← België

Arrest 260376 - Varia (onderwijs en cultuur) - 02/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.376 Rolnummer: A. 240037/IX-10334 Zaak: Arrest 260376 - Varia (onderwijs en cultuur) - 02/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-04 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-11 03:18 Fiche Arrest nr 260.376 van 2 juli 2024 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.376 van 2 juli 2024 in de zaak A. 240.037/IX-10.334 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de HOGESCHOOL PXL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Geeteruyen, Paçik Majid en Jordy Hendrikx kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 15 september 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 8842 van 18 augustus 2023 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking nr. 15.659 van 16 november 2023 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. IX-10.334-1/11 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lobke Roodhooft, die loco advocaat Tom Peeters verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jordy Hendrikx, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Het bestreden arrest leert de volgende voor de zaak relevante feiten. IX-10.334-2/11 Verzoeker is in het academiejaar 2022-2023 ingeschreven in de opleiding ‘Graduaat in het programmeren’. Voor het opleidingsonderdeel ‘Werkplekleren 3’ moet verzoeker van medio november 2022 tot begin juni 2023 stage lopen op een bedrijf; voor ‘Werkplekleren 4’ moet verzoeker drie dagen zelfstandig meewerken op een werkplek. In de ECTS-fiche van het opleidingsonderdeel ‘Werkplekleren 4’ is wat afwezigheden betreft onder meer bepaald dat in geval van minstens één ongewettigde afwezigheid of in geval van 1/3e gewettigde afwezigheid, de student geen eindcijfer krijgt en de vermelding ‘niet deelgenomen’. Er worden voor verzoeker drie ongewettigde afwezigheden opgetekend, namelijk op 17 maart, 25 mei en 26 mei
  6. Verzoeker krijgt hierdoor de beoordeling voor het opleidingsonderdeel ‘Werkplekleren 4’: ‘niet deelgenomen – moet hernomen worden’. Tegen die beslissing stelt verzoeker op 2 juli 2023 een intern beroep in. De beroepscommissie van Hogeschool PXL beslist op 12 juli 2023 om dit beroep ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren. Met het thans bestreden arrest nr. 8842 verwerpt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen het beroep van verzoeker tegen die beslissing van de beroepscommissie. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging IX-10.334-3/11
  7. Verzoeker heeft een “laatste memorie met verzoek tot verderzetting van de procedure” ingediend, waarin hij stelling neemt over het auditoraatsverslag. De cassatieprocedure voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog laatste memories in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoekende partij luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden toegewezen. Het voormelde stuk wordt slechts in aanmerking genomen als een verzoek tot voortzetting van de procedure. Voor het overige wordt het beschouwd als een loutere inlichting aan de Raad. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  8. Het enige middel is geput uit de schending van “de motiveringsplicht in artikel 149 van de Grondwet”. Overeenkomstig artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit heeft de memorie van wederantwoord “de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet” en “doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie [van wederantwoord]”. In de memorie van wederantwoord wordt het middel, zoals het door de Raad moet worden beoordeeld, uiteengezet als volgt: IX-10.334-4/11 “Verzoeker stelt in zijn cassatieberoep dat het bestreden arrest op twee punten tekort komt aan het motiveringsbeginsel uit artikel 149 van de Grondwet. Een eerste punt heeft betrekking op de afwezigheid van verzoeker tijdens een gesprek op 17 maart
  9. Verzoeker argumenteerde dat dit gesprek geen ‘planningsgesprek’ was, dat zijn aanwezigheid in ieder geval niet verplicht was en dat verzoeker op die dag aanwezig was op zijn stageplek. In het bestreden arrest gaat de Raad voor Betwistingen Inzake Studievoortgangsbeslissingen voorbij aan deze argumentatie van verzoeker zonder in te gaan op deze argumentatie. Een tweede punt betreft de afwezigheid van verzoeker op 25 en 26 mei
  10. Verzoeker stelde dat de afwezigheid van een tijdige afwezigheidsmelding in ‘Mijnpxl’ niet de onwettigheid van de afwezigheid tot gevolg kan hebben, gezien hij wel degelijk een doktersattest had bezorgd. In het bestreden arrest stelt de Raad voor Betwistingen Inzake Studievoortgangsbeslissingen dat het niet melden van de afwezigheid in ‘mijnpxl’ bepalend is voor de onwettigheid van de afwezigheid en dat de kennisgeving via teams en sms niet volstaat. Hiermee wordt opnieuw totaal voorbij gegaan aan de argumentatie van verzoeker zonder verdere toelichting.” Beoordeling a. ontvankelijkheid van het middel 6.
  11. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het middel, omdat het in verband staat tot grieven die verzoeker voor de interne beroepsinstantie nooit en in de procedure voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen slechts voor het eerst in zijn wederantwoordnota en dus laattijdig heeft aangevoerd. Bij een eventuele vernietiging van het arrest, zal de verwerende partij deze exceptie opwerpen voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen “en bestaat er een zeer reële kans dat de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen de exceptie gegrond zal verklaren”. 6.
  12. Het staat niet aan de Raad van State om vooruit te lopen op de beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen over een nog op te werpen exceptie na eventuele cassatie. De Raad van State stelt vast dat die rechter het middel alleszins in het nu IX-10.334-5/11 bestreden arrest niet onontvankelijk heeft bevonden. De verwerende partij beweert overigens enkel dat er een zeer reële “kans” bestaat dat de exceptie door de eerste rechter gegrond wordt verklaard. 6.
  13. De exceptie faalt. IX-10.334-6/11 b. gegrondheid van het middel
  14. Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Deze regel geldt voor elk rechtscollege en dus ook voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.
  15. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Deze jurisdictionele motiveringsplicht houdt ook in dat het rechtscollege expliciet of impliciet moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden, maar worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. De bodemrechter is niet gehouden te antwoorden op alle argumenten die een verzoekende partij ter staving van haar middel heeft aangevoerd, maar die geen afzonderlijk middel uitmaken. IX-10.334-7/11 Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre het aan de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet afdoende weerlegt. 9.
  16. Het tweede middelonderdeel heeft betrekking op de beoordeling van verzoekers afwezigheid op 25 en 26 mei
  17. 9.
  18. Verzoeker argumenteerde hieromtrent, samengevat, “dat de afwezigheid van een tijdige afwezigheidsmelding in ‘Mijnpxl’ niet de onwettigheid van de afwezigheid tot gevolg kan hebben, gezien hij wel degelijk een doktersattest had bezorgd”. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen sluit zich aan bij wat de verwerende partij stelt, maar staat niet stil bij wat verzoeker hierover argumenteerde, zo betoogt hij nog. 9.
  19. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen verwerpt “ten aanzien van die data” verzoekers zienswijze in het arrest als volgt: “Voorts wordt verwerende partij bijgetreden dat te dezen niet de datum van de beschikbaarheid van het medisch attest bepalend is, maar wel het gegeven dat verzoeker zijn afwezigheid niet onmiddellijk heeft gemeld via Mijn-PXL. De kennisgeving, eerste via Teams en vervolgens via sms aan de werkplekcoach, kan in dat opzicht niet volstaan. De Raad is van oordeel dat het een kleine moeite voor de opleidingscoördinator ware geweest om aan verzoeker daags nadien de juiste procedure nog eens toe te lichten, maar daargelaten dat verzoeker geacht wordt die procedure hoe dan ook te kennen, was het toen, door het tijdsverloop, in het licht van artikel 102, § 2 van het onderwijs- en examenreglement hoe dan ook te laat. Het gegeven dat verzoeker in de voorbije academiejaren de afwezigheidsmelding viermaal op een correcte wijze heeft uitgevoerd, sterkt de Raad in de overtuiging dat hij afdoende van de procedure op de hoogte was om tijdig het nodige te doen en dat zijn functiebeperking niet IX-10.334-8/11 als een verschoning kan worden ingeroepen om in de context van ‘Werkplekleren 4’ de voorschriften niet te volgen. Dat verzoeker redeneerde in een werkcontext en dus in de eerste plaats een kennisgeving aan de stageplaats beoogde, kan van de toepassing van het voormelde artikel 102, § 2 geen afbreuk doen.” Terwijl verzoeker verdedigt dat het volstaat om een geldig doktersattest voor te leggen, opdat zijn afwezigheid niet als ongewettigd kan worden gekwalificeerd, leest de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen artikel 102 van het toepasselijke onderwijs- en examenreglement zo, dat de afwezigheid onmiddellijk moet worden gemeld via Mijn-PXL en dat een kennisgeving via Teams en sms niet kan volstaan, waarbij hij voorts bedenkt dat verzoeker geacht wordt die procedure te kennen. Hiermee heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen geantwoord op verzoekers grief en kenbaar gemaakt om welke reden hij, zoals inderdaad de beroepscommissie het deed vóór hem, besluit tot het ongewettigd zijn van verzoekers afwezigheid op 25 en 26 mei
  20. Dat dit antwoord volgens verzoeker “foutief” is en niet spoort met een correcte lezing van het onderwijs- en examenreglement dat volgens hem “zeer duidelijk het omgekeerde” stelt, is vreemd aan de aangevoerde jurisdictionele motiveringsplicht. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek, zo is hiervóór al overwogen. 9.
  21. Het tweede middelonderdeel faalt naar recht. 10.
  22. Het eerste middelonderdeel heeft betrekking op de beoordeling van verzoekers afwezigheid op 17 maart
  23. 10.
  24. Verzoeker betwist in dit cassatieberoep niet de overweging in het arrest dat volgens de toepasselijke ECTS-fiche van het opleidingsonderdeel IX-10.334-9/11 ‘Werkplekleren 4’ één ongewettigde afwezigheid volstaat “om de interne beroepscommissie […] toe te laten te beslissen dat verzoeker voor het opleidingsonderdeel ‘Werkplekleren 4’ de beoordeling ‘niet deelgenomen’ krijgt”. 10.
  25. Het eerste middelonderdeel kan verzoeker ingevolge de verwerping van het tweede middelonderdeel niet van nut zijn en is onontvankelijk bij gebrek aan belang. Het laat verzoekers ongewettigde afwezigheid op 25 en 26 mei 2023 immers onverlet.
  26. Het enige cassatiemiddel wordt verworpen. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  28. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij partij.
  29. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.334-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.334-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.376 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.