id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.313 Rolnummer: A. 236647/X-18177 Zaak: Arrest 260313 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 28/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-04 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-06 01:27 Fiche Arrest nr 260.313 van 28 juni 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 260.313 van 28 juni 2024 in de zaak A. 236.647/X-18.177 In zake : de BV B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Junior Geysens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE ASSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Albert kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 juni 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse van 28 maart 2022 waarbij aan verzoekster de vergunning wordt geweigerd voor het uitbaten van een in de openlucht gelegen opslagplaats voor schroot, voertuigen buiten gebruik of rijklare tweedehandsvoertuigen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. X-18.177-1/9 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Junior Geysens, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Brecht Geebelen, die loco advocaat Sofie Albert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Met ingang van 1 januari 2021 is in de gemeente Asse het uitbatingsreglement voor bepaalde inrichtingen (hierna: uitbatingsreglement) van toepassing. Onder meer mag op het grondgebied van de gemeente geen in de openlucht gelegen opslagplaats voor schroot, voertuigen buiten gebruik, autowrakken of rijklare tweedehandsvoertuigen worden uitgebaat zonder voorafgaande uitbatingsvergunning. Op 27 september 2021 dient verzoekster, die een autogarage in de gemeente exploiteert, een aanvraag in tot het verkrijgen van een uitbatingsvergunning voor het uitbaten van een in de openlucht gelegen X-18.177-2/9 opslagplaats voor schroot, voertuigen buiten gebruik, autowrakken of rijklare tweedehandsvoertuigen. Het college van burgemeester en schepenen weigert de uitbatingsvergunning op 28 maart
- De beslissing gewaagt zes keer van een gunstig advies en één keer van een ongunstig advies. De “Algemene conclusie” luidt: “Het advies van de politie diensten luidt ongunstig. In totaliteit wordt echter toch voorgesteld om gelet op de overige gunstige adviezen de uitbatingsvergunning toch goed te keuren. Dit op voorwaarde dat er een groenscherm van 1m hoogte voorzien wordt om de inrichting van de straat te bufferen en de in- en uit zone wordt beperkt tot 4 a 4.50m om een duidelijkere inrit te hebben en zo het aantal conflicten op de aansluiting met de N9 te beperken. Daarnaast dient ook aan volgende voorwaarden voldaan te worden: °Melding van overname van de ingedeelde inrichting via het omgevingsloket °Verwijderen van de geaccidenteerde voertuigen zoals vastgesteld door de milieupolitie in PV […] °Verwijderen van het bouwafval op het terrein zoals vastgesteld door de milieupolitie in PV […].” IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster leidt in het verzoekschrift een eerste middel af uit de “schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Uiteengezet wordt dat er sprake is van een kennelijke tegenstrijdigheid tussen de motieven en het dictum van de bestreden beslissing. Immers wordt overwogen dat “in totaliteit” wordt voorgesteld de uitbatingsvergunning goed te keuren. Minstens tast verzoekster volledig in het duister over de redenen waarom haar vergunningsaanvraag is geweigerd. Uit het X-18.177-3/9 administratief dossier blijkt dat alle uitgebrachte adviezen gunstig zijn. Het advies van de politiediensten geeft niet aan of het gunstig dan wel ongunstig is; er wordt niet in voorgesteld om de vergunning te weigeren. Er wordt ook nergens aangegeven dat het “beweerdelijk negatief advies van de politiediensten” de reden zou vormen om de vergunning te weigeren. Dat geldt des te meer nu er geen sprake is van bewezen milieumisdrijven en het ook niet duidelijk is wat de relevantie van de vermeende misdrijven kan zijn voor de aanvraag. Het feit dat de uitbater “gerechtelijk gekend” is, doet niets af aan “de algemene positieve teneur van de adviezen”. Bovendien is de relevantie van dat feit voor de beoordeling van de aanvraag onduidelijk.
- Volgens de memorie van antwoord klopt het niet dat alle verleende adviezen gunstig zijn. Ten gevolge van een negatief advies van de lokale politiediensten was de verwerende partij genoodzaakt een weigeringsbeslissing te nemen. Wanneer een van de onderzoeken die voorafgaan aan het verlenen van de uitbatingsvergunning, zoals het onderzoek van de politiediensten, leidt tot een negatief advies, dient het college van burgemeester en schepenen conform artikel 11, § 1, van het uitbatingsreglement tot het nemen van een weigeringsbeslissing over te gaan. Nu het advies van de lokale politie ongunstig was, kwam de verwerende partij “geen beoordelingsmarge toe om een beslissing alsnog in het voordeel van de vergunningsaanvrager te doen uitdraaien”. Het voorstel van de dienst Lokale Economie om de uitbatingsvergunning voorwaardelijk goed te keuren, is terecht niet aanvaard. Maar ook als er toch enige beoordelingsmarge was, moet de Raad van State zich van een vernietiging onthouden vermits er geen sprake is van een kennelijke onredelijkheid. De aanvraag is, aldus de verwerende partij, geweigerd op grond van pertinente en afdoende motieven. Het weigeringsmotief “volgt onmiddellijk uit art. 11, §1 juncto art. 8, §2 Uitbatingsreglement, namelijk het ongunstig advies van de politiediensten op basis waarvan vastgesteld moet worden dat de openbare orde, de openbare rust en/of de openbare gezondheid gevaar loopt”. Dat de twee processen-verbaal in verband met de milieumisdrijven “nog hun beloop kennen” belet niet dat ze een bijzondere bewijswaarde hebben. Ten andere “wordt niet X-18.177-4/9 betwist door de verzoekende partij dat er nog geen overname van de vergunningen gemeld is, en dat er bouwafval en geaccidenteerde voertuigen op de site aanwezig waren op het ogenblik van de vaststellingen, en dat bijgevolg de inhoud van de processen-verbaal correct zijn”. Voorts is het zeker van belang dat de uitbater gerechtelijk gekend is bij de politiediensten, al “is het onmogelijk de exacte draagwijdte van deze beoordeling door de politie te kennen nu zij geen toegang heeft tot de gegevensbestanden van de politiediensten en de nog lopende onderzoeken”.
- In de laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de bestreden beslissing geen tegenstrijdigheid bevat. De juridische basis voor het opvragen van het advies van de politie is artikel 8, § 2, van het uitbatingsreglement. Uit artikel 11, § 1, ten derde, van het uitbatingsreglement volgt dat als één of meer onderzoeken negatief geadviseerd worden, het college van burgemeester en schepenen de aanvraag moet weigeren. Het gaat ontegensprekelijk om een gebonden bevoegdheid. Dat het woord “ongunstig” niet letterlijk in het advies van de politie is opgenomen, “doet geen afbreuk aan het overduidelijk ongunstig karakter van het advies”. Het meermaals plegen van misdrijven – hier milieumisdrijven – dient wel degelijk beschouwd te worden als een verstoring van de openbare orde, veiligheid en rust. Het onvergund stallen van geaccidenteerde voertuigen op een terrein, zichtbaar vanaf de openbare weg, is een van de motieven geweest voor het invoeren van een uitbatingsreglement. Het komt de Raad van State niet toe om “zelf een beoordeling te maken van de vraag of de misdrijven en andere feiten de openbare orde [kunnen] verstoren”. Beoordeling
- Ofschoon in de “Algemene conclusie” die het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing onmiddellijk voorafgaat wordt “voorgesteld” de aangevraagde uitbatingsvergunning onder voorwaarden te verlenen, wordt niettemin als “Besluit” de vergunning zonder meer geweigerd. X-18.177-5/9 Tenzij er sprake zou zijn van een materiële vergissing – wat niet het geval blijkt – wijst dit “Besluit” uit dat finaal het college van burgemeester en schepenen verkiest niet mee te gaan met het voorstel dat in de “Algemene conclusie” wordt geformuleerd, en dat blijkbaar van de dienst Lokale Economie afkomstig is.
- Waarom het college van burgemeester en schepenen er niet mee instemt, wordt niet duidelijk gezegd. In zoverre vermoed moet worden dat het om reden van het “ongunstig” politieadvies is, blijft de vraag waarom dat politieadvies de bovenhand krijgt, boven de “Algemene conclusie”. Dit staat op gespannen voet met de verplichting tot formele motivering van de bestreden beslissing.
- In haar procedurestukken legt de verwerende partij uit dat zij, gelet op het ongunstig politieadvies en op artikel 11, § 1, van het uitbatingsreglement, geen andere keuze had dan de aangevraagde uitbatingsvergunning te weigeren. Artikel 11, § 1, schrijft immers voor: “Het college van burgemeester en schepenen weigert de uitbatingsvergunning: […] - als één of meerdere onderzoeken, die voorafgaan aan het verlenen van de uitbatingsvergunning, negatief werden geadviseerd; […] - als de openbare orde, de openbare rust en/of de openbare gezondheid gevaar loopt.” Ook verwijst de verwerende partij naar artikel 26, § 2, tweede alinea, van het uitbatingsreglement: “Aanvullend aan de weigeringsgronden, vermeld in artikel 11, kan de uitbatingsvergunning geweigerd worden indien op advies van de politie blijkt dat de uitbating van de inrichting reeds geleid heeft tot een ernstige X-18.177-6/9 verstoring van de openbare orde, veiligheid en rust en/of reeds een bedreiging vormde voor de openbare gezondheid en de uitbater niet aantoont dat hij de nodige maatregelen heeft genomen om dit in de toekomst te vermijden.”
- Daargelaten of het college van burgemeester en schepenen in verband met verzoeksters aanvraag de politie nu al dan niet om een advies dan wel alleen om “inlichtingen” mocht vragen, feit is dat de politie zich louter tot het geven van inlichtingen heeft beperkt. Zij deelde op 18 januari 2022 mee, eensdeels, dat met betrekking tot verzoeksters garage twee aanvankelijke processen-verbaal werden opgesteld inzake milieumisdrijven en, anderdeels, dat de uitbater “gerechtelijk gekend” is bij haar diensten. Een eerste proces-verbaal heeft in hoofdzaak betrekking op het feit dat verzoekster, nadat zij de bestaande garage overnam, daarvan geen melding heeft gedaan bij de gemeente met het oog op een omgevingsvergunning klasse
- Het tweede proces-verbaal houdt verband met het plaatsen van twee geaccidenteerde voertuigen op een niet-verharde ondergrond en het storten van bouwafval.
- De politie voegde aan haar inlichtingen geen eigen mening toe. Zij deed geen enkele uitspraak over de aangevraagde uitbatingsvergunning of over de bedreiging die een en ander voor de openbare orde, rust en gezondheid zou vormen.
- In de gegeven omstandigheden kan de verwerende partij zich (hoe dan ook) niet op artikel 11, § 1, van het uitbatingsreglement beroepen om zich verplicht te weten aan verzoekster de uitbatingsvergunning te weigeren. De verwerende partij is er niet van ontslagen om zelf van toereikende materiële motieven te doen blijken die kunnen verantwoorden dat zij X-18.177-7/9 aan de “Algemene conclusie” van de dienst Lokale Economie is voorbijgegaan wegens de informatie die de politie haar verschafte.
- De noodzaak van die motieven is des te meer acuut nu de dienst Lokale Economie in zijn “Algemene conclusie” uiteindelijk alleen voorstelt om de uitbatingsvergunning goed te keuren op voorwaarde juist dat de tekortkomingen die de politie te berde brengt, worden verholpen. Voorts is, zoals verzoekster doet gelden, de melding van de politie dat de uitbater “gerechtelijk gekend” is bij haar diensten, nietszeggend. De verwerende partij geeft zelf toe niet “de exacte draagwijdte van deze beoordeling” te kennen. Ook de Raad van State kent ze niet.
- De bestreden beslissing schendt zowel de formele- als de materiëlemotiveringsplicht. Het eerste middel is in de besproken mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse van 28 maart 2022 waarbij aan de bv B. de uitbatingsvergunning wordt geweigerd voor het uitbaten van een in de openlucht gelegen opslagplaats voor schroot, voertuigen buiten gebruik of rijklare tweedehandsvoertuigen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, op een bijdrage van 22 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. X-18.177-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.177-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.313 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div