id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.306 Rolnummer: A. 238870/X-18373 Zaak: Arrest 260306 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-04 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-06 01:42 Fiche Arrest nr 260.306 van 27 juni 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.306 no lien 277910 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 260.306 van 27 juni 2024 in de zaak A. 238.870/X-18.373 In zake : de BV S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gaël Bedert kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 3550 Heusden-Zolder Pastoor Paquaylaan 184 tegen : 1. de GEMEENTE KONTICH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Nele Ansoms kantoor houdend te 2600 Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van:
- a)het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Kontich van 21 november 2022 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Meylweg’;
- b)het besluit van het team Milieueffectenrapportage van de Vlaamse overheid (hierna: team Mer) van 23 december 2021 inzake het toekennen van een ontheffing X-18.373-1/25 voor het opmaken van een planmilieueffectrapport voor het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Meylweg’. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni 2024. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gaël Bedert, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Ellen Voortmans, die loco advocaten Yves Loix en Nele Ansoms verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Jutte Nijs, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-18.373-2/25 III. Feiten 3.1. De verwerende partij wenst ten oosten van de kern van Kontich een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Meylweg’ (hierna: het gemeentelijk RUP) op te maken. Het doel van het gemeentelijk RUP bestaat er luidens de toelichtingsnota bij dat plan in “de bestaande sport- en recreatieve functies te bundelen ter creatie van een recreatieve pool. Tevens wenst men met voorliggend RUP de bestaande open ruimte te versterken en te bestendigen binnen een geëigende bestemming. Daarnaast wordt ook het netwerk van trage wegen uitgebreid”. 3.2. De scopingnota vermeldt dat het voorgenomen gemeentelijk RUP niet van rechtswege planmilieueffectrapport-plichtig (plan-MER-plichtig) is om reden dat het plangebied het gebruik van een klein gebied op lokaal niveau bepaalt (een totale oppervlakte van 0,57 km² of 2,40 % van de totale oppervlakte van de gemeente Kontich) en een kleine wijziging inhoudt. Uit de scopingnota blijkt voorts dat ingevolge het gemeentelijk RUP geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden. 3.3. Op 17 december 2020 vindt een participatiemoment aangaande het voorgenomen gemeentelijk RUP plaats. 3.4.1. De verzoekende partij is eigenaar van percelen gelegen in de zone ‘Sport- en recreatiegebied’ (artikel 4.1. van de stedenbouwkundige voorschriften) en deels in de zone ‘landschappelijke buffering’ (artikel 4.2. van de stedenbouwkundige voorschriften) van het gemeentelijk RUP. Voorheen situeerden deze percelen zich overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen in een gebied voor dagrecreatie. 3.4.2. Op 2 augustus 2021 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich aan de verzoekende partij een omgevingsvergunning voor “het bouwen en exploiteren van een E-bikeparcours met wasplaats” op de voormelde percelen. Het vergunde project wordt in de omgevingsvergunning als volgt omschreven: X-18.373-3/25 “De aanvraag betreft de inrichting van een braakliggend perceel tot volwaardig overdekt recreatief e-park met een ondersteunend gebouw. Het hele project situeert zich op een terrein van 5154,68 m² met aan de overkant van de straat een extra terrein van 648,14 m² wat dienst zal doen als parking voor minimum 13 extra auto’s. De inrichting van het terrein zal voornamelijk bestaan uit het parcours zelf met daarbij de nodige horeca en omkleed faciliteiten en parking voor 15 auto’s en 62 fietsen. […] Er zal een grote luifel geconstrueerd worden over het terrein die aan de zijkanten open wordt gelaten. Het dak ervan is opgebouwd als een serreconstructie en is opgebouwd uit glas. Het doel is om de banen te vrijwaren van regen. Vooraan wordt een gelijkvloers gebouw van 10m22 bij 25m52 geconstrueerd als houtskeletstructuur. In het gebouw is een beperkte cafetariafunctie opgenomen met een oppervlakte van 54,31 m² toegankelijk voor alle publiek, alsook mindervaliden. Vooraan is een ondersteund kantoortje opgenomen. Daarnaast is er nog ruimte voor ondersteunende functie voor het horecagedeelte zoals een berging en een opwarmkeuken. In het volume is ook nog een kleedruimte met 4 aparte kleedhokjes opgenomen. Daarnaast is een sanitair blok voorzien voor mannen en vrouwen en mindervaliden. Achteraan is een werkruimte om onderhoud uit te voeren aan de e-voertuigen. […]” 3.5. Op 23 december 2021 beslist het team Mer dat er geen plan-MER moet opgesteld worden. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.6. Op 22 maart 2022 vindt een plenaire vergadering over het voorgenomen gemeentelijk RUP plaats. 3.7. Op 16 mei 2022 stelt de gemeenteraad van de gemeente Kontich het ontwerp van het gemeentelijk RUP voorlopig vast. 3.8. In de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP wordt onder ‘Visie en ruimtelijke concepten’, ‘Creatie van een gebundelde recreatieve pool’, het volgende gesteld: “ X-18.373-4/25 Momenteel zijn de verschillende sport- en recreatiefuncties verspreid gelegen langsheen Meylweg. Bovendien staat elke functie op zich en worden er geen faciliteiten zoals gebouwen of parkings gedeeld. Het creëren van een gebundelde recreatieve pool kan zorgen voor een duidelijkere ruimtelijke structuur zonder versnippering van functies. Hierbij kan het bijvoorbeeld opportuun zijn om de tennisclub te herlokaliseren en te bundelen met de bestaande voetbalclub. Het bundelen van faciliteiten en infrastructuur kan bovendien meer ruimte vrijmaken voor ontharding en groen waardoor het ruimtebeslag kan worden verminderd. Het RUP zal streven naar buitensportinvullingen die steeds verzoenbaar zijn met de omgeving (woonfuncties, groene omgeving, … ). Als de invulling niet verzoenbaar is, dan is deze ook niet vergunbaar. De bestaande invullingen die niet verzoenbaar geacht worden, zullen op termijn opgenomen worden in een uitdoofscenario. Het RUP voorziet in een beperkte uitbreiding van het aantal vierkante meters bebouwing om zodoende de aanwezige recreatieve invullingen een toekomstperspectief te kunnen bieden. Door het opnemen van een gepaste B/T-index kan deze beperkte uitbreiding van de bebouwing verordenend gestuurd worden. ” X-18.373-5/25 3.9. Van 1 juni 2022 tot en met 31 juli 2022 wordt over het ontwerp van het gemeentelijk RUP een openbaar onderzoek gehouden. De verzoekende partijen dienen tijdens dit openbaar onderzoek een bezwaarschrift in. 3.10. Op 27 september 2022 brengt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Kontich (hierna: de Gecoro) een advies uit. 3.11. Met het eerste bestreden besluit van 21 november 2022 stelt de gemeenteraad van de gemeente Kontich het gemeentelijk RUP definitief vast. Onder de hoofding “Argumentatie” wordt in het bestreden besluit gesteld: “Momenteel zijn de verschillende sport- en recreatiefuncties verspreid gelegen langsheen de Meylweg. Bovendien staat elke functie op zich en worden er geen faciliteiten zoals gebouwen of parkings gedeeld. Het creëren van een gebundelde recreatieve pool kan zorgen voor een duidelijkere ruimtelijke structuur zonder versnippering van functies. Het RUP streeft naar buitensportinvullingen die steeds verzoenbaar zijn met de omgeving. Als de invulling niet verzoenbaar is, dan is deze ook niet vergunbaar. De bestaande invullingen die niet verzoenbaar geacht worden, zullen op termijn opgenomen worden in een uitdoofscenario. […]” X-18.373-6/25 3.12. Het grafisch plan van het gemeentelijk RUP is het volgende – de percelen van de verzoekende partij (blauw omrand) worden er ter verduidelijking op aangeduid: De bij het grafisch plan horende legende luidt: X-18.373-7/25 3.13. De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 3 ‘Openbaar domein’ luiden: “3.1. G e m e e n t e w e g e n 3.1.1 B e s t e m m i n g - openbare verkeers- en vervoersinfrastructuur, aanhorigheden van de wegeninfrastructuur en openbaar groen. 3.1.2 I n r i c h t i n g - alle werken, handelingen en wijzigingen voor de aanleg van, het functioneren van of aanpassingen aan de weginfrastructuur, aanhorigheden en publieke ruimte zijn toegestaan; - bij de inrichting moeten volgende aspecten meegenomen worden: - de inrichting moet steeds gebaseerd zijn op het visueel samenhangend totaalbeeld van de verkeersruimte, infrastructuren en het wegkarakter; - speciale aandacht dient te gaan naar het maximaliseren van de verkeersveiligheid op de Meylweg; - het tracé van de gemeenteweg houdt rekening met de landschappelijke en natuurlijke waarden. 3.1.3 B e h e e r - alle beheermaatregelen in functie van de functionaliteit van de gemeentewegen zijn toegelaten. X-18.373-8/25 3.2. I n d i c a t i e v e t r a g e w e g e n 3.2.1 B e s t e m m i n g - openbare wandel- en fietswegen met de daarbij horende vrije ruimte. 3.2.2 I n r i c h t i n g - de aangegeven trage wegen zijn indicatief waardoor de exacte ligging max. 10 m kan afwijken van de aanduiding op het grafisch plan. - de indicatieve trage wegen brengen volgende verbindingen tot stand: tracé A: verbinding tussen de Meylweg en de fietsostrade F1 (Antwerpen-Mechelen-Brussel); tracé B: verbinding tussen de Bautersemstraat en de nog te ontwikkelen trage wegen binnen artikel 7; tracé C: verbinding tussen tracé B en de Meylweg doorheen het recreatiegebied. - het tracé van de indicatieve trage wegen houdt rekening met: een min. breedte van 1 m en een max. breedte van 2,5 m; de verkeersveiligheid van de trage wegen; het niet hypothekeren van de landschappelijke en natuurlijke waarden; het niet hypothekeren van de agrarische activiteiten. - constructies en kleinschalige infrastructuur kunnen ingericht worden met het oog op het optimaliseren van de functionele en recreatieve functie van de trage wegen; - het plaatsen van verlichting is toegestaan mits het volgen van onderstaand stappenplan:
- a)verlicht enkel een deel van de nacht (smart lighting of sensor gestuurde verlichting waarbij de verlichting standaard gedoofd wordt, of door bepaald tijdslot);
- b)beperk de intensiteit van het licht en vermijd strooilicht zoveel mogelijk. Plaats verlichting zo laag mogelijk;
- c)gebruik een aangepaste lichtkleur;
- d)andere (nieuwe) technieken om de negatieve impact van verlichting op de omgeving te beperken kunnen steeds aangewend worden. - gemotoriseerd verkeer is verboden met volgende uitzonderingen: gemotoriseerd verkeer i.f.v. onderhoud en (afval)beheer van de trage wegen; landbouwvoertuigen; hulpdiensten.” X-18.373-9/25 3.14. De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 4.1. ‘Sport- en recreatiegebied’ luiden: “4.1. S p o r t - e n r e c r e a t i e g e b i e d 4.1.1 B e s t e m m i n g - deze zone is bestemd voor buitensportrecreatie en de daarvoor noodzakelijke randinfrastructuur; - recreatief medegebruik. 4.1.2 I n r i c h t i n g Bebouwde ruimte Algemeen - De sportactiviteiten dienen van die aard te zijn dat de impact op de omgeving beperkt blijft in zake geluid en verkeersgeneratie; - er wordt gestreefd naar een landschappelijke integratie t.o.v. het achterliggende openruimtegebied. Kerncijfers - B/T-index: max. 0,07 ten opzichte van de zone waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft; - V/T-index: max. 0,14 ten opzichte van de zone waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. Inplanting Er wordt ingezet op een zuinig ruimtegebruik. Bij voorkeur wordt er zoveel mogelijk ingezet op een bundeling van de gebouwen in een gebouwencomplex. Bij de inplanting dient rekening gehouden te worden met: - de functionaliteit van het gebouw en/of het gebouwcomplex; - het zoveel mogelijk bundelen van de sport- en recreatieve functies binnen de recreatieve pool; - de functionaliteit van de buitenruimte: een goede toegankelijkheid voor voetgangers en fietsers; een goede verbinding tussen de zone voor sport en recreatie en de parkeerzone. - een integratie en afstemming op de Meylweg, de omliggende wegenis, de functies en het karakter; - de impact op het gemengd openruimtegebied. Bouwhoogte - max. bouwhoogte: 7 m. Dak - dakvorm is vrij; - technische installaties en constructies moeten architecturaal geïntegreerd worden. Onbebouwde ruimte Algemeen De onbebouwde ruimte wordt ingericht i.f.v. een landschappelijk aantrekkelijke site waarin zowel de bebouwde ruimte als de verhardingen, sportvelden… geïntegreerd worden. Concreet worden volgende inrichtingen in de onbebouwde ruimte toegelaten: X-18.373-10/25 - openlucht sportinfrastructuur, incl. kleinschalige constructies voor overdekte supportersruimte of dug-outs voor spelers langsheen de sportterreinen; - het optrekken van tijdelijke constructies i.f.v. de buitensportactiviteiten zijn steeds toegelaten; maximale bouwhoogte van tijdelijke constructies: 11 m. - speelruimte inclusief speeltuigen; - noodzakelijke drainage; - noodzakelijke afdaken aansluitend bij de gebouwen; - overkappingen: overkappingen kunnen enkel toegelaten worden indien deze gerealiseerd worden als een lichte constructie; onder volgende voorwaarden kunnen overkappingen tijdelijk volledig afgesloten worden: o indien de weeromstandigheden het anders niet toelaten om de recreatieve invulling uit te oefenen; o de zijpanelen gemakkelijk te monteren en demonteren zijn, dit zodat de aanwezige zichtrelatie te allen tijde zo min mogelijk belemmerd worden. - het plaatsen van verlichting: dit is toegestaan afgestemd op de behoeften van de sportvoorzieningen mits bij de inplanting en keuze van verlichtingselementen (lichtsterkte, straalrichting, gebruik van sensoren…) rekening gehouden wordt met de privacy van de omwonenden en de natuurlijke en landschappelijke waarden in de omgeving. - noodzakelijke verhardingen voor toegankelijkheid en ontsluiting, circulatieruimte en parkeervoorzieningen; - fietsenstallingen; - groenvoorzieningen en landschappelijke inkadering. Landschappelijke inkadering - min. G/T-index: 0,2 ten opzichte van de onbebouwde ruimte; - de onbebouwde ruimte dient een groen en kwalitatief karakter te krijgen met een hoge verblijfswaarde; - de inrichting van de site dient landschappelijk te worden ingekaderd met voldoende aandacht voor een kwalitatieve aansluiting met het omliggende gemengd openruimtegebied en het parkgebied; - ruimte die niet wordt aangewend voor sportinfrastructuur en daarbij horende constructies, circulatieruimte en parkeervoorzieningen dient maximaal groen ingevuld te worden. Reliëfwijzigingen - beperkte reliëfwijzigingen zijn toegestaan indien deze in functie staan van de realisatie van de bestemming Parkeren - bij voorkeur wordt een georganiseerde collectieve parking langs de Meylweg voorzien; - daarnaast kunnen ook parkeerplaatsen voorzien worden op eigen terrein; X-18.373-11/25 - het aantal auto- en busparkeerplaatsen dient bij de vergunningsaanvraag voldoende gemotiveerd te worden zodat dit kan beoordeeld worden door de vergunningverlenende overheid; - alle parkeerzones dienen te voldoen aan volgende voorwaarden: de parkeerzones dienen een ruimtelijk kwalitatief ontwerp te krijgen en mogen geenszins ingericht worden als één grote verharde zone: o de parkeervakken dienen verplicht uitgevoerd te worden met waterdoorlatende verharde en/of halfverharde materialen; o de rijlopers mogen uitgevoerd worden in niet waterdoorlatende materialen. - Volgende normen gelden voor de fietsenstalplaatsen: sportterrein sportterrein > 5.000 m²: min. 0,50/100m² fietsenstalplaatsen; deze worden bij voorkeur ingepland op strategische locaties waarbij het fietsgebruik gestimuleerd wordt.” 3.15. De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 4.2. ‘Landschappelijke buffering’ (overdruk) luiden: “4.2.1 B e s t e m m i n g - landschappelijke buffering 4.2.2 I n r i c h t i n g - tussen het sport- en recreatiegebied (art. 4.1) en de aanpalende woningen (art. 5) dient er een landschappelijke buffer aangelegd te worden. - voor de inrichting van de buffer gelden volgende bepalingen: min. breedte van 8 m; bestaat uit laag- en hoogstammig groen en onderbegroeiing. - de overige ruimte kan aangewend worden voor het realiseren van een trage verbinding en/of ingezet worden voor het realiseren van parkeerruimte: de openbare parkeervoorzieningen worden maximaal gebundeld; de parking dient gerealiseerd te worden met een maximale groene invulling, zowel door het gebruik van aangepaste materialen als door de aanplant van voldoende groen: de parkeervakken dienen verplicht uitgevoerd te worden met waterdoorlatende verharde en/of halfverharde materialen.” X-18.373-12/25 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 3°, en § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids-, redelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel. Zij zet uiteen dat met artikel 4 van het gemeentelijk RUP een beperking wordt opgelegd ten aanzien van wat voorheen onder de gewestplanbestemming ‘dagrecreatie’ mogelijk was, nu in de stedenbouwkundige voorschriften wordt gesteld dat de zone bestemd wordt voor buitensportrecreatie en/of de daarvoor noodzakelijke randinfrastructuur en/of recreatief medegebruik, dan wel voor landschappelijke buffering. De verzoekende partij meent dat deze voorschriften niet duidelijk bepalen welke activiteiten er zijn toegelaten. Ten eerste is het niet duidelijk wat wordt bedoeld met de “zone voor buitensportrecreatie”, “randinfrastructuur” en “recreatief medegebruik”. Deze vage termen en algemene formuleringen laten aan de rechtsonderhorige niet toe om met zekerheid te weten welke gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden er nog zijn. Mag er enkel nog buitensportrecreatie worden voorzien of is er nog steeds een mogelijkheid om ook infrastructuur voor indooractiviteiten te voorzien? Net zomin weet de rechtsonderhorige wat er met de bestaande binnen(sport)recreatie zal gebeuren en of er daarvoor nog verdere uitbreidingsmogelijkheden zijn. Ten tweede verduidelijken de stedenbouwkundige inrichtingsvoorschriften met betrekking tot de reeds bebouwde gebieden niet wat de rechtsgevolgen zijn voor de bestaande gebouwen die niet voldoen aan deze voorschriften. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat er plots slechts sprake is van een maximale bouwhoogte van 7 m. Dit wordt gelijkgesteld met de bouwhoogte die onder meer voor woningbouw realistisch zou zijn. Een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.306 X-18.373-13/25 bouwhoogte van 7 m is echter niet realistisch voor locaties met een recreatieve bestemming. Deze beperking van de bouwhoogte wordt nergens gemotiveerd. Evenmin is het duidelijk wat er met bestaande gebouwen die hoger zijn dan 7 m nog mogelijk is. Mogen deze worden heropgebouwd in geval van brand? Een tijdelijke constructie in onbebouwde gebieden kan overigens wél 11 m bedragen. Dit verschil wordt nergens gemotiveerd. Verder geldt een B/T-index van maximaal 0,07 en een V/T-index van maximaal 0,14 voor de zone waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. De vraag rijst wat er onder deze indexen dient te worden begrepen. Zijn daarin ook eventuele tijdelijke constructies of overkappingen in de onbebouwde gebieden vervat? Worden parkings in 100% waterdoorlatende materialen als bebouwing in aanmerking genomen? Daarnaast bepalen de stedenbouwkundige voorschriften dat de sportactiviteiten van die aard dienen te zijn dat de impact op de omgeving beperkt blijft inzake geluid en verkeersgeneratie. Hoe zal worden beoordeeld of de sportactiviteiten van dien aard zijn dat zij slechts een beperkte impact hebben op de omgeving? Wat wordt verstaan onder beperkt? Ten derde zijn er voor de onbebouwde gebieden veel onduidelijkheden en onzekerheden bij de omschrijving van de toegelaten inrichtingen. Wat wordt er begrepen onder verharding in onbebouwd gebied? Ook de tijdelijke constructies en overkappingen? Worden parkings die 100% waterdoorlatend zijn als verharding beschouwd? Wat wordt er bedoeld met “tijdelijke” constructies? Dienen deze constructies dan telkenmale na de winter te worden afgebroken? Welke tijdslimiet wordt hierop gezet? Wat met een tennisballon? Dient deze afgebroken te worden nu hij slechts tijdelijk mag worden gerealiseerd? Overkappingen dienen lichte constructies te zijn. Evenwel stelt zich de vraag wat “licht” is? Dit begrip wordt nergens gedefinieerd. Voorts wordt in het eerste bestreden besluit ook nog gesteld dat het gemeentelijk RUP streeft naar buitensportinvullingen die steeds verzoenbaar zijn met de omgeving, dat als de invulling niet verzoenbaar is ze ook onvergunbaar is, en dat de bestaande invullingen die niet verzoenbaar geacht worden op termijn zullen opgenomen worden in een uitdoofscenario. Het is niet duidelijk wat wordt bedoeld met bestaande invullingen die niet verzoenbaar zouden worden geacht. X-18.373-14/25 Zijn de activiteiten van de verzoekende partij onverzoenbaar, “nu deze bij uitstek indooractiviteiten betreffen, waarvoor recent […] nog een vergunning werd verleend”? Het zogenaamde uitdoofbeleid dient minstens te worden verduidelijkt en gemotiveerd. Zo is er niet bepaald of de vergunde structuren nog vervangen mogen worden indien dat noodzakelijk is. Ten slotte gaat de verzoekende partij in op haar perceel dat de bestemming ‘landschappelijke buffering’ krijgt en dat overeenkomstig haar vergunning als parking zal dienen. De verzoekende partij betoogt dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften een parking op het eerste gezicht niet lijkt te worden uitgesloten, aangezien wordt vermeld dat de overige ruimte kan worden ingevuld als parkeerruimte, doch dat zij daarvoor geen sluitende garantie heeft. Wordt een gedeelte van de parking zonevreemd? De trage wegen of verbindingen liggen ook nog niet vast, zodat de verzoekende partij niet met zekerheid weet of er over haar perceel, voorzien voor parkeerplaatsen, een trage verbinding zal lopen. Een en ander is het gevolg van de vage stedenbouwkundige voorschriften die een te ruime invulling overlaten aan de vergunningverlenende overheid bij concrete projectaanvragen. Beoordeling 5.1. Vastgesteld wordt vooreerst dat de verzoekende partij uitdrukkelijk zelf stelt dat haar vergunde activiteiten “bij uitstek indooractiviteiten betreffen”. De Gecoro heeft er in haar advies op gewezen dat “[i]ndooractiviteiten […] niet langer wenselijk [zijn]” en dat “[e]en overschakeling qua invulling van de recreatieve site […] nog steeds mogelijk [is] binnen dit RUP zolang ze de bepalingen van het RUP respecteren”. 5.2. Waar de verzoekende partij aanvoert dat het “niet duidelijk [is] wat wordt bedoeld met bestaande invullingen die niet verzoenbaar zouden worden geacht” heeft de Gecoro op pertinente wijze geantwoord dat “[b]estaande invullingen die niet voldoen aan de bestemmingsvoorschriften van het RUP […] als niet verzoenbaar [worden] geacht”, en dat bij de inwerkingtreding van het X-18.373-15/25 gemeentelijk RUP “alle nieuwe vergunningsaanvragen hieraan [zullen] getoetst worden”. Tegelijk heeft de Gecoro aangegeven dat: “[b]estaande vergunningen [niet] kunnen […] teruggedraaid worden. Gezien het RUP ten tijde van de vergunningsaanvraag nog in opmaak was kon deze niet als vergunningskader gehanteerd worden. De vergunningsaanvraag werd daarom getoetst aan het gewestplan en andere geldende wetgeving. Zolang de omgevingsvergunning niet komt te vervallen kunnen de vergunde ontwikkelingen gerealiseerd worden.” De verzoekende partij overtuigt er niet van dat het uitdoofbeleid, zoals van toepassing op de met het gemeentelijk RUP strijdige activiteiten en zoals toegelicht door de Gecoro, niet duidelijk zou zijn. Zonevreemde inrichtingen, waaronder verboden indoorsportactiviteiten, zullen na afbraak of stopzetting in het licht van de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP niet opnieuw vergund kunnen worden. Ter motivering van het uitdoofbeleid wijst de Gecoro erop dat de opmaak van het gemeentelijk RUP “kadert binnen de uitvoering van de beleidsvisie opgenomen in het goedgekeurde gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Kontich”. De situatie van de verzoekende partij blijkt voorts afdoende bij de beoordeling van de plannende overheid betrokken te zijn geworden. 5.3. Wat de vraag van de verzoekende partij betreft of een gedeelte van de haar vergunde parking zonevreemd wordt, weze opgemerkt dat de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 4.2. ‘Landschappelijke buffering’ (randnummer 3.15) duidelijk zijn. Zij laten de verzoekende partij toe om na te gaan of de haar vergunde parking al dan niet ermee in overeenstemming is. Wat verzoeksters betoog betreft dat niet vastligt waar op haar voor parking voorziene perceel in trage wegen zal worden voorzien, weze vooreerst vastgesteld dat er zich geen indicatieve trage weg in de zin van artikel 3.2. van het gemeentelijk RUP op dat perceel bevindt. Wel voorziet artikel 4.2.2 van het gemeentelijk RUP erin dat de overige ruimte – andere dan de landschappelijke buffer – “kan” aangewend worden voor het realiseren van een trage verbinding, maar evengoed “ingezet [kan] worden voor het realiseren van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.306 X-18.373-16/25 parkeerruimte” (randnummer 3.15). Wat dit laatste betreft, beschikt de verzoekende partij reeds over een omgevingsvergunning voor de aanleg van een parking. Van rechtsonzekerheid is te dezen geen sprake. 5.4. Voorts overtuigt de verzoekende partij er niet van dat de door de stedenbouwkundige inrichtingsvoorschriften vastgestelde maximale bouwhoogte van 7 m – 11 m voor tijdelijke constructies – de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan, nu die bebouwing volgens de stedenbouwkundige inrichtingsvoorschriften, zoals gezien, enkel “randinfrastructuur” betreft, noodzakelijk voor buitensportrecreatie, en gelet op het antwoord van de Gecoro dat deze hoogteregeling “reeds vigerende wetgeving [betreft] gezien de maximale bouwhoogte van 7 m reeds opgelegd wordt door de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ‘het algemeen bouwreglement 2020’ voor woongebouwen” en dat “[o]m geen ongelijkheid te laten ontstaan met de woonlinten die doorheen het plangebied lopen […] de hoogte ook beperkt [wordt] voor niet woongebouwen”. 5.5. Het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften verhindert niet dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheid bij het beoordelen van een concrete aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning. De verzoekende partij overtuigt er in dit licht niet van dat de in artikel 4.1.1 van het gemeentelijk RUP gehanteerde begrippen “buitensportrecreatie” en “de daarvoor noodzakelijke randinfrastructuur” en “recreatief medegebruik” al te flexibel zouden zijn en teveel beoordelingsruimte aan de vergunningverlenende overheid zouden laten. Evenmin al te flexibel is de vereiste dat sportinrichtingen van die aard dienen te zijn dat de impact ervan op de omgeving beperkt blijft inzake geluid en verkeersgeneratie. De door de verzoekende partij bekritiseerde begrippen die de inrichtingsvoorschriften van artikel 4.1.2 van het gemeentelijk RUP bevatten, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.306 X-18.373-17/25 komen evenmin als te flexibel voor. Het betreft meer bepaald het begrip “verhardingen” – waar volgens de Gecoro ook “halfverhardingen” onder vallen, zoals “grasdallen, grindgazon” –, “tijdelijke constructies” – die in de toelichtende bepalingen worden verduidelijkt als bijvoorbeeld “tentconstructies bij het organiseren van een tornooi of het gebruik van een tennisballon om de tennisterreinen ook doorheen de wintermaanden bespeelbaar te houden” –, “lichte constructies” – die blijkens de toelichting onder meer te beoordelen zijn “op basis van de architecturale uitstraling en het materiaalgebruik” –, of nog, “constructies in functie van buitensportrecreatie”. Bovendien gaat de verzoekende partij er in haar uiteenzetting aan voorbij dat artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften het begrip “tijdelijke constructie” nader definieert als: “Een gebouw, een bouwwerk, een verharding tijdelijk van aard en al dan niet bestaande uit duurzame materialen. In de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit.”. Wat het begrip “verhardingen” betreft, bepaalt artikel 1.4. van de stedenbouwkundige voorschriften dat “[v]erhardingen in de onbebouwde ruimte […] tot een minimum beperkt [dienen] te worden” en dat “de noodzakelijk verhardingen [bovendien] in de mate van het mogelijke gerealiseerd [moeten] worden in waterdoorlatende en/of halfverharde materialen”. Daaruit blijkt dat ook “waterdoorlatende verhardingen en/of halfverharde materialen” als “verhardingen” dienen te worden begrepen. Zij worden in artikel 2 gedefinieerd als “[a]lle soorten verhardingsmaterialen die door een bepaalde porositeit van het materiaal een waterdoorlatend vermogen hebben. Voorbeelden zijn: waterdoorlatende klinkers of betonstraatstenen, dolomiet, grind, natuursteen, houtsnippers, verhardingen met brede voegen...”. De verzoekende partij gaat ook hieraan voorbij. 5.6. De kritiek van de verzoekende partij op de beweerde onduidelijkheid van de inrichtingsvoorschriften met betrekking tot de B/T-index (bebouwingsindex) van “maximaal 0,07 […] ten opzichte van de zone waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft” en de V/T-index (vloer/terrein-index) van “maximaal 0,14 […] ten opzichte van de zone waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft” kan evenmin overtuigen, temeer nu zij nalaat om de verduidelijking van deze begrippen in artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP bij haar kritiek te betrekken. X-18.373-18/25 5.7. Waar de verzoekende partij voor het eerst in haar memorie van wederantwoord het advies van de Gecoro bekritiseert en aanvoert dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen, enerzijds, artikel 4.1.2 van de stedenbouwkundige inrichtingsvoorschriften dat voorschrijft dat er “[b]ij voorkeur […] zoveel mogelijk [wordt] ingezet op een bundeling van de gebouwen in een gebouwencomplex” en, anderzijds, het standpunt van de Gecoro dat alle activiteiten die enkel indoor plaatsvinden moeten worden geweerd, is hun betoog laattijdig en is het middel onontvankelijk. Bovendien en ten overvloede wordt ter zake geen tegenstrijdigheid ontwaard, nu de te bundelen gebouwen enkel de voor buitensportrecreatie – niet: indoorsportrecreatie – noodzakelijke randinfrastructuur betreffen. Eveneens laattijdig en onontvankelijk is het voor het eerst in de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij gevoerde betoog dat het “zeer vreemd [is] dat binnensportrecreatie volledig zou worden geweerd terwijl bij buitensportrecreatie wel tot 80% op perceelniveau zou mogen worden verhard, zoals de Gecoro stelt” en dat er moet worden van uitgegaan dat de bebouwingsindex en de vloer/terreinindex op planniveau zijn bepaald. Ten overvloede weze in verband met dit laatste opgemerkt dat de verzoekende partijen eens te meer voorbijgaan aan de definities van de bebouwingsindex en de vloer/terreinindex in artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften, die uitdrukkelijk bepalen dat deze indexen op perceelniveau en niet op planniveau worden beschouwd. 5.8. Gelet op wat voorafgaat, wordt geen schending van de aangevoerde rechtsregels aangetoond. 5.9. Het middel wordt verworpen. B. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel X-18.373-19/25 6. De verzoekende partij voert in een vijfde middel de schending aan van artikel 4.2.3 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’, alsook van het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Zij meent dat de plan-MER-screening belangrijke leemten vertoont. Volgens de verzoekende partij geeft het bestreden gemeentelijk RUP wel degelijk aanleiding tot aanzienlijke milieueffecten en dringt de opmaak van een plan-MER zich op. Concreet geeft zij aan dat in de scopingnota wordt erkend dat het planvoornemen voorziet in een bundeling van verschillende recreatie- en sportactiviteiten, hetgeen aanleiding kan geven tot het realiseren van bijkomende constructies en verhardingen. De verzoekende partij verwijst vervolgens naar het eerste bestreden besluit waarin aangaande de watertoets wordt gesteld dat “eventuele potentiële nadelige effecten […] [in het RUP] beperkt [worden]”. Daarnaast verwijst zij naar de beoordeling in de scopingnota van de te verwachten effecten op het oppervlaktewater. De conclusie van een mogelijk positief effect is in tegenstrijd met wat gesteld wordt aangaande de watertoets. Voorts haalt de verzoekende partij de effectbespreking aan binnen de discipline ‘biodiversiteit’ en inzake rust- en lichtverstoring. Wat de biodiversiteit betreft, stelt zij dat de Gecoro heeft opgemerkt dat het tracé van de gemeenteweg ter hoogte van de spoorwegbedding niet geschikt is en dat de eerste verwerende partij in dat verband milderende maatregelen voorstelt, doch dat zij geen concrete maatregelen heeft opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften. Op het vlak van de waterhuishouding heeft de eerste verwerende partij eveneens voorgesteld om randvoorwaarden op te nemen, zoals het aanleggen van nieuwe verhardingen in waterdoorlatende materialen. Deze voorgestelde maatregelen werden evenwel niet doorvertaald in duidelijke en effectieve stedenbouwkundige voorschriften. De verzoekende partij wijst in dat verband op het gebruik van de volgens haar onduidelijke bewoordingen “maximaal” en “zoveel mogelijk”. Ook op het vlak van de verlichting heeft de eerste verwerende partij in antwoord op het advies van de Gecoro een aantal maatregelen voorgesteld. De verzoekende partij bekritiseert dat door het gebruik van vage bepalingen bij de doorvertaling van de voorgestelde maatregelen in de stedenbouwkundige voorschriften, de vergunningverlenende X-18.373-20/25 overheid naar willekeur kan bepalen welke projecten vergunbaar zijn en onder welke voorwaarden. Beoordeling 7.1. Om wettig gebruik te kunnen maken van de in artikel 4.2.3, § 3, DABM bedoelde afwijkingsmogelijkheid van de principiële plan-MER-plicht, moet cumulatief aan twee voorwaarden zijn voldaan: het plan of programma moet het gebruik bepalen van een klein gebied in een gemeentelijk of provinciaal plannings- of programma-initiatief of een “kleine wijziging” inhouden en de initiatiefnemer moet aantonen dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. 7.2. De scopingnota die aan het team Mer werd voorgelegd en die de plan-MER-screening bevat, vermeldt: “Het RUP is niet ‘van rechtswege’ plan-MER-plichtig, omwille van de volgende redenen: • Het RUP vormt het kader voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlage I, II of III van het project-m.e.r.-besluit van 10 december 2004, namelijk voor projecten opgesomd in rubriek 10b van bijlage III. Het RUP bepaalt echter het gebruik van een klein gebied op lokaal niveau. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 0,57 km² of 2,40% van de totale oppervlakte van de gemeente Kontich. Het RUP bepaalt een kleine wijziging ten opzichte van de bestaande juridisch planologische context. Het hoofddoel van voorliggende RUP betreft het creëren van een éénduidige planologische context voor de verschillende recreatie- en sportfuncties en een betere afstemming van de planologische context op de bestaande toestand. • Het RUP is geen plan of programma waarvoor een passende beoordeling vereist is zoals bepaald door het artikel 36ter §3 van het natuurdecreet. Omwille van bovenstaande motivering dient besloten te worden dat het RUP ‘van rechtswege’ niet plan-MER-plichtig is, maar wel screeningsplichtig. Naargelang het resultaat van het onderzoek naar mogelijke aanzienlijke milieueffecten, wordt er een oordeel geveld over de noodzaak van de opmaak van een plan-MER: • Indien er geen aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn: geen plan-MER-plicht. • Indien er wel aanzienlijke milieueffecten kunnen worden aangetoond voor één of meerdere criteria: wel plan-MER-plicht.” X-18.373-21/25 Tegen de voormelde overwegingen wordt in het verzoekschrift geen concrete wettigheidskritiek geformuleerd. Daargelaten de tijdigheid van de kritiek in de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij dat “de loutere vermelding dat het plangebied slechts qua oppervlakte een beperkt deel van de gemeente zal omvatten” niet volstaat om te besluiten dat het plan niet van rechtswege plan-MER-plichtig is, weze opgemerkt dat de met cijfers toegelichte vermelding dat het plangebied qua oppervlakte een beperkt deel van de gemeente zal omvatten, en aldus een klein gebied op lokaal niveau betreft, daartoe wel degelijk volstaat. 7.3. De verzoekende partij is voorts van oordeel dat het gemeentelijk RUP diende onderworpen te worden aan een plan-MER omdat het wel degelijk aanzienlijke milieueffecten tot gevolg kan hebben. 7.4.1. Ter staving van haar voormelde standpunt verwijst de verzoekende partij in de eerste plaats naar een vermeende tegenstrijdigheid tussen, enerzijds, de vermeldingen in het eerste bestreden besluit met betrekking tot de watertoets en, anderzijds, de vermeldingen in de plan-MER-screening van de scopingnota betreffende de te verwachten effecten voor de discipline ‘water’. 7.4.2. Verzoeksters betoog kan geen bijval vinden. Het eerste bestreden besluit vermeldt op goede gronden dat de plan-MER-screening in de scopingnota “geen uitgesproken problematiek voor de oppervlakte- en grondwaterhuishouding aan het licht [brengt]”. Dat er in het eerste bestreden besluit met betrekking tot de watertoets ook sprake is van een aantal speciale aandachtspunten toont nog geen tegenstrijdigheid met de conclusies van het plan-MER-screening aan. 7.4.3. Voorts dient te worden vastgesteld dat de stedenbouwkundige voorschriften meerdere bepalingen inzake de discipline ‘water’ bevatten. Artikel 1.3.1 ‘Duurzame waterhuishouding’ bepaalt dat “[b]innen het plangebied […] een duurzame waterhuishouding voorop [wordt] gesteld. Indien bebouwing of verhardingen voorzien worden moet de maximale opvang, retentie en infiltratie ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.306 X-18.373-22/25 van hemelwater gewaarborgd worden. In de onbebouwde zones zullen landschappelijk gekaderde ingrepen (grachten, wadi’s, waterpartijen…) voor de opvang en retentie van hemelwater zorgen. In functie van een duurzaam watergebruik wordt het opgevangen hemelwater maximaal aangewend voor functioneel gebruik”. Artikel 1.3.4, eerste lid, bepaalt dan weer dat “[h]et oprichten van nieuwe constructies in effectief overstromingsgevoelige gebieden […] niet [is] toegelaten. Een uitzondering hierop zijn nieuwe bebouwing en verhardingen die ressorteren onder handelingen van algemeen belang”. Zoals gezien, bepaalt artikel 1.4. van de stedenbouwkundige voorschriften dat “[v]erhardingen in de onbebouwde ruimte […] tot een minimum beperkt [dienen] te worden” en dat “de noodzakelijk verhardingen [bovendien] in de mate van het mogelijke gerealiseerd [moeten] worden in waterdoorlatende en/of halfverharde materialen”. De stedenbouwkundige voorschriften van de artikelen 4.1.2 en 4.2.2 (open ruimte respectievelijk landschappelijke buffering in de zone ‘Sport en recreatie’) verplichten om de parkeervakken in waterdoorlatende materialen uit te voeren. Artikel 5.2.2 (onbebouwde ruimte in de zone ‘Landelijk wonen’) verplicht alle verhardingen in waterdoorlatende materialen uit te voeren. Artikel 8.2. van de stedenbouwkundige voorschriften bepaalt ten slotte dat “de waterloop […] altijd [kan] aangepast worden volgens de noodwendigheden en in functie van het optimaliseren van de afwatering en het nemen van maatregelen tegen de overstroming van een gebied”. De verzoekende partij overtuigt er niet van dat deze stedenbouwkundige voorschriften niet voldoende “duidelijk” of “effectief” zijn of anderszins onwettig zouden zijn. 7.4.4. In zoverre de verzoekende partij voor het eerst in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat “niet in concreto [wordt] getoetst of de aanpassing van de toegelaten verharding tot 80% op perceelniveau geen impact op de discipline water zal teweegbrengen”, is haar betoog laattijdig en onontvankelijk. 7.5.1. Wat de discipline ‘biodiversiteit’ betreft, wordt in de definitief vastgestelde stedenbouwkundige inrichtingsvoorschriften bepaald dat “het tracé van de gemeenteweg […] rekening [houdt] met de landschappelijke en natuurlijke waarden”. Inzake de discipline ‘rust- en lichtverstoring’ heeft de eerste verwerende partij op het vlak van verlichting na het advies van de Gecoro bijkomende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.306 X-18.373-23/25 bepalingen in artikel 3.2.2, achtste gedachtestreepje, van de stedenbouwkundige voorschriften opgenomen (zie randnummer 3.13). 7.5.2. Met de eerste verwerende partij wordt aangenomen dat de met betrekking tot de voormelde disciplines aangenomen stedenbouwkundige voorschriften niet tot doel hebben aanzienlijke negatieve effecten te milderen. Blijkens de plan-MER-screening zijn er geen aanzienlijke milieueffecten voor de disciplines ‘biodiversiteit’ en ‘rust- en lichtverstoring’ te verwachten. 7.5.3. De verzoekende partij overtuigt er ten slotte niet van dat de door haar geviseerde stedenbouwkundige voorschriften niet in een voldoende rechtszekere oplossing zouden voorzien en dat zij “de oplossing van [het] probleem eerder lijken door te schuiven naar de vergunningverlenende overheid”. 7.6. Gelet op wat voorafgaat, wordt geen schending van de aangevoerde rechtsregels aangetoond. 8. Het middel wordt verworpen. 9. Er is reden voor een aanvullend onderzoek door het auditoraat. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid wordt met een aanvullend onderzoek belast. X-18.373-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Johan Lust X-18.373-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.306 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.226 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div