← België

Arrest 260374 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 02/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.374 Rolnummer: A. 235861/XIV-39403 Zaak: Arrest 260374 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 02/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-11 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-11 03:18 Fiche Arrest nr 260.374 van 2 juli 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 260.374 van 2 juli 2024 in de zaak A. 235.861/XIV-39.403 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrien Boterman kantoor houdend te 8200 Sint-Michiels ‘t Kloosterhof 15-17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 11 februari 2022 van de provinciale geneeskundige commissie West-Vlaanderen waarbij op grond van de artikelen 119, §1, 2, b en i van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 ‘betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen’ werd beslist enerzijds om het visum van verzoeker in te trekken en anderzijds om drie deskundigen, zijnde twee psychiaters en een internist en evenveel plaatsvervangers aan te duiden, om te oordelen over de fysische en psychische geschiktheid van verzoeker om het beroep van tandarts uit te oefenen. XIV-39.403-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 253.950 van 9 juni 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 juni
  3. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tim De Ketelaere, die loco advocaat Katrien Boterman verschijnt voor verzoeker, en advocaat Franky De Mil, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. XIV-39.403-2/9 III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is tandarts. 3.
  6. Naar aanleiding van een klacht van een patiënt, beslist de provinciale geneeskundige commissie van West-Vlaanderen op 11 februari 2022, na een bemiddelingspoging en na verzoeker te hebben gehoord, om verzoekers visum in trekken en om aan de Nationale Raad van de Orde van Artsen te vragen om drie deskundigen, zijnde twee psychiaters en een internist en evenveel plaatsvervangers, aan te duiden om te oordelen over de fysische en psychische geschiktheid van verzoeker om het beroep uit te oefenen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Vooraf
  7. Met de bestreden beslissing wordt naast de intrekking van verzoekers visum tevens de intentie te kennen gegeven om aan de Nationale Raad van de Orde van Artsen te vragen om drie deskundigen, zijnde twee psychiaters en een internist en evenveel plaatsvervangers, aan te duiden om te oordelen over de fysische en psychische geschiktheid van verzoeker om het beroep van tandarts uit te oefenen. Uit de door de verwerende partij neergelegde memorie van antwoord blijkt dat het college van deskundigen een verslag had neergelegd in verband met de vereiste fysische en psychische geschiktheid van verzoeker om het beroep uit te oefenen. Bij e-mail van 22 februari 2024 vraagt de auditeur-verslaggever de partijen of er nog verdere beslissingen werden genomen. XIV-39.403-3/9 Op 23 februari 2024 bevestigt de verwerende partij dat op 21 november 2023 door de Federale Toezichtscommissie werd beslist om verzoekers visum blijvend te schorsen. Deze beslissing werd niet door verzoeker aangevochten. Ambtshalve exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan actueel belang Uiteenzetting van de ambtshalve exceptie
  8. Het auditoraat werpt in zijn verslag ambtshalve een gebrek aan actueel belang op in hoofde van verzoeker op grond van de volgende overwegingen: “
  9. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht ‘door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang’. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors).
  10. Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren).
  11. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.
  12. en B.12.2).
  13. Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.).
  14. Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven.
  15. Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. XIV-39.403-4/9
  16. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding –door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen.
  17. De bestreden beslissing strekt ertoe krachtens artikel 119, §1, 2,b, en artikel 119, §1,2,i van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen om het visum van verzoeker in te trekken waarbij aan de nationale Raad van de Orde van Artsen gevraagd wordt om 3 deskundigen, zijnde 2 psychiaters en een internist en evenveel plaatsvervangers aan te duiden om te oordelen over de fysische en psychische geschiktheid van verzoeker om het beroep uit te oefenen.
  18. De verwerende partij bezorgde op 23 februari 2024 de beslissing van 21 november 2023 van de Federale toezichtscommissie waarbij een maatregel werd opgelegd om het visum blijvend te schorsen omdat verzoeker zowel fysisch als psychisch ongeschikt is om het beroep uit te oefenen.
  19. Deze beslissing werd door verzoeker niet aangevochten en is bijgevolg definitief. (Als verzoeker aantoont dat er geen sprake meer is van zware en imminente gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid kan hij aan de toezichtscommissie vragen om een einde te stellen aan de voorlopige maatregel.
  20. Uit het bovenstaande blijkt dat verzoeker geen rechtstreeks voordeel meer kan halen uit de vernietiging van de bestreden beslissing. Zelfs indien de bestreden beslissing wordt vernietigd krijgt verzoeker zijn visum niet terug aangezien het visum op 21 november 2023 blijvend werd geschorst.
  21. De verzoekende partij verliest evenwel in dat geval niet noodzakelijk ingevolge deze gewijzigde feitelijke omstandigheden haar belang bij nietigverklaring. Zoals hiervoor is aangenomen, kan de aard van het belang immers evolueren, maar de verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring hem nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert.
  22. De verzoekende partij voert ter zake geen argumenten aan. Niet blijkt dus dat er gewijzigde feitelijke omstandigheden bestaan die moeten doen besluiten dat de verzoekende partij alsnog getuigt van het rechtens vereiste actueel belang. Uit wat voorafgaat blijkt niet dat de verzoekende partij nog enig belang behouden heeft bij de vernietiging erga omnes van de eerste bestreden beslissing nu niet blijkt dat de nietigverklaring ervan nog tot een andere besluitvorming kan leiden cq. haar nog een direct en persoonlijk voordeel, moreel of materieel, kan verschaffen, hoe miniem ook.”
  23. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker vooreerst dat hij kennis heeft genomen van het verslag van de deskundigen en dat hij, gelet op zijn leeftijd, ervoor heeft gekozen de beslissing van 29 november 2023, waarbij zijn XIV-39.403-5/9 visum blijvend werd geschorst, niet meer aan te vechten. Dit impliceert volgens hem niet dat hij geen belang meer zou hebben bij de nietigverklaring van de thans bestreden beslissing. Verzoeker laat vooreerst gelden dat de bestreden beslissing onwettig was aangezien zijn visum maar kon worden ingetrokken voor 2 maanden en niet voor onbepaalde duur in afwachting van het resultaat van het deskundigenonderzoek en dat niettegenstaande deze periode van 2 maanden weliswaar kon worden verlengd, dit nooit is gebeurd. Verzoeker is bijgevolg de mening toegedaan dat hij schade heeft geleden omdat hij van 11 april 2022 (2 maanden na de bestreden beslissing van 11 februari 2022) tot aan de beslissing van 21 november 2023 tot definitieve intrekking van zijn visum, zijn beroep van tandarts niet meer kon uitoefenen en dat deze schade maakt dat hij een belang heeft bij de verderzetting van de procedure. Daarnaast betoogt verzoeker dat hij werd vervolgd en veroordeeld tot een geldboete met uitstel door de correctionele rechtbank van Ieper bij vonnis van 21 december 2023, omdat hij een patiënte, die dringende hulp nodig had, zou hebben geholpen ondanks de, volgens hem onwettige, intrekking van zijn visum. Dit gegeven wordt door verzoeker aangegrepen om aan te tonen dat hij nog een belang heeft bij de verderzetting van de procedure, nu hij van oordeel is dat bij een vernietiging van de thans bestreden beslissing hij geen misdrijf had begaan en bijgevolg niet kon worden veroordeeld. Niettegenstaande verzoeker niet akkoord was met de beslissing van de rechter en hij, gelet op zijn leeftijd en op het feit dat hij geen effectieve straf had gekregen, weliswaar had besloten om geen hoger beroep aan te tekenen, wat impliceert dat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, is hij evenwel de mening toegedaan dat “conform de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek [om] een herroeping van gewijsde verzocht” kan worden, mocht de bestreden beslissing worden vernietigd. XIV-39.403-6/9 Beoordeling
  24. In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie tracht aannemelijk te maken dat de gevraagde nietigverklaring hem nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert door aan te voeren dat hij schade heeft geleden en dat deze schade maakt dat hij een belang heeft bij de verderzetting van de procedure, volstaat deze bewering, zonder deze te staven met concrete gegevens en overtuigende argumenten, op zich niet om zijn actueel belang bij het voorliggende beroep aan te tonen. In zoverre het verzoekers bedoeling zou zijn om aan de hand van het aangevoerde argument te willen alluderen op de mogelijkheid en/of de intentie om een schadevergoeding tot herstel te vorderen op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State - daargelaten de vaststelling dat bij de sluiting van het debat niet blijkt dat hij een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend overeenkomstig het voornoemde artikel 11bis - impliceert deze mogelijkheid en/of intentie op zich niet dat verzoeker zijn actueel belang behoudt. Het gebeurlijk belang bij het voortzetten van de procedure valt in die omstandigheden immers niet te onderscheiden van het belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing om de toekenning van een schadevergoeding te faciliteren. Zoals hiervoor is gesteld (zie supra, punt 5), is een dergelijk belang onvoldoende. In zoverre verzoeker een tweede argument ontleent aan de mogelijkheid om, niettegenstaande hij geen hoger beroep heeft ingediend tegen het vonnis van 21 december 2023 van de correctionele rechtbank te Ieper, “conform de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek een herroeping van gewijsde” te verzoeken mocht de bestreden beslissing worden vernietigd, volstaat de vaststelling dat het door verzoeker ter staving van zijn actueel belang aangevoerde argument, zonder aanduiding van de geviseerde bepaling, noch toelichting van de toepassingsvoorwaarden, niet verder gaat dan het poneren van een loutere veronderstelling en aanname zonder enig begin van bewijs dat is gesteund op concrete en verifieerbare gegevens, die door de Raad van State op hun merites kunnen worden onderzocht, zodat hij bijgevolg aan de hand van dit argument niet op overtuigende wijze aantoont dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing XIV-39.403-7/9 nog een voordeel in zijn hoofde verschaft en hij nog doet blijken van een actueel belang.
  25. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dat verzoeker niet langer doet blijken van het rechtens vereiste belang bij het voorliggende beroep. De ambtshalve exceptie wegens gebrek aan actueel belang is gegrond.
  26. Het beroep tot nietigverklaring is niet-ontvankelijk. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 44 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  29. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-39.403-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.403-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.