id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.301 Rolnummer: A. 240810/VII-42322 Zaak: Arrest 260301 - Niet begeleide minderjarigen - 27/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-01 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-06 01:57 Fiche Arrest nr 260.301 van 27 juni 2024 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.301 no lien 277905 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 260.301 van 27 juni 2024 in de zaak A. 240.810/VII-42.322 In zake : H.I. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benoit Dhondt kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 december 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 26 oktober 2023 waarbij wordt beslist verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat zij geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van VII-42.322-1/24 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 juni 2024, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Cuypers, die loco advocaat Benoit Dhondt verschijnt voor verzoekster, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoekster komt België binnen en zij wordt op 26 september 2023 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Zij heeft verklaard van Somalische nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 18 mei 2007. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoeksters voorgehouden leeftijd. Op 25 oktober 2023 ondergaat verzoekster in het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven een medisch onderzoek om na te gaan of zij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoekster “op datum van 25-10-2023 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,5 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger.” VII-42.322-2/24 De dienst Voogdij beslist op 26 oktober 2023 op grond van het voormelde medisch onderzoek verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat zij geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoekster werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 3 en 8 iuncto artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM), van de artikelen 2 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van “de motiveringsplicht” zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de artikelen 7, 18, 20, 21, 24.2 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 3 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, van de artikelen 25 en 46 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) en van het VII-42.322-3/24 rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen van Unierecht. De toelichting bij het enige middel in het verzoekschrift beslaat 21 pagina’s. Hierna wordt de essentie van het middel weergegeven zoals de Raad van State het begrijpt. De partijen vinden de volledige weergave met alle erin opgenomen citaten terug in het verzoekschrift tot nietigverklaring. 5. In een eerste middelonderdeel “de bijstand van een voogd en geïnformeerde toestemming” citeert verzoekster artikel 7 van de voogdijwet, artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 en artikel 25.1 en 25.5 van richtlijn 2013/32. Zij merkt op dat zij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en in die hoedanigheid is aangemeld bij de dienst Voogdij. Verzoekster voert aan dat artikel 7 van de voogdijwet niet de omzetting vormt van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 maar wel richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd. De door de dienst Voogdij georganiseerde leeftijdstest vormt een toepassing van het voornoemde artikel 25.5. De aanstelling van een voogd voor een verzoeker om internationale bescherming die aangeeft minderjarig te zijn, valt onder het Unierecht. Verzoekster vervolgt dat artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 gepaard gaat met een appreciatiebevoegdheid. Zij acht artikel 7 van de voogdijwet hiermee in strijd omdat het geen enkele marge voorziet doch een verplichting inhoudt om een medische leeftijdstest uit te voeren zodra de dienst Vreemdelingenzaken twijfel uit over de opgegeven leeftijd. De beperking van de discretionaire bevoegdheid heeft een impact op de evenredigheid van de bestreden beslissing. Artikel 25.1 van richtlijn 2013/32 vereist de onmiddellijke aanstelling en bijstand van een voogd, waarbij pas later een medische leeftijdstest kan worden overwogen in geval van twijfel. Verzoekster verwijst dienaangaande onder meer naar de standpunten van het VN-Comité voor de Rechten van het Kind (hierna: VN-Kinderrechtencomité), van het Fundamentel Rights Agency en de Europese ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.301 VII-42.322-4/24 Commissie, van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, alsook naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voegt daar nog aan toe dat deze vereiste samen met de vereisten van bijstand van een raadsman, de mogelijkheid om geïnformeerd in te stemmen met een medisch leeftijdsonderzoek en leeftijdsadequate opvang als noodzakelijke procedurele waarborgen gelden op grond van het vermoeden van minderjarigheid, hetgeen op zijn beurt inherent is aan het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken niet-begeleide minderjarige vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn. Verzoekster laat gelden dat de beoordeling van de verklaarde leeftijd van een verzoeker om internationale bescherming, inclusief de betwisting hiervan, deel uitmaakt van de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, dit overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95 en artikel 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), dat er de omzetting van is. Uit dit laatste artikel blijkt dat verklaringen en documenten met betrekking tot verzoeksters leeftijd en identiteit kernelementen zijn voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming die in direct verband staan met verzoeksters algemene geloofwaardigheid. Te dezen heeft verzoekster geen voogd noch opvang gekregen voordat de leeftijdstest werd afgenomen. Verzoekster werd niet correct geïnformeerd over de leeftijdstest en de gevolgen ervan, noch over de mogelijkheid deze test te weigeren en de gevolgen daarvan. Er kan niet worden geverifieerd of de in de “fiche niet-begeleide minderjarige” aangegeven informatie wel klopt. Verzoekster beschikte niet over een voogd of een advocaat zodat zij niet met de nodige procedurele garanties haar toestemming voor de leeftijdstest kon geven en geen sprake kan zijn van een vrije, geïnformeerde toestemming. Een leeftijdstest die wordt afgenomen terwijl verzoekster de gevolgen van dergelijke test niet begrijpt, gebeurt niet met respect voor haar recht op privéleven en haar ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.301 VII-42.322-5/24 hoger belang als kind. Op grond van het voorgaande acht verzoekster ook artikel 8 van het EVRM, verzoeksters hoger belang als kind, zoals gewaarborgd door artikel 8 van het EVRM en artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 25.5 van richtlijn 2013/32, evenals artikel 12 van het IVRK geschonden. Aangaande de toepassing van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie merkt verzoekster op dat deze bepaling ten volle moet gelden ofschoon op basis van de resultaten van de medische leeftijdstest wordt besloten tot de meerderjarigheid van de betrokkene. Een andere interpretatie acht verzoekster in strijd met het recht op een effectief rechtsmiddel, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het enkele feit dat verzoekster heeft verklaard minderjarig te zijn vereist dat de procedurele garanties die voortvloeien uit het hoger belang van het kind toegepast dienen te worden. Dit standpunt wordt bijgetreden door het VN-Kinderrechtencomité en ook het EHRM is van oordeel dat het hoger belang van het kind toepassing moet vinden in de procedure waarbij een medische leeftijdstest die op meerderjarigheid wijst, wordt aangevochten. 6. In een tweede middelonderdeel “met betrekking tot de nauwkeurigheid en evenredigheid van de test” herhaalt verzoekster dat haar geen voogd werd toegewezen vóór het uitvoeren van de leeftijdstest. Er werden geen verklaringen afgenomen van verzoekster noch werd enig ander (bijvoorbeeld psycho-affectief of multidisciplinair) onderzoek gevoerd en er werden evenmin inlichtingen ingewonnen via diplomatieke posten. Verzoekster voert aan dat op grond van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 het minst ingrijpende medisch onderzoek moet worden georganiseerd, volgens het Europees Asielagentschap pas nadat alle andere mogelijkheden om de leeftijd te schatten zijn uitgeput. Het VN-Kinderrechtencomité vereist dat niet enkel met het fysieke voorkomen maar ook met de psychologische maturiteit van de betrokkene rekening wordt gehouden. Ook het EHRM wijst in het arrest van 21 juli 2022 in de zaak 5797/17, D. en C. VII-42.322-6/24 tegen Italië op het belang van een holistische en multidisciplinaire leeftijdsschatting. Op grond van een richtlijnconforme interpretatie van artikel 7 van de voogdijwet en artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003, evenals de in artikel 4 van richtlijn 2011/95 voorziene samenwerkingsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel, is ook de verwerende partij hiertoe gehouden. Tot slot is de verwerende partij op grond van artikel 3 iuncto artikel 13 van het EVRM verplicht verzoeksters identiteit en leeftijd aan een nauwgezet en nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Verzoekster laat gelden dat de beoordeling van de verklaarde leeftijd van een verzoeker om internationale bescherming, inclusief de betwisting hiervan, deel uitmaakt van de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, dit overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95 en artikel 48/6 van de vreemdelingenwet, dat er de omzetting van is. Verzoeksters leeftijd en identiteit behoren tot de kernelementen voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming die in direct verband staan met verzoeksters geloofwaardigheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschouwt de leeftijdsbeslissingen van de dienst Voogdij als administratieve beslissingen waaraan het privilège du préalable kleeft en die worden geacht wettig te zijn zolang ze niet zijn vernietigd of ingetrokken. De asiel- en beroepsinstanties maken geen latere inschatting van de leeftijd. Indien de verklaarde leeftijd niet wordt aanvaard, kan dit nochtans een tegenindicatie vormen voor de algemene geloofwaardigheid van het asielrelaas. Verzoekster acht de medische leeftijdstest “op zich onnauwkeurig en weinig precies”, hetgeen zij omstandig toelicht. Zij benadrukt het belang van het voordeel van de twijfel, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de psychologische maturiteit van de betrokkene en waarbij de laagst mogelijke leeftijd in aanmerking moet worden genomen. Hier geldt ook de samenwerkingsplicht voor de lidstaten van de Europese Unie met de verzoeker om internationale bescherming, waarvoor verzoekster naar analogie verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie wat het onderzoek naar de seksuele gerichtheid van de betrokkene betreft. Verzoekster leidt hieruit af dat een leeftijdsschatting met een zeer grote foutenmarge, zonder een verzoeker eerst uitgebreid te horen en zonder zijn documenten nauwkeurig en nauwgezet te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.301 VII-42.322-7/24 onderzoeken, in strijd is met artikel 4 van richtlijn 2011/95 en artikel 13 van richtlijn 2005/85 van de Raad van 1 december 2005 ‘betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus’. Er is op zijn minst aanvullend onderzoek nodig, zoals de in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziene psycho-affectieve test, en dit voorafgaand aan een medische leeftijdstest. Verzoekster herhaalt dat de leeftijdstest is terug te vinden in artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 en er onlosmakelijk deel van uitmaakt, ook wat betreft het rechtsmiddel. Verzoekster is van oordeel dat de procedure van artikel 7 van de voogdijwet niet voldoet aan de internationale en supranationale standaarden. Het onderzoek zou moeten worden uitgevoerd door een asielinstantie vermits het onlosmakelijk deel uitmaakt van de procedure internationale bescherming. De identificatie van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als niet-begeleide minderjarige vreemdeling, die thans gebeurt door de dienst Voogdij, heeft bovendien belangrijke gevolgen voor het recht op gezinshereniging van de betrokkene. Verzoekster verwijst dienaangaande naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat heeft geoordeeld dat een onderdaan van een derde land of een staatloze die op het tijdstip van aankomst op het grondgebied van een lidstaat minderjarig is en nog voor zijn 18de verjaardag een asielverzoek indient in die staat, voor wat het recht op gezinshereniging betreft, moet beschouwd worden als een minderjarige indien hij gedurende de asielprocedure meerderjarig zou worden en pas nadien erkend wordt als vluchteling. Verder vereist artikel 46.3 van dezelfde richtlijn dat het rechtsmiddel tegen de beoordeling van materiële feiten in de zin van artikel 4 van richtlijn 2011/95 een ex nunc-onderzoek inhoudt van de feitelijke en juridische gronden, hetgeen verzoekster bevestigd ziet in een aantal arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De toetsingsbevoegdheid van de Raad van State op grond van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is evenwel enger en sluit een eigen appreciatiebevoegdheid uit. Vermits de toetsing van de leeftijdstest door de Raad van State de enige is en deze toetsing gebeurt in de asielprocedure, gaat het niet om een effectief rechtsmiddel in de zin van de VII-42.322-8/24 voormelde richtlijnbepalingen. Het VN-Kinderrechtencomité neemt hierover hetzelfde standpunt in als verzoekster. 7. In een derde middelonderdeel “met betrekking [tot] de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de test en het voordeel van de twijfel” acht verzoekster de medische leeftijdstest “op zich onnauwkeurig en weinig precies”, hetgeen zij omstandig toelicht. Zij benadrukt het belang van het voordeel van de twijfel, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de psychologische maturiteit van de betrokkene en waarbij de laagst mogelijke leeftijd in aanmerking moet worden genomen. Vervolgens betwist verzoekster de interpretatie van de resultaten van haar leeftijdstest. Dat overeenkomstig artikel 7, § 3, van de voogdijwet rekening moet worden gehouden met “de jongste leeftijd” wil zeggen dat de betrokkene als minderjarig moet worden beschouwd indien één van de drie tests een “relevante” leeftijd oplevert die onder de meerderjarigheidsgrens ligt. Verzoekster merkt op dat de “standaarddeviatie” aan beide zijden van de geschatte leeftijd 34,1 % bedraagt, waarna er met die resultaten nog eens 16 % ouder of jonger dan de standaarddeviatie zijn. Zelfs met een dubbele standaarddeviatie van 13,6 % aan beide zijden, vallen 2,2 % van de personen er aan weerszijden buiten. De jongste leeftijd bevindt zich extreem links op de leeftijdscurve, zodat de standaarddeviatie zou moeten worden vermenigvuldigd met drie. Op basis van de handpolsradiografie besluit de deskundige dat verzoekster een matuur skelet heeft, hetgeen een minimumleeftijd van 16 jaar impliceert. Bij de radiografie van het sleutelbeen van verzoekster, trof de deskundige deze aan in stadium 4, wat overeenstemt met een gemiddelde leeftijd van 26,7 jaar met een standaarddeviatie van 2,6 jaar. Op basis van het orthopantomogram neemt de deskundige een leeftijd van 23,5 jaar in aanmerking. Verzoekster stelt zich ernstige vragen bij de interpretatie van deze test. Zij bemerkt dat geen standaarddeviatie wordt toegepast, doch wel dat het 95 % predictie-interval wordt bepaald op 19,6 tot 25,0 jaar, met de verduidelijking dat de kans 99 % bedraagt dat verzoekster ouder is dan 18 jaar. Naar verzoeksters oordeel hield de deskundige geen rekening met het feit dat zij een vrouw van Afrikaanse origine is. Verzoekster grijpt terug op een ander ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.301 VII-42.322-9/24 leeftijdsdossier waarbij een medische leeftijdstest werd uitgevoerd door dezelfde experts, die bij de betrokkene, zijnde een Ethiopische man, zoals in casu vaststelden dat alle wijsheidstanden zich in ontwikkelingsstadium 10 bevonden, doch het 95 % predictie-interval in dat geval bepaalden op 18,8 tot 25,0 jaar. Verzoekster verwijst vervolgens naar een ander leeftijdsdossier, waarbij een medische leeftijdstest werd uitgevoerd door een andere expert, die bij de interpretatie van het radiologisch onderzoek van de tanden voor de betrokkene, zijnde een man van Afrikaanse afkomst, wel een standaarddeviatie bepaalde. Deze expert wees er bovendien op dat de onderzoeken waarop men zich baseert bij de leeftijdsschatting werden uitgevoerd bij Kaukasiërs, waardoor een grote voorzichtigheid, zoals een standaarddeviatie respecteren van 2,0 tot 2,5 jaar, geboden is indien radiologische onderzoeken worden uitgevoerd teneinde de leeftijd te schatten van een persoon uit een andere bevolkingsgroep. In de mate dat het resultaat van de medische test afhangt van de deskundige die deze test uitvoert, acht verzoekster het gelijkheidsbeginsel als beginsel van Unierecht en zoals gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het rechtszekerheidsbeginsel, het voorzienbaarheidsbeginsel en de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden. Verzoekster noemt de medische leeftijdstest nogmaals “onnauwkeurig en weinig precies”, onder meer omdat de standaardafwijking als ondergrens wordt gehanteerd terwijl ze slechts 68% van de testpopulatie beslaat en 32% uitsluit. Om deze reden acht verzoekster meteen de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen en beginselen geschonden. Het is volgens verzoekster voldoende aangetoond dat het medisch leeftijdsonderzoek te dezen gebreken vertoont en dat het moeilijk te achterhalen is of haar verklaarde leeftijd volledig werd uitgesloten door het resultaat van het onderzoek. Nu 2 van de 3 testen een leeftijd insluiten die zich situeert onder de meerderjarigheidsgrens, nu de zus van verzoekster niet werd gehoord en nu de verwerende partij geen enkel ander nuttig onderzoek heeft uitgevoerd, dient te worden aangenomen dat verzoeksters verklaarde leeftijd correct kan zijn en dat een voogd moet worden aangesteld. VII-42.322-10/24 Beoordeling Eerste onderdeel van het enige middel 8. In de mate dat verzoekster verwijst naar richtlijn 2013/32, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat deze in haar artikel 1 uitdrukkelijk “de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming” beoogt. Zoals verzoekster terecht opmerkt, vormt de voogdijwet niet de omzetting van deze richtlijn. De voogdijwet dateert van vóór de richtlijn en maakt geen onderscheid naargelang de betrokkenen “de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben gevraagd” dan wel “niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen”. Het in de voogdijwet voorziene leeftijdsonderzoek heeft enkel tot doel in geval van twijfel na te gaan of de betrokkenen al dan niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en hen dus al dan niet een voogd moet worden toegekend. Het gaat niet om een beoordeling in het licht van een verzoek om internationale bescherming. 9. Artikel 25.1, a), van richtlijn 2013/32 legt de lidstaten op “zo snel mogelijk maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een vertegenwoordiger zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld”. Voor zover het Unierecht te dezen van toepassing zou zijn, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de voogdijwet de mogelijkheid niet uitsluit dat reeds een voogd wordt aangewezen indien er twijfel is over de voorgehouden leeftijd en de leeftijdstest nog moet worden uitgevoerd. Verder vermeldt het voornoemde artikel 25.1, a), van richtlijn 2013/32 enkel dat de vertegenwoordiger van de niet-begeleide minderjarige “zo snel mogelijk” moet worden aangesteld, zonder enige concrete termijn en met name zonder aan te geven dat dit moet gebeuren vooraleer tot een leeftijdsonderzoek wordt beslist of VII-42.322-11/24 dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd, laat staan dat een op grond van een medisch onderzoek genomen leeftijdsbeslissing onwettig zou zijn om de enkele reden dat op dat ogenblik nog geen voogd was aangesteld. Vervolgens dient te worden opgemerkt dat de dienst Voogdij op grond van artikel 6, § 2, van de voogdijwet de betrokkene meteen onder de hoede neemt vanaf zijn aanmelding bij de dienst Voogdij. In de verantwoording bij het amendement dat tot artikel 6, § 2, van de voogdijwet heeft geleid, heet het: “De beschermingsregeling bestaat uit twee fasen: De eerste fase bestaat erin dat de Dienst voogdij de vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn onder zijn hoede neemt. De tweede fase vangt aan op het tijdstip waarop de Dienst voogdij de voogd heeft aangewezen wanneer volgens hem vast is komen te staan dat de betrokken persoon voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 6 van het ontwerp. Ingeval een vreemdeling asiel aanvraagt of aan de grens of op het grondgebied wordt gevonden zonder de documenten op grond waarvan hij het grondgebied mag betreden of aldaar verblijven en hij verklaart minderjarig te zijn, neemt de Dienst voogdij onmiddellijk die persoon onder zijn hoede en plaatst hem tijdelijk onder haar bescherming tot wanneer zijn minderjarigheid is bevestigd, voor zover zij wordt betwist. Het betreft een overgangsperiode die zo kort mogelijk moet zijn.” Net omwille van deze eerste fase van de bescherming, blijkt te dezen dat de in de voogdijwet voorziene en op verzoekster toegepaste regeling geen schending vormt van artikel 25.1 van richtlijn 2013/32 voor zover deze bepaling van toepassing zou zijn. 10. Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32/EU kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of andere relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Ook uit deze richtlijnbepaling blijkt niet dat een voogd moet zijn aangesteld alvorens een leeftijdsonderzoek kan worden ingesteld. Ze bevat geen enkele vermelding in die zin. Evenmin blijkt dat artikel 25 van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.301 VII-42.322-12/24 richtlijn 2013/32 chronologisch zou moeten worden gelezen zoals verzoekster doet, namelijk dat eerst (artikel 25.1) een voogd moet worden aangesteld en dat in een later stadium en wanneer daaraan is voldaan pas een leeftijdsonderzoek (artikel 25.5) kan worden uitgevoerd. Zo hebben artikel 25.3 en 25.4 duidelijk betrekking op een latere fase dan de leeftijdsbeslissing, namelijk het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming en zelfs de mogelijke intrekking van die bescherming. Tot slot voorziet artikel 25.5 zowel de situatie met als zonder voogd waar het voorziet dat “de niet-begeleide minderjarige” moet worden geïnformeerd over het leeftijdsonderzoek (artikel 25.5, derde lid,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.