← België

Arrest 260295 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 27/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.295 Rolnummer: A. 240636/IX-10386 Zaak: Arrest 260295 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 27/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-09 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-06-11 03:17 Fiche Arrest nr 260.295 van 27 juni 2024 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.295 no lien 277900 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.295 van 27 juni 2024 in de zaak A. 240.636/IX-10.386 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Durnez kantoor houdend te 3050 Oud-Heverlee Waversebaan 134 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 1 december 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing ertoe strekkende verzoeker uit de opleiding te zetten en over te plaatsen naar een andere dienst en functie, en de bevestiging daarvan door de Raad van Beroep inzake tuchtzaken”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De verzoekende partij heeft een “nota met opmerkingen” ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. IX-10.386-1/10 De verzoekende partij heeft een “nota met opmerkingen na verslag auditoraat” ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 juni
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Nele Vanden Bossche, die loco advocaat Johan Durnez verschijnt voor de verzoekende partij en luitenant Marie-Sofie Thiriaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker werkt bij Defensie als vast benoemd burgerlijk ambtenaar bij de algemene dienst Inlichtingen en Veiligheid (ADIV), in de graad van inspecteur. 3.
  6. Vanaf 17 april 2023 volgt verzoeker een opleiding bij het Nederlandse ministerie van Defensie. Op 29 mei 2023 wordt aan verzoeker naar eigen zeggen telefonisch meegedeeld dat hij niet naar Nederland mag terugkeren voor het verder volgen van de opleiding. In een e-mail van 30 mei 2023 brengt het Nederlandse ministerie van Defensie aan de verwerende partij alleszins zijn beslissing ter ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.295 IX-10.386-2/10 kennis dat verzoeker ontheven is uit de opleiding wegens grensoverschrijdend gedrag “in de richting van 1 van mijn instructeurs”. 3.
  7. ADIV beslist om een tuchtprocedure op te starten. Op 22 juni 2023 wordt verzoeker opgeroepen voor een verhoor op 12 juli 2023 in het kader van de tuchtregeling. 3.
  8. Ondertussen wordt verzoeker met ingang van 27 juni 2023 overgeplaatst naar het Collection Coordination Intelligence Requirements Management (CCIRM) bij ADIV. Dit wordt hem meegedeeld per e-mail van dezelfde dag. 3.
  9. De tuchtprocedure leidt tot de volgende beslissing van de directieraad van Defensie, aan verzoeker meegedeeld op 3 oktober 2023: “Op 12 September werd u, samen met uw advocaat, gehoord door de Directieraad i.v.m. een tuchtprocedure die tegen u werd opgestart. Met dit schrijven wensen wij u op de hoogte te brengen van de beslissing van de Directieraad aangaande een eventuele tuchtsanctie: [Verzoeker] heeft ongepast gedrag getoond op de werkvloer door het maken van seksueel getinte opmerkingen tegenover een collega. Hiermee beging hij een inbreuk tegen art. 7, § 2 van het K.B. van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. Overwegende het gebrek aan antecedenten; Overwegende dat tot de verwijdering van betrokkene uit de opleiding is besloten met het oog op het herstellen van de rust en de goede werking van de dienst maar dat het evenwel aannemelijk is dat deze ordemaatregel door betrokkene, op grond van zijn loutere subjectieve gevoelens op dat moment, als een bestraffing werd ervaren; Zal er geen verdere tuchtstraf worden opgelegd aan [verzoeker].” 3.
  10. Met een e-mailbericht van 26 oktober 2023 stelt verzoeker een beroep in tegen deze beslissing bij de raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren. Op 7 november 2023 wordt aan verzoeker het volgende meegedeeld: “Bij nazicht van het dossier blijkt dat er u geen tuchtsanctie werd opgelegd. IX-10.386-3/10 Derhalve is er evenmin een mogelijkheid tot beroep en kan uw verzoek niet worden behandeld door de Raad van beroep inzake tuchtzaken.” IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  11. Verzoekers “nota met opmerkingen” en “nota met opmerkingen na verslag auditoraat” worden uit het debat geweerd. Het procedurereglement voorziet niet de mogelijkheid voor een verzoekende partij om in een schorsings- procedure nog schriftelijk te reageren op de nota van de verwerende partij of het auditoraatsverslag. V. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
  12. Verzoeker schrijft onder het opschrift ‘voorwerp van de vordering’ dat zijn vordering “strekt tot de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 3 oktober 2023 van de Directieraad, bevestig[d] door de Raad van Beroep inzake tuchtzaken op 7 november 2023, waarbij verzoeker uit de opleiding werd gezet en overgeplaatst naar een andere dienst en functie”. Uit het feitenrelaas blijkt evenwel dat de directieraad of de raad van beroep, optredend als tuchtoverheid, geen beslissing heeft genomen die strekt tot verzoekers overplaatsing of de stopzetting van zijn opleiding. De beslissing om verzoeker niet meer toe te laten tot de opleiding is genomen door het ministerie van Defensie van Nederland en aan de verwerende partij meegedeeld op 30 mei
  13. Tot de overplaatsing van verzoeker naar het CCIRM is beslist door ADIV op 27 juni
  14. VI. Rechtsmacht van de Raad van State IX-10.386-4/10
  15. De beslissing om verzoeker wegens ontoelaatbaar seksueel grensoverschrijdend gedrag uit de opleiding te verwijderen, werd niet genomen door de directieraad van Defensie noch bevestigd door de raad van beroep, zoals verzoeker lijkt te suggereren, maar gaat uit van het Nederlandse ministerie van Defensie. Overeenkomstig artikel 14, § 1, eerste lid, RvS-Wet doet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van onder meer de onderscheiden administratieve overheden. Met de betrokken administratieve overheden worden Belgische administratieve overheden bedoeld. De Raad van State lijkt derhalve niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep, in de mate dat het geacht mag worden gericht te zijn tegen een handeling van het Nederlandse ministerie van Defensie, een buitenlandse overheid.
  16. Deze exceptie, die verzoeker kon lezen in het auditoraatsverslag en waartegen hij op de terechtzitting niets inbrengt, vertoont de vereiste ernst om in de huidige stand van de rechtspleging ambtshalve aangenomen te worden. VII. Ontvankelijkheid van de vordering a. de beslissing van de directieraad en de “beslissing” van de raad van beroep
  17. De directieraad heeft op 12 september 2023 beslist om géén tuchtmaatregel op te leggen, reden waarom de raad van beroep aan verzoeker heeft meegedeeld dat zijn beroep zonder voorwerp is.
  18. Aangezien hem geen tuchtmaatregel werd opgelegd, heeft verzoeker geen nadeel van die beslissingen ondervonden. Daargelaten of de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.295 IX-10.386-5/10 mededeling van de raad van beroep een aanvechtbare rechtshandeling is, moet prima facie worden vastgesteld – desnoods ambtshalve – dat verzoeker geen nadeel heeft ondervonden van deze beide beslissingen, zodat het beroep tot nietigverklaring ervan – en dus ook de vordering tot schorsing – onontvankelijk is bij gebrek aan belang. Dat verzoeker niet gelukkig is met de overwegingen in de beslissing van de directieraad, doet op het eerste gezicht niet anders besluiten.
  19. Deze exceptie, die verzoeker kon lezen in het auditoraatsverslag en die hij op de terechtzitting niet weerlegt, vertoont de vereiste ernst zodat ze in de huidige stand van de rechtspleging moet worden aangenomen. b. de overplaatsing naar het CCIRM
  20. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties met betrekking tot de beslissing van ADIV van 27 juni 2023 houdende verzoekers overplaatsing uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Dat is, zoals hierna zal blijken, niet het geval. VIII. Schorsingsvoorwaarden
  21. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. IX. Spoedeisendheid IX-10.386-6/10
  22. In het kader van de gewone schorsingsvordering geldt er in beginsel geen dwingende voorwaarde om diligent en voortvarend op te treden, zoals bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De regelgeving laat toe dat de schorsing “op elk moment” wordt gevorderd (artikel 17, § 1, tweede lid, RvS-Wet). Dit betekent echter niet dat het talmen van een verzoekende partij om in rechte te treden, als proceshouding steeds zonder invloed blijft op de beoordeling van de spoedeisendheid. Een schorsing heeft immers enkel voor de toekomst uitwerking. Met het instellen van een vordering tot schorsing streeft een verzoekende partij voorts na zich te behoeden voor schadelijke gevolgen van een bepaalde omvang, waarvoor een later arrest ten gronde niet nuttig meer tussenkomt. Vereist is dan ook, dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing het onherroepelijke schadelijke gevolg, nog zinvol kan worden geweerd. Mede om die reden moet een verzoekende partij die de Raad van State ertoe wil brengen om haar zaak met voorrang op andere zaken te onderzoeken en om een schorsing te bevelen, bij het benaarstigen ervan zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit schadelijke gevolg nog te kunnen weren. Dit betekent onder meer dat zij in functie van de omstandigheden, de zaak toch zo spoedig mogelijk bij de Raad van State aanhangig dient te maken. Aangenomen kan worden dat de diligentie waarmee een verzoekende partij tegen een haar grievende rechtshandeling opkomt met een vordering tot schorsing, niet noodzakelijk is af te lezen uit het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden handeling en het instellen van die vordering. De situatie is denkbaar dat een zaak door gewijzigde omstandigheden pas later dringend wordt – of zelfs uiterst dringend – zelfs nádat reeds een annulatieberoep aanhangig werd gemaakt. Het is met andere woorden vanaf het ogenblik waarop de spoedeisendheid of de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat van een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.295 IX-10.386-7/10 verzoekende partij een proceshouding wordt verwacht die de door haar ingestelde procedure niet tegenspreekt. Dit ogenblik moet niet – maar kan nog wel – samenvallen met het ogenblik waarop het voor haar griefhoudende besluit is genomen en dus vanuit het standpunt van de verzoekende partij, het ogenblik waarop zij er kennis van krijgt.
  23. De beslissing tot overplaatsing is aan verzoeker meegedeeld op 27 juni
  24. Het verzoekschrift houdende de vordering tot schorsing is neergelegd op 1 december
  25. Dat is méér dan vijf maanden later. Verzoeker beweert evenwel niet dat nieuwe feiten de zaak, die hem eerst niet dringend leek, voor hem op 1 december 2023 plots spoedeisend maakten. Dat is voor de Raad van State ook niet spontaan duidelijk: voor zover verzoeker nadelen schetst in specifiek verband met zijn overplaatsing zoals reputatieschade en loonverlies, waren ze hem bekend vanaf de eerste dag van zijn overplaatsing. Door in die omstandigheden zonder verantwoording zo lang te talmen, spreekt verzoekers proceshouding de spoedeisendheid van zijn vordering tegen. Verzoekers betoog over de aard van de schade die met de gevorderde schorsing moet worden afgeweerd en de graad van urgentie die door hem aan de zaak wordt toegeschreven, vallen niet te verzoenen met zijn proceshouding, die de negatie inhoudt van de beweerde spoedeisendheid van de vordering.
  26. Dat verzoeker niet is gewezen op de bestaande beroepsmogelijkheden doet niet anders besluiten. Dit gegeven kan betekenisvol zijn voor het beoordelen van de verjaring, al dan niet, van het beroep tot nietigverklaring. Het neemt niet weg dat verzoeker niet geloofwaardig maakt waarom hij, eensdeels, de rechter ervan wil overtuigen dat hij een bijzonder nadelige impact van de overplaatsing ondervindt, die zo schadelijk is dat ze IX-10.386-8/10 dadelijk met een schorsing moet worden verholpen en, anderdeels, meer dan vijf maanden wacht om ze met een vordering tot schorsing te bestrijden. Het loutere gegeven dat dit met toepassing van artikel 19, tweede lid, RvS-Wet nog binnen de verjaringstermijn van het annulatieberoep zou vallen, vermag een talmen niet te verontschuldigen – er is geen band tussen de beroepstermijn en de mogelijkheid om, binnen die termijn of erna, een schorsingsvordering in te leiden. De omstandigheid dat een vordering is ingesteld binnen de wettelijke beroepstermijn, en meer bepaald op het einde ervan, is een gegeven dat de spoedeisendheid op zich noch bevestigt, noch ze tegenspreekt.
  27. Deze vaststelling volstaat om de vordering, wat de beslissing tot overplaatsing van verzoeker van 27 juni 2023 betreft, te verwerpen. X. Besluit
  28. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering hoe dan ook moet worden afgewezen. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt de vordering.
  30. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.386-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.386-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.295 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.