst Omgeving werken stelt voor om, rekening houdende met het voorgaande, deze opdracht te gunnen aan de economisch meest voordelige bieder (op basis van de prijs), zijnde [TM IDD-C.] […].” 3.
  22. Met een aangetekend schrijven en e-mailbericht van 16 augustus 2021 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund. Als bijlage wordt een kopie gevoegd van de gunningsbeslissing van 16 augustus 2021 en het verslag van nazicht. De bijlage ‘administratief nazicht’ wordt niet toegevoegd. IV. Ontvankelijkheid van het beroep – impliciete weigeringsbeslissing 4.
  23. De verzoekende partij vraagt, behalve de nietigverklaring van de beslissing om de opdracht aan een andere inschrijver te gunnen, ook de nietigverklaring van “de impliciete beslissing om de opdracht niet te gunnen aan [de verzoekende partij]”. XII-9145-9/25 In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat beide middelen ertoe leiden dat de offerte van de gekozen inschrijver “onontvankelijk is”, zodat de opdracht aan haar had moeten worden toegewezen. 4.2 Een verzoekende partij die de nietigverklaring vraagt van een impliciete weigeringsbeslissing, moet aantonen dat er uitzonderlijke omstandig- heden zijn die wijzen op een rechtsplicht om de opdracht aan haar te gunnen. Er moeten elementen worden bijgebracht die tot de uitzonderlijke vaststelling kunnen leiden dat de verwerende partij geen andere keuze meer heeft dan de opdracht aan de verzoekende partij te gunnen. De verzoekende partij voert twee middelen aan waarin in essentie de volgende onwettigheden worden aangevoerd: er blijkt niet dat de gekozen inschrijver mocht worden geselecteerd (eerste middel), en er is sprake van een discrepantie tussen het onderzoek naar de abnormale eenheidsprijzen en het onderzoek naar de abnormale totaalprijs, evenals onduidelijkheid over de gewenste garantie van de materiaalprijzen (tweede middel). Geen van deze aangevoerde onwettigheden, indien gegrond, houdt in dat de verwerende partij na een eventuele nietigverklaring geen andere keuze meer heeft dan de opdracht aan de verzoekende partij te gunnen. 4.
  24. Het beroep is niet ontvankelijk in de mate dat het gericht is tegen de voornoemde impliciete weigeringsbeslissing. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  25. In een eerste middel, dat drie onderdelen omvat, voert de verzoekende partij de schending aan van het bestek, artikel 66 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.276 XII-9145-10/25 2016), de artikelen 4, 8°, en 5, 6°, van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het transparantiebeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij betoogt in dit middel in essentie dat de selectie van de gekozen inschrijver in strijd is met de aangehaalde bepalingen en beginselen. 5.
  26. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat het allerminst evident is dat de gekozen inschrijver aan het selectiecriterium ‘referenties’ beantwoordt nu “IDD een eenmansbedrijf blijkt te zijn en [C.] geheel onbekend is met gespecialiseerde staalconstructies, zoals de brandtoren”. Er ligt volgens de verzoekende partij geen begin van bewijs voor dat de gekozen inschrijver aan het enig selectiecriterium voldoet. 5.
  27. In een tweede onderdeel doet zij gelden dat niet blijkt dat de verwerende partij een toetsing verrichtte met betrekking tot het enig selectiecriterium, in weerwil van artikel 66, § 1, van de wet overheidsopdrachten
  28. Dergelijke toetsing moet volgens de verzoekende partij ook gebeuren op een transparante wijze. 5.
  29. In een derde onderdeel argumenteert de verzoekende partij dat de motieven opgenomen in de bestreden beslissing en het verslag van nazicht ontoereikend zijn. Er wordt in het verslag van nazicht weliswaar naar een bijlage ‘administratief nazicht’ verwezen, maar die bijlage werd niet gevoegd bij de kennisgeving van de bestreden beslissing. Vermits niet duidelijk is of er nu al dan niet referenties voorliggen, is er volgens de verzoekende partij niet enkel sprake van een schending van de motiveringsplicht, maar ook van het transparantiebeginsel.
  30. Bij wijze van repliek op de door de verwerende partij in haar memorie van antwoord opgeworpen exceptie obscuri libelli bij het eerste ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.276 XII-9145-11/25 onderdeel van het middel wijst de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord erop dat zij haar standpunt vanzelfsprekend niet méér kon onderbouwen in haar verzoekschrift. Er werd haar immers geen enkel inzicht gegeven in de referenties die de inschrijvers hebben bijgevoegd. Ook in de memorie van antwoord wordt louter verwezen naar de offerte van de gekozen inschrijver, die vertrouwelijk werd neergelegd, zodat de verzoekende partij daarvan geen kennis kon nemen. Zij betwist ook dat de referenties van de gekozen inschrijver vertrouwelijk zouden zijn omdat het gaat om vaststaande informatie, meer bepaald projecten die al gerealiseerd en uitgevoerd zijn, en vraagt om na kennisname van de referentiedocumenten van de gekozen inschrijver een aanvullende nota te kunnen opstellen. Bij gebrek aan transparantie en motivering dienaangaande kan het de verzoekende partij niet kwalijk genomen worden dat zij zich beperkt heeft tot het bekritiseren van de beperkte informatie waarover zij beschikte, om welke reden de exceptie volgens haar ongegrond is. 6.
  31. Op grond van de bijlage ‘administratief nazicht’ bij het verslag van nazicht, waarvan de verzoekende partij pas voor het eerst met het administratief dossier kennisneemt, volhardt zij in haar standpunt met betrekking tot het eerste onderdeel. Uit deze bijlage blijkt immers geenszins dat de gekozen inschrijver effectief de vereiste referenties voorlegt. De drie referenties waarop de gekozen inschrijver zich volgens de memorie van antwoord zou beroepen, voldoen volgens de verzoekende partij niet om diens technische bekwaamheid aan te tonen. Wat de eerste referentie inzake de “[b]ouw van de ‘overkapping van het station’ te Mechelen (Infrabel)” betreft, merkt zij op dat de overkapping gerealiseerd werd door algemene aannemer C.B. en dat de stalen overkapping door onderaannemer F.K. werd gerealiseerd. Een referentie kan niet in aanmerking worden genomen indien de betreffende werken niet gerealiseerd werden door de onderneming die zich op de referentie wenst te beroepen. Zij geeft aan dat uit haar eigen navraag bij C.B. blijkt dat de referentie in hoofde van de gekozen inschrijver slechts betrekking heeft op het plaatsen van een ladder, metalen balustrades, borstweringen aan de roltrappen, afwerkprofielen, ophangstructuren voor ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.276 XII-9145-12/25 schermen en beugels voor bevestigingen van panelen, kortom standaard voorwerpen die geenszins te kwalificeren zijn als een staalstructuur met architecturale waarde, gelijkwaardige complexiteit of dezelfde afwerkingsgraad als de brandtoren. Ook de waarde van de betrokken referentie zou slechts een schijn zijn van het bestelbedrag van de voorliggende opdracht. Wat de tweede referentie inzake de “[b]ouw van een evacuatietrap” betreft, wordt geen verdere informatie toegevoegd behalve dat het zou gaan om een referentie op naam van C.B., welke onderneming volgens de verzoekende partij geen weet heeft van een evacuatietrap gerealiseerd door de gekozen inschrijver. De verwerende partij erkent dat het gaat om een referentie op naam van C.B. maar laat na aan te tonen wat de relevantie is van die referentie voor de gekozen inschrijver. Wat de derde referentie inzake de “[b]ouw en montage van een trommelzeef voor de verwerking van GFT afval (IVVO Ieper)” betreft, werpt zij op dat deze referentie de technische bekwaamheid van de gekozen inschrijver geenszins aantoont omdat deze referentie niet vergelijkbaar is met het voorwerp van de opdracht. Ten overvloede merkt zij op dat enkel voor deze derde referentie vermeld wordt dat de gekozen inschrijver instond voor de engineering, bouw en montage en aldus niet duidelijk is of dit ook geldt voor de overige twee referenties. 6.
  32. Met betrekking tot het tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat ook de bijlage ‘administratief nazicht’ die de verwerende partij neerlegt als stuk van het administratief dossier, niet aantoont dat er sprake is van een deugdelijk onderzoek omdat daarin louter de vermelding “ja” in de kolom “selectiecriterium referenties” is opgenomen, zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat er ook een inhoudelijke appreciatie gebeurde van de bijgevoegde documenten. Aangezien de door de gekozen inschrijver bijgevoegde referenties klaarblijkelijk onvoldoende, minstens niet vanzelfsprekend voldoende, zijn, kon de verwerende partij zich niet beperken tot de loutere vermelding “ja” in een bijlage bij het verslag van nazicht. In het voorliggende geval mocht van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.276 XII-9145-13/25 aanbestedende overheid dus een inhoudelijk onderzoek van de referenties worden verwacht, te meer omdat het voorwerp van de opdracht, volgens de verzoekende partij, helemaal niet tot de kernopdracht van de gekozen inschrijver behoort. 6.
  33. De verzoekende partij volhardt in haar standpunt wat het derde onderdeel betreft en herneemt haar kritiek uit het verzoekschrift dat er minstens sprake is van een motiveringsgebrek. 7.
  34. In de laatste memorie herneemt de verzoekende partij haar verzoek om alsnog kennis te nemen van het referentiegedeelte van stuk 8 van het administratief dossier, namelijk de offerte van de gekozen inschrijver. 7.
  35. Zij betoogt voorts dat de verwerende partij met het enig selectiecriterium poogt te peilen naar de technische en beroepsbekwaamheid van de inschrijver om een 36 meter hoge, metalen brandtrap te bouwen. Zij erkent dat een nuttige referentie inzake een “brandtoren” in België eerder uitzonderlijk zal zijn, maar stelt dat België en Vlaanderen vol staan van andere stalen uitkijktorens waarnaar zou kunnen worden verwezen, zoals zij ook zelf heeft gedaan met haar referentieprojecten. Of het nu een “brandtoren” dan wel een “toeristisch uitkijkpunt” wordt genoemd, is volgens de verzoekende partij niet relevant. Zij blijft erbij dat geen van de drie referenties van de gekozen inschrijver diens technische en beroepsbekwaamheid aantonen om een 36 meter hoge, metalen brandtrap te bouwen. De verwerende partij geeft volgens haar daarvan zelf het bewijs door te verklaren dat niet de referentiehouder IDD, maar wel onderaannemer F. de staalstructuur van de brandtoren heeft gebouwd. Ook wat de eerste referentie “Bouw van de ‘overkapping van het station’ te Mechelen (Infrabel)” betreft, blijft zij erbij dat er geen enkele informatie voorligt aangaande het aandeel van IDD in dit werk, noch een bewijs van onderzoek of motivering hieromtrent. Wat de derde referentie “Bouw en montage van een trommelzeef voor de verwerking van GFT afval (IVVO Ieper)” betreft, ligt het allerminst voor de hand dat deze referentie, die betrekking heeft op een machine, voldoet aan de vereisten van het bestek zodat een nader onderzoek door de verwerende partij zich opdrong. Wat de tweede referentie “Bouw van een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.276 XII-9145-14/25 evacuatietrap [C.B.]” betreft, herhaalt zij dat C.B. aangaf geen weet te hebben van een evacuatietrap gerealiseerd door de gekozen inschrijver. 7.
  36. De verzoekende partij voert in haar laatste memorie een nieuw onderdeel van het middel aan. Zij betoogt dat uit de laatste memorie van de verwerende partij is gebleken dat de gekozen inschrijver haar onderaannemer heeft vervangen. Deze vervanging gebeurde volgens de verzoekende partij zonder aan de voorwaarden van artikel 73 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 te voldoen en met miskenning van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel en de transparantieplicht. Zij geeft aan dat zij dit niet eerder kon aanvoeren nu de informatie pas werd vrijgegeven in de laatste memorie van de verwerende partij. De verzoekende partij doet gelden dat uit niets blijkt dat de oorspronkelijke onderaannemer werd vervangen op vraag van de verwerende partij omwille van een uitsluitingsgrond of het niet beantwoorden aan een selectiecriterium. Het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel en de transparantieplicht verzetten zich volgens de verzoekende partij ertegen dat een inschrijver op eigen initiatief een onderaannemer vervangt, enkel maar om te kunnen beantwoorden aan de vereiste referenties. Bovendien, zo betoogt zij, kan de verwerende partij niet achteraf verwijzen naar de referenties op de website van de nieuwe onderaannemer, terwijl (a) het bestek in artikel I.5 bepaalt dat het offerteformulier zelf moet vergezeld zijn van de ingeroepen referenties; (b) in de offerte van belanghebbende partij duidelijk enkel sprake is van de referenties “Bouw van de ‘overkapping van het station’ te Mechelen (Infrabel)”, “Bouw van een evacuatietrap [C.B.] en “Bouw en montage van een trommelzeef voor de verwerking van GFT afval (IVVO Ieper)”; en (c) de verwerende partij evident niet kan verwijzen naar de referenties op de huidige website van de nieuwe onderaannemer, laat staan naar de bouw van de brandtoren in Kalmthout die precies het voorwerp uitmaakt van de betwiste overheidsopdracht. Ten slotte stelt zij de vraag of er wel een verbintenis tot terbeschikkingstelling van de middelen van deze nieuwe onderaannemer voorligt. XII-9145-15/25 Beoordeling Eerste onderdeel
  37. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptio obscuri libelli op wat het eerste onderdeel van het middel betreft. De toelichting bij het middel, waaruit duidelijk blijkt dat de verzoekende partij betwist dat de gekozen inschrijver de vereiste referenties heeft voorgelegd, laat toe voldoende inzicht te krijgen in de bezwaren die tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd, ook wat de aangevoerde schending van artikel 66 van de wet overheidsopdrachten 2016, het bestek en het beginsel patere legem quam ipse fecisiti betreft, waarop de verwerende partij ook inhoudelijk heeft gerepliceerd. Dit geldt des te meer nu de bestreden gunningsbeslissing en het verslag van nazicht, die bij de kennisgeving werden gevoegd, aan de verzoekende partij geen inzicht hebben verschaft omtrent de door de andere inschrijvers voorgelegde referenties. De exceptie kan niet aangenomen worden.
  38. Er is voorts geen reden om in te gaan op het verzoek van de verzoekende partij, als repliek op de tegen haar opgeworpen exceptie obscuri libelli bij het eerste onderdeel van het middel, tot het opheffen van het vertrouwelijk karakter van de referenties van de gekozen inschrijver. Zij heeft lopende de procedure kennis kunnen nemen van de aard van de door de gekozen inschrijver voorgelegde referenties. Zij heeft in het eerste middel de selectie van de gekozen inschrijver kunnen betwisten, wat zij afdoende heeft kunnen onderbouwen. Er blijkt dan ook niet hoe de niet-inzage van de betrokken referenties als onderdeel van de offerte van de gekozen inschrijver te dezen een effectieve rechtsbescherming aan de verzoekende partij zou ontzeggen, noch afbreuk zou doen aan haar recht op een eerlijk proces. Zoals hierna zal blijken heeft de Raad van State in elk geval van de betrokken stukken kennis kunnen nemen en deze in zijn beoordeling kunnen betrekken. XII-9145-16/25
  39. Overeenkomstig artikel 66, § 1, eerste lid, 2º, van de wet overheidsopdrachten 2016, mag de opdracht enkel worden gegund nadat de aanbestedende overheid erop heeft toegezien dat de offerte afkomstig is van een inschrijver die voldoet aan de door haar vastgestelde selectiecriteria. Overeenkomstig artikel 71 van de wet overheidsopdrachten 2016 dient de aanbestedende overheid deze voorwaarden te beperken tot die welke kunnen garanderen dat een kandidaat of inschrijver over de technische bekwaamheden en beroepsbekwaamheden beschikt om de te gunnen opdracht uit te voeren, en houden alle voorwaarden verband met en staan ze in verhouding tot het voorwerp van de opdracht. Het komt in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid toe om de geschiktheid van een inschrijver om de opdracht zoals omschreven in het bestek te volbrengen, te beoordelen. Daarbij dient zij de regels die zij zelf heeft vastgesteld in de opdrachtdocumenten te respecteren. Wanneer niet is voldaan aan de gestelde minimumeisen inzake selectie mag de aanbestedende overheid de betrokken inschrijver niet selecteren, op straffe van haar eigen opdracht- documenten te schenden.
  40. De verzoekende partij voert in het eerste onderdeel in essentie aan dat de referenties opgegeven door de gekozen inschrijver niet zouden voldoen aan de selectievereiste zoals omschreven in het bestek.
  41. Met betrekking tot de selectiecriteria wordt in het bestek onder meer vereist dat de kandidaat zijn technische en beroepsbekwaamheid bewijst aan de hand van “[r]eferenties van 2 projecten met een staalstructuur met architecturale waarde, een gelijkaardige complexiteit of dezelfde afwerkingsgraad als dit dossier”. Aan de minstens twee door de inschrijvers voor te leggen referenties worden aldus drie alternatieve voorwaarden gesteld: de referenties moeten betrekking hebben ofwel op een staalstructuur met architecturale waarde, XII-9145-17/25 ofwel op een staalstructuur met een gelijkaardige complexiteit, ofwel op een staalstructuur met dezelfde afwerkingsgraad als de brandtoren.
  42. Uit de offerte van de gekozen inschrijver, die als vertrouwelijk stuk werd neergelegd, maar die de Raad van State heeft kunnen inzien, blijkt dat door de gekozen inschrijver drie referenties op naam van één van de deelgenoten (IDD) bij de offerte werden gevoegd: de referentie “Bouw overkapping station Mechelen” (klant: Infrabel), de referentie “Evacuatietrap” (klant: C.B.) en de referentie “Trommelzeef” (klant: IVVO Ieper). Daarnaast werden bij de offerte ook twee referenties van onderaannemer V. gevoegd.
  43. Anders dan de verzoekende partij het ziet, blijkt de verwerende partij door het aanvaarden van de eerste referentie inzake de “Bouw overkapping station Mechelen” haar eigen bestek niet te hebben miskend. Uit de omschrijving van de referentie in de offerte zelf blijkt dat de daadwerkelijke bijdrage van IDD bestond uit de plaatsing van een aantal trappen/ladders en bruggen aan de nieuwe overkapping van de sporen. Daarbij wordt ook op transparante wijze aangegeven dat de hoofdstructuur door een andere onderneming werd gemonteerd. Het door IDD zelf uitgevoerde werk wordt geïllustreerd aan de hand van twee foto’s. De verzoekende partij kan dan ook niet worden bijgevallen waar zij stelt dat geen enkele informatie voorligt aangaande het aandeel van IDD in dit werk. In zoverre de verzoekende partij op basis van de eigen navraag bij de hoofdaannemer, na kennisneming van de bestreden beslissing, verwijst naar de volgens haar beperkte financiële waarde van de betrokken referentie in hoofde van de gekozen inschrijver, gaat zij eraan voorbij dat het bestek geen mininumwaarde oplegt. De verwerende partij betoogt dat wat IDD heeft uitgevoerd, wel degelijk relevant is voor de opdracht, aangezien de brandtoren voor een groot deel bestaat uit trappen, bordessen en balustrades. Een trap is volgens haar ook een complexe structuur die een minutieuze uitvoering vereist, aangezien alles geprefabriceerd wordt en uiteindelijk perfect in een constructie moet worden ingepast. Zij wijst erop dat het in de betrokken referentie ook een hoge trap/ladder ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.276 XII-9145-18/25 betreft van meer dan 12 trapbomen die minutieus in elkaar gepast moesten worden zodat de afwerkingsgraad en complexiteit van deze referentie wel degelijk gelijkwaardig is aan die van de kwestieuze opdracht. Gelet op het voorgaande, is de Raad van State van oordeel dat de verwerende partij de grenzen van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten is gegaan door op basis van de omschrijving van de inhoud van de referentie en de bijgevoegde foto’s aan te nemen dat, minstens wat de stalen ladder betreft, het gaat om een staalstructuur met gelijkwaardige complexiteit of met dezelfde afwerkingsgraad als de brandtoren die het voorwerp uitmaakt van de voorliggende opdracht.
  44. Wat de tweede referentie inzake de “Evacuatietrap” betreft, blijkt dat deelgenoot IDD optrad in opdracht van C.B.. De grief van de verzoekende partij met betrekking tot deze referentie berust dan ook op de onjuiste veronderstelling dat de “bouw van een evacuatietrap” een gedeelde referentie betreft van C.B. en IDD, en dat deze referentie verband zou houden met de bouw van de overkapping van het station te Mechelen. Dat een Senior Project Manager van C.B. in het kader van een navraag van de verzoekende partij met betrekking tot de referentie inzake de overkapping van het station te Mechelen stelt geen weet te hebben van een evacuatietrap in het kader van dat project, is dan ook niet van aard om de relevantie van de tweede referentie te ontkrachten. Uit de inhoudelijke omschrijving van de referentie, geïllustreerd aan de hand van een foto, blijkt dat het gaat om een hoge stalen trapconstructie aan de buitenkant van de gevel van een gebouw en dat er sprake is van een zekere complexiteit voor de bevestiging ervan. Door aan te nemen dat het een staalstructuur betreft met een aan de brandtoren gelijkwaardige complexiteit of met eenzelfde afwerkingsgraad, gaat de verwerende partij de perken van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten.
  45. Wat de derde referentie inzake de engineering, bouw en montage van een trommelzeef voor de verwerking van GFT-afval betreft, betoogt de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.276 XII-9145-19/25 verwerende partij dat het eveneens een opdracht betreft met een staalstructuur met een gelijkwaardige complexiteit en dezelfde afwerkingsgraad als de kwestieuze opdracht. Het betreft weliswaar geen toren uit staal, maar de afwerking voor een trommelzeef moet volgens de verwerende partij heel nauwkeurig zijn omdat deze bewegende onderdelen heeft. Ook de knooppunten en onderdelen moeten perfect worden vervaardigd om feilloos in elkaar te passen en een goede werking te garanderen. Voorts werden er volgens haar onder meer trappen en bordessen aan de trommelzeef gemaakt en een coating gebruikt voor de staalstructuur. Het selectiecriterium blijkt te peilen naar de bekwaamheid van de inschrijver om projecten met een staalstructuur met architecturale waarde, met een gelijkaardige complexiteit of met dezelfde afwerkingsgraad als een brandtoren uit te voeren, waarbij minimaal twee referenties werden gevraagd. Het selectiecriterium blijkt aldus ruim te zijn omschreven in de zin dat er aan de twee vereiste referenties drie alternatieve voorwaarden worden gesteld (zie overweging 12, hiervoor). De omstandigheid dat een referentie inzake een gelijkaardige complexiteit of dezelfde afwerkingsgraad als een brandtoren wordt gevraagd, doet niet besluiten dat enkel referenties inzake brandtorens, stalen trapconstructies of andere stalen uitkijktorens konden worden opgegeven. De verwerende partij maakt aannemelijk dat haar interpretatie van het – door haar gestelde – selectiecriterium ook logisch is in het licht van de doelstelling om het selectiecriterium op voldoende ruime wijze te omschrijven ten behoeve van een ruime mededinging vermits er in België in het verleden amper brandtorens zijn gerealiseerd. Overigens blijken de twee door de verzoekende partij bij haar offerte gevoegde referenties, die eveneens door de verwerende partij werden aanvaard, evenmin betrekking te hebben op brandtorens of stalen uitkijktorens als dusdanig, nu het bij haar het bouwen van een toegangstrap en het omvormen van een watertoren tot toeristisch uitkijkpunt enerzijds en het bouwen van een warmtecentrale anderzijds betreft. XII-9145-20/25
  46. De vraag of een inschrijver voldoet aan een selectiecriterium inzake referenties dient te worden beoordeeld aan de hand van de voorgelegde referenties van de inschrijver of van andere entiteiten op wiens draagkracht een beroep wordt gedaan. Uit de beoordeling hiervoor is gebleken dat de verwerende partij, ten tijde van de bestreden beslissing, kon aannemen dat de in hoofde van IDD voorgelegde referenties van aard waren om de technische bekwaamheid van de gekozen inschrijver aan te tonen.
  47. Het eerste onderdeel is niet gegrond. Tweede onderdeel
  48. In een tweede onderdeel doet de verzoekende partij gelden dat niet blijkt dat de verwerende partij een toetsing verrichtte met betrekking tot het enig selectiecriterium.
  49. Uit het administratief dossier kan echter worden afgeleid dat niet zomaar over de selectiefase van de plaatsingsprocedure werd heengestapt en dat in dit verband wel degelijk een inhoudelijk onderzoek van de offertes heeft plaatsgevonden. Zoals blijkt uit het verslag van nazicht werd hiertoe een bijlage ‘administratief nazicht’ opgesteld. Uit de in deze bijlage opgenomen tabel blijkt dat de verwerende partij inzake de kwalitatieve selectie heeft nagegaan of de inschrijvers over de vereiste erkenning beschikten en voldeden aan het “selectiecriterium referenties”. Uit de vermelding “ja” bij alle inschrijvers, kan worden begrepen dat de verwerende partij van oordeel was dat alle inschrijvers voldeden aan de selectievereiste inzake de referenties. Dat de verwerende partij wel degelijk de door de gekozen inschrijver voorgelegde referenties heeft onderzocht, vindt tevens bevestiging in het schrijven van de verwerende partij aan de gekozen inschrijver van 30 juni 2021 waaruit blijkt dat zij gevraagd heeft om het “[e]ngagement met [de] XII-9145-21/25 onderaannemer staal”, van wie tevens twee referenties bij de offerte van de gekozen inschrijver werden gevoegd, te bezorgen.
  50. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de verwerende partij geen onderzoek zou hebben gevoerd naar de selectiecriteria, onder meer wat de gevraagde referenties betreft, mist het dan ook feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  51. In een derde onderdeel betoogt de verzoekende partij dat er minstens sprake is van een formeel motiveringsgebrek.
  52. Wat de aangevoerde schending van de formele motiverings- verplichting betreft, valt op te merken dat indien uit het administratief onderzoek blijkt dat een controle met betrekking tot de selectiecriteria wel degelijk is uitgevoerd en dat er daarbij geen bijzondere problemen zijn gerezen, de formele motiveringsplicht niet vereist dat dit onderzoek in extenso wordt weergegeven in het verslag van nazicht of in de gunningsbeslissing. Gelet op de voornoemde vaststellingen, toont de verzoekende partij niet aan dat de verwerende partij onterecht zou hebben geoordeeld dat de gekozen inschrijver minstens twee referenties heeft opgegeven van projecten met een staalstructuur met architecturale waarde, met een gelijkaardige complexiteit of met dezelfde afwerkingsgraad als de brandtoren die het voorwerp uitmaakt van de voorliggende opdracht. In die omstandigheid was enige bijkomende motivering inzake de technische bekwaamheid, bovenop die welke opgenomen is in de bijlage ‘administratief nazicht’ bij het verslag van nazicht, niet vereist.
  53. Wel stelt de Raad van State vast, zoals de verwerende partij ook erkent in haar memorie van antwoord, dat de verzoekende partij ingevolge een administratieve vergissing niet in kennis werd gesteld van de bijlage ‘administratief nazicht’ bij het verslag van nazicht. XII-9145-22/25 Dit gebrek in de kennisgeving betreft op zich genomen echter geen onwettigheid die tot een nietigverklaring van de bestreden gunningsbeslissing kan leiden. Ingevolge de kennisneming van de voormelde bijlage in het administratief dossier en van de aard van de door de gekozen inschrijver voorgelegde referenties via de procedurestukken, neergelegd door de verwerende partij, is de verzoekende partij in staat geweest de selectie van de gekozen inschrijver te betwisten, wat zij te dezen ook uitvoerig heeft gedaan.
  54. Het derde onderdeel kan niet worden aangenomen. Nieuw onderdeel, aangevoerd in de laatste memorie
  55. In haar laatste memorie voert de verzoekende partij een nieuw onderdeel aan, naar aanleiding van de kennisneming van de laatste memorie van de verwerende partij waaruit blijkt dat de onderaannemer van de gekozen inschrijver werd vervangen.
  56. In zoverre de verzoekende partij de vraag stelt of er wel een verbintenis tot terbeschikkingstelling van de middelen van deze nieuwe onderaannemer voorligt, stelt de Raad van State vast dat het vertrouwelijk gedeelte van het administratief dossier, dat de Raad heeft kunnen inzien, wel degelijk een verbintenis in hoofde van deze nieuwe onderaannemer bevat om zijn expertise en middelen aan te bieden met betrekking tot de voorliggende opdracht.
  57. In het kader van de beoordeling van het eerste onderdeel werd reeds vastgesteld dat de verwerende partij kon aannemen dat de in hoofde van IDD voorgelegde referenties van aard waren om de technische bekwaamheid van de gekozen inschrijver aan te tonen. Aangezien de eigen referenties van de gekozen inschrijver volstonden, heeft de verzoekende partij geen belang bij het nieuwe onderdeel van het middel, waarin zij kritiek uit op de vervanging van de onderaannemer van de gekozen inschrijver met het oog op het voldoen aan de vereiste referenties, en op XII-9145-23/25 de wijze waarop de referenties van deze nieuwe onderaannemer werden aangebracht. Besluit
  58. Het eerste middel, in al zijn onderdelen, kan niet worden aangenomen. VI. Aanvullend onderzoek
  59. Het auditoraat heeft, uitgaande van de hypothese dat het eerste middel gegrond is, haar onderzoek tot het eerste middel beperkt en gevraagd om het debat te heropenen wat de schadevergoeding tot herstel betreft. Nu blijkt dat het eerste middel niet gegrond is, is er reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak, zowel wat het tweede middel als wat de schadevergoeding tot herstel betreft. BESLISSING
  60. De Raad van State verwerpt het beroep in de mate dat het gericht is tegen de impliciete weigeringsbeslissing om de opdracht aan de nv Swinnen te gunnen.
  61. De Raad van State heropent het debat.
  62. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. XII-9145-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Paul Lemmens XII-9145-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.276 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.