← België

Arrest 260357 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 02/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.357 Rolnummer: A. 237019/X-18220 Zaak: Arrest 260357 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 02/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-15 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-11 03:17 Fiche Arrest nr 260.357 van 2 juli 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.357 no lien 277980 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 260.357 van 2 juli 2024 in de zaak A. 237.019/X-18.220 In zake :

  1. de BV M.
  2. M.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Verbelen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 122 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A, bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 7 oktober 2022, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen van 5 augustus 2022 waarbij de uitbatingsvergunning voor een shishabar te 2140 Borgerhout, wordt ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 254.345 van 25 augustus 2022 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-18.220-1/15 Eerste auditeur Sofie de Donker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni
  5. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt in persoon, advocaat Sophie Bracke, die loco advocaat Bart Verbelen verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Christophe Coen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Eerste verzoekster baat een shishabar uit te Borgerhout. Voor de uitbating heeft de verwerende partij op 17 juni 2011 een uitbatingsvergunning verleend. Tweede verzoeker is de feitelijke uitbater. Eerste verzoekster krijgt waarschuwingen omdat zij niet in orde is met de reglementering inzake de uitbatingsvergunning op 19 november 2014, 14 juli 2016, 27 juli 2017 en 25 september
  8. Er worden haar ook zes administratieve geldboetes opgelegd, op 9 april 2013, 14 september 2016, 16 september 2016, 20 september 2017, 17 juni 2020 en 10 maart
  9. X-18.220-2/15 Op 9 juni 2022 worden aan de verzoekende partijen twee uitnodigingen van 7 juni 2022 voor een hoorzitting betekend. Meegedeeld wordt dat de politie inbreuken op het ‘politiereglement uitbatingsvergunning’ (hierna: uitbatingsreglement) vaststelde. Blijkens de bijgevoegde administratieve aktes gaat het om de vaststellingen ter gelegenheid van een controle van de shishabar op 2 juni 2022: het niet kunnen voorleggen van het UBO-register (ultimate beneficial owner); niet voldoen aan de hygiënevereisten; camera’s die niet aangemeld zijn bij de bevoegde commissie; en tekortkomingen met betrekking tot de brandveiligheid. Die hoorzitting vindt plaats op 22 juni
  10. 3.
  11. Op 5 augustus 2022 beslist het college van burgemeester en schepenen om bij wege van administratieve sanctie de uitbatingsvergunning voor een shishabar van eerste verzoekster in te trekken, waardoor het uitbaten van de vergunningplichtige activiteiten in haar inrichting definitief verboden is. De beslissing beslaat 19 bladzijden. De motivering begint met een uiteenzetting van de “Aanleiding en context”. Aanleiding zijn een schietincident op 31 maart 2022 en daardoor een ernstige verstoring van de openbare orde, en de inbreuken met betrekking tot de exploitatie van een shishabar van 2 juni
  12. Veel aandacht gaat naar voorgaande processen-verbaal vanaf 2014 en naar de ongunstige politiebevindingen en inlichtingen met betrekking tot de moraliteit van tweede verzoeker, die opklimmen tot 2003 en zelfs
  13. Onder de rubriek “Argumentatie” gaat de verwerende partij eerst in op “Inbreuken met betrekking tot de exploitatie van de uitbating”. Verwezen wordt naar de controle van 2 juni 2022 en de daarbij vastgestelde inbreuken: “De persistente, aanhoudende vaststellingen van overtredingen van het uitbatings- reglement bij elke uitgevoerde controle duidt […] op een duidelijk gebrek aan normbesef.” Vervolgens wordt aandacht besteed aan “Politioneel onderzoek met betrekking tot de uitbating”. Gesteld wordt dat de moraliteit van tweede ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.357 X-18.220-3/15 verzoeker ongunstig is bevonden en dat de inrichting gekend is als een overlastinstelling. In de derde plaats wordt stilgestaan bij “Risico’s voor de openbare veiligheid”. Uiteengezet wordt dat de openbare orde ernstig verstoord werd door het schietincident van 30 maart 2022 dat in de inrichting van de verzoekende partijen is ontstaan. Het incident kadert, net als een vechtpartij op 24 juli 2021 en bedreigingen op 14 februari 2022, “in een familievete”. Ook wordt verwezen naar geweldincidenten uit 2011 en
  14. Ten slotte wordt de volgende “Verantwoording van de opgelegde sanctie” aangevoerd: - “Op het vlak van de moraliteitsvoorwaarden (zoals het financieel onderzoek) voldoet de uitbating nog steeds niet aan de toepasselijke regelgeving.” De inrichting wordt nog steeds feitelijk uitgebaat door natuurlijke personen ten aanzien van wie er een negatief moraliteitsadvies is gegeven. - Men houdt zich moedwillig niet aan de voorschriften die de stad aan de exploitatie van een shishabar verbindt. De waarschuwingen worden in de wind geslagen. Aan de uitbaatster moet een duidelijk signaal worden gegeven dat de voorschriften in het uitbatingsreglement strikt dienen te worden nageleefd. - Voor de sanctie met betrekking tot de moraliteitsverplichtingen en de na te leven exploitatieverplichtingen wordt rekening gehouden met het herhaald en moedwillig karakter van de inbreuken. De verschillende vaststellingen waarvan processen-verbaal werden opgesteld bewijzen dat de uitbaatster zich niet wil conformeren aan de geldende regelgeving. De omvang, de ernst en het weerkerend karakter van de begane inbreuken op de uitbatingsreglementering rechtvaardigen een definitieve intrekking van de uitbatingsvergunning, conform artikel 19, § 2, 3de punt, van het uitbatingsreglement. - Daarenboven blijkt dat de openbare veiligheid ernstig in het gedrang kwam door het schietincident van 30 maart 2022, in de omgeving van de inrichting van de verzoekende partijen. Er werd geen maatregel opgelegd door de burgemeester omdat tweede verzoeker langdurig in het ziekenhuis verbleef en de inrichting intussen gesloten bleef. Maar het incident toont aan dat de wijze van exploiteren ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.357 X-18.220-4/15 door tweede verzoeker aanleiding geeft tot een ernstige verstoring van de openbare orde. Dit kan krachtens artikel 19, § 2, 1e punt, van het uitbatingsreglement een grond zijn om de uitbatingsvergunning te schorsen of in te trekken, of de inrichting tijdelijk of definitief te sluiten. IV. Onderzoek van het eerste en het tweede middel Uiteenzetting van de partijen 4.
  15. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Zij lichten in de eerste plaats toe dat de motieven van de bestreden beslissing “volstrekt achterhaald” zijn. Sommige inbreuken op het uitbatingsreglement zijn geen inbreuken en er werd steeds onmiddellijk tegemoetgekomen aan de opmerkingen van de controleurs. Dat was ook het geval na de controle van 2 juni
  16. Veel processen-verbaal dateren van vóór de toekenning van de uitbatingsvergunning en waren dus kennelijk niet zwaarwichtig genoeg om de uitbatingsvergunning te weigeren. Voorts trekt, volgens de verzoekende partijen, de verwerende partij ten onrechte de moraliteit van tweede verzoeker in twijfel. Zij baseert zich op incorrecte of verouderde feiten, feiten van vóór de verkrijging van de uitbatingsvergunning, feiten waar de verzoekende partijen niets mee te maken hebben, feiten die geen aanleiding gaven tot een veroordeling of administratieve sanctie, of feiten waarvoor hij vrijgesproken werd. Aangaande het schietincident van 30 maart 2022 is op te merken dat tweede verzoeker daarbij slachtoffer was. Het deed zich louter toevallig voor in de omgeving van de shishabar. Dezelfde 12 processen-verbaal komen zowel ter sprake op pagina’s 2-4 als op pagina’s 7-
  17. Door meermaals naar dezelfde processen-verbaal te verwijzen probeert de verwerende partij het dossier aan te dikken en de verzoekende partijen in een slecht daglicht te plaatsen. De moraliteit is beweerdelijk in 2020 ongunstig bevonden. Twee jaar later wordt dit opgerakeld om de bestreden intrekking te rechtvaardigen. X-18.220-5/15 4.
  18. Een tweede middel leidt verzoeker af uit de schending van het evenredigheidsbeginsel. De verzoekende partijen betogen onder meer dat zij de inrichting steeds te goeder trouw hebben uitgebaat, dat recent een nieuw uitbatingsreglement in werking trad en dat het een hele opgave is om steeds op de hoogte te zijn. Wanneer er toch inbreuken werden vastgesteld, deden de verzoekende partijen alle moeite om ze te verhelpen. De bestreden intrekking brengt disproportionele financiële gevolgen mee: ze bedreigt het voortbestaan van de enige handelszaak van tweede verzoeker. De waterpijp is cruciaal voor de uitbating; een uitbating zonder is ondenkbaar. Waar de verwerende partij, aldus de verzoekende partijen, een duidelijk signaal wou geven aan de verzoekende partijen, kon dat ook een minder verregaande maatregel zijn, als een tijdelijke intrekking. De openbare veiligheid wordt alleszins niet beter gevrijwaard door de intrekking van de uitbatings- vergunning “nu het schietincident zich evengoed op een andere openbare plaats had kunnen voordoen”. Het is verwonderlijk dat in het verleden “nooit een mildere administratieve maatregel werd opgelegd, anders dan een GAS-boete”. De bestreden beslissing is dan ook onevenredig zwaar in verhouding tot de feiten en het beoogde doel. 5.
  19. De verwerende partij reageert in de memorie van antwoord met betrekking tot het eerste middel dat het weinig geloofwaardig is dat de verzoekende partijen zich op de materiëlemotiveringsplicht beroepen. Samen met de oproeping voor de hoorzitting zijn hun de administratieve aktes en de processen-verbaal bezorgd waarop de bestreden beslissing berust. Zij ontkennen ten andere de inbreuken niet. Ook de materialiteit van het schietincident wordt niet ontkend. Bij herhaling zijn inbreuken op de wetgeving inzake bewakingscamera’s vastgesteld. Dit is een ernstige tekortkoming en een pertinent motief. Aangezien de bestreden beslissing geen ordemaatregel is op grond van de artikelen 133 en 135 van de nieuwe gemeentewet, maar een sanctie, is het wel degelijk relevant dat een volledig overzicht wordt gegeven van alle voorgaanden. X-18.220-6/15 Wat de negatieve beoordeling van de moraliteit betreft, zijnde slechts één van de motieven van de bestreden beslissing, blijkt uit de overwegingen van de bestreden beslissing dat de conclusie ter zake in hoofdorde steunt op het proces-verbaal dat daaromtrent in 2020 werd opgesteld. Ook nog na de afgifte van de uitbatingsvergunning in 2011 hebben zich verschillende strafbare feiten voorgedaan. De negatieve moraliteitsbeoordeling berust niet alleen op het feit dat tweede verzoeker “politioneel gekend” is, maar ook op nog andere gegevens. Dat aan bepaalde door de politie vastgestelde feiten geen gerechtelijk gevolg is gegeven, doet aan de materialiteit van de vaststellingen geen afbreuk. Naast de moraliteit steunt de bestreden beslissing vooral op de lange rist aan inbreuken op het uitbatingsreglement en op de risico’s inzake de openbare veiligheid, namelijk “het recente schietincident en de aanslepende vete binnen de familie, waaruit onmiskenbaar blijkt dat de exploitatie van de publiek toegankelijke inrichting aanleiding geeft tot openbare ordeverstoring hetgeen tot de opgelegde sanctie noopt.” Dat tweede verzoeker in het schietincident een slachtoffer is en geen dader, doet niet ter zake. 5.
  20. Wat het tweede middel aangaat, wijst de verwerende partij erop dat de verzoekende partijen al zes keer een administratieve geldboete opgelegd kregen en niet minder dan vier keer formeel gewaarschuwd zijn dat een volgende inbreuk kan leiden tot een intrekking van de uitbatingsvergunning. Dat de verzoekende partijen telkens onmiddellijk het nodige doen om zich in regel te stellen, mist feitelijke grondslag. Het is precies de voortdurende herhaling van inbreuken, ondanks herhaalde waarschuwingen, die een strengere straf recht- vaardigt. Keer op keer is iets niet in orde. Het is in die omstandigheden “geenszins disproportioneel om een sanctie op te leggen die de betrokkene eindelijk moet doen inzien dat zulke houding niet wordt getolereerd (maatschappelijke afkeuring als strafdoel) en hem er toe aan te zetten zich in de toekomst wél te conformeren (ontrading/vermijden recidive als strafdoel).” Welke sanctie het best geschikt is ter bestraffing van de vastgestelde inbreuken behoort, aldus de memorie van antwoord, tot de bestuurlijke bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen. De Raad ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.357 X-18.220-7/15 van State kan de sanctie alleen onevenredig bevinden “wanneer geen enkel ander normaal en zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot eenzelfde beslissing zou kunnen komen”. Gelet op de hoeveelheid en de ernst van de vastgestelde inbreuken en de hardleersheid van de verzoekende partijen kan de bestreden beslissing niet disproportioneel genoemd worden. De verwerende partij had de inrichting ook volledig kunnen sluiten, maar koos ervoor om de lichtere sanctie van de intrekking van de uitbatingsvergunning op te leggen, zodat eerste verzoekende partij nog economische activiteiten kan verrichten. Het loutere gegeven dat er lichtere sanctiemaatregelen voorhanden zijn waarvan geen gebruik is gemaakt, houdt niet ipso facto een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur in.
  21. De verwerende partij voegt daar in de laatste memorie aan toe dat de verzoekende partijen verkeerdelijk alles tot het schietincident van 31 maart 2022 reduceren en dat zij duidelijk de vele inbreuken op de voorwaarden van de uitbatingsvergunning minimaliseren. Het feit dat een inbreuk bij een vorige controle niet werd vastgesteld, is geen vrijgeleide om inbreuken te plegen. Beoordeling
  22. Ook al in het kader van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die de verzoekende partijen op 12 augustus 2022 tegen de bestreden beslissing instelden, voerden zij de schending van de materiëlemotiveringsplicht en van het evenredigheidsbeginsel aan. De middelen werden in het arrest nr. 254.345 van 25 augustus 2022 niet ernstig bevonden. Terecht wijzen de verzoekende partijen erop dat het om een prima facie-oordeel gaat en dat een schorsingsarrest geen gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de rechter ten gronde. Wat meer is, de thans besproken middelen zijn bezwaarlijk te vergelijken met de middelen die in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werden aangevoerd. Ze zijn anders, aanzienlijk uitgebreider geadstrueerd. Ze zijn dan ook wezenlijk als nieuw te beschouwen. X-18.220-8/15
  23. De bestreden beslissing is een 19-pagina’s-lange opeenstapeling van vaststellingen en overwegingen, waarbij niet op een herhaling meer of minder wordt gekeken. Het past om voor een correcte interpretatie en beoordeling van de bestreden beslissing in het kader van de besproken middelen, uit te gaan van datgene waarover de verzoekende partijen precies met het oog op het nemen van die beslissing gehoord zijn. Het zijn immers de aantijgingen waartegen zij zich dienden te verdedigen, die geredelijk geacht moeten worden aan de bestreden beslissing ten grondslag te liggen.
  24. Blijkens stuk 15 van het administratief dossier zijn de verzoekende partijen met brieven van 7 juni 2022 uitgenodigd om specifiek te worden gehoord naar aanleiding van, en over, de controle van hun inrichting op 2 juni 2022 en de vier inbreuken die toen werden vastgesteld. Aangezien in een van de bijgevoegde administratieve aktes ook melding werd gemaakt van de “Antecedenten met betrekking tot de uitbating en bestuurder”, wisten de verzoekende partijen dat de verwerende partij de inbreuken van 2 juni 2022 tegen de achtergrond van die antecedenten zou beoordelen.
  25. Van het feit dat de verzoekende partijen mogelijk ook een sanctie riskeerden om de welbepaalde reden dat de natuurlijke persoon die de inrichting feitelijk uitbaat, namelijk tweede verzoeker, niet meer voldeed aan de voorwaarde van een gunstig moraliteitsonderzoek, werden zij niet op de hoogte gebracht. Zij hebben zich er dan ook niet tegen verweerd of kunnen verweren.
  26. Blijkens de bestreden beslissing verwijst de verwerende partij ter staving van de negatieve moraliteit van tweede verzoeker in de eerste plaats naar een proces-verbaal van 10 september 2020 waarin de moraliteit van tweede verzoeker ongunstig wordt bevonden. Veel meer dan dat, is over het proces-verbaal niet geweten. Hoe dan ook wordt vastgesteld dat, tóén, de verwerende partij in het proces-verbaal kennelijk geen aanleiding zag om er een verder gevolg aan te geven. X-18.220-9/15
  27. Wat de andere gegevens betreft waarnaar ter bewijs van de negatieve moraliteit wordt verwezen, is vast te stellen dat het, eensdeels, om een proces-verbaal in verband met een gijzeling in het drugsmilieu gaat en, anderdeels, om de loutere vermelding van een aantal feiten, hoofdzakelijk van járen geleden. Volgens de verzoekende partijen kunnen de gegevens niet regelmatig in aanmerking worden genomen omdat tweede verzoeker voor de gijzeling is vrijgesproken, omdat de gegevens voorafgaan aan het uitreiken van de uitbatingsvergunning en ze nadien niet de intrekking ervan kunnen verantwoorden, en omdat ze, in het algemeen, te licht wegen. Het is niet in de eerste plaats aan de Raad van State om uit te maken of de argumentatie van de verzoekende partijen hout snijdt. Opdat de verwerende partij de betrokken gegevens rechtmatig in aanmerking kon nemen voor het opleggen van de aangevochten administratieve sanctie, moest zij de verzoekende partijen voorafgaandelijk in de gelegenheid hebben gesteld ze tegen te spreken en moest zij in eerste instantie zelf beoordelen, in het licht van dat verweer, of ze al dan niet juist en (nog) relevant zijn. Het verzuim om dat te doen wordt niet goedgepraat door, post factum, in de memorie van antwoord heel algemeen te betogen dat de afwezigheid van een gerechtelijk gevolg aan de feiten geen afbreuk doet “aan de materialiteit van de vaststellingen”. Daargelaten of de ontstentenis van een gerechtelijk gevolg niet juist wijst op een gebrek inzake die materialiteit, is voor de draagkracht van de betrokken gegevens bijvoorbeeld ook de toerekenbaarheid van de feiten, hun al dan niet gebleven relevantie, de inschatting van hun zwaarte, van tel.
  28. De verwerende partij overtuigt er niet van dat zij de bestreden beslissing terecht mee heeft gestoeld op de negatieve moraliteit van tweede verzoeker.
  29. Weliswaar wordt in de bestreden beslissing beweerd dat bij de uitnodigingen naar de hoorzitting een kopie gevoegd was van de administratieve X-18.220-10/15 akte van 31 maart 2022 met betrekking tot het schietincident, maar stuk 15 van het administratief dossier spreekt dat tegen. Wat er ook van zij, uit het verslag van de hoorzitting wordt opgemaakt dat de verzoekende partijen zich wel degelijk met betrekking tot het incident hebben kunnen uitspreken. Meer nog, in het verzoekschrift heet het zelfs dat “zij tijdens de hoorzitting nagenoeg enkel en alleen werden ondervraagd over het schietincident”.
  30. Problematischer is dan ook de grief van de verzoekende partijen dat tweede verzoeker in de hele zaak, die losstaat van de uitbating van de inrichting van de verzoekende partijen, geen dader maar slachtoffer is. Volgens de verwerende partij is dat van geen belang, maar tegelijk laat zij niet na te beklemtonen hoezeer de bestreden beslissing een sanctionerend oogmerk heeft en een sanctie is.
  31. Nu heeft evenwel een bestuurlijke sanctie primair een bestraffend oogmerk. Ze is bedoeld om te bestraffen wegens een gepleegde inbreuk. Welke precieze inbreuk of overtreding de verzoekende partijen in verband met hun inrichting exact verweten wordt naar aanleiding van het schietincident van 30 maart 2022, wordt niet afdoende duidelijk gemaakt. Tweede verzoeker had die dag afgesproken met twee broers in de inrichting van de verzoekende partijen; er is een ruzie ontstaan, waarna ze alle drie de inrichting verlieten; 100 meter verder schoot een broer op de tweede verzoeker, die in de buik en de arm werd geraakt.
  32. In zoverre de verwerende partij in het voorval een herhaling ziet, op korte termijn, van geweldincidenten met dezelfde modus operandi, verwijst zij, eensdeels, naar een “vechtpartij met kasseien” en beschadigingen van 24 juli 2021 en, anderdeels, naar bedreigingen van 14 februari
  33. Het gaat om voorvallen die net als het schietincident van 30 maart 2022 kaderen in “een familievete tussen de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.357 X-18.220-11/15 vier broers [C.]”, maar die, anders dan het incident van 30 maart 2022, zelfs niet bij benadering aan de inrichting van de verzoekende partijen te linken zijn. Nog andere “geweldsincidenten” die de verwerende partij in dit verband in de bestreden beslissing ter sprake brengt, dateren dan weer van 2011 en 2015, en betreffen wezenlijk geweld door derden.
  34. Zoals in de bestreden beslissing wordt aangegeven, heeft de burgemeester dadelijk na het schietincident van 30 maart 2022 overwogen een (preventieve) maatregel te nemen, om nieuw geweld en een nieuwe verstoring van de openbare orde te voorkomen. Hij heeft ervan afgezien omdat de inrichting van de verzoekende partijen toch langdurig gesloten bleef doordat tweede verzoeker in het ziekenhuis lag. Een en ander is geenszins van aard voldoende te verantwoorden dat de verwerende partij dan maar maanden nadien, nadat zich de inbreuken op het uitbatingsreglement van 2 juni 2022 hebben voorgedaan, alsnog het schietincident aangrijpt om het zonder meer, gratuit, kenmerkend te noemen voor “de wijze van exploiteren” door tweede verzoeker en om er een grond in te zoeken voor de bestreden administratieve sanctie.
  35. Blijven bijgevolg als enige directe en deugdelijke grondslag voor de bestreden beslissing over, de inbreuken op het uitbatingsreglement tijdens de controle van 2 juni
  36. Terecht merkt de verwerende partij erover op dat ze niet worden tegengesproken. Even terecht beklaagt de verwerende partij zich erover dat de verzoekende partijen met de inbreuken niet aan hun proefstuk toe zijn, maar dat zij zich ondanks herhaalde waarschuwingen blijven schuldig maken aan tal van overtredingen. Bij iedere politionele controle worden meerdere inbreuken vast- gesteld. Met de verwerende partij in de bestreden beslissing moet dan ook X-18.220-12/15 geoordeeld worden dat het duidelijk is dat de verzoekende partijen “het niet nauw [nemen] met de geldende regelgeving”.
  37. Of de inbreuken, zoals de verwerende partij meent, een “moedwillig karakter” vertonen en de verzoekende partijen zich niet “wensen” te conformeren, dan wel of zij, zoals zij zelf beweren, “steeds te goeder trouw” zijn geweest, doet te dezen niet wezenlijk ter zake. Na alle vorige inbreuken doen de nieuwste overtredingen van 2 juni 2022 blijken van een aan opzet verwante graad van laakbare lichtzinnigheid bij het exploiteren door verzoekende partijen van hun inrichting.
  38. Getaxeerd in het licht van de voorgaande inbreuken en waarschuwingen en administratieve geldboetes, zou het niet onredelijk zijn de inbreuken van 2 juni 2022 op de exploitatieverplichtingen met een zware administratieve sanctie te bestraffen. Maar hoe dan ook kan een onvoorwaardelijke intrekking van de uitbatingsvergunning voor de shishabar in de concrete omstandigheden van de zaak redelijkerwijze niet als evenredig met deze inbreuken worden beschouwd. In de plaats van “een duidelijk signaal” om ertoe aan te zetten dat de voorschriften van het uitbatingsreglement strikt worden nageleefd, is een dergelijke intrekking niet minder dan een genadeslag voor de inrichting. Een shishabar waar geen waterpijp of shisha mag worden gerookt, is geen shishabar.
  39. De bestreden beslissing berust niet op draagkrachtige motieven. Het eerste en tweede middel zijn gegrond. BESLISSING
  40. De Raad van State vernietigt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen van 5 augustus 2022 waarbij de uitbatingsvergunning voor een shishabar die aan de bv M. is afgegeven voor de inrichting ‘Al Mashrabia’, Turnhoutsebaan 24 te 2140 Borgerhout, wordt ingetrokken. X-18.220-13/15 X-18.220-14/15
  41. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen gezamenlijk. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Johan Lust X-18.220-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.357 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.345 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.