id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.342 Rolnummer: A. 228615/XIV-38101 Zaak: Arrest 260342 - Tucht (openbaar ambt) - 28/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-11 Raadplegingen: 164 - laatst gezien 2026-06-14 03:49 Fiche Arrest nr 260.342 van 28 juni 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 260.342 van 28 juni 2024 in de zaak A. 228.615/XIV-38.101 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem (Antwerpen) Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Gateway Building Luchthaven Brussel Nationaal 1J bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas De Donder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 270 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 juli 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 16 mei 2019 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 254.172 van 30 juni 2022 wordt de behandeling van het beroep tot nietigverklaring geschorst totdat de meest gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid voor het XIV-38.101-1/47 auditoraat om zich daartoe ambtshalve te bevragen en de plicht van de partijen om de Raad van State en het auditoraat op geregelde tijdstippen en minstens om de zes maanden te informeren over de stand van zaken en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 feburari 2024. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die in persoon verschijnt, advocaat Joost Bosquet die verschijnt voor verzoeker en advocaat Liesbet Vandendriessche, die loco advocaten Karel De Schoenmaeker en Thomas De Donder verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten XIV-38.101-2/47 3.1. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 245.945 van 28 oktober 2019. Er wordt naar verwezen. 3.2. Met een arrest van 23 maart 2023 oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen (hierna: de KI) dat het hoger beroep dat verzoeker richtte tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 29 september 2022, ontvankelijk doch ongegrond is. In de in dat arrest opgenomen schriftelijke vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen worden de tenlasteleggingen A en B als volgt omschreven: “A vermelden van valsheden door openbare officieren of ambtenaren bij het opmaken van authentieke en openbare geschriften, en gebruik ervan - intellectuele valsheden als openbaar officier of ambtenaar, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, bij het opmaken van akten van zijn ambt het wezen of de omstandigheden ervan te hebben vervalst door als waar op te nemen, feiten die het niet zijn geweest, en met hetzelfde bedrieglijk opzet of met hetzelfde oogmerk om te schaden, van de hiervoren vermelde valse akte of van het hiervoren vermelde valse stuk gebruik te hebben gemaakt, (art. 193, 195 lid 1 en 3, 213 en 214 Sw.) te Antwerpen op 24 augustus 2018 door [XXX], ten nadele van [verzoeker], Nl door in het PV AN 20LB[XXX] geen gebruik te hebben gemaakt van de ne varietur procedure zoals voorzien in art 448 wb Sv. met het bedrieglijk opzet de ware toedracht te verhullen. B vermelden van valsheden door openbare officieren of ambtenaren bij het opmaken van authentieke en openbare geschriften, en gebruik ervan - intellectuele valsheden als openbaar officier of ambtenaar, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, bij het opmaken van akten van zijn ambt het wezen of de omstandigheden ervan te hebben vervalst door als waar op te nemen, feiten die het niet zijn geweest, en met hetzelfde bedrieglijk opzet of met hetzelfde oogmerk om te schaden, van de hiervoren vermelde valse akte of van het hiervoren vermelde valse stuk gebruik te hebben gemaakt, (art. 193, 195 lid 1 en 3, 213 en 214 Sw.). te Antwerpen op 24 juli 2018 door [XXX], Door, niettegenstaande een vermeend misdrijf werd vastgesteld, geen proces- verbaal te hebben opgesteld doch een email te hebben opgesteld en gestuurd aan de dienst intern toezicht politie Antwerpen met bedrieglijk opzet een dossier op te bouwen inzake het onterecht innen van fietsvergoedingen lastens [verzoeker].” XIV-38.101-3/47 XIV-38.101-4/47 De overige tenlasteleggingen hebben geen betrekking op valsheden. Deze tenlasteleggingen worden als volgt beoordeeld door de KI: “3.3.2 Betreffende de tenlastelegging A: […] Artikel 448 Wetboek Strafvordering bepaalt het volgende: ‘In alle gedingen ter zake van valsheid in geschrifte wordt het van valsheid betichte stuk, zodra het is ingebracht, neergelegd op de griffie, getekend en geparafeerd op elke bladzijde door de griffier, die een omstandig proces-verbaal opmaakt van de materiele toestand van het stuk, alsook door degene die het heeft neergelegd, indien hij kan tekenen, waarvan melding wordt gemaakt; een en ander op straffe van geldboete van 1,25 euro tegen de griffier die het stuk in ontvangst heeft genomen zonder dat die formaliteit vervuld is.’. Deze ne varietur procedure is een bij wet voorziene pleegvorm bij de inbeslagneming en neerlegging van ‘van valsheid betichte stukken’, die niet op straffe van nietigheid voorgeschreven is. Op 24 augustus 2018, zijnde de datum voorzien in deze tenlastelegging, werd het aanvankelijk proces-verbaal geopend. Dit proces-verbaal kaderde in een mandaat van een voorafgaand onderzoek en in zulk onderzoek dient de procedure vermeld in artikel 448 Wetboek Strafvordering niet onmiddellijk toegepast te worden. Deze van valsheid betichte stukken werden door inverdenkinggestelde [XXX] opgevraagd met een e-mail d.d. 28 augustus 2018 en werden diezelfde dag ook via e-mail overgemaakt. Het gevolg daarvan is dat het niet over de originele documenten gaat zodat daarop ook niet onmiddellijk de ne varietur procedure toegepast kon worden. Deze procedure dient vanzelfsprekend toegepast te worden op het originele document in zoverre dit nog beschikbaar is, hetgeen in deze zaak zeker het geval was. Bovendien zijn er onvoldoende bezwaren om het constitutief bestanddeel van het bedrieglijk opzet in hoofde van de inverdenkinggestelden [XXX] aan te tonen. Het opzet om de ware toedracht te verhullen is niet aanwezig. Deze beide hoofdinspecteurs hebben een voorafgaand onderzoek gevoerd en zij zijn tot de onderzoeksconclusie gekomen dat er verschillen bestaan tussen de vermeldingen op de dagstaten en de vaststellingen van het beperkt toezicht en van het nazicht van de ANPR-registraties waarna zij een aanvankelijk proces-verbaal opgesteld hebben en voor verder gevolg verzonden hebben aan de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. Deze handelswijze is volkomen legitiem en daaruit kan geen enkel bedrog of valsheid afgeleid worden. De stelling van [verzoeker] dat het niet ‘ne varietur’ neerleggen van stukken gebeurde om te vermijden dat op de authentieke stukken teruggevallen zou kunnen worden en dat er verder in feite geen echt strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd, is onjuist en miskent de houding van het openbaar ministerie in deze zaak. Op instructie van het openbaar ministerie werden immers nog verschillende onderzoeksopdrachten uitgevaardigd en werd besloten om het opsporingsonderzoek zonder gevolg te klasseren. In die verdere opdrachten hadden de inverdenkinggestelden [XXX] geen enkele mogelijkheid van inmenging of inspraak meer. De argumentatie van [verzoeker] over het niet tonen van de dagstaat van 3 augustus 2018 aan inspecteur van politie [XXX] tijdens zijn verhoor van 8 januari 2019 en aan hemzelf tijdens zijn verhoor van 30 oktober 2018 is niet ter zake dienend voor de bespreking van deze tenlastelegging die gesitueerd wordt op 24 augustus 2018. 3.3.3 Betreffende de tenlasteleggingen C, D, E en F: het consulteren van de ANPR-registraties heeft in de chronologie van het door de korpschef gemandateerde vooronderzoek plaatsgehad na de uitvoering van een beperkt XIV-38.101-5/47 toezicht op de dagen 28 juli 2018 en 2 en 4 augustus 2018. Dat beperkt toezicht werd uitgevoerd om na te gaan op welke wijze [verzoeker] zich van thuis naar het werk en omgekeerd begeeft. Dat driedaags beperkt toezicht heeft uitgewezen dat [verzoeker] zich met zijn persoonlijk voertuig en niet met de fiets verplaatst naar en van het werk en dat hij voor die dagen niettemin fietsvergoedingen heeft aangevraagd. Pas daarna werd nazicht verricht in de databank van het ANPR-cameranetwerk en werden overzichtsfoto’s gemaakt van het passerend voertuig van [verzoeker] waarop naast de nummerplaat van het voertuig ook de locatie, de datum en het tijdstip van uur werden vermeld. Volgens [verzoeker] moet een onderzoeksrechter gevorderd worden om eventuele onderzoeksdaden te kunnen stellen via ANPR- toezicht hetgeen onjuist is. Het gebruik van ANPR-camera’s wordt geregeld door de wet van 21 maart 2007. In deze zaak werden de beelden niet in real time bekeken maar werden bewaarde beelden opgevraagd aan de hand van een gekende nummerplaat. Dat is toegestaan om bewijzen te verzamelen van feiten die een misdrijf opleveren of schade veroorzaken. Het doel van de inverdenkinggestelden [XXX] was om via de ANPR-beelden gegevens te bekomen van exacte tijdstippen en data waarop het voertuig met de nummerplaat van [verzoeker] zich verplaatst en om eventueel aan te tonen dat [verzoeker] op een bepaalde datum en tijdstip gebruik maakte van zijn persoonlijk voertuig om zich naar of van zijn werkplaats te begeven terwijl hij eventueel gelijktijdig verzocht om hem een fietsvergoeding toe te kennen. Dit is een operationele motivering die noodzakelijk lijkt te zijn voor de uitoefening van een welbepaalde opdracht. Deze onderzoekstechniek voldoet dan ook aan de wettelijke voorwaarde om bewijzen te verzamelen en wel van het onderzochte feit van misbruik maken van fietsvergoedingen. Het gerechtelijk onderzoek heeft onvoldoende bezwaren opgeleverd van enige schending van de artikelen 5 §4 en 8 van de wet van 21 maart 2007 noch van de artikelen 25/1 §2 en 25/7 §1 van de wet op het politieambt in hoofde van de inverdenkinggestelden [XXX]. Het aanvankelijk proces-verbaal waarmee het strafonderzoek werd geopend, dateert van 24 augustus 2018 en de consultatie van de ANPR-beelden is gebeurd op 27 augustus 2018, hetgeen zich na de opening en dus ook in het kader van dat strafonderzoek en niet langer in een voorafgaand tuchtonderzoek situeert. Het opstellen van dit proces-verbaal kaderde niet in de uitbouw van een tuchtdossier doch wel in het vervullen van hun opdrachten van gerechtelijke politie en daarbij werd het recht van privacy of enig ander individueel recht of vrijheid van de burgerlijke partij niet op een onwettige wijze beperkt noch geschonden. Er zijn ook geen bezwaren dat de inverdenkinggestelden [XXX] een daad van willekeur hebben uitgevoerd die een inbreuk maakt op de door de Grondwet gewaarborgde vrijheden en rechten. Dit ANPR-onderzoek op zich heeft ook geen vijftien dagen geduurd, doch het omvatte wel een periode van vijftien dagen (30 juli 2018 - 13 augustus 2018). Dit onderzoek werd enkel uitgevoerd op 27 augustus 2018, zodat de gedane vaststellingen van die datum niet postfactum ingedekt zijn kunnen worden door het opstellen van een proces-verbaal op 24 augustus 2018. Na het overmaken van dit aanvankelijk proces-verbaal aan het openbaar ministerie hebben er nog wel effectieve onderzoeksdaden plaatsgevonden en dit in opdracht van de procureur des Konings, zijnde minstens het verhoor van [verzoeker]. Ten overvloede wordt daaraan toegevoegd dat uit de verklaring van 30 oktober 2018 van [verzoeker] niet afgeleid kan worden dat er alsdan uitvergrote foto’s van zijn aangezicht voorgelegd zouden zijn geweest. Het was op dat ogenblik wel het forum om alsdan betwisting te voeren en niet meer dan drie jaar later. Enige inbreuk op de artikelen 222 - 230 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de XIV-38.101-6/47 bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens wordt niet afdoende aannemelijk gemaakt. 3.4 Na een hernieuwd onderzoek van de elementen van het strafdossier en de door de burgerlijke partij aangebrachte elementen zijn er onvoldoende bezwaren in hoofde van de inverdenkinggestelde [XXX] om hem voor het misdrijf vermeld onder de tenlastelegging B, zoals omschreven in de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie of enig ander misdrijf naar de correctionele rechtbank te verwijzen. Aan inverdenkinggestelde [XXX] wordt verweten dat hij op 24 juli 2018 een e- mail heeft gestuurd naar een commissaris van Dienst Intern Toezicht in plaats van een proces-verbaal te hebben opgesteld waarin hij melding maakte van een mogelijk misdrijf gepleegd door [verzoeker] met opgave van namen van teamleden en van mogelijke getuigen en met opname van hun verklaringen. Volgens [verzoeker] heeft die inverdenkinggestelde daardoor artikel 48 Wetboek Strafvordering geschonden. Artikel 48 Wetboek Strafvordering bepaalt het volgende: ‘De rechters in de politierechtbank, de leden van de federale politie en van de lokale politie bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings ontvangen de aangiften van de misdaden of wanbedrijven gepleegd in de plaatsen waar zij hun gewone ambtsverrichtingen uitvoeren.’. Die bepaling lijkt in deze zaak door inverdenkinggestelde [XXX] niet te zijn geschonden. Het onderzoek heeft niet aangetoond dat inverdenkinggestelde [XXX] op 24 juli 2018 nazicht heeft gedaan van dagstaten van [verzoeker] in het kader van nazichten voor een fietsvergoeding noch dat hij daarvoor getuigen heeft opgezocht. Inverdenkinggestelde [XXX] heeft zelf geen vaststellingen gedaan van daadwerkelijke overtredingen gepleegd door [verzoeker] zodat hij op dat vlak niet gehouden was om zelf een proces-verbaal op te stellen. Als politiecommissaris en leidinggevende van [verzoeker] was hij wel bevoegd om eventuele dysfuncties of vergoedingen waarop [verzoeker] partij geen recht had, aan te kaarten bij de tuchtoverheid. Deze melding mocht geschieden met een e-mail aan de bevoegde tuchtoverheid. Zoals hierboven reeds gesteld, is uit de samenlezing van de verklaringen van inverdenkinggestelde [XXX] en getuigen [XXX] gebleken dat op de werkvloer gesproken werd over misbruik van fietsvergoedingen door [verzoeker] en dat inverdenkinggestelde [XXX] na het ontvangen van die informatie nauwer heeft toegezien op het doen en laten van [verzoeker] en dat hij heeft gezegd dat hij daarvan melding zou moeten maken hetgeen hij ook daadwerkelijk heeft gedaan. Volgens [verzoeker] heeft het voorliggende strafonderzoek niet als finaliteit eventuele strafrechtelijke inbreuken vast te stellen maar wel om een louter formeel juridische basis te creëren voor het opvragen van en inzage en vastleggen van beelden van de ANPR-camera’s om deze in de tuchtzaak opzichtens hem te kunnen aanwenden. Met deze zienswijze gaat [verzoeker] volkomen voorbij aan het eigen karakter van de procedures van een strafonderzoek en een tuchtonderzoek en de scheiding tussen beide procedures en houdt hij geen rekening met de tussenkomst van de procureur des Konings. Ook volgens [verzoeker] is de klacht van inverdenkinggestelde [XXX] te situeren in een interne afrekening binnen de politie tussen hemzelf en die inverdenkinggestelde. Met deze zienswijze houdt [verzoeker] opnieuw geen rekening met de tussenkomst van de procureur des Konings maar ook niet met de deskundigheid die van een sectie Intern Toezicht verwacht mag worden. Daarbij wordt ook geloochend dat het strafonderzoek aanwijzingen van schuld lijkt te hebben opgeleverd betreffende misbruik van fietsvergoedingen door [verzoeker] en waarvoor [verzoeker] reeds minnelijke terugbetalingen gedaan heeft. XIV-38.101-7/47 Het in deze tenlastelegging opgenomen bedrieglijk opzet, zijnde het opbouwen van een dossier inzake het onterecht innen van fietsvergoedingen lastens [verzoeker], kan niet beschouwd worden als zijnde het voor dit misdrijf vereiste moreel bestanddeel. Indien iemand onterecht fietsvergoedingen zou innen, mag daarvoor een dossier aangemaakt worden. De omstandigheid dat de opstart van dat dossier, zijnde in deze zaak een vooronderzoek door leden van een intern toezicht dat heeft geleid tot een officieel opsporingsonderzoek onder leiding van een procureur des Konings, gebeurde met een e-mail in plaats van met een eigen proces-verbaal is niet van die aard dat daardoor enig onrechtmatig voordeel beoogd zou zijn. Het onderzoek heeft niet afdoende kunnen aantonen dat het niet de loutere bedoeling van inverdenkinggestelde [XXX] was om een onderzoek te laten starten naar een eventueel misbruik door één van de inspecteurs waarvan hij de leidinggevende was en dit in alle discretie door de daartoe bevoegde leden van Intern Toezicht.” IV. Opheffing van de schorsing van de behandeling van het beroep 4. Bij arrest van de Raad van State nr. 254.172 van 30 juni 2022 werd overeenkomstig artikel 51 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemeneprocedureregeling) de behandeling van het beroep geschorst totdat de meeste gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid voor het auditoraat om zich daartoe ambtshalve te bevragen en de plicht van de partijen om de Raad van State en het auditoraat op geregelde tijdstippen en minstens om de zes maanden te informeren over de stand van zaken en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. In het voormelde tussenarrest wordt aanvankelijk het proces- verbaal nr. AN.20.LB.[XXX] van 24 augustus 2018 (hierna: het aanvankelijk proces-verbaal) aangewezen als het van valsheid beschuldigde stuk dat de toepassing van artikel 51 van de algemeneprocedureregeling noodzaakte. 5. Beide partijen delen het hiervoor (supra, punt 3.2.) vermelde arrest van 23 maart 2023 van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen mee. XIV-38.101-8/47 Met deze uitspraak heeft het bevoegde rechtscollege uitspraak gedaan over de valsheid, oordelend dat, te dezen, het beroep ongegrond is. Partijen erkennen dat geen rechtsmiddel werd aangewend tegen deze rechterlijke uitspraak. Uit wat voorafgaat volgt dat aan de klacht met burgerlijkepartijstelling inzake het van valsheid beticht aanvankelijk proces- verbaal geen gevolg werd gegeven. De bewijskracht van het van valsheid betichte proces-verbaal is derhalve niet aangetast. Verzoeker voert in zijn laatste memorie na het aanvullend verslag aan dat het afwijzen van de strafklacht tot gevolg heeft dat het stuk nog bewijskracht heeft, maar niet dat deze bewijskracht niet zou zijn aangetast. In de mate dat verzoeker daadwerkelijk de bewijskracht bedoelt – hij gebruikt bewijskracht en bewijswaarde tezamen zonder ter zake onderscheid te maken - kan hiermee niet worden ingestemd. De bewijskracht van een akte zoals het aanvankelijk proces-verbaal er een is, bestaat immers uit de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd, van hetgeen de opsteller daarin heeft willen vastleggen, ongeacht de bewijswaarde van de akte. Valse stukken hebben aldus geen bewijskracht en de Raad van State kan met dergelijke niet- bewijskrachtige stukken geen rekening houden, ze niet betrekken bij de oplossing van het geschil. Doordat te dezen het aanvankelijk proces-verbaal niet vals is verklaard, heeft het derhalve zijn bewijskracht behouden en kan de Raad van State het betrekken bij de oplossing van het geschil. 6. De schorsing van de behandeling van het beroep tot nietigverklaring die is bevolen bij arrest nr. 254.172 van 30 juni 2022, wordt opgeheven. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel XIV-38.101-9/47 7. In het eerste middel voert verzoeker in het enig verzoekschrift de schending aan van de artikelen 5, § 4 en 8 van de wet van 21 maart 2007 ‘tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera’s’ (hierna: de wet van 21 maart 2007), het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”, alsook “uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” en uit machtsoverschrijding, doordat de bestreden beslissing steunt op een tuchtonderzoek, waarbij de bewijsvoering op doorslaggevende wijze steunt op het raadplegen van beelden van zogenaamde ANPR-camera’s die nummerplaaterkenning inhouden. Na een breedvoerige duiding in het recht van de geschonden geachte bepalingen en beginselen, ziet verzoeker de toepassing ervan in zijn geval als volgt: “[…] In casu dient te worden vastgesteld dat het bewijs van de tuchtrechtelijke tenlasteleggingen in het geheel in belangrijke en doorslaggevende mate gesteund is op de registratie van het privévoertuig van betrokkene via de ANPR- camerabeelden die op 29/08/2018 voor één volledige maand worden opgevraagd. Deze beelden worden echter binnen de tuchtbeslissing niet aangewend met het oog op het vaststellen van overlast of een misdrijf, doch als een oneigenlijk tijdsregistratiesysteem voor arbeidsduur. Meer nog de bewuste beelden worden zelfs gebruikt om het ingeven van uren in het officiële tijdsregistratiesysteem (prestatieverslagen en Galop) te betwisten. Daarbij worden dus geen officiële aan het statuut van politieambtenaar verbonden middelen aangewend om de tijdsbesteding van verzoekende partij na te gaan, maar worden ANPR-camerabeelden gebruikt om gegevens betreffende het privé-voertuig in het kader van een tuchtrechtelijke procedure te genereren. De betrokkene werd niet in kennis gesteld dat ANPR-camera’s worden gebruikt om de arbeidsprestaties van betrokkene in kaart te brengen of de tijdsregistratie binnen de politiediensten op haar correctheid en integriteit na te gaan. Daarbij wordt de finaliteit van het opnemen en aanwenden van dergelijke gegevens misbruikt in het kader van de beoordeling van een tuchtrechtelijke tenlastelegging. Het gaat hier niet om camera-beelden in een instelling of lokaal waarvan het bestaan door de politieambtenaren in het kader van hun beroepsuitoefening gekend dient te zijn, en waarbij deze gegevens worden geregistreerd, maar om ANPR-camerabeelden die met het oog op vaststellingen van overtredingen en misdrijven op de openbare wegenis worden voorzien. De analogie met de Antigoon rechtspraak gehanteerd binnen het strafrecht om de op die manier gegenereerde bewijsmiddelen als draagkrachtig aan te wenden binnen een bestuurlijke beslissing is geenszins evident. Het gaat hier immers niet om de beslissing van een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instantie die de bewijswaarde van het onrechtmatig verkregen bewijs dient te beoordelen, maar om een bestuurlijke beslissing, waarbij het eigen handelen van die bestuurlijke overheid voorafgaand aan deze beslissing bepalend is voor de rechtmatigheid ervan. De materiële motiveringsplicht vereist immers dat de tuchtrechtelijke XIV-38.101-10/47 overheid nagaat of de door haar beschikbare elementen in rechte in aanmerking kunnen worden genomen. Anders dan te voorzien in een tegensprekelijke controle van arbeidsprestaties op de werkvloer, wordt door het bestuur in deze oneigenlijk gebruik gemaakt van camerabeelden voor het opsporen van misdrijven op de openbare weg voor de controle van arbeidsprestaties en de registratie ervan. De motieven die het gevolg zijn van dergelijk bestuurlijk handelen kunnen onder het algemeen rechtsbeginsel inzake ‘fraus omnia corrumpit’ niet als draagkrachtig worden beoordeeld. Het is eigen aan de camerawet (net zoals bij de privacywet overigens) dat de beelden in functie van een welbepaalde functionaliteit al dan niet kunnen worden bewaard en geraadpleegd. Fraus omnia corrumpit is als algemeen rechtsbeginsel niet van toepassing op de strafvordering, doch weldegelijk op de bestuurlijke overheid die de auteur is van een individuele administratieve rechtshandeling. […] Het feit dat men via toestemming van de procureur in kennis wordt gesteld van een vooronderzoek naar vermeende misdrijven waarbij de ANPR- camerabeelden oneigenlijk werden gebruikt (nu zij niet het misdrijf vaststelden, maar een bewijs dienden te genereren om de eigen tijdsregistratie van de politie te ontkrachten), verhindert niet dat zij nadien evenmin deugdelijk als draagkrachtig element kunnen worden gebruikt in het kader van de motivering van een tuchtrechtelijke tenlastelegging. Minstens diende de tuchtoverheid in het licht van de Antigoon rechtspraak een afweging te maken of het oneigenlijk aanwenden van bewaarde camerabeelden in de concrete omstandigheden geen aanleiding gaf tot het uithollen van de rechten van verdediging en tegenspraak. De beelden worden immers concreet aangewend om de eigen registratie binnen het programma Galop en de individuele prestatiefiches tegen te spreken. De tuchtrechtelijk beklaagde ziet zich vervolgens zonder reële bewijsmogelijkheid om de registratie van zijn privaat voertuig op de bewuste tijdstippen nog in detail te kaderen, nu hij geen beroep kan doen op een valabele en tegensprekelijk arbeidsduurregistratie binnen de politiediensten zelf. De bestreden beslissing kon dan ook de bestreden tuchtbeslissing niet steunen op de verkregen beelden van de ANPR-camera’s om een tuchtrechtelijke tenlastelegging gekoppeld aan arbeidsduur-registratie en de integriteit ervan als gegrond te beschouwen.” 8. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker vooreerst dat uit het aanvankelijk proces-verbaal van 24 augustus 2018 duidelijk blijkt dat de ANPR-camerabeelden werden opgevraagd tot en met 26 augustus 2018, terwijl de strafrechtelijke inbreuken zouden hebben plaatsgevonden tussen 28 juli en 13 augustus 2018. Uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dan ook dat de beelden niet zijn opgevraagd om na te gaan of er sprake zou zijn van valsheid in geschrifte of oplichting, maar dat integendeel overeenkomstig het proces-verbaal zelf, de beelden zijn opgevraagd met het specifieke doel de arbeidsprestaties van verzoeker te verifiëren. Er blijkt dan ook duidelijk dat het strafrechtelijk onderzoek en de bijhorende opsporingsmethoden werden afgewend van hun doel om strafrechtelijke inbreuken op te sporen, maar in werkelijkheid werden aangewend om de tijdsregistratie van verzoeker te verifiëren en te falsifiëren. Hij XIV-38.101-11/47 detailleert zijn argumentatie voorts aan de hand van de gestelde onderzoeksdaden en het feit dat het onderzoek is gestart omwille van een e-mail van een commissaris waarin die verwees naar verschillende verklaringen van andere collega’s en naar eigen onderzoek, zonder dat onderzoek werd gevoerd naar die verklaringen en naar de onderzoeksdaden dewelke die commissaris heeft gesteld voor de opstart van het strafrechtelijk onderzoek en zonder dat melding is gemaakt van enig proces-verbaal vanwege de voornoemde commissaris, terwijl die volgens verzoeker te dezen verplicht was dit op stellen. Voorts zijn de beelden niet opgevraagd als bewijs van een vermeend misdrijf en is er misbruik van het bewaren van persoonsgegevens. Verzoeker betwist voorts dat er sprake was van enige schade op het moment van de analyse van de beelden, hetgeen hij detailleert. Verzoeker betwist voorts op omstandige wijze dat er sprake zou zijn van toestemming overeenkomstig artikel 8 van de wet van 21 maart 2007. Wat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht betreft, betwist verzoeker op geargumenteerde wijze de argumenten van de verwerende partij ontwikkeld in de memorie van antwoord. 9. In zijn laatste memorie na het eerste verslag over de zaak, benadrukt verzoeker dat uit de motivering van het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat de opvraging van de ANPR-camerabeelden wel degelijk in hoofdorde gebeurde om de arbeidstijdregistratie van verzoeker te verifiëren en dat slechts in ondergeschikte orde werd verwezen naar de opsporing van de door verzoeker onterecht geïnde fietsvergoedingen. Voorts betoogt verzoeker dat wel degelijk relevant is dat het strafonderzoek reeds in maart 2019 werd geseponeerd en dat bepaalde logische en relevante onderzoeksdaden niet werden gesteld tijdens het strafrechtelijk onderzoek. Dat bevestigt immers dat het strafrechtelijk onderzoek werd afgewend van zijn doel om strafrechtelijke inbreuken op te sporen en dat het loutere feit dat dit onderzoek lopende was, niet volstaat om te staven dat de ANPR-camerabeelden op rechtsgeldige wijze werden aangewend. Hij benadrukt voorts dat de camerabeelden niet werden aangewend voor de opsporing van misdrijven, dat er geen toestemming was van verzoeker om de beelden voor de opsporing van tuchtrechtelijke feiten aan te wenden en dat de ANPR- camerabeelden doorslaggevend waren voor de bestreden tuchtsanctie. XIV-38.101-12/47 In zijn laatste memorie na het aanvullend verslag stelt verzoeker te lezen in het tussenarrest nr. 254.172 van 30 juni 2022 dat het afwijzen van zijn klacht weliswaar tot gevolg heeft dat het aanvankelijk proces- verbaal nog bewijskracht heeft, maar dat daaruit niet volgt dat de bewijskracht niet zou zijn aangetast. Hij betoogt dat het aanvankelijk proces-verbaal van valsheid werd beticht omdat er foutieve elementen in zijn opgenomen. Dat zulks het geval is, werd volgens hem duidelijk bevestigd door het gevoerde strafrechtelijk onderzoek. Die elementen werden gebruikt in het strafdossier en werden nadien tevens aangewend in het tuchtdossier, waarin die een essentiële rol speelden. Dat de KI volgens verzoeker meeging in de volgens verzoeker “ongeloofwaardige beweringen” van de personen tegen wie het strafrechtelijk onderzoek liep, doet volgens hem niets af van het feit dat er sprake is van foutieve elementen die de bewijswaarde van dat aanvankelijk proces-verbaal aantasten. Vervolgens gaat hij als volgt uitgebreid in op deze elementen: “5. Zo bevestigde de KI in haar arrest dat het strafonderzoek en tuchtonderzoek van elkaar onderscheiden dienen te worden […]: ‘Met deze zienswijze gaat [verzoeker] volkomen voorbij aan het eigen karakter van de procedures van een strafonderzoek en een tuchtonderzoek en de scheiding tussen beide procedures en houdt hij geen rekening met de tussenkomst van de procureur des Konings.’ […]. Deze zienswijze van de KI bevestigt dan ook wel degelijk dat het strafonderzoek niet aan te wenden was in de tuchtzaak, wat evenwel wel gebeurde en zelfs de grondslag vormde voor de bestreden beslissing. Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt daarenboven dat het zogenaamde ‘werkdossier’ dat in het kader van het tuchtonderzoek zou bestaan, niet meer ter beschikking was en reeds vernietigd is. De tuchtsanctie steunt dan ook wat betreft ‘feiten, omstandigheden en gevolgen’ volledig op het oorspronkelijk strafdossier, hoewel zoals door de KI bevestigt, het karakter van het tuchtdossier en strafdossier wezenlijk verschillen […]. Tevens staat ondertussen vast dat tijdens het verhoor van [verzoeker] op 30 oktober 2018 de op 29 augustus 2018 voor het tuchtonderzoek aangestelde Hoofdinspecteurs […], zich in het naastgelegen lokaal bevonden, dat van het verhoorlokaal was afgescheiden door een wand die bovenaan open was. Na de verklaring van [verzoeker] spraken [die] hoofdinspecteurs […] [verzoeker] aan met het verzoek zijn verklaring in het strafonderzoek, te komen bevestigen in het kader van het tuchtonderzoek. Beide hoofdinspecteurs hadden het integrale verhoor in het kader van het strafonderzoek gehoord en hebben hun beroepsgeheim in deze bijgevolg geschonden […]. Er kan gelet op de uitspraak van de KI waarin de scheiding tussen het tuchtonderzoek en strafonderzoek nogmaals uitdrukkelijk werd bevestigd en de XIV-38.101-13/47 aan het licht gekomen elementen waaruit de vermenging van beide onderzoeken duidelijk blijkt, dan ook niet worden volhard in het standpunt uit het eerste auditoraatsverslag. 6. Ten tweede blijkt uit het gevoerde strafrechtelijk onderzoek dat er tegenstrijdige vaststellingen werden afgelegd betreffende het voor handen zijn van ANPR-camerabeelden waarop het aangezicht van [verzoeker] zichtbaar was, daar waar dergelijke beelden zich nadien niet in het strafdossier bevonden. Ondertussen werden [verzoeker] wel verklaringen ontlokt betreffende zijn verschijning op deze tijdstippen. Zo vermeldde [verzoeker] in zijn verhoor van 1 juni 2021[…]: ‘Ten tweede verwijs ik naar de foto’s van de ANPR, waarop mijn gezicht is te zien. Deze foto’s hebben zij mij tijdens het verhoor verschillende malen voorgelegd, waarop ik heb bevestigd dat ik de bestuurder was van het voertuig. Nadien bleken deze foto’s niet in het dossier te zitten. Dit was een bewuste strategie omdat ik een opmerking had gemaakt inzake de privacy en het recht op afbeelding. Dit is een tweede valsheid door omissie. Dit heeft tot gevolg gehad dat de tuchtoverheid een beslissing heeft genomen op basis van het geseponeerde strafonderzoek, waar niet alle stukken aan werden gevoegd. Die dag van 03/08/2018 werd mij in het tuchtdossier zwaar aangerekend terwijl ik er wel een verklaring voor kon geven, maar waarvoor mij niet de kans werd geboden.’ 7. Ten derde bevestigen de uitgebreide verhoren uit het strafdossier dat [verzoeker] op geen enkel ogenblik kruisjes liet zetten voor het aanrekenen van de fietsvergoeding, doch wel consequent betwist heeft dat specifieke kruisjes op de dagstaten zijn handschrift waren. Het laten zetten van kruisjes door anderen blijkt dan ook niet met de werkelijkheid overeen te stemmen […]: ‘Verklaring [XXX]: ‘Ik meen mij te herinneren dat hij ([verzoeker]) bepaalde kruisjes had gezet’. [Verzoeker] heeft steeds verklaard dat hij niet alle kruisjes had gezet die op de dagstaten waren aangebracht. [Een andere politieambtenaar]: ‘Ik meen mij trouwens te herinneren dat [verzoeker] op een bepaald moment werd geconfronteerd met de kruisjes die op de dagstaten werden gezet bij de fietsvergoedingen. Hij heeft hierover verklaard dat bepaalde kruisjes niet door hem werden gezet en dat deze niet zijn handschrift zijn.’ 8. Ten vierde blijkt uit het strafrechtelijk onderzoek dat voor de datum van 3 augustus 2018 wel degelijk ten onrechte een bezoek aan de arbeidsgeneesheer ten onrechte als niet gepresteerde uren in aanmerking is genomen. Het strafrechtelijk onderzoek bevestigt dan ook uitdrukkelijk dat er sprake is van een flagrante misvatting van drie uren ten onrechte als niet gepresteerde uren werden genoteerd dewelke duidelijk van doorslaggevende waarde waren in het kader van het tuchtonderzoek. 9. Ten vijfde, ondanks het feit dat het strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd betreffende de valsheid van de dagstaten van [verzoeker] (dewelke de al dan niet gewettigde afwezigheid staven), werden deze niet ‘ne varietur’ neergelegd. Deze ne-varietur procedure wordt voorgeschreven om latere wijzigingen of ongerijmdheden aan het originele document die duiden op valsheid te kunnen opsporen. De ‘ne varietur’ neerlegging in strafzaken is een wettelijke verplichting dewelke vereist is om de controle op de stukken te kunnen uitvoeren waarvoor geen opdracht van de procureur nodig is (art. 448 ev. Sv.) De KI bevestigde in haar uitspraak dat deze procedure vanzelfsprekend toegepast diende te worden op het originele document in zoverre dit nog beschikbaar was, hetgeen volgens de KI ‘in deze zaak zeker het geval was.’ ([…]): ‘[…].’ Er kon dan ook bij gebrek hieraan geen nuttig verweer worden gevoerd met betrekking tot de vermeende tuchtrechtelijke tenlastelegging gerelateerd aan de arbeidsduurregistratie. Zo kon immers niet worden nagegaan wie welk kruisje XIV-38.101-14/47 heeft gezet op de oorspronkelijke dagstaten, en waren inkt- en schriftanalyse niet meer mogelijk. 10. Tot slot, ziet [verzoeker] zich genoodzaakt om naar aanleiding van het gevoerde strafrechtelijk onderzoek en arrest van de KI Uw Raad attent te maken op de rol van tuchtmagistraat [XXX] die zowel betrokken was bij de totstandkoming van de bestreden beslissing als het op vraag [verzoeker] gevoerde strafrechtelijk onderzoek. Zoals duidelijk blijkt uit de bijgevoegde nota opgesteld door [verzoeker] zelf ([…]), kon deze niet op onpartijdige wijze oordelen betreffende het handelen van [verzoeker], laat staan dat deze op onpartijdige wijze onderzoek kon voeren betreffende de rechtsgeldigheid van een onderzoek waarin deze zelf betrokken was.” Verzoeker besluit dat dit uitermate relevante elementen zijn die wel degelijk een andere beoordeling tot gevolg dienen te hebben van de beoordeling van de draagkrachtigheid van de motieven opgeworpen in het eerste en tweede middel, en in functie van de zorgvuldigheidsplicht aangekaart in het eerste middel. Beoordeling Vooraf – draagwijdte van het middel ontwikkeld in het verzoekschrift 10. Verzoeker vat zijn middel als volgt samen in de memorie van wederantwoord: “Het eerste middel van [verzoeker] heeft betrekking op het onrechtmatig aanwenden van beelden van ANPR-camera’s in het kader van de bewijsvoering voor de bestreden beslissing. Zo was niet voldaan aan de voorwaarden voor het gebruik van deze camerabeelden zoals opgenomen in art. 5§4 en art. 8 Camerawet. De beelden werden immers niet gebruikt als bewijs voor misdrijven of overlast, maar wel voor de beoordeling van een tuchtrechtelijke tenlastelegging. Daarenboven heeft [verzoeker] nooit zijn toestemming verleend zoals vereist door art. 8 Camerawet voor het gebruik van de beelden voor een andere finaliteit dan het opsporen van misdrijven of overlast, dan wel de handhaving van de openbare orde. Naast de schending van art. 5§4 en art. 8 Camerawet is er tevens sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur vermits de tuchtoverheid geen afweging heeft gemaakt of de beslissing tot raadpleging van deze camerabeelden in rechte ter verantwoording en ter ondersteuning van de tuchtbeslissing mocht worden genomen. De motivatie van de bestreden beslissing waarin verwezen wordt naar deze op onrechtmatige wijze aangewende beelden betreft tot slot ook een schending van het ‘fraus omnia corrumpit’ principe in hoofde van de tuchtoverheid.” XIV-38.101-15/47 De verwerende partij had in haar navolgende processtukken geen kritiek op deze samenvatting. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht. XIV-38.101-16/47 Betreffende de schending van de bepalingen van de wet van 21 maart 2007 11. Verzoeker voert vooreerst de schending aan van de artikelen 5, § 4 en 8 van de wet van 21 maart 2007. Die luiden: “§ 4. Het bekijken van deze beelden in real time is uitsluitend toegestaan onder toezicht van de politiediensten opdat de bevoegde diensten onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde en deze diensten in hun optreden optimaal kunnen worden gestuurd. Met uitzondering van de bewakingsagenten die hun bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, bepaalt een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, waarvan het ontwerp voor advies is voorgelegd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit, de voorwaarden waaronder personen bevoegd kunnen zijn om deze beelden te bekijken en wijst deze personen aan, die handelen onder toezicht van de politiediensten. De toegang tot deze beelden in real time is ook toegestaan om het de bevoegde overheden en diensten mogelijk te maken om de veiligheid bij belangrijke evenementen die een impact kunnen hebben op de openbare orde en de veiligheid van de bevolking te coördineren en ook om de evolutie van de noodsituaties op te volgen om het beheer ervan te coördineren. Het opnemen van beelden is uitsluitend toegestaan teneinde bewijzen te verzamelen van overlast of van feiten die een misdrijf opleveren of schade veroorzaken en daders, verstoorders van de openbare orde, getuigen of slachtoffers op te sporen en te identificeren. Indien deze beelden geen bijdrage kunnen leveren tot het bewijzen van een misdrijf, van schade of van overlast of tot het identificeren van een dader, een verstoorder van de openbare orde, een getuige of een slachtoffer, worden zij niet langer dan één maand bewaard. Deze termijn wordt verlengd naar drie maanden voor de plaatsen die een bijzonder veiligheidsrisico inhouden, bepaald door de Koning bij koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, waarvan het ontwerp voor advies wordt voorgelegd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit.” “Art. 8.Elk heimelijk gebruik van bewakingscamera’s is verboden. Als heimelijk gebruik wordt beschouwd, elk gebruik van bewakingscamera’s zonder voorafgaande toestemming van de gefilmde persoon of, wat het gebruik van mobiele bewakingscamera’s in niet-besloten plaatsen betreft, die de modaliteiten van aankondiging niet respecteert, voorzien in het artikel 7/3, § 2, eerste lid. Geldt als voorafgaande toestemming : 1° het betreden van een plaats waar een pictogram aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt;” 12. De kern van het middel is dat de ANPR-camerabeelden in strijd met de artikelen 5, § 4, vierde lid, en 8 van de wet van 21 maart 2007 werden verkregen en gebruikt: ze werden volgens het middel niet aangewend met het oog XIV-38.101-17/47 op het vaststellen van overlast of een misdrijf zoals bepaald in artikel 5, § 4, vierde lid, van de voornoemde wet, “doch als een oneigenlijk tijdsregistratiesysteem voor arbeidsduur” en “om het ingeven van uren in het officiële tijdsregistratiesysteem (prestatieverslagen en Galop) te betwisten.” Het past bij de beoordeling van het middel, de chronologie van de feiten voorafgaand aan de betwiste raadpleging van de ANPR-camerabeelden te betrekken. Uit het administratief dossier blijkt dat de dienst Intern Toezicht van de lokale politie per e-mail van 24 juli 2018 door verzoekers teamleider werd geïnformeerd dat die van enkele teamleden had vernomen dat verzoeker ten onrechte fietsvergoedingen ontvangt. Op 26 juli 2018 neemt de korpschef kennis van deze mededeling en “teneinde eventuele tuchtvergrijpen vast te stellen”, gelast hij een voorafgaand onderzoek om “alzo over te gaan tot elk nuttig geacht verhoor en het inzamelen van alle ter zake dienende informatie.” Twee vooronderzoekers worden te dezen gemandateerd. Uit het tussentijds verslag van het voorafgaand onderzoek van 24 augustus 2018 blijkt dat de vooronderzoekers in het kader van het voorafgaand onderzoek de volgende administratieve onderzoeksbevindingen deden: “Toezicht aan woning - volgen betrokkene tot plaats van het werk – vaststelling gebruik personenwagen Op 28/07/2018 om 06.18 uur komen Onderzoekers ter plaatse in de [straat van verzoeker]. Wij verplaatsen ons met een anoniem dienstvoertuig en zijn gekleed in burgerkledij. Bij het voorbijrijdcn van de woning van [verzoeker] stellen wij vast dat de zwarte [auto] met Belgisch kenteken […] aldaar geparkeerd staat. Deze staat achteruit geparkeerd op de oprit naast de woning, een eindje naar achter ten opzichte van de openbare weg, doch voor de garage. Met de auto is de [straat van verzoeker], het stuk waar betrokkene woont, slechts langs 1 kant bereikbaar, namelijk komende vanuit de richting van de […]laan. In de andere richting kan men de straat enkel te voet of per rijwiel verlaten gelet het geldende éénrichtingsverkeer en een aantal paaltjes die geplaatst werden in een zijstraat. Het meest voor de hand liggend is dat, indien betrokkene zou gaan werken met de auto, hij vanaf zijn woning tot aan het kruispunt met de […]laan zou rijden, vanaf daar linksaf zou slaan om zo via de […]laan naar […]baan te rijden. XIV-38.101-18/47 Wij parkeren ons dienstvoerluig daarom in de [straat van verzoeker], ter hoogte van het huisnummer […], met front in de richting van het kruispunt met de […]laan. Van daaruit hebben wij een goed zicht op de woning van [verzoeker] en eventuele bewegingen vlakbij. Om 07.10 uur stellen wij vast dat het voertuig […] met Belgisch kenteken […] vanaf de oprit naast de wonìng de openbare weg in de [straat van verzoeker] opgereden komt. Het voertuig wordt bestuurd door een man die wij zondermeer herkennen als [verzoeker]. Deze rijdt verder tot aan het kruispunt met de […]laan om dan linksaf te slaan in de […]laan en zijn weg te vervolgen tot aan de […]baan. Om betrokkene niet te verontrusten houden wij ruime afstand ten opzichte van zijn voertuig. Wij pikken hct voertuig […] met [verzoeker] aan terug op in de […]laan, na het kruispunt met de […]baan. Betrokkene vervolgt zijn weg via de [….]laan en het kruispunt met de […]baan in de richting van […]. Hier dienen wij betrokkene te lossen vanwege de verkeerssituatie (verkeerslichten op rood). Wij vervolgen hierna onze weg via […] waar wij de autosnelweg […] oprijden in de richting van ANTWERPEN. Vervolgens volgen wij dan de Ring R1 in de richting van […]. Kort na de splitsing met [….] slagen wij erin om [verzoeker] in zijn voertuig terug op te pikken. Deze vervolgt zijn weg over de Ring Rl om vervolgens de uiterst rechtse rijstrook te kiezen die dient voor het verkeer met bestemming ANTWERPEN[…]. Betrokkene neemt uiteindelijk deze afrit en rijdt om 07.28 uur verder door aan het kruispunt met de […]straat linksaf te slaan. Gelet er op dat ogenblik geen andere voertuigen tussen ons en het voertuig van betrokkene rijden, en de kans om door hem herkend te worden reëel is, besluiten wij het toezicht af te breken. [Verzoeker] werd, zoals hiervoor reeds meegedeeld, die 28/07/2018 ingepland met dienst in het gebouw van de Rechtbank van Eerste Aanleg te ANTWERPEN, […]. Nazicht geregistreerde dienstprestatie d.d. 28/07/2018 in ‘GALOP’ voor betrokkene Op 02/08/2018 doen wij in de toepassing ‘GALOP’, via het ‘lndividueel Activiteitenverslag’ van [verzoeker], nazicht naar de dienstprestatie dewelke daarin voor 28/07/2018 geregistreerd werd. Hieruit blijkt dat de dienst ‘Jeugdrechtbank’ geregistreerd werd met diensturen van 07.30 uur tot 15.30 uur. Wij stellen tevens vast dat in de kolom ‘FIETS’ 33 kilometers ingebracht werden, dit ondanks onze vaststelling dat wij betrokkene met het voertuig […] naar ANTWERPEN zagen rijden. […] Toezicht aan Waalse/Vlaamsekaai -vaststelling gebruik personenwagen na verlaten werkplaats Op 02/08/2018 is [verzoeker], zoals reeds hoger aangehaald, met dienst belast in het Hof van Beroep te ANTWERPEN vanaf 07.30 uur. Om 15.25 uur komen Onderzoekers ter plaatse aan de grote openbare parking die gelegen is tussen de Waalsekaai enerzijds en de Vlaamsekaai anderzijds. Wij stellen vast dat de zwarte [auto] met Belgisch kenteken […] aldaar geparkeerd staat, dit aan de kant van de Waalsekaai, ter hoogte en op wandelafstand van het Hof van Beroep. Wij parkeren ons anoniem dienstvoertuig daarom in de Vlaamsekaai in een parkeervak, met front in de richting van het Hof van Beroep. Van daaruit hebben wij een goed zicht op de betrokken personenwagen […] en eventuele bewegingen nabij. Om 17.45 uur stellen wij vast dat [verzoeker] bij het voertuig […] in kwestie arriveert. Hij rijdt met zijn voertuig binnendoor over de grote parking om deze via een uitrit aan de kant van de Vlaamsekaai te verlaten. Vervolgens dwarst hij de XIV-38.101-19/47 Vlaamsekaai om zijn weg verder te zetten via […] weg te rijden in de richting van de […]straat. Gelet de verkeersdrukte dienen wij betrokkene en zijn voertuig te lossen. Omdat wij vermoeden dat [verzoeker] via de Ring R1 […] zal rijden zetten wij onze weg verder in de richting van […] waar men via de […]]tunnel de Ring R1 kan oprijden in diverse richtingen. Wij pikken het voertuig […] met [verzoeker] aan boord terug op in de […]straat, nabij het kruispunt met […]. Tussen ons voertuig en dit van betrokkene zitten er op dat ogenblik 6 voertuigen. Betrokkene slaat aan voormeld kuispunt dan rechtsaf. Via de […]tunnel kiest hij vervolgens de Ring R1 […]. Daar is het op dat ogenblik erg druk zodat men er quasi stapvoets file dient te rijden. Op het ogenblik dat betrokkene zich met zijn [auto] in de de rijstrook bevindt voor het verkeer met bestemming […] steken wij deze langzaam voorbij, zij het op enkele rijstroken afstand, om 17.50 uur. Gelet de verkeerssituatie ter plaatse op dat ogenblik is de kans om door hem herkend te worden reëel en breken wij het toezicht af. Toezicht aan woning – volgen betrokkene tot plaats van het werk – vaststelling gebruik personenwagen Op 04/08/2018 is [verzoeker], zoals hiervoor reeds meegedeeld, ingepland met dienst in het gebouw van de Rechtbank van Eerste Aanleg te ANTWERPEN, […]. Om 06.15 uur komen Onderzoekers ter plaatse in de [straat van verzoeker]. Wij verplaatsen ons met een anoniem dienstvoertuig en zijn gekleed in burgerkledij. Bij het voorbijrijden van de woning van [verzoeker] stellen wij vast dat de zwarte [auto] met Belgisch kenteken […] aldaar geparkeerd staat op de oprit naast de woning. Wij parkeren ons dienstvoertuig andermaal in de [straat van verzoeker], ter hoogte van het huisnummer […], met font in de richting van het kruispunt met de […]. Van daaruit hebben wij opnieuw een goed zicht op de woning van [verzoeker] en eventuele bewegingen vlakbij. Om 07.07 uur stellen wij vast dat het voertuig […] met Belgisch kenteken […] vanaf de oprit naast de woning de openbare weg in de [straat van verzoeker] opgereden komt. Het voertuig wordt bestuurd door [verzoeker]. Deze rijdt zoals de eerste keer verder tot aan het kruispunt met de […]laan, om dan linksaf te slaan in de […]laan, cn zijn weg te vervolgen tot aan de […]]baan. Om betrokkene niet te verontrusten houden wij ruime afstand ten opzichte van zijn voertuig. Wij pikken het voertuig [….] met [verzoeker] terug op in de […]laan, na het kruispunt met de […]steenweg, richting […]. Betrokkene vervolgt zijn weg via de […]laan, het kruispunt met de […]baan en rijdt zo verder in de richting van het rondpunt […]. Omwille van de verkeerssituatie (verkeerslichten op rood) dienen wij betrokkene te lossen. Wij vervolgen hierna onze weg […] waar wij de autosnelweg […] oprijden […]. Vervolgens volgen wij dan de Ring R1 […]. Kort na de afrit […] slagen wij erin om [verzoeker] in zijn voerruig terug op te pikken. Deze vervolgt zijn weg over de Ring R1 […] om vervolgens, na de splitsing […], de uiterst rechtse rijstrook te kiezen die dient voor het verkeer met bestemming ANTWERPEN[…]. Betrokkene neemt uiteindelijk deze afrit en rijdt om 07.25 uur verder door aan het kruispunt met de […]straat [om] linksaf te slaan in dc richting van de […]. Wij rijden met ons anoniem voertuig verder in dezelfde richting en stellen daarbij vast dat betrokkene met [zijn auto] stilstaat voor de eerste verkeerslichten (voor de oversteek van de tramsporen in de rijbaan), in de uiterst linkse voorsorteerstrook. De strook is bestemd voor het verkeer dat linksaf wil slaan in de richting van het Justitiepaleis. Hierlangs kan men ook rechtstreeks de ondergrondse parking van XIV-38.101-20/47 het gerechtsgebouw binnenrijden die normaal gezien bestemd is voor de personeelsleden ervan. Wij rijden betrokkene voorbij en beëindigen ons toezicht. Nazicht geregistreerde dienstprestatie d.d. 02 en 04/08/2018 in toepassing ‘GALOP’ voor betrokkene Op 10/08/2018 doen wij in de toepassing ‘GALOP’, via het ‘Individueel Activiteitenverslag’ van [verzoeker] nazicht naar de dienstprestatie dewelke daarin voor 02/08/2018 geregistreerd werd. Hieruit blijkt dat de dienst ‘Beroepshof’ met diensturen van 07.30 uur tot 18.45 uur geregistreerd werd, ondanks onze vaststelling waarbij wij betrokkene om 17.45 uur reeds bij zijn voertuig zagen toekomen. Wij stellen verder vast dat in de kolom ‘FIETS’ 33 kilometers ingebracht werden, dit ondanks onze vaststelling dat wij betrokkene met het voertuig […] vanaf de parking aan Waalsekaai te ANTWERPEN zagen wegrijden. […].” De voorafgaande onderzoekers stellen voorts in het voornoemde tussenverslag het volgende: “Vaststelling strafrechtelijke feiten – opstellen gerechtelijke PV – opstellen ‘tussentijds verslag’ Aangezien uit deze vaststellingen mogelijke strafrechtelijke feiten (valsheid in geschriften, bedrog bij subsidies - in casu fietsvergoeding) ten laste van [verzoeker] blijken gaan wij over tot opstellen van een aanvankelijk proces- verbaal onder het nummer AN.20.LB.[XXX] d.d. 24/08/2018 dat overgemaakt zal worden aan de Procureur des Konings - Afdeling tucht bij het Parket te ANTWERPEN. Tengevolge hiervan wordt door ons het onderhavig ‘Tussentijds Verslag van het Voorafgaand onderzoek’ opgesteld ten behoeve van de Korpschef.” Het voornoemde proces-verbaal van 24 augustus 2018 betreft het aanvankelijk proces-verbaal dat door verzoeker van valsheid werd beticht, maar waarvan hiervoor is vastgesteld dat, na het arrest van de KI, de bewijskracht niet is aangetast (zie supra, punt 5). Uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat de opstellers ervan op 27 augustus 2018 nazicht doen in de databank van het ANPR- cameranetwerk dat geplaatst werd op talrijke invalswegen naar de stad Antwerpen. Ter zake is het volgende gesteld: “Aan de hand hiervan wordt van een passerend voertuig een overzichtsfoto gemaakt waarop naast het kenteken ook de locatie wordt vermeld van de camera waarmee deze gemaakt werd (wegrijdend van deze camera of er naartoe rijdend), de datum en het tijdstip. Deze geregistreerde beelden worden, in uitvoering van de XIV-38.101-21/47 camerawetgeving, gedurende 1 maand bewaard. Hierdoor kunnen wij slechts opzoekingen doen vanaf 29/07/2018. Doel van ons nazicht is na te gaan of het voertuig […] van zwarte kleur met kenteken […], behorend aan [verzoeker] op de data dat hij met dienst belast was tussen 29/07/2018 tot en met 26/08/2018 door het ANPR-systeem gedetecteerd en geregistreerd werd. De bekomen ANPR-gegevens (datum, tijdstip) kunnen dan door ons vergeleken worden met de geregistreerde dienstprestaties (aanvangs- en einduur van de ‘activiteit’) in de toepassing ‘GALOP’ (door ons gevoegd werden als bijlage 06 en 07 aan deze akte). In voorkomend geval kan ook aangetoond worden dat betrokkene op een bepaalde datum van zijn persoonlijk voertuig gebruik maakte om zich naar zijn werkplaats te begeven terwijl hij eventueel gelijktijdig verzocht om hem de fietsvergoeding toe te kennen.” Uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat de ANPR- camerabeelden voor de data 31 juli 2018, 2 augustus 2018, 3 augustus 2018, 5 augustus 2018, 7 augustus 2018, 10 augustus 2018 en 13 augustus 2018 werden bekeken en geïnterpreteerd na vergelijking met de ingediende dienstprestaties met daarbij de verzoeken van verzoeker om een fietsvergoeding te krijgen. Luidens het aanvankelijk proces-verbaal werden de “bekomen relevante foto’s” gevoegd bij dat proces-verbaal. De voorgaande chronologie toont aldus aan dat een (tuchtrechtelijk) voorafgaand onderzoek werd bevolen door de korpschef en dat in uitvoering daarvan door de voorafgaand onderzoekers een toezicht op verzoekers woon-werkverkeer werd gedaan op 18 juli 2018, 2 en 4 augustus 2018. Dat driedaags toezicht wees luidens het vooronderzoek uit dat verzoeker zich met zijn persoonlijk voertuig en niet met de fiets verplaatst naar en van het werk en dat hij voor die dagen niettemin fietsvergoedingen aanvroeg. Voorts blijkt dat de aangestelde vooronderzoekers, die beiden hoofdinspecteur van politie zijn, meenden dat uit de in het raam van het vooronderzoek gedane vaststellingen mogelijke strafbare feiten gepleegd door verzoeker blijken en dat zij daarom overgaan tot het opstellen van een aanvankelijk proces-verbaal lastens verzoeker. Luidens dat proces-verbaal worden aan verzoeker ten laste gelegd: “valsheid in private geschriften - artikel SWB 196” en “bedrog bij schadeloosstelling of bij subsidies – artikel K.B. 31.05.1933; W. 12-07-1976; W. 26-05-2002” en “oplichting zonder internet – artikel SWB 496-505.” Dat XIV-38.101-22/47 aanvankelijk proces-verbaal, waarmee dus het opsporingsonderzoek werd opgestart, dateert van 24 augustus 2018. Uit dat proces-verbaal blijkt dat de consultatie van de ANPR-camerabeelden eenmalig gebeurde op 27 augustus 2018 en dat voor de periode van 29 juli tot en met 26 augustus 2018. Uit het hiervoor aangehaalde uittreksel van het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat het doel van deze raadpleging was “na te gaan of het voertuig […] van zwarte kleur met kenteken [….], behorend aan [verzoeker] op de data dat hij met dienst belast was tussen 29/07/2018 tot en met 26/08/2018 door het ANPR-systeem gedetecteerd en geregistreerd werd”, om aldus “de bekomen ANPR-gegevens (datum, tijdstip) te vergelijken met de geregistreerde dienstprestaties (aanvangs- en einduur van de ‘activiteit’) in de toepassing ‘GALOP’” zodat “in voorkomend geval […] aangetoond [kan] worden dat [verzoeker] op een bepaalde datum van zijn persoonlijk voertuig gebruik maakte om zich naar zijn werkplaats te begeven terwijl hij eventueel gelijktijdig verzocht om hem de fietsvergoeding toe te kennen.” Uit deze chronologie volgt dat de bewakingsbeelden werden opgevraagd en bekeken in het kader van een lastens verzoeker lopend opsporingsonderzoek, dat betrekking heeft op het verzamelen van bewijzen van een misdrijf en wel van het onderzochte feit van misbruik maken van fietsvergoedingen waarvan niet wordt betwist dat dit een strafbaar feit is indien het is bewezen. Het aanvankelijk proces-verbaal bevat voorts een (operationele) formele motivering waarom in het kader van de aan verzoeker tenlastegelegde strafbare feiten, de raadpleging van de ANPR-camerabeelden noodzakelijk is, en waarbij de Raad van State overigens zich aansluit bij de vaststelling door de KI dat dit “een operationele motivering (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.