id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.292 Rolnummer: A. 236589/IX-10056 Zaak: Arrest 260292 - Tucht (openbaar ambt) - 27/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-08 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-06-11 03:17 Fiche Arrest nr 260.292 van 27 juni 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.292 van 27 juni 2024 in de zaak A. 236.589/IX-10.056 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 38/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 juni 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Defensie van 29 maart 2022 waarbij verzoeker uit zijn ambt wordt ontheven en met definitief verlof wordt geplaatst. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 255.254 van 12 december 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-10.056-1/25 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 juni
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de verzoekende partij en luitenant Marie-Sofie Thiriaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is beroepsvrijwilliger in het Belgisch leger met de graad van korporaal (derde Bataljon parachutisten). IX-10.056-2/25 3.
- Op 8 juli 2018 wordt verzoeker tijdens een verkeerscontrole tegengehouden door de politie te Blankenberge. In zijn wagen worden 49 pillen aangetroffen, waaronder 47 XTC-pillen. Naar aanleiding van deze feiten wordt de veiligheidsmachtiging van verzoeker in september 2018 ingetrokken door de algemene dienst voor Inlichtingen en Veiligheid (ADIV). 3.
- Met een e-mail van 8 oktober 2018 bezorgt de algemene directie Human Resources aan de federale gerechtelijke politie, dienst van de gerechtelijke politie in militair milieu (DJMM), een lijst van zes militairen die, volgens hun informatie, voorwerp zouden zijn van een gerechtelijk onderzoek en waarover om nadere informatie wordt verzocht. Verzoeker is op die lijst opgenomen, met de precisering: “Ctl police: intéressé en possession de 47 pilules d’XTC – enquête toujours en cours 7 ou 8 Jul 18.” 3.
- Op 17 oktober 2018 antwoordt de DJMM, eveneens per e-mail, door de tabel aan te vullen met telkens de vermelding van het nummer van het strafdossier en het bevoegde parket – voor verzoeker is dat het parket van Brugge. 3.
- Op 15 maart 2019 informeert de algemene directie Human Resources van Defensie (ook: DGHR) het parket te Brugge “door DJMM op de hoogte [te zijn] gebracht dat [verzoeker] veroordeeld wordt wegens bezit van XTC (dossier BG[…])”. Het parket wordt verzocht om “de precieze feiten en de staat van het dossier of, in voorkomend geval, een afschrift van het vonnis of van de beslissing in hoofde van betrokkene mee te delen […] om het principe van de redelijke termijn te kunnen respecteren” en, indien aanvaardbaar op juridisch vlak, “het gerechtelijk dossier mee te delen”. IX-10.056-3/25 Op 9 augustus 2019 stuurt Defensie een e-mail naar het parket te Brugge om te herinneren aan de voormelde brief van 15 maart 2019, met de vraag naar “een stand van zaken” en eventueel “een afschrift van het vonnis”. 3.
- Op 12 augustus 2019 laat het parket van Antwerpen per e-mail weten dat op 13 november 2018 een afschrift van verzoekers dossier “werd overgemaakt aan defensie (tav divisie administratieve expertise)”. Op 19 augustus 2019 vraagt Defensie aan het parket om een afschrift van het dossier van verzoeker te bezorgen, met de uitleg dat zij van verzoekers dossier “geen exemplaar [konden] terugvinden in [hun] papieren of digitale archieven”. 3.
- Bij besluit nr. 96.736 van de minister van Defensie van 29 maart 2022 wordt verzoeker van ambtswege uit zijn ambt ontzet en met definitief verlof geplaatst. Dit ministerieel besluit is de bestreden beslissing. De besluitvormingsprocedure die tot de bestreden beslissing heeft geleid wordt in die beslissing als volgt omschreven: “Overwegende dat korporaal XXXX op 8 juli 2018 staande werd gehouden door de politie van Blankenberge terwijl hij, samen met vrienden, op weg was naar een festival en dat hij hierbij werd aangetroffen met 49 pillen, waarvan er 47 XTC-tabletten bleken te zijn; Overwegende dat het parket van de procureur des Konings te Antwerpen verklaarde dat het strafdossier reeds op 13 november 2018 zou zijn overgemaakt aan de algemene directie human resources (DG HR); Overwegende dat dit dossier evenwel nooit de bevoegde dienst van DG HR (HRA-E/D) bereikte, zoals blijkt uit de brief van deze dienst d.d. 15 maart 2019, verzonden aan het parket van de procureur des Konings te Brugge (waar het dossier oorspronkelijk werd behandeld) teneinde een afschrift van het strafdossier te ontvangen; Overwegende dat een kopie van het strafdossier uiteindelijk werd bemachtigd door HRA-E/D op 20 augustus 2019 en dat dit dossier werd overgemaakt aan de korpscommandant van korporaal XXXX per nota 19- 50201969 d.d. 30 augustus 2019; Overwegende dat HRA-E/D op 22 oktober 2019 de Modellen B 19- 50217292 d.d. 17 september 2019 en 19-50228810 d.d. 1 oktober 2019 IX-10.056-4/25 ontving waarbij de korpscommandant van korporaal XXXX respectievelijk voorstelde om een statutaire maatregel en een schorsing bij ordemaatregel op te leggen; Overwegende dat door HRA-E/D werd vastgesteld dat er meerdere procedurefouten werden gemaakt door de eenheid van korporaal XXXX; Overwegende dat HRA-E/D aldus besloot om geen gevolg toe te kennen aan deze aanvragen van de eenheid, de eenheid in kennis te stellen van de gemaakte fouten teneinde hen toe te laten deze te herstellen door de gehele procedure te hernemen en ten slotte, op 13 februari 2020, beide aanvragen af te sluiten in het informaticasysteem ‘Symphony’ met de vermelding ‘Zonder gevolg wegens procedurefouten, Eenheid zal procedure heropstarten.’; Overwegende dat korporaal XXXX op 21 november 2019 door de correctionele rechtbank van Antwerpen, afdeling Antwerpen werd veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren wegens de verkoop van MDMA en cocaïne en het bezit van MDMA (de feiten van 8 juli 2018); Overwegende dat HRA-E/D op regelmatige tijdstippen de vooruitgang van het heropstarten van de procedure op het niveau van de eenheid van korporaal XXXX controleerde, doch dat werd vastgesteld dat niet het nodige gevolg werd gegeven aan de vraag tot het heropstarten van de procedure; Overwegende dat de directeur-generaal human resources, gelet op de ernst van de feiten, op 4 november 2020, bij beslissing nr. 20-50212947, besloot om, conform artikel 9 van het voornoemd koninklijk besluit van 14 oktober 2013, de chef van de sectie administratieve expertise (HRA-E) aan te duiden om korporaal XXXX te horen en aldus de procedure tot het al dan niet opleggen van een statutaire maatregel herop te starten; Overwegende dat korporaal XXXX op 12 januari 2021 werd gehoord door HRA-E; Overwegende dat HRA-E op 28 januari 2021 vaststelde dat de door korporaal XXXX gepleegde feiten bijzonder ernstig en onverenigbaar waren met de staat van militair en dat hij daarom voorstelde om de procedure verder te zetten; Overwegende de intentie d.d. 15 juni 2021 om korporaal XXXX te laten verschijnen voor een onderzoeksraad met het oog op een eventueel ontslag uit de Krijgsmacht; Overwegende dat korporaal XXXX op 21 juni 2021 kennisnam van deze intentie en aangaf hiertegen verweer te zullen laten gelden; Overwegende dat korporaal XXXX op 30 juni 2021 een verweerschrift indiende bij HRA-E en daarin de schending van de redelijketermijneis en een miskenning van het proportionaliteitsbeginsel aanhaalde; Overwegende de beslissing d.d. 17 augustus 2021 om, gelet op het nultolerantiebeleid van de Krijgsmacht inzake verdovende middelen, korporaal XXXX te laten verschijnen voor een onderzoeksraad met het oog op een eventueel ontslag uit de Krijgsmacht; Overwegende dat korporaal XXXX verweer liet gelden tegen deze beslissing middels een verweerschrift d.d. 30 september 2021 waarin hij, naast de reeds vermelde argumenten betreffende de redelijketermijneis en IX-10.056-5/25 het proportionaliteitsbeginsel, eveneens een gebrek aan onafhankelijkheid en rechtswaarborgen in de procedure voor de onderzoeksraad aanhaalde en eiste dat de openbaarheid van de debatten zou worden gerespecteerd voor de onderzoeksraad; Overwegende dat korporaal XXXX op 30 oktober 2021, bij monde van zijn vakbondsvertegenwoordiger, overging tot de ingebrekestelling van de tuchtoverheid omwille van een vermeende onvolledigheid van het tuchtdossier en daarbij vroeg om, vóór 4 november 2021, de beslissingsakte die het hogergenoemde Model B d.d. 17 september 2019 klasseerde zonder gevolg en de beslissing tot intrekking van de veiligheidsmachtiging door de Algemene Dienst voor Inlichtingen en Veiligheid (ADIV) daterende van eind 2018 over te maken; Overwegende dat hierop werd overgegaan tot het overmaken van screenshots uit het informaticasysteem Symphony waaruit de officiële beslissing inzake het hogergenoemde Model B d.d. 17 september 2019 en diens motieven nogmaals bleken; Overwegende dat korporaal XXXX, samen met zijn verdedigers en een getuige, op 5 november 2021 voor de onderzoeksraad verscheen, waarbij behalve de reeds aangehaalde argumenten – een nieuw argument werd aangehaald, nl. dat ingevolge de beslissing van DG HR om geen gevolg toe te kennen aan o.m. het hogergenoemde Model B 19-50217292 d.d. 17 september 2019 er geen statutaire maatregel meer kon worden opgelegd zonder schending van het beginsel non bis in idem en dat de onderzoeksraad zich aldus onbevoegd diende te verklaren om een advies uit te brengen; Overwegende dat de onderzoeksraad op 17 december 2021 unaniem oordeelde dat de feiten bewezen, ernstig en onverenigbaar waren met het militaire ambt, dat er zowel verzwarende als verzachtende omstandigheden waren (het feit dat er geen sprake kon zijn van een jeugdzonde en dat korporaal XXXX zich, ondanks de feiten, steeds is blijven inzetten binnen Defensie) en dat korporaal XXXX, ingevolge deze feiten, definitief uit zijn ambt hoort te worden ontheven; Overwegende de intentie van 8 februari 2022 om korporaal XXXX definitief uit zijn ambt te ontheffen; Overwegende dat korporaal XXXX op 15 februari 2022 kennisnam van deze intentie en aangaf verweer te zullen laten gelden; Overwegende dat korporaal XXXX op 27 februari 2022 een laatste verweerschrift indiende bij HRA-E/D, doch dat dit verweerschrift geen nieuwe argumenten bevatte in vergelijking met zijn eerdere verweerschriften en verklaringen voor de onderzoeksraad; Overwegende dat korporaal XXXX, op basis van een vermeende klassering zonder gevolg van de procedure door de directeur-generaal human resources enerzijds de onbevoegdheid van de onderzoeksraad om zijn dossier te behandelen (en dus de onontvankelijkheid van de gehele tuchtprocedure) bepleitte en anderzijds eiste dat er, in het kader van de bepaling van de strafmaat, rekening zou worden gehouden met de vermeende procedurefouten die in dit kader zouden zijn begaan; IX-10.056-6/25 Overwegende dat vooreerst dient te worden opgemerkt dat de onderzoeksraad ingevolge artikel 17 van het voornoemd koninklijk besluit van 14 oktober 2013 slechts kan antwoorden op vier vragen, dewelke respectievelijk handelen over het bestaan van de feiten, de ernst en onverenigbaarheid ervan met het militaire ambt en het bestaan van verzachtende en/of verzwarende omstandigheden; Overwegende dat de onderzoeksraad, indien zij de feiten bewezen acht, slechts kan overgaan tot het voorstellen van de maatregelen opgesomd in artikel 17, derde lid, van het voornoemd koninklijk besluit van 14 oktober 2013 en dat een dergelijk voorstel niet bindend is; Overwegende dat de onderzoeksraad dus niet ambtshalve kan besluiten tot het niet behandelen van een dossier op grond van vermeende procedurefouten of van een vermeende klassering zonder gevolg, maar dat men slechts een klassering zonder gevolg kan voorstellen aan de tuchtoverheid, hetgeen in casu niet gebeurde; Overwegende dat korporaal XXXX correct stelt dat het beginsel non bis in idem meerledig is en dat dit een persoon beschermt, niet alleen tegen het opleggen van twee straffen voor dezelfde feiten, doch ook tegen het opleggen van een straf voor bepaalde feiten nadat hij eerder door de rechter onschuldig werd bevonden wat betreft diezelfde feiten; Overwegende dat dit beginsel ook van toepassing is in het tuchtrecht en dat de tuchtoverheid bijgevolg geen twee straffen met hetzelfde doel mag opleggen voor dezelfde feiten, noch een persoon mag bestraffen nadat zij eerder tot de conclusie kwam dat betrokkene onschuldig was wat betreft de hem ten laste gelegde feiten of dat de feiten van dien aard zijn dat zij geen tuchtrechtelijk gevolg vereisen; Overwegende dat, met andere woorden, de impliciete of expliciete beslissing van de tuchtoverheid om bepaalde feiten zonder tuchtrechtelijk gevolg te laten, rechtsgevolgen doet ontstaan voor de militair, waardoor de tuchtoverheid niet kan terugkomen op dergelijke beslissing; Overwegende dat – in tegenstelling tot wat korporaal XXXX beweert er in casu nooit enige beslissing, impliciet of expliciet, werd genomen waaruit zou blijken dat de tuchtoverheid de door korporaal XXXX gepleegde feiten zonder tuchtrechtelijk gevolg wou laten of dat zij, a fortiori, van oordeel was dat korporaal XXXX niet schuldig was aan de hem ten laste gelegde feiten; Overwegende dat uit het door korporaal XXXX aangehaalde arrest nr. 245.158 van de Raad van State d.d. 11 juli 2019 (§ 7) blijkt dat, om te bepalen of een gegeven beslissing een impliciete of expliciete beslissing uitmaakt om geen tuchtrechtelijke gevolgen meer toe te kennen aan bepaalde feiten, de motivering van de kwestieuze beslissing van bijzonder belang is; Overwegende dat de beslissing waarvan sprake is in dit arrest van de Raad van State handelt over een beslissing tot klassering zonder gevolg op basis van de vrijspraak van een politieambtenaar door een hof van beroep en dat in de beslissing expliciet werd verwezen naar de bevoegdheid van de tuchtoverheid om te oordelen dat bepaalde feiten niet moeten leiden tot een tuchtstraf; IX-10.056-7/25 Overwegende dat de situatie in voorliggend dossier geenszins vergelijkbaar is met de situatie zoals omschreven in het arrest nr. 245.158 van de Raad van State, waardoor het gevolg toegekend aan dit laatste geval allesbehalve achteloos getransponeerd kan worden op het dossier van korporaal XXXX; Overwegende dat het zonder gevolg laten van het Model B nr. 19- 50217292 d.d. 17 september 2019 door HRA-E/D, noch de beslissing nr. 20-50212947 van de Directeur-generaal Human Resources d.d. 4 november 2020 verwijzen naar artikel 8, eerste lid, 1°, van het voornoemd koninklijk besluit van 14 oktober 2013; Overwegende dat uit de bewoording die door HRA-E/ID werd gebruikt teneinde het Model B nr. 19-50217292 d.d. 17 september 2019 af te sluiten in Symphony, nl. ‘Zonder gevolg wegens procedurefouten. Eenheid zal procedure heropstarten’, blijkt dat het steeds de intentie was van de tuchtoverheid om een tuchtrechtelijk gevolg toe te kennen aan de feiten gepleegd door korporaal XXXX, doch dit met respect voor diens rechten; Overwegende dat deze motieven nogmaals duidelijk werden herhaald in de beslissing nr. 20-50212947 van de directeur-generaal human resources d.d. 4 november 2020 die meer specifiek stelde: ‘Na ontvangst door HRA-E/D/Tucht van twee Mod B, inclusief Bijl, betreffende een procedure schorsing bij ordemaatregel enerzijds en een procedure statutaire maatregelen anderzijds, werd echter vastgesteld dat er zware procedurefouten werden gemaakt door de eenheid. Bijgevolg werd besloten de Mod B zonder gevolg te klasseren. De feiten blijven evenwel ernstig (…)’; Overwegende dat het de plicht van de tuchtoverheid is om de door haar gevoerde tuchtprocedures tot een goed einde te brengen met respect voor de rechten van het beschuldigd personeelslid en dat zij daartoe desgevallend kan overgaan tot het herstellen van herstelbare procedurefouten; Overwegende dat korporaal XXXX dit niet betwist, zoals thans expliciet blijkt uit zijn laatste verweerschrift; Overwegende dat de bewering van korporaal XXXX dat de tuchtoverheid zou hebben gesteld dat het zonder gevolg laten van het Model B nr. 19- 50217292 d.d. 17 september 2019 op zichzelf een procedurefout zou zijn geweest, berust op een incorrecte lezing van de intentienota van 8 februari 2022 en andere relevante documenten, en dat de daaruit volgende redenering van korporaal XXXX, volgens dewelke de leer van de intrekking der rechtshandelingen moest worden toegepast, bijgevolg niet pertinent is; Overwegende dat, zoals hierboven reeds uiteengezet, HRA-E/D na analyse van het Model B nr. 19-50217292 d.d. 17 september 2019 en het bijhorende dossier vaststelde dat er procedurefouten werden gemaakt tijdens de procedure op het niveau van de eenheid en dat deze fouten enkel konden worden hersteld door het herbeginnen van de procedure; Overwegende dat de tuchtoverheid nooit verklaard heeft dat de overschrijding van de redelijke termijn een van deze procedurefouten zou IX-10.056-8/25 zijn geweest en deze stelling van korporaal XXXX in zijn laatste verweerschrift pure speculatie is; Overwegende dat uit de artikelen 4 tot en met 10 van het voornoemd koninklijk besluit van 14 oktober 2013 volgt dat het in eerste instantie aan de korpscommandant van de beschuldigde militair toekomt om de procedure tot het al dan niet opleggen van een statutaire maatregel op te starten en dat het, in het licht van deze inherente logica, niet meer dan logisch was dat HRA-E/D de eenheid haar eigen fouten liet herstellen; Overwegende dat de argumenten van korporaal XXXX over hoe HRA- E/D had moeten overgaan tot het afsluiten van het Model B nr. 19- 50217292 d.d. 17 september 2019 niet pertinent zijn, daar hij verwijzing maakt naar de procedures dewelke moeten worden gevolgd in ‘HRM@Defence’, zijnde een geheel ander informaticasysteem dan Symphony (waarin het Model B nr. 19-50217292 d.d. 17 september 2019 behandeld werd); Overwegende dat HRA-E/D, ondanks periodieke controle en aanmaning, moest vaststellen dat de eenheid van korporaal XXXX niet overging tot het herbeginnen van de procedure en de directeur-generaal human resources zich aldus genoodzaakt zag om, conform artikel 9 van het voornoemd koninklijk besluit van 14 oktober 2013, zelf over te gaan tot actie om de toepassing van het drugsbeleid van Defensie te handhaven; Overwegende dat de bewering van korporaal XXXX dat zijn rechten van verdediging met de voeten werden getreden omwille van het feit dat hij nooit kon beschikken over de beslissing tot het zonder gevolg laten van het Model B nr. 19-50217292 d.d. 17 september 2019 incorrect is; Overwegende dat korporaal XXXX reeds voor zijn verschijning bij HRA- E op 12 januari 2021 kennisnam van de beslissing nr. 20-50212947 van de directeur-generaal human resources d.d. 4 november 2020, waarin duidelijk de beslissing tot het zonder gevolg laten van het Model B nr. 19- 50217292 d.d. 17 september 2019 en diens achterliggende motieven werden vermeld; Overwegende dat korporaal XXXX verder de onafhankelijkheid van de onderzoeksraad betwistte aangezien hij niet over dezelfde waarborgen beschikt die worden geboden door een rechterlijke instantie zoals bepaald in artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM); Overwegende dat korporaal XXXX zich, teneinde deze conclusie te bereiken, steunt op enerzijds het arrest nr. C-504/04 van het Europees Hof van Justitie d.d. 19 september 2006 […] en anderzijds het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens d.d. 23 juni 1981 omtrent de dossiers nr. 6878/75 en nr. 7238/75 […]; Overwegende dat uit deze arresten van het Hof van Justitie ([…], § 60) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ([…], § 51, (a)) echter blijkt dat tuchtorganen geenszins moeten voldoen aan alle waarborgen voorzien in artikel 6.1 van het EVRM zolang er maar een beroep tegen de beslissing van dat orgaan openstaat bij een rechter met volle rechtsmacht; Overwegende dat de Raad van State, zowel volgens zijn eigen rechtspraak (b.v. arrest nr. 230.085 d.d. 3 februari 2015, […]) als volgens de IX-10.056-9/25 rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (bv. arrest nr. 6/2006 d.d. 18 januari 2006, B.14.1), een rechter met volle rechtsmacht is; Overwegende dat deze vaststelling echter de onderzoeksraad niet ontslaat van de verplichting om op te treden als een onafhankelijk en onpartijdig adviesorgaan, aangezien hij dient te functioneren als ‘belangrijke waarborg’ voor de beschuldigde militair (Wetsontwerp betreffende het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, Parl.St. Kamer 2006-07, nr. 2759/1, p. 39); Overwegende dat het artikel 57 van de voornoemde wet van 28 februari 2007 en de artikelen 13 tot en met 18 van het voornoemd koninklijk besluit van 14 oktober 2013 voorzien in verscheidene bepalingen die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de onderzoeksraad garanderen; Overwegende dat het feit dat de tuchtoverheid niet is ingegaan op de eis van korporaal XXXX tot de openbaarheid der debatten voor de onderzoeksraad geen schending van zijn rechten van verdediging uitmaakt; Overwegende dat de tuchtprocedure in beginsel geheim is, gelet op de implicaties ervan op het privéleven van de betrokken militair; Overwegende dat uit de rechtspraak van de Raad van State, met name het arrest nr. 53.554 van 7 juni 1995 en het arrest nr. 133.388 van 30 juni 2004, blijkt dat de openbaarheid van de debatten niet geëist kan worden indien dit niet wordt toegelaten door een wettelijke of reglementaire bepaling en dat ook de rechten van verdediging het bestaan van dergelijke mogelijkheid niet vereisen; Overwegende dat de tuchtoverheid een belangrijke discretionaire bevoegdheid heeft bij het bepalen van de gepaste sanctie in een gegeven dossier; Overwegende dat het militaire statuut een constante paraatheid vereist teneinde op doeltreffende wijze te kunnen deelnemen aan al dan niet plotselinge militaire operaties (Grondwettelijk Hof 23 juni 2010, nr. 76/2010, B.7.1.); Overwegende dat het reeds decennialang het standpunt van Defensie is dat het gebruik, het bezit of de verhandeling van verdovende middelen, a fortiori harddrugs, op ernstige wijze afbreuk doet aan de operationele slagkracht van de Krijgsmacht; Overwegende dat dit nultolerantiebeleid is opgenomen in het Algemeen Order J/817 van 11 juli 1996, dat elke militair tijdens zijn basisopleiding wordt geïnformeerd over dit beleid en dat dit jaarlijks herhaald wordt tijdens de Joint Individual Common Core Skills (SICCS), waardoor ervan mag worden uitgegaan dat iedere militair op de hoogte is van dit beleid of minstens ervan op de hoogte hoort te zijn; Overwegende dat dit soort feiten verder aanleiding geeft tot een manifeste teloorgang van de tucht binnen de Krijgsmacht en een aantasting van haar geloofwaardigheid en haar imago; Overwegende dat dergelijke feiten dan ook ernstig en onverenigbaar zijn met het militaire ambt in het algemeen en het ambt van beroepsvrijwilliger in het bijzonder; IX-10.056-10/25 Overwegende dat de Krijgsmacht daarom op voldoende doortastende wijze moet optreden tegen dit soort feiten teneinde de tucht, de geloofwaardigheid en het imago van de Krijgsmacht te vrijwaren; Overwegende dat Defensie daarom dan ook een beleid van nultolerantie hanteert voor drugsfeiten en al zeker het verhandelen van harddrugs, hetgeen geenszins een disproportionele beleidslijn kan worden genoemd; Overwegende dat een dergelijk beleid al meerdere malen aanvaardbaar werd geacht door de Raad van State, waaronder meest recentelijk in zijn arresten nr. 250.110 en nr. 250.111 d.d. 16 maart 2021; Overwegende dat dit beleid van nultolerantie evenwel niet inhoudt dat de tuchtoverheid geenszins rekening houdt met de verzachtende omstandigheden naar voren gebracht door korporaal XXXX, aangezien zij verplicht is om rekening te houden met alle omstandigheden van een gegeven dossier; Overwegende dat, om de coherentie van haar beleid te garanderen, er echter slechts kan afgeweken worden van haar duidelijk beleidslijn inzake (hard)drugs indien er sprake is van uitzonderlijke en zwaarwichtige omstandigheden; Overwegende dat het de minister van Defensie toekomt om te bepalen of een gegeven verzachtende omstandigheid voldoende uitzonderlijk en zwaarwichtig is om, de ernst van de feiten indachtig, een afwijking van het nultolerantiebeleid te rechtvaardigen; Overwegende dat korporaal XXXX wijst op zijn goede staat van dienst, gestaafd door o.a. meerdere getuigenverklaringen, (ongetekende) letters of appreciation, evaluatienota’s en bewijzen van succesvol afgeronde vormingen; Overwegende dat de tuchtoverheid op geen enkel moment de goede wijze van dienen van korporaal XXXX of diens inzet voor Defensie in twijfel heeft getrokken; Overwegende dat de goede wijze van dienen van korporaal XXXX evenwel geen afbreuk doet aan de ernst van de feiten en niet verhindert dat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd wordt, desgevallend met de zwaarste statutaire maatregel indien het om een dermate ernstige misstap zou gaan; Overwegende dat uit het nultolerantiebeleid onbetwistbaar blijkt dat de feiten die korporaal XXXX heeft gepleegd uitermate ernstig zijn; Overwegende dat de goede wijze van dienen van korporaal XXXX een onvoldoende uitzonderlijke en zwaarwichtige omstandigheid uitmaakt om een afwijking van het nultolerantiebeleid te rechtvaardigen; Overwegende dat korporaal XXXX er, wat betreft de vermeende overschrijding van de redelijke termijn, verkeerdelijk van uitgaat dat de beslissing tot intrekking van zijn veiligheidsmachtiging moet worden gezien als het startpunt van de redelijke termijn; Overwegende dat de redelijke termijn aanvangt bij een voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige vaststelling van de feiten en dat de melding van ADIV aan de korpscommandant inzake de intrekking van de veiligheidsmachtiging slechts op summiere wijze de redenen achter deze beslissing weergeeft, waardoor er bezwaarlijk sprake kan zijn van een ‘voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige vaststelling van de feiten’; IX-10.056-11/25 Overwegende dat eenzelfde vaststelling opgaat voor bijvoorbeeld de elementaire communicatie door de Federale Politie (DJMM) van de naam van de betrokken militair en het dossiernummer van het opsporingsonderzoek; Overwegende dat zo’n notificatie evenwel de verplichting voor de tuchtoverheid doet ontstaan om de nodige onderzoekshandelingen te stellen en contact op te nemen met de diensten van het Openbaar Ministerie; Overwegende dat HRA-E/D dit dan ook gedaan heeft; Overwegende dat HRA-E/D door overmacht geen kennis kon nemen van het eerste dossier, zoals zou zijn verstuurd door het parket van de procureur des Konings te Antwerpen; Overwegende dat de HRA-E/D na ontvangst van het dossier binnen een redelijke termijn alle nodige handelingen heeft gesteld om de korpscommandant in staat te stellen de procedure statutaire maatregelen op te starten; Overwegende dat voor het overige de doorlooptijd van het dossier hoofdzakelijk te wijten is aan de stappen dewelke de overheid verplicht is door te voeren op grond van de procedures zoals voorgeschreven door de voornoemde wet van 28 februari 2007 en het voornoemd koninklijk besluit van 14 oktober 2013; Overwegende dat verder bij de beoordeling van de redelijke termijn moet rekening gehouden worden met het feit dat korporaal XXXX niet werd geschorst bij ordemaatregel en dat [hij] gedurende het doorlopen van de procedure tot het al dan niet opleggen van een statutaire maatregel geen enkel nadeel ondervond; Overwegende dat gelet daarop er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn; Overwegende dat het feit dat korporaal XXXX sinds de kennisname van de feiten niet werd geschorst bij ordemaatregel geenszins verhindert dat de tuchtoverheid kan overgaan tot het opleggen van de zwaarste statutaire maatregel; Overwegende dat, bij wijze van toepassing van het drugsbeleid van de Krijgsmacht en gelet op de bijzondere ernst van de feiten en de onverenigbaarheid ervan met het militaire ambt, korporaal XXXX definitief uit zijn ambt dient te worden ontheven.” IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Het eerste middel put verzoeker uit de schending van de redelijketermijneis. IX-10.056-12/25 Dit middel wordt in het verzoekschrift in essentie als volgt ontwikkeld en toegelicht. Verzoeker wijst op de inertie van de verwerende partij, die niet éénmalig heeft stilgezeten:
(1)tussen de intrekking van de veiligheidsmachtiging door de ADIV en de oproep om te verschijnen voor de korpscommandant zijn 395 dagen verstreken;
(2)tussen de betekening van het Model B ‘Disc-voorstel statutaire maatregelen’ en de e-mail die verzoeker informeert over het herstarten van de procedure zijn 405 dagen verstreken;
(3)tussen het aangepast omstandig verslag en de betekening van de intentienota van de minister zijn 145 dagen verstreken. De tuchtoverheid slaagt er ook niet in om de exacte datum te bepalen waarop de FOD Justitie de feiten aan haar heeft meegedeeld: eerst was het augustus 2019, dan september 2018, en uiteindelijk weer augustus 2019: 20 augustus 2019 is de datum waarop het openbaar ministerie het dossier aan de tuchtoverheid bezorgd zou hebben, terwijl de procureur des Konings verklaart dit dossier reeds op 13 november 2018 te hebben toegezonden aan de DGHR. Deze stelt het dossier niet ontvangen te hebben en beroept zich hiervoor in de bestreden beslissing op overmacht, maar hiervan wordt geen enkel bewijs geleverd. Ook het feit dat de veiligheidsmachtiging van verzoeker in september 2018 werd ingetrokken impliceert dat Defensie toen al op de hoogte moet zijn geweest van de feiten, vermits ze het motief voor de intrekking van de veiligheidsmachtiging vormen. Dat de redelijke termijn geschonden werd, blijkt ook uit de vaststelling dat de tuchtprocedure pas voortgezet wordt meer dan vijftien maanden na het vonnis van de correctionele rechtbank. Na het indienen van zijn verweerschrift voor de onderzoeksraad op 30 juni 2021 heeft het nog tien maanden geduurd vooraleer de bestreden beslissing genomen werd. IX-10.056-13/25 Verzoeker weerspreekt vervolgens de in de bestreden beslissing geformuleerde argumenten op grond waarvan de tuchtoverheid besluit dat de redelijke termijn niet geschonden werd.
(1)In zoverre geargumenteerd wordt dat de eerste mededeling van het dossier door de procureur des Konings aan de DGHR op 13 november 2018 niet ontvangen werd omwille van overmacht, merkt verzoeker op dat wie overmacht inroept dit ook moet bewijzen, hetgeen hier niet gebeurt.
(2)Wat de intrekking van de veiligheidsmachtiging in september 2018 betreft, weigert de verwerende partij een afschrift van deze beslissing bij te brengen, terwijl deze beslissing duidelijkheid kan verschaffen over de feiten. Bij de intrekking van een veiligheidsmachtiging wordt de veiligheidsofficier van de eenheid van de betrokkene onmiddellijk ingelicht, die dan ook de superieuren van de betrokkene informeert. Er kan maar één reden zijn waarom de veiligheidsmachtiging werd ingetrokken, namelijk de aan verzoeker strafrechtelijk ten laste gelegde feiten, zodat Defensie in september 2018 al op de hoogte was van het lopend onderzoek.
(3)Zelfs in de hypothese dat de tuchtoverheid pas op 20 augustus 2019 kennis heeft genomen van het strafdossier, moet worden vastgesteld dat vanaf dan nog eens 32 maanden, of bijna drie jaar, zijn verstreken vooraleer de bestreden beslissing is genomen, hetgeen in tuchtzaken een onaanvaardbare termijn is.
- De verwerende partij antwoordt dat in tuchtzaken de redelijke termijn geldt vanaf het ogenblik waarop de tuchtoverheid de feiten heeft vastgesteld en zij moet oordelen of op grond van die feiten de tuchtprocedure moet worden ingesteld. De overheid dient inzake de feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens te beschikken om met kennis van zaken een tuchtvordering tegen het betrokken personeelslid op te starten. In elk geval moet de tuchtoverheid “gepaste initiatieven” hebben genomen om klaarheid in de zaak te brengen. IX-10.056-14/25 Er kan in alle redelijkheid worden van uitgegaan dat de DGHR niet over de bevoegdheden of de middelen beschikt om een eigen onderzoek te voeren naar het bezit en de verkoop van verdovende middelen door verzoeker. Zij heeft daarentegen wel de passende initiatieven genomen om de nodige strafrechtelijke informatie te verkrijgen met het oog op een voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige vaststelling van de feiten: dit laatste geschiedde op 22 augustus 2019 toen een afschrift van het strafdossier de DGHR had bereikt. Ook heeft zij reeds vanaf de notificatie vanwege de federale politie de nodige onderzoekshandelingen gesteld om een afschrift van het strafdossier te verkrijgen. Verzoekers argumentatie omtrent de kennis van de feiten in september 2018 toen zijn veiligheidsmachtiging werd ingetrokken is irrelevant aangezien er toen nog geen sprake was van een “voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige vaststelling van de feiten”. De tijdspanne tussen het startpunt van de redelijke termijn en de oproep tot verschijnen voor de korpscommandant bedraagt dus slechts veertig dagen en geen
- Op het niveau van de korpscommandant moest de procedure herbegonnen worden: dit was de enige manier om de vastgestelde procedurefouten op het niveau van de eenheid te herstellen. Omtrent het herstarten van de procedure heeft de DGHR periodieke controles en aanmaningen uitgevoerd bij de eenheid van verzoeker, aangezien het initiatief voor de herstart op de eerste plaats bij de korpscommandant ligt. De DGHR heeft op 4 november 2020 het initiatiefrecht gebruikt om de zaak naar zich toe te trekken nu de eenheid ogenschijnlijk niet in staat was het dossier binnen afzienbare tijd af te ronden. Ook hier heeft de tuchtoverheid dus niet stilgezeten. Vanaf de beslissing van de directeur-generaal Human Resources om de tuchtprocedure herop te starten heeft de tuchtoverheid op IX-10.056-15/25 regelmatige basis alle stappen van de tuchtprocedure ondernomen zoals bepaald in de tuchtregeling, namelijk het koninklijk besluit van 14 oktober 2013 ‘tot vaststelling van de procedure betreffende de statutaire maatregelen toepasselijk op de militairen van het actief kader en tot wijziging van meerdere koninklijke besluiten betreffende de militaire tucht’ (“tuchtbesluit”).
- In haar laatste memorie blijft de verwerende partij erbij dat de tuchtprocedure binnen een redelijke termijn is afgehandeld. De redelijkheid van de termijn moet in concreto worden beoordeeld, dit wil zeggen rekening houdend met de specifieke gegevens van de zaak. Zo een specifiek gegeven is dat de verwerende partij, zo stelt zij, het strafdossier pas op 30 november 2019 in handen heeft kunnen krijgen. De verwerende partij wenst te benadrukken dat uit het gegeven dat het strafdossier niet gevonden werd, impliciet begrepen kan worden dat er klaarblijkelijk geen overdracht plaatsgevonden heeft. Ook het herstarten van de tuchtprocedure wegens procedurefouten is een specifieke omstandigheid, waarbij de tuchtoverheid getracht heeft zo zorgvuldig mogelijk op te treden om de waarborgen van verzoeker te beschermen. Gedurende de periode van augustus 2019 tot februari 2020 blijken er meerdere handelingen conform het tuchtbesluit plaatsgevonden hebben, namelijk de ontvangst van de twee Modellen B van de korpscommandant en de analyse ervan, evenals de vaststelling dat procedurefouten gemaakt werden en de analyse van de te ondernemen stappen om dit te verhelpen. De redelijkheid van de duur van een tuchtprocedure moet volgens de verwerende partij niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de totale duur van de procedure, maar ook aan de hand van de zorgvuldigheid waarmee de tuchtoverheid deze in de tussenliggende fasen heeft gevoerd. Zo blijkt dat de tuchtoverheid met de nodige zorgvuldigheid gehandeld heeft door na het opsturen van een schematische weergave van de te volgen procedure op het niveau van de korpscommandant aan de eenheid van verzoeker, evenals sjablonen en te ondernemen stappen om het heropstarten van de tuchtprocedure te IX-10.056-16/25 vergemakkelijken, geregeld herhalingen en aanmaningen te sturen om uiteindelijk zelf het heft in handen te nemen en het initiatiefrecht overeenkomstig artikel 9 van het tuchtbesluit te gebruiken. Bovendien moet rekening worden gehouden met de zeer specifieke operationele slagkracht waarmee het derde Bataljon parachutisten te kampen heeft. Het verloop van tijd tussen de vraag om de procedure te herstarten en de uiteindelijke beslissing om een beroep te doen op artikel 9 van het tuchtbesluit kan dan ook niet verweten worden aan de tuchtoverheid. Ook tussen het aangepast omstandig verslag van 28 januari 2021 en de intentieverklaring van de minister van 15 juni 2021 werden verschillende noodzakelijke handelingen gesteld ter uitvoering van het tuchtbesluit. Afsluitend, in verband met de veiligheidsmachtiging, herhaalt de verwerende partij dat de intrekking ervan en de motieven hiertoe de tuchtoverheid niet bekend zijn en dat dit document bijgevolg evenmin deel heeft uitgemaakt van het tuchtdossier. Dit volgt uit de onderscheiden wettelijke bevoegdheden die toegekend werden aan de DGHR enerzijds en de ADIV anderzijds. De ADIV is bevoegd voor het uitvoeren van de veiligheidsonderzoeken. Haar opdracht inzake het beheer en de administratie van het personeel houdt in dat de algemene directie Human Resources administratieve gegevens dient te verwerken in de dossiers van de betrokkenen zoals de intrekking van een veiligheidsmachtiging, maar aangezien zij geen bevoegdheden heeft met betrekking tot het veiligheidsonderzoek zelf en gelet op het zeer vertrouwelijk karakter hiervan, valt het dan ook niet aan haar toe om de motieven van deze intrekking te kennen of te verwerken. Omgekeerd staat het ook niet aan de ADIV om de disciplinaire gevolgen te beoordelen bij de intrekking van een veiligheidsmachtiging. De toekenning of intrekking van een veiligheidsmachtiging kadert voorts in een specifieke finaliteit, welke mogelijk maar niet automatisch aan het tuchtrechtelijk stelsel raakt. Bovendien wijst niets IX-10.056-17/25 erop dat deze intrekking effectief volgde uit de aan verzoeker verweten tuchtfeiten.
- Meer bepaald met betrekking tot de contacten met de DJMM, hierover ondervraagd door de staatsraad-verslaggever, wijst de verwerende partij erop dat haar op 17 oktober 2018 enkel het bevoegde parket en het dossiernummer zijn meegedeeld. Zij noemt dit “zeer beperkte informatie” die niet ertoe kan leiden dat de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om met kennis van zaken een tuchtvordering tegen verzoeker op te starten. De beperkte informatie van de DJMM moet noodzakelijkerwijze bevestigd worden door het parket, hetgeen zij met haar brief van 15 maart 2019 beoogd heeft. Beoordeling a. voorafgaande opmerking
- De redelijketermijneis als beginsel van behoorlijk bestuur is van toepassing wanneer in de regelgeving geen specifieke termijn is bepaald waarbinnen door het bestuur moet worden gehandeld. In tuchtzaken geldt hij, althans wanneer de regelgever niet uitdrukkelijk in verjaringstermijnen heeft voorzien, niet alleen voor het voeren van de eigenlijke tuchtprocedure vanaf het ogenblik dat het betrokken personeelslid ervan op de hoogte is gebracht dat hem mogelijke tuchtfeiten ten laste worden gelegd tot de kennisgeving van de finale tuchtbeslissing, maar ook voorafgaand aan die procedure, wanneer de tuchtoverheid feiten heeft vastgesteld of daarvan kennis heeft genomen en zij moet beoordelen en beslissen of op grond van die feiten de tuchtprocedure tegen het betrokken personeelslid moet worden ingesteld. IX-10.056-18/25
- In tuchtzaken impliceert het beginsel van de redelijke termijn in het bijzonder dat de bevoegde overheid, zodra zij voldoende kennis heeft van feiten die aanleiding kunnen geven tot een tuchtmaatregel, verplicht is de procedure onverwijld in te leiden. Dit beginsel impliceert ook dat wanneer de tuchtoverheid in kennis wordt gesteld van aanwijzingen voor feiten die mogelijk een tuchtrechtelijke inbreuk vormen, zij met toewijding moet handelen om voldoende kennis te verkrijgen van de feiten, om te kunnen beslissen of er al dan niet een tuchtprocedure moet worden gestart.
- De termijn voor het afhandelen van de tuchtprocedure vangt niet aan met de kennisneming van de feiten door de tuchtoverheid of met het eventuele opstarten van een vooronderzoek, aangezien er op dat ogenblik nog geen sprake is van het inleiden van de tuchtprocedure. Een tuchtvordering wordt slechts geacht ingesteld te zijn op het ogenblik dat de tuchtoverheid laat blijken dat een personeelslid zich voor bepaalde feiten moet verantwoorden, met het oog op het opleggen van een tuchtsanctie.
- De partijen vermengen met andere woorden twee onderscheiden termijnen: de termijn – verjaringstermijn, dan wel redelijke termijn – die nageleefd moet worden voor de afhandeling van de tuchtprocedure, eenmaal ze is opgestart, met de termijn – verjaringstermijn, dan wel redelijke termijn – die nageleefd moet worden tussen de kennisname van de feiten en de start van de tuchtprocedure.
- Het onderscheid is niet enkel van belang omdat de ene termijn niet op de andere is aan te rekenen, maar ook voor de sanctie die het gevolg is van een overschrijding van de redelijke termijn. IX-10.056-19/25 Het valt niet uit te sluiten dat de tuchtoverheid een miskenning van de redelijke termijn bij het voeren van de eigenlijke tuchtprocedure goedmaakt door haar in rekening te brengen bij het bepalen van de strafmaat. Dat is evenwel niet mogelijk wanneer de tuchtoverheid reeds daaraan voorafgaand niet binnen een redelijke termijn ertoe gekomen is de tuchtprocedure in te leiden. Zoals bij het verstrijken van een door de regelgever bepaalde verjaringstermijn is het teloorgaan van de tuchtbevoegdheid dan het onvermijdelijke gevolg.
- Hierna beoordeelt de Raad van State bijgevolg het al dan niet redelijk karakter van de onderscheiden termijnen afzonderlijk. b. naleving van de redelijke termijn bij het instellen van de tuchtvordering
- Bij afwezigheid van een normatief bepaalde verjaringstermijn geldt krachtens het voornoemde beginsel van behoorlijk bestuur dat het inleiden van de tuchtprocedure binnen een redelijke termijn na de vaststelling of de kennisneming van de feiten door de tuchtoverheid dient te gebeuren. Wat de duur van de redelijke termijn betreft waarover de tuchtoverheid beschikt om de tuchtvordering te starten, bestaat er geen absolute drempel waaronder of waarboven de tijd die de tuchtoverheid zich toemeet, noodzakelijk als redelijk of onredelijk moet worden beschouwd. De beoordeling van het normale of abnormale karakter van die tijd dient te gebeuren in het licht van de omstandigheden van de zaak.
- Het startpunt van de redelijke termijn als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur – in de regel is dat dus het ogenblik waarop de tuchtoverheid kennis heeft van de tuchtfeiten – kan niet los worden gezien van de hiermee samenhangende eis dat de tuchtoverheid een adequaat beeld moet hebben van die feiten, welke voldoende precies en bewijskrachtig moeten zijn IX-10.056-20/25 vastgesteld. In vele gevallen is dat beeld over de feitelijke omstandigheden maar gevormd na een vooronderzoek en in sommige gevallen moet zelfs de uitkomst van een strafprocedure worden afgewacht. Het bestaan van een strafonderzoek is op zich evenwel geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.
- Het eindpunt van de termijn, tegelijk aanvangspunt van de tuchtvordering en startpunt van de erop volgende termijn voor de behandeling van de tuchtprocedure is – bij gebrek aan een uitdrukkelijk voorschrift hierover dat vaststelt wanneer de tuchtvordering is ingesteld – het ogenblik waarop de bevoegde overheid duidelijk de intentie laat blijken dat betrokkene zich voor zijn statutaire tuchtoverheid moet verantwoorden met het oog op het nemen van een tuchtsanctie. In deze zaak is dat het ogenblik waarop de betrokkene overeenkomstig het tuchtbesluit door de korpscommandant of de DGHR “wordt geïnformeerd dat hij opgeroepen wordt in het kader van een procedure die het nemen van een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben” (de artikelen 4 en 9 van het tuchtbesluit).
- De verwerende partij legt zowel in de bestreden beslissing als in haar procedurestukken de nadruk op haar “nultolerantiebeleid” inzake drugs, dat zij heeft opgenomen in een “Algemeen Order” J/817 van 11 juli
- De door verzoeker gepleegde drugsfeiten leveren hem dan ook, althans uit oogpunt van de verwerende partij en haar beleid, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een ontslag op. Vanwege het belang van wat er aldus op het spel staat, is zo een tuchtprocedure als een dringende zaak te behandelen – “op voldoende doortastende wijze”, zoals in de bestreden beslissing is te lezen – behalve in bijzondere omstandigheden. IX-10.056-21/25
- Al deze uitgangspunten toepassen op de gegevens van de voorliggende zaak, doet besluiten wat volgt.
- De tijdslijn die hiervóór in het feitenrelaas is weergegeven, leert dat de tuchtoverheid op 8 oktober 2018 blijkens haar bericht aan de politie al op de hoogte was van het gegeven dat verzoeker op “7 of 8” juli 2018 bij een politiecontrole in bezit was gevonden van 47 XTC-pillen. Die informatie moet zij in redelijkheid gekregen hebben uiterlijk begin oktober 2018 – mogelijk maar niet aanwijsbaar reeds vroeger. Of die informatie haar heeft bereikt in het kader van de intrekking van verzoekers veiligheidsmachtiging of anderszins, is zonder belang, enkel de datum van die kennis is hier relevant. Zo er voor de verwerende partij al reden was om te twijfelen of die informatie juist was, dan is zij niet tegengesproken door de politie, die integendeel op 17 oktober 2018 aan de tuchtoverheid het exacte dossiernummer over de gesignaleerde feiten en het bevoegde parket meedeelt. De door verzoeker gepleegde en hem ten laste gelegde tuchtfeiten zijn naar het oordeel van de Raad dan ook aan de tuchtoverheid genoegzaam bekend medio oktober
- De verwerende partij voert geen bijzondere omstandigheden aan, die ertoe nopen om het anders te zien. De verwerende partij verduidelijkt niet welke “nauwkeurige” informatie bijkomend noodzakelijk is – des te minder is dit evident ingevolge haar in een “Algemeen Order” opgenomen nultolerantiebeleid voor “drugsfeiten” – laat staan dat die slechts door inzage van het parketdossier verkregen kan worden, zodat de discussie of dat dossier mogelijk in de loop van november 2018 al een eerste keer aan haar is bezorgd, geen belang vertoont. Het blijkt voorts niet dat zij verzoeker met de verkregen informatie in het kader van een vooronderzoek heeft geconfronteerd, laat staan dat hij de feiten vervolgens heeft ontkend waardoor bijkomend onderzoek moest IX-10.056-22/25 volgen. In plaats van diligent op te treden en de tuchtvordering op te starten, heeft zij zonder enige verantwoording vijf maanden stilgezeten, tot 15 maart 2019, om dan enkel opnieuw een vraag te stellen naar de “precieze feiten”, ditmaal aan het parket. Daarna duurt het alweer bijna vijf maanden, tot 9 augustus 2019, om aan het parket een herinnering te sturen.
- Geen van beide partijen preciseert de datum waarop, volgens hen, verzoeker is geïnformeerd dat hij door de korpscommandant is opgeroepen en het vooronderzoek dus is afgesloten. De Raad moet voortgaan op de stukken van het administratief dossier. Hierin is – stuk 8, bijlage B – de oproeping te vinden om te verschijnen voor de korpscommandant en het verslag van dit verhoor. Dit laatste document is door verzoeker ondertekend op 11 oktober
- De oproepingsbrief zelf is gedateerd 1 oktober
- In zijn verweerschrift klaagt verzoeker erover dat hij maar acht werkdagen heeft gekregen om zijn verweer voor te bereiden, zodat hieruit afgeleid mag worden dat hij de oproepingsbrief van 1 oktober 2019 diezelfde dag heeft ontvangen.
- Het heeft bijgevolg een jaar geduurd om na de kennisname van de feiten uiterlijk begin oktober 2018 en hun bevestiging medio oktober 2018 te komen tot een tuchtvervolging, begin oktober
- Luidens de bestreden beslissing doet de notificatie door de DJMM “de verplichting […] ontstaan om de nodige onderzoekshandelingen te stellen en contact op te nemen met de diensten van het Openbaar Ministerie”. De tuchtoverheid heeft in die tussenliggende periode evenwel géén bijzondere onderzoeksdaden gesteld en het bijgevolg niet nodig gevonden er te moeten stellen. Zij heeft inzonderheid verzoeker niet ondervraagd, laat staan dat verzoeker de feiten zou hebben ontkend. Zij beweert niet dat zij de afloop van de strafvordering moest afwachten om zich een beeld te vormen van de juiste feiten en de aanrekenbaarheid ervan aan verzoeker – zij heeft overigens verzoekers strafrechtelijke veroordeling op 21 november 2019 ook niet afgewacht IX-10.056-23/25 om de tuchtprocedure te starten. Zij overtuigt niet ervan het antwoord van het parket te moeten afwachten. Zij geeft voorts geen enkele verantwoording voor de twee periodes van telkens vijf maanden complete inertie. Terecht merkt de verwerende partij op dat de redelijkheid van de termijn in concreto moet worden beoordeeld, rekening houdend met de specifieke gegevens van de zaak. Die concrete omstandigheden van deze zaak zijn dat niets is ondernomen, wat dan het tijdsverloop had kunnen verantwoorden, en dat voor dat nietsdoen zelf evenmin een aanvaardbare verantwoording voorligt. Die vaststellingen nopen ertoe de redelijke termijn waarin de tuchtvervolging moet worden opgestart, geschonden te achten.
- Het middel is in die mate gegrond. c. naleving van de redelijke termijn bij het voeren van de eigenlijke tuchtprocedure
- De tuchtvordering is te laat ingesteld. Zoals hiervóór sub 12 is uitgelegd, leidt dit ertoe dat de tuchtoverheid de bevoegdheid verliest om nog een tuchtprocedure voor deze tuchtfeiten jegens verzoeker te voeren. De vraag of de eigenlijke tuchtprocedure binnen een redelijke termijn is gevoerd en afgehandeld, is dan ook niet meer relevant en hoeft niet meer te worden onderzocht. IX-10.056-24/25 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de minister van Defensie van 29 maart 2022 waarbij XXXX uit zijn ambt wordt ontheven en met definitief verlof wordt geplaatst.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 44 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.056-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.292 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.254 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div