id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 Rolnummer: A. 238162/IX-10197 Zaak: Arrest 260377 - Wapens – exportvergunningen - 02/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-08 Raadplegingen: 240 - laatst gezien 2026-06-16 11:46 Fiche Arrest nr 260.377 van 2 juli 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 no lien 278000 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.377 van 2 juli 2024 in de zaak A. 238.162/IX-10.197 In zake : Y.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erik Nauwelaerts kantoor houdend te 2018 Antwerpen Desguinlei 214 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 januari 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 14 november 2022 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 25 oktober
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.197-1/24 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erik Nauwelaerts, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is in het bezit van verschillende vuurwapens met als “wettige reden” sportief en recreatief schieten en jacht. 3.
- Op 13 januari 2020 trekt de gouverneur van de provincie Antwerpen verzoekers wapenvergunningen en het recht om vuurwapens voorhan- den te hebben in, ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. De gouverneur overweegt “dat een normoverschrijdende ingesteldheid in het verkeer en het bezit van vuurwapens niet samengaan”. IX-10.197-2/24 3.
- Verzoeker vraagt op 14 juli 2021 de herziening van de intrek- kingsbeslissing. 3.
- De procureur des Konings geeft op 24 augustus 2021 een ongunstig advies dat luidt: “Op het strafregister van [verzoeker] worden thans volgende veroordelingen vermeld: - Bij vonnis van de Politierechtbank te Turnhout d.d. 19 september 2016 werd hij veroordeeld tot een geldboete van 200 euro, waarvan 100 euro met uitstel gedurende 3 jaar, wegens intoxicatie aan het stuur; - Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Turnhout d.d. 17 januari 2019 werd hij veroordeeld tot een geldboete van 50 euro en een rijverbod van 3 maanden, waarvan 2 maanden met uitstel gedurende 3 jaar en verplichting alle examens opnieuw af te leggen, wegens een zware verkeersovertreding (overdreven snelheid); - Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen d.d. 6 januari 2020 werd hij veroordeeld tot een geldboete van 400 euro, waarvan 100 euro met uitstel gedurende 3 jaar, en een rijverbod van 3 maanden, waarvan 2 maanden met uitstel gedurende 3 jaar, en verplichting te slagen in de medisch-psychologische proeven, wegens intoxicatie aan het stuur (in staat van herhaling); - Bij vonnis van de Politierechtbank te Antwerpen d.d. 27 november 2020 werd hij veroordeeld tot een geldboete van 200 euro, waarvan 50 euro met uitstel gedurende 3 jaar, en een rijverbod van 6 maanden, waarvan 5 maanden met probatie-uitstel gedurende 3 jaar, en verplichting alle examens en medisch-psychologische proeven opnieuw af te leggen, wegens intoxicatie aan het stuur (in staat van herhaling), het voertuig niet in de hand kunnen houden en het niet kunnen ontwijken van een voorzienbare hindernis. Hij dient een cursus ‘Alcohol in het verkeer’ te volgen bij VIAS. De proefperiode loopt nog tot 27 november
- Er is nog een dossier hangende wegens het niet inleveren van het rijbewijs bij verval van het recht tot sturen (TU93.G2.101371-21). Recent betaalde hij nog een minnelijke schikking van 220 euro wegens geen verzekeringsbewijs en niet correct vastgemaakte kentekenplaat (TU86.L7 402413-21). Hij werd reeds tweemaal beschuldigd van poging tot verkrachting door een escorte die hij samen met een vriend had ingehuurd (TU37.L7.003757-19 en TU37.L7.003261-21). Het eerste dossier werd geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen, maar het onderzoek in het laatste dossier loopt nog. [Verzoeker] zou ook het geld gestolen hebben dat hij aan de escorte betaald had voor haar diensten. In 2016 werd er PV opgesteld wegens bezit van verdovende middelen (TU60.L7.005738-16). De escorte in het recentste dossier TU37 L7.003261-21 maakt ook melding van cocaïnegebruik door [verzoeker]. Het loutere feit dat de advocaat van [verzoeker] nu de resultaten van een bloedtest voorlegt die negatief is op alcohol en drugs, doet uiteraard geen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-3/24 afbreuk aan het feit dat [verzoeker] zich al meermaals onder invloed in het verkeer heeft begeven. De recentste veroordeling is van nog geen jaar geleden. Bovendien nodigt hij escortedames uit bij hem thuis en loopt het dan uit de hand. Het huidige beeld van [verzoeker] dat hier geschetst wordt, wijst op een gebrek aan verantwoordelijkheidszin in het verkeer, waarbij geen lessen werden getrokken uit eerdere veroordelingen en de kans op herhaling dus als aanzienlijk kan ingeschat worden. In combinatie met de overige elementen in dit advies (lopend onderzoek naar poging verkrachting en diefstal met geweld), meent mijn ambt dat een opheffing van het intrekkingsbesluit thans veel te voorbarig is en dat [verzoeker] nog wat meer tijd nodig heeft om te bewijzen dat hij zich werkelijk herpakt zou hebben. Vuurwapenbezit in hoofde van [verzoeker] vormt m.i. nog steeds een actueel risico voor de openbare orde en veiligheid.” 3.
- De gouverneur beslist op 25 oktober 2021 om het verzoek tot herziening niet in te willigen op grond van de volgende motivering: “De procureur des Konings van Turnhout verleende een ongunstig advies voor de opheffing van de intrekking. Sinds mijn beslissing van 13 januari 2020 is betrokkene nog veroordeeld voor twee feiten van intoxicatie aan het stuur. Verder is er nog een dossier hangende inzake het niet inleveren van het rijbewijs bij verval van het recht tot sturen. Betrokkene betaalde eveneens recent een minnelijke schikking wegens geen verzekeringsbewijs en het niet correct vastmaken van een kentekenplaat. Het parket stelt verder dat betrokkene reeds tweemaal beschuldigd werd door een escorte van poging tot verkrachting. Het eerste dossier werd geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen. Het onderzoek in het laatste dossier loopt echter nog. De escorte in dit dossier maakt ook melding van cocaïnegebruik door [verzoeker]. Ik meen dan ook dat het absoluut voorbarig is om de intrekking nu reeds op te heffen. U vindt het advies van het Parket als bijlage.” 3.
- Verzoeker stelt op 13 november 2021 een beroep in tegen die beslissing. 3.
- De lokale politie geeft op 23 november 2021 een ongunstig advies, waarbij wordt verwezen naar de veroordelingen door de politierechtbank en de correctionele rechtbank. 3.
- Op 22 december 2021 verleent de procureur des Konings eveneens een ongunstig advies, waarbij hij verwijst naar zijn ongunstig advies van IX-10.197-4/24 24 augustus 2021 en opmerkt dat verzoeker inmiddels opnieuw is betrapt op alcoholintoxicatie en hiervoor is gedagvaard voor de politierechtbank van Turnhout. 3.
- Op 14 november 2022 verwerpt de minister van Justitie het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Uit het administratief dossier blijkt dat volgende elementen worden aangehaald door de procureur des Konings en de lokale politie. Deze elementen wijzen mogelijks op een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid indien u opnieuw vuurwapenbezit zou worden toegestaan: - Uit het advies van de lokale politie blijkt dat u recent tweemaal werd veroordeeld wegens intoxicatie aan het stuur (CR Antwerpen d.d. 6 januari 2020 en Pol. Rb. Antwerpen d.d. 27 november 2020). Verder blijkt uit hun advies dat u in een paar dossiers werd genoemd als verdachte doch waar het parket geen verder gevolg aan heeft gegeven zodat deze feiten niet kunnen worden weerhouden. Tevens is er een geweldsdelict vervat in dossier KO.43.L1.17495/13, dat geseponeerd werd. U werd genoemd in drie dossiers (waarvoor u evenwel niet werd vervolgd door het parket): o In 2006: aanranding van de eerbaarheid o In 2016: drugs o In 2019: verkrachting (escortdame) - De procureur des Konings adviseerde eveneens ongunstig zich daarbij steunend op: o de veroordelingen die worden vermeld op uw strafregister, t.w. in 2016 wegens intoxicatie aan het stuur, in 2019 wegens een zware verkeersovertreding (overdreven snelheid), in 2020 wegens intoxicatie aan het stuur (in staat van herhaling) en opnieuw in 2020 wegens intoxicatie aan het stuur (in staat van herhaling), het voertuig niet in de hand kunnen houden en het niet kunnen ontwijken van een voorzienbare hindernis. o een hangend dossier wegens het niet inleveren van het rijbewijs bij verval van het recht tot sturen (TU93.G2.101371-21). o een minnelijke schikking van 220 euro wegens geen verzekeringsbewijs en niet correct vastgemaakte kentekenplaat (TU86.L7.402413-21); o het gegeven dat u reeds tweemaal werd beschuldigd van poging tot verkrachting door een escorte die u samen met een vriend had ingehuurd (TU37.L7.003757-19 en TU37.L7.003261-21). Het eerste dossier werd geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen, maar het onderzoek in het laatste dossier loopt nog. U zou ook het geld gestolen hebben dat u aan de escorte betaald had voor haar diensten. o een PV van 2016 wegens bezit van verdovende middelen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-5/24 (TU60.L7.005738-16), terwijl de escorte in het recentste dossier TU37.L7.003261-21 ook melding maakt van cocaïnegebruik in uw hoofde. De procureur des Konings wees er tevens op dat – het loutere feit dat uw advocaat nu de resultaten van een bloedtest voorlegt die negatief is op alcohol en drugs – uiteraard geen afbreuk doet aan het feit dat u zich al meermaals onder invloed in het verkeer begaf, waarvan de recentste veroordeling van nog geen jaar geleden dateert. Volgens de procureur nodigt u bovendien escortdames uit bij u thuis en loopt het dan uit de hand. Volgens de procureur is het dus zo dat het geheel van deze elementen, t.w. uw gebrek aan verantwoordelijkheidszin in het verkeer, waarbij geen lessen werden getrokken uit eerdere veroordelingen en de kans op herhaling dus als aanzienlijk kan ingeschat worden, in combinatie met de overige elementen (lopend onderzoek naar poging verkrachting en diefstal met geweld), er op wijzen dat een opheffing van het intrekkingsbesluit thans veel te voorbarig is. M.a.w. vuurwapenbezit in uw hoofde vormt volgens de procureur nog steeds een actueel risico voor de openbare orde en veiligheid. Daarbij komt dat u inmiddels opnieuw werd betrapt op alcoholintoxicatie aan het stuur waarvoor u werd gedagvaard voor de Politierechtbank van Turnhout (TU90.L7.411119-21). Ter uwer verdediging stelt u dat er inmiddels meer dan een jaar is verstreken in het dossier inzake poging tot verkrachting en dat u nog steeds niet werd gedagvaard. Uw advocaat vraagt zich dan ook af wat er nog onderzocht wordt. U benadrukt uw onschuld. Bovendien werd het voorgaande dossier inzake poging tot verkrachting na grondig onderzoek geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen. Er is niks meer aan de hand dan valse verklaringen van een escorte in een poging tot afpersing en oplichting. Uw advocaat meent dan ook dat er alleen sprake is van een zekere sfeerschepperij door het openbaar ministerie. Als men het advies ontkleed van deze niet-bewezen feiten, dan blijven er enkel nog verkeersfeiten over. In dit verband wijst uw advocaat op rechtspraak van de Raad van State […] waaruit blijkt dat het redelijkheidsbeginsel wordt geschonden door uit het loutere gegeven dat iemand dergelijke aan vuurwapenbezit vreemde feiten heeft gepleegd, te oordelen dat wapenbezit in diens hoofde een gevaar zou betekenen voor de openbare orde en veiligheid. U minimaliseert niet uw laakbare gedragingen in het verkeer, doch de wapenwet schrijft niet voor dat men van onbesproken gedrag in het verkeer moet zijn om een vuurwapen voorhanden te mogen hebben. In dit verband wijst uw advocaat tevens op verschillende bloedonderzoeken die u voorlegde waaruit blijk[t] dat u normale leverwaarden heeft, hetgeen er op wijst dat u geen onderliggend drankprobleem heeft. De volledige toxicologische screenings zijn clean. Gelet op de lange traceerbaarheid van alcohol- en drugsgebruik in het lichaam, geven deze testresultaten een geruststellend beeld. Iemand die een afhankelijkheidsproblematiek heeft, een regelmatige gebruiker of verslaafde is, kan dergelijke resultaten niet afleveren. Ondertussen heeft u ook met succes de cursus ‘alcohol in het verkeer’ van VIAS gevolgd. Bijgevolg blijft het hernieuwde negatief advies van het openbaar ministerie opgehangen aan feiten die volkomen vreemd zijn aan uw wapenbezit, hetgeen volgens uw advocaat de toets aan de beginselen van behoorlijk bestuur niet kan door- IX-10.197-6/24 staan. Wat betreft het ongunstig advies van de lokale politie stelde uw advocaat vervolgens dat dit slechts wordt gemotiveerd door te verwijzen naar twee intoxicaties in het wegverkeer. Verder stelt het politioneel advies inderdaad correct dat er geen rekening kan worden gehouden met zaken waaraan het parket geen gevolg heeft gegeven. Voorts wordt gesteld dat uw geestestoestand stabiel is, doch is de eindconclusie ongunstig. Uw advocaat meent evenwel te kunnen stellen – aangezien het moraliteitsonderzoek, buiten de gekende verkeersfeiten, niets bezwarend aan het licht heeft gebracht – dat u geen gevaar voor de openbare veiligheid bent. Uw advocaat wijst er besluitend op dat in casu moet worden beoordeeld of preventieve maatregelen in uw hoofde absoluut noodzakelijk zijn omdat er een werkelijk, actueel en concreet gevaar is voor de openbare orde en veiligheid. Volgens uw advocaat kan een intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens niet terdege worden gemotiveerd met enkel aan vuurwapenbezit vreemde feiten. U heeft uw vertrouwen als wapenbezitter nooit beschaamd terwijl u het grootste deel van uw leven wapens heeft gehad. Uit het dossier blijkt desalniettemin dat u – ondanks de goede bloedresultaten en toxicologische screenings – in het recente verleden op regelmatige tijdstippen betrapt werd op geïntoxiceerd sturen. Eénmaal in 2016, tweemaal in 2020 en ook recent nog een keer in
- Deze feiten wijzen er onomstotelijk op dat u risicovol gedrag heeft gesteld in het verkeer en dat u hiermee mensenlevens in gevaar bracht, ook het uwe. Iemand die zich immers geïntoxiceerd in het verkeer begeeft, weet dat dit risico’s met zich meebrengt en vindt deze dan ook aanvaardbaar. Het besturen van een voertuig houdt altijd risico’s in, doch het besturen van een voertuig in geïntoxiceerde toestand verhoogt deze risico’s aanzienlijk en maakt dat de auto als het ware een gevaarlijk wapen wordt in het verkeer. De kans bestaat aldus dat u dergelijk risicovol gedrag ook zal stellen in andere situaties, zoals bijvoorbeeld in geval u vuurwapens voorhanden zou hebben. Ook vuurwapens houden een verhoogd risico in, en onder invloed van alcohol of verdovende middelen worden deze risico’s onaanvaardbaar groter. Bovendien werkt middelengebruik drempelverlagend, hetgeen ook duidelijk is gebleken in uw veroordelingen wegens geïntoxiceerd sturen. Het maakt dat men risico’s inderdaad onderschat. Uw goede testresultaten doen geen afbreuk aan de vastgestelde feiten zoals deze blijken uit uw nog recente veroordelingen. De link met de gevaar-inschatting die de overheid moet maken wat betreft het toestaan van vuurwapenbezit – waarbij het nogmaals moet worden benadrukt dat vuurwapenbezit in beginsel verboden is en slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegestaan – is dat de wijze waarop iemand omgaat met risico’s en onnodig risicovol gedrag vermijdt (of net opzoekt), wel degelijk relevant is en dat hiervoor mag worden teruggegrepen naar het gedrag dat die persoon in het dagelijkse leven stelt. Als immers uit dat gedrag blijkt dat die persoon onvoldoende verantwoordelijkheid aan de dag legt en hierdoor een gevaarlijke situatie voor de maatschappij creëert, dan mag hieruit worden afgeleid dat zulke persoon in bezit zijnde van vuurwapens een verhoogd maatschappelijk risico kan stellen. Uiteraard is zo ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-7/24 iemand het vertrouwen van de vergunningverlenende overheid niet waardig en is de kans op ongelukken met of misbruik van toegekend vuurwapenbezit onredelijk groot. Bovendien klemt het gegeven dat de vergunningverlenende overheid rekening houdt met feiten die op zich geen rechtstreeks verband houden met vuurwapenbezit niet met de wapenwet zelf, waar deze er zelf uitdrukkelijk in voorziet dat welbepaalde – in principe aan wapenbezit vreemde – inbreuken zelfs verhinderen dat een wapenvergunning kan worden verleend. Onder de zogenaamde interdicerende veroordelingen vermeld in artikelen 5, § 4 en 11, § 3 van de wapenwet bevinden zich bijvoorbeeld onder meer valsheid in geschrifte, druggerelateerde inbreuken, omkoping, weerspannigheid, mensenhandel, diefstal, misbruik van vertrouwen, heling, brandstichting, ombrengen van dieren, enz. Al deze inbreuken hebben an sich niks te maken met (vuur)wapens maar tonen desalniettemin volgens de wetgever aan dat ze een onmiskenbaar vermoeden van gevaar aantonen in hoofde van de pleger ervan als het gaat over het eventueel toestaan van wapenbezit. Het is dus niet ondenkbaar dat de vergunningverlenende overheid rekening houdt met feiten die op zich niks met (vuur)wapens te maken hebben maar die desalniettemin aantonen dat de moraliteit van een persoon niet geschikt is om het uitzonderlijke recht te krijgen om vuurwapens te mogen voorhanden houden. Bijgevolg algemeen stellen dat verkeersinbreuken niks met (vuur)wapens te maken hebben en aldus niet relevant zijn bij de gevaar-inschatting voor vuurwapenbezit strijdt met het uitganspunt van de wapenwet dat vuurwapenbezit slechts uitzonderlijk kan worden toegekend indien dit de openbare orde niet kan verstoren. In tegenstelling tot wat uw advocaat beweert, is het dus niet onredelijk om op grond van aan vuurwapens vreemde feiten uw algemene moraliteit en betrouwbaarheid als (potentiële) wapenbezitter in twijfel te trekken. In casu werd alcoholgebruik verschillende keren in uw hoofde vastgesteld en dit met de bijkomende en belangrijke bezwarende factor dat dit gebruik eerder een misbruik werd net doordat u er voor koos om in geïntoxiceerde toestand een gemotoriseerd voertuig te besturen met alle risico’s voor uzelf en voor de u omringende maatschappij. Het gegeven dat u heden verschillende onderzoeken voorlegt die volgens u bewijzen dat er zich in uw hoofde actueel geen alcoholproblematiek voordoet, verandert niks aan deze vaststelling. Op basis van veroordelingen voor geïntoxiceerd sturen concluderen dat iemand een alcoholprobleem heeft, is inderdaad een brug te ver. Doch uit de opgelopen veroordelingen blijkt onmiskenbaar een onnodig risicovol gedrag en een onverantwoorde omgang met alcohol door het te nuttigen alvorens een auto te besturen, waardoor de maatschappij in het gevaar wordt gebracht. Op zich blijkt dus reeds uit uw frequent gesteld risicovol gedrag in het verkeer dat u niet geschikt bent om vuurwapens voorhanden te houden aangezien wordt gevreesd dat dergelijk gedrag – waarbij er onnodig risico’s worden opgezocht – bij vuurwapenbezit de openbare orde zou kunnen verstoren. Wat tenslotte de dossiers inzake poging tot verkrachting van een meerderjarig persoon betreft, is het inderdaad zo dat het eerste dossier werd geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen, zodat dit element bezwaarlijk ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-8/24 kan worden ingeroepen als een vaststaand gegeven. Inzake het tweede dossier beweert u onschuldig te zijn doch het parket onderzoekt de zaak nog steeds. Uiteraard is dit een relevant gegeven dat in de nabije toekomst mogelijkerwijze een bijkomende indicatie kan zijn van een gevaar op verstoring van de openbare orde. In afwachting van het resultaat van het onderzoek kan het evenwel op zich de bestreden beslissing niet schragen. Het betreft bijgevolg een bijkomend doch niet decisief element in de gevaar-beoordeling. Bij het nemen van haar beslissing dient elke bestuurlijke overheid zich te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zo ook het redelijkheidsbeginsel. Dit betekent dat er geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de motieven en de beslissing welke op grond ervan is genomen. Een beslissing waartoe geen redelijk denkend mens bij een afweging van de betrokken belangen had kunnen geraken, doet immers vermoeden dat de vereiste belangenafweging niet heeft plaatsgehad. In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de mogelijkheid om een vuurwapen voorhanden te houden anderzijds. Meer bepaald moet overwogen worden of vuurwapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren. De finaliteit van de wapenwet is niet om te bestraffen, doch wel om preventief op te treden teneinde misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van de individuele belangen van de wapenbezitter. De wapenwet heeft immers een principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens, met uitzondering van een gemotiveerde vergunning. De wapenvergunning (of de toelating tot het voorhanden hebben van vuurwapens) is dus de uitzondering. De wapenwet laat de overheid toe om preventieve maatregelen te nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermijden […]. Uit de wetsgeschiedenis van de wapenwet blijkt dat de invalshoek van de wapenwet er onder meer een is ‘van een beperking van de verspreiding van de persoonlijke bewapening via een principe van een verbod op alle vuurwapens behoudens gemotiveerde vergunning’ (Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 51 2263/001, 17). Het voorhanden hebben van een vuurwapen is aldus onderworpen aan een gereglementeerd vergunningenstelsel, waaronder de vereiste dat een vergunning slechts wordt verleend aan een persoon die voldoet aan een wettige reden. Bij de beoordeling daarvan heeft de bevoegde overheid een ruime appreciatiebevoegdheid. Een zelfde houding geldt voor wat betreft de intrekking van de registratie van jachtwapens en eveneens voor het recht om bepaalde vuurwapens, ontworpen voor het sportschieten, voorhanden te hebben als houder van een sportschutterslicentie. Opdat een vergunning of het recht tot het voorhanden hebben van een vuurwapen kan worden ingetrokken, is het niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-9/24 doen vrezen dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende […]. Het komt aan de overheid toe om in te schatten voor de toekomst of het voorhanden hebben van een wapen een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid, waarbij rekening kan worden gehouden met iemands algemene moraliteit en persoonlijkheid. De beslissing om het wapenbezit te ontzeggen is geen administratieve sanctie en die maatregel heeft niet tot doel iemand voor een of andere inbreuk te bestraffen. Het gaat om een preventieve maatregel met het oog op de openbare orde en veiligheid. De vraag is of het op grond van de gegevens in het dossier onredelijk zou zijn om te besluiten dat wapenbezit in uw hoofde de openbare orde en veiligheid zou kunnen verstoren of een gevaar zou kunnen betekenen voor uzelf of voor anderen. Zoals gezegd hebben verkeersinbreuken an sich geen rechtstreeks verband met het gebruik van vuurwapens. Desalniettemin kunnen ze relevant zijn indien er een risicovol gedrag uit blijkt aangezien de gevaar-inschatting voor vuurwapenbezit precies noodzaakt na te gaan of iemand een risico zal stellen in geval van toegekend vuurwapenbezit. Net als het voorhanden houden van een vuurwapen kan het besturen van een gemotoriseerd voertuig een gevaarlijk wapen worden in het verkeer en op die manier mensenlevens in gevaar brengen, met name indien dit gebeurt in geïntoxiceerde toestand. Het verband met vuurwapens bestaat er dan ook in dat – aan iemand die meermaals heeft aangetoond risicovol gedrag te hebben gesteld – evenmin een vuurwapen kan worden toevertrouwd. Vuurwapens zijn immers per definitie gevaarlijke objecten waarmee zeer voorzichtig dient te worden omgesprongen. Onder invloed van alcohol worden de risico’s op ongevallen met of misbruik van vuurwapens onaanvaardbaar groot. Degelijk gedrag is niet verenigbaar met het bezit van wapens. Het is een reëel risico, een overbodig risico en een risico dat het nemen niet waard is aangezien het volledig indruist tegen het principe van de wapenwet die preventie vooropstelt en wapenbezit enkel en alleen uitzonderlijk toelaat aan zij die daarvoor over een geschikte moraliteit beschikken. Dergelijke moraliteit veronderstelt minstens voldoende verantwoordelijkheidszin, hetgeen impliceert dat men de gevolgen draagt van zijn handelen en bewust opteert voor een gedrag dat geen onnodige risico’s doet ontstaan. Alcohol kan een ontremmend effect hebben waardoor men onnodige risico’s neemt. Dat u hiervoor vatbaar bent, blijkt duidelijk uit de meerdere veroordelingen voor geïntoxiceerd sturen. Mocht u dergelijk gedrag stellen in geval van vuurwapenbezit, dan kan dat leiden tot ernstige incidenten waarvan de gevolgen mogelijkerwijze niet te overzien zijn. Uit het voorgaande volgt dat er verschillende indicaties zijn dat vuurwapenbezit in uw hoofde potentieel een gevaar kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid. In casu zijn er voldoende twijfels omtrent uw betrouwbaarheid als wapenbezitter en kan u derhalve niet het vertrouwen worden verleend om – in afwijking op het principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens – een gemotiveerde wapenvergunning toe te staan of om – in afwijking op de principiële voorafgaande vergunningsplicht – u toe te laten gebruik te maken ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-10/24 van het uitzonderingsregime dat de wapenwet voorziet voor houders van een jachtverlof of van een sportschutterslicentie (cf. artikel 12 van de wapenwet). Derhalve dient uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens te worden ingetrokken.” 3.
- Op 17 november 2022 bevestigt de correctionele rechtbank van Turnhout, rechtsprekend in hoger beroep, het vonnis van de politierechtbank van Turnhout van 4 april 2022 waarbij verzoeker is veroordeeld tot een geldboete (gedeeltelijk met uitstel voor een termijn van drie jaar), een vervallenverklaring van het recht om alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van negen maanden (gedeeltelijk met uitstel), het afhankelijk maken van het herstel van het recht tot sturen van het slagen in een theoretisch en praktisch examen alsook in een medisch en psychologisch onderzoek en een beperking van de geldigheid van het rijbewijs tot motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, voor een termijn van één jaar, wegens (samengevat) het overschrijden van een onderbroken streep, behalve om in te halen, om links af te slaan, om te keren of om van rijstrook te veranderen, het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol in de staten van herhaling zoals bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 38, § 6, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ (“wegverkeerswet”) en het besturen van een voertuig zonder een voorgeschreven onderzoek te hebben ondergaan, in de staat van herhaling zoals bedoeld in artikel 38, § 6, derde lid van de wegverkeerswet. IV. Onderzoek van de middelen A. Vooraf
- In het eerste middel voert verzoeker onder meer de schending aan van het redelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel. De vraag of de voornoemde beginselen zijn miskend, is pas aan de orde wanneer vaststaat dat de motieven van de bestreden beslissing in feite en in rechte het oordeel van de verwerende partij verantwoorden dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een gevaar kan inhouden voor de openbare orde, hetgeen verzoeker zowel in het eerste als in het tweede middel betwist met verschillende argumenten. Om die reden IX-10.197-11/24 worden hierna het eerste en tweede middel samen behandeld, waarbij eerst verzoekers argumentatie in verband met de deugdelijkheid van de motivering en het zorgvuldigheidsbeginsel wordt onderzocht en daarna zijn argumentatie in verband met het redelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel. B. Onderzoek van het eerste en het tweede middel, samen genomen Uiteenzetting van de middelen 5.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wapenwet, het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel doordat niet wordt aangetoond dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een risico voor de verstoring van de openbare orde zou opleveren, de in de bestreden beslissing vermelde motieven in redelijkheid geen preventieve maatregel kunnen verantwoorden en de bestreden beslissing niet in redelijk en proportioneel verband tot de aangehaalde vermeende feiten en motieven staat. In de toelichting bij het middel betoogt verzoeker dat een beslissing waarbij het recht om vuurwapens voorhanden te hebben wordt beperkt, geschorst of ingetrokken in redelijk verband moet staat tot en moet steunen op concrete en actuele feiten en niet enkel kan worden gemotiveerd aan de hand van feiten en gedragingen die volkomen vreemd zijn aan het vuurwapenbezit. Volgens verzoeker steunt de bestreden beslissing enkel op veronderstellingen en hypotheses inzake intoxicatie bij het besturen van een voertuig. Resultaten van verschillende onderzoeken tonen echter aan dat hij geen alcohol- of drugprobleem heeft. Niettegenstaande die goede testresultaten, wordt er door de minister van Justitie geïnsinueerd dat wapenbezitters geheelonthouder moeten zijn, minstens wordt geïnsinueerd dat verzoeker een drank- en drugprobleem heeft. Er worden doemscenario’s ontwikkeld, terwijl er nooit sprake is geweest van vuurwapengebruik onder invloed. De wapenwet bepaalt evenwel niet dat iemand van onbesproken gedrag in het verkeer moet zijn om een vuurwapen voorhanden te hebben. Evenmin bepaalt de wapenwet dat iemand die verkeersovertredingen heeft ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-12/24 begaan bijkomend moet worden gestraft op het vlak van wapenbezit of dat iemand moet worden getroffen in zijn wapenbezit om hem aan te zetten de wegcode te respecteren. Verzoeker merkt ook nog op dat, om hem te diaboliseren, in de bestreden beslissing oude feiten worden opgerakeld die voordien nooit tot een beperking van het wapenbezit hebben geleid. Voorts voert verzoeker aan dat hem een onredelijke en buiten- proportionele maatregel wordt opgelegd, zonder dat dit afdoende wordt gemoti- veerd. Hij argumenteert dat de bestreden beslissing steunt op een achterhaald advies, zonder indicaties dat hij zich in een negatieve spiraal bevindt. Hem wordt zijn hobby ontnomen die hij voorheen probleemloos heeft uitgeoefend en dit terwijl er geen relevante en actuele elementen zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Er wordt geen rekening gehouden met de volgende positieve indicaties: verzoeker is een normale, aimabele, stabiele en vertrouwenswaardige persoon, hij was steeds meewerkend en van goede wil en hij had geen enkele intentie om zich te onttrekken aan zijn verantwoordelijkheden en heeft zeker nooit slechte bedoelingen gehad met zijn vuurwapens. Er zijn derhalve meerdere belangrijke elementen voorhanden die aantonen dat verzoeker beschikt over een goede mentaliteit en moraliteit, een goed zelfinzicht en gevoel voor verantwoordelijkheid. 5.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wapenwet, het zorgvuldigheids- beginsel, de materiëlemotiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), doordat de bestreden beslissing steunt op een beden- kelijk en onvolledig dossier, met verwijzing naar grove onwaarheden, minstens feiten die niet deugdelijk, zorgvuldig en genoegzaam zijn onderzocht en vast- gesteld en doordat in de bestreden beslissing onzorgvuldige, onduidelijke en vage bewoordingen worden gebruikt, zodat van een afdoende motivering geen sprake kan zijn. IX-10.197-13/24 In de toelichting bij het middel stelt verzoeker dat het beperken, schorsen of intrekken van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben enkel mag steunen op concrete, werkelijk bestaande en dus bewezen feiten. Loutere vermoedens en veronderstellingen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Volgens verzoeker steunt de bestreden beslissing enkel op veronderstellingen en hypotheses inzake intoxicatie bij het besturen van een voertuig en vuurwapenbezit. Voorts wordt een negatief beeld van hem geschetst aan de hand van niet-bewezen elementen. Zo verwijst het openbaar ministerie naar een geseponeerd dossier inzake een beweerde poging tot verkrachting om een sfeer van onbetrouwbaarheid te creëren. Er wordt ook verwezen naar een lopend onderzoek inzake een beweerde poging tot verkrachting zonder dat alle bijlagen bij de processen-verbaal en de rest van het strafdossier zijn meegedeeld, waaruit zou blijken dat de klacht steunt op valse verklaringen. Het desbetreffende dossier is ondertussen eveneens gesepo- neerd omdat grondig onderzoek niets ten laste van verzoeker heeft opgeleverd. Als abstractie wordt gemaakt van deze niet-bewezen feiten blijven enkel nog de verkeersfeiten over. 6.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker met betrekking tot het eerste middel dat enkel wordt gesteund op hypotheses inzake verkeersfeiten. Hij blijft van oordeel dat het onredelijk is om op grond van wat aan bewezen feiten overblijft, te besluiten dat zijn vuurwapenbezit een concreet en actueel gevaar voor de openbare orde uitmaakt. Volgens verzoeker doet de motivering van de bestreden beslissing eerder geloven dat hij levenslang rijongeschikt moet worden verklaard – wat het openbaar ministerie nooit heeft gevorderd – eerder dan dat er een probleem rijst op het vlak van vuurwapenbezit. Daardoor is de bestreden beslissing behept met een foutieve motivering en ontbeert ze een deugdelijke en afdoende motivering zoals wordt vereist door de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet. 6.
- Inzake het tweede middel benadrukt verzoeker dat de bestreden beslissing is genomen op grond van veronderstellingen in plaats van bewezen feiten en dat de verwerende partij verwijst naar geseponeerde dossiers om aan negatieve sfeerschepping te doen. De seponering wegens gebrek aan bewijs ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-14/24 betekent volgens verzoeker dat hij onschuldig is. Hij merkt op dat het tweede dossier inzake een beweerde poging tot verkrachting is geseponeerd op 8 november 2022 en dus de bestreden beslissing van 14 november 2022 heeft gekruist. Net zoals de minister van Justitie overweegt inzake het eerste geseponeerde dossier kan dit element niet meer worden meegenomen in de motivering van de bestreden beslissing en worden gehanteerd als een bijkomend doch niet decisief element in de gevaarbeoordeling. Door dit wel te doen, is de bestreden beslissing behept met een onzorgvuldige motivering en ontbeert ze een deugdelijke en afdoende motivering zoals wordt vereist door de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet. 7.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker aangaande het eerste middel dat hij niet is veroordeeld voor dronkenschap, maar voor intoxicatie. Dat hem een alcoholslot is opgelegd, is een verplichting overeenkomstig artikel 37/1 van de wegverkeerswet. Dat alcoholslot geeft ook garanties dat er in de toekomst niet meer geïntoxiceerd kan worden gereden. Voorts heeft de rechter uitdrukkelijk geen toepassing gemaakt van artikel 42 van de wegverkeerswet en hem dus niet lichamelijk of geestelijk ongeschikt verklaard om een motorvoertuig te besturen. Dit is in lijn met een arrest van het Hof van Cassatie (AR P.23.1274.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.17) waarin wordt overwogen dat uit het enkele gegeven dat iemand talrijke keren is veroordeeld voor verkeersovertredingen niet mag worden afgeleid dat hij psychisch ongeschikt is om een voertuig te besturen. Verzoeker wordt met de bestreden beslissing op grond van verkeersfeiten echter wel psychisch ongeschikt verklaard om een vuurwapen te hanteren. Volgens verzoeker is het dan ook onredelijk om enkel op grond van verkeersfeiten te besluiten dat zijn vuurwapenbezit een gevaar voor de openbare orde inhoudt. 7.
- Met betrekking tot het tweede middel onderstreept verzoeker nogmaals dat de bestreden beslissing enkel steunt op veronderstellingen en hypotheses aangaande het gevaar dat zijn wapenbezit zou kunnen opleveren, terwijl zijn vuurwapenbezit nog nooit enig probleem heeft veroorzaakt. Dat wordt verwezen naar concrete veroordelingen inzake verkeersovertredingen belet niet dat IX-10.197-15/24 de gevolgtrekkingen die de verwerende partij hieruit maakt omtrent zijn vuurwapenbezit nog steeds veronderstellingen en hypotheses zijn. Beoordeling
- In de bestreden beslissing overweegt de verwerende partij: “Uit het dossier blijkt desalniettemin dat u – ondanks de goede bloedresultaten en toxicologische screenings – in het recente verleden op regelmatige tijdstippen betrapt werd op geïntoxiceerd sturen. Eénmaal in 2016, tweemaal in 2020 en ook recent nog een keer in
- Deze feiten wijzen er onomstotelijk op dat u risicovol gedrag heeft gesteld in het verkeer en dat u hiermee mensenlevens in gevaar bracht, ook het uwe. Iemand die zich immers geïntoxiceerd in het verkeer begeeft, weet dat dit risico’s met zich meebrengt en vindt deze dan ook aanvaardbaar. Het besturen van een voertuig houdt altijd risico’s in, doch het besturen van een voertuig in geïntoxiceerde toestand verhoogt deze risico’s aanzienlijk en maakt dat de auto als het ware een gevaarlijk wapen wordt in het verkeer. De kans bestaat aldus dat u dergelijk risicovol gedrag ook zal stellen in andere situaties, zoals bijvoorbeeld in geval u vuurwapens voorhanden zou hebben. Ook vuurwapens houden een verhoogd risico in, en onder invloed van alcohol of verdovende middelen worden deze risico’s onaanvaardbaar groter. Bovendien werkt middelengebruik drempelverlagend, hetgeen ook duidelijk is gebleken in uw veroordelingen wegens geïntoxiceerd sturen. Het maakt dat men risico’s inderdaad onderschat. […] In casu werd alcoholgebruik verschillende keren in uw hoofde vastgesteld en dit met de bijkomende en belangrijke bezwarende factor dat dit gebruik eerder een misbruik werd net doordat u er voor koos om in geïntoxiceerde toestand een gemotoriseerd voertuig te besturen met alle risico’s voor uzelf en voor de u omringende maatschappij. Het gegeven dat u heden verschillende onderzoeken voorlegt die volgens u bewijzen dat er zich in uw hoofde actueel geen alcoholproblematiek voordoet, verandert niks aan deze vaststelling. Op basis van veroordelingen voor geïntoxiceerd sturen concluderen dat iemand een alcoholprobleem heeft, is inderdaad een brug te ver. Doch uit de opgelopen veroordelingen blijkt onmiskenbaar een onnodig risicovol gedrag en een onverantwoorde omgang met alcohol door het te nuttigen alvorens een auto te besturen, waardoor de maatschappij in het gevaar wordt gebracht. Op zich blijkt dus reeds uit uw frequent gesteld risicovol gedrag in het verkeer dat u niet geschikt bent om vuurwapens voorhanden te houden aangezien wordt gevreesd dat dergelijk gedrag – waarbij er onnodig risico’s worden opgezocht – bij vuurwapenbezit de openbare orde zou kunnen verstoren. Wat tenslotte de dossiers inzake poging tot verkrachting van een meerderjarig persoon betreft, is het inderdaad zo dat het eerste dossier werd ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-16/24 geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen, zodat dit element bezwaarlijk kan worden ingeroepen als een vaststaand gegeven. Inzake het tweede dossier beweert u onschuldig te zijn doch het parket onderzoekt de zaak nog steeds. Uiteraard is dit een relevant gegeven dat in de nabije toekomst mogelijkerwijze een bijkomende indicatie kan zijn van een gevaar op verstoring van de openbare orde. In afwachting van het resultaat van het onderzoek kan het evenwel op zich de bestreden beslissing niet schragen. Het betreft bijgevolg een bijkomend doch niet decisief element in de gevaar-beoordeling.”
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt aldus om welke redenen verzoeker het wapenbezit wordt ontzegd en wat het determinerend motief van de verwerende partij daarvoor is. Daarmee heeft de verwerende partij voldaan aan de op haar rustende formelemotiveringsplicht.
- Uit deze overwegingen blijkt voorts dat het feit dat verzoeker meermaals is betrapt op geïntoxiceerd rijden – en daarvoor is veroordeeld – en aldus risicovol gedrag heeft gesteld in het verkeer, voor de verwerende partij een voldoende en dus determinerend motief is om de bestreden beslissing te schragen. Daaruit volgt meteen dat verzoekers kritiek op andere motieven van de bestreden beslissing – inzonderheid de verwijzing naar een dossier inzake poging tot verkrachting waarover in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld dat het slechts een bijkomend en geen decisief element is in de gevaarbeoordeling – niet tot de vernietiging van die beslissing kan leiden.
- Vervolgens rijst de vraag of het determinerend motief van de bestreden beslissing standhoudt.
- Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet IX-10.197-17/24 worden beoordeeld. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het valt de Raad van State in het kader van zijn wettigheids- toezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
- Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing enkel steunt op veronderstellingen en hypotheses. Die stelling kan, minstens wat het hiervóór aangehaalde determinerende motief betreft, niet worden bijgevallen. Uit het dossier blijkt dat verzoeker herhaaldelijk is veroordeeld wegens intoxicatie aan het stuur: op 19 september 2016 door de politierechtbank van Turnhout, op 6 januari 2020 door de correctionele rechtbank van Antwerpen en op 27 november 2020 door de politierechtbank van Antwerpen. Daarbij komt dat verzoeker op 1 oktober 2021 opnieuw is betrapt op geïntoxiceerd rijden, waarna hij is gedagvaard en veroordeeld door de politierechtbank van Turnhout op 4 april 2022 – veroordeling die op 17 november 2022 is bevestigd door de correctionele rechtbank van Turnhout. De feiten van intoxicatie bij het besturen van een voertuig waarop de verwerende partij de bestreden beslissing steunt, zijn dan ook vaststaand. De door ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-18/24 verzoeker voorgelegde testresultaten waaruit zou moeten blijken dat hij geen alcohol- of drugprobleem heeft, kunnen geen afbreuk doen aan die conclusie. Verzoeker stelt ook dat de gevolgtrekkingen die de verwerende partij uit die veroordelingen maakt met betrekking tot zijn wapenbezit louter veronderstellingen en hypotheses zijn. Er is immers nog nooit enig probleem geweest met zijn vuurwapenbezit. Verzoeker gaat daarmee voorbij aan het gegeven dat de finaliteit van de wapenwet er niet in bestaat om te bestraffen, maar om preventief op te treden om misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Er is niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van vuurwapens de openbare orde kán verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende. De verwerende partij mag uit de voormelde, vaststaande feiten dat verzoeker zich herhaaldelijk heeft bezondigd aan geïntoxiceerd rijden en aldus herhaaldelijk risicovol gedrag heeft gesteld in het verkeer, in redelijkheid afleiden dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een gevaar kan inhouden voor de openbare orde omdat kan worden gevreesd dat hij ook onnodige risico’s zal opzoeken wanneer hij vuurwapens voorhanden heeft.
- Voorts voert verzoeker aan dat oude feiten worden opgerakeld die voorheen nooit tot een beperking van het wapenbezit hebben geleid. In dat verband kan vooreerst worden vastgesteld dat verzoeker niet verduidelijkt welke oude feiten naar zijn oordeel niet zouden kunnen worden meegenomen in de beoordeling van het risico dat zijn wapenbezit inhoudt voor de openbare orde. Bovendien gaat verzoeker eraan voorbij dat de verwerende partij rekening mag houden met minder recente feiten ten laste van verzoeker, wanneer zij ook steunt op recente feiten die erop wijzen dat het voorhanden hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren. Uit die recente feiten kan immers blijken dat aan de minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd. Nu kan bezwaarlijk worden ontkend dat dergelijke recente feiten voorhanden zijn. Verzoeker is immers in 2020 tweemaal veroordeeld voor geïntoxiceerd rijden en hij is op 1 oktober 2021 opnieuw betrapt op rijden onder ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-19/24 invloed, waarvoor hij is veroordeeld door de politierechtbank op 4 april 2022 – veroordeling die is bevestigd door de correctionele rechtbank van Turnhout op 17 november
- Die recente feiten van geïntoxiceerd rijden maken dat ook minder recente feiten inzake rijden onder invloed mogen worden meegenomen bij de beoordeling van het risico dat verzoekers wapenbezit inhoudt voor de openbare orde.
- Verzoekers stelling dat de bestreden beslissing in redelijkheid niet enkel kan worden gemotiveerd aan de hand van feiten en gedragingen die volkomen vreemd zijn aan zijn vuurwapenbezit kan evenmin worden bijgevallen. Bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit kan opleveren voor de openbare orde en veiligheid mag de verwerende partij rekening houden met feiten en gedragingen die niet rechtstreeks te maken hebben met wapenbezit, op voorwaarde dat deze feiten en gedragingen genoegzaam vaststaan en de beslissing om het wapenbezit te ontzeggen naar recht kunnen verantwoorden. De verwerende partij mag daarbij evenwel niet zonder nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, uit het louter gegeven dat verzoeker dergelijke feiten en gedragingen heeft gepleegd, besluiten dat verzoekers wapenbezit een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Welnu, uit de bestreden beslissing blijkt dat het feit dat verzoeker herhaaldelijk is betrapt op intoxicatie bij het besturen van een voertuig op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat het voorhanden hebben van vuurwapens in hoofde van verzoeker een gevaar voor de openbaar orde en veiligheid kan inhouden. Deze conclusie wordt verbonden aan het gegeven dat uit het geïntoxiceerd rijden blijkt dat verzoeker bewust onnodig risicovol gedrag opzoekt. De verwerende partij wijst er daarbij op dat iemand die in geïntoxiceerde toestand een voertuig bestuurt, bewust onnodig risicovol gedrag opzoekt waarmee hij anderen en zichzelf in gevaar brengt. De kans bestaat dan dat verzoeker ook dergelijk risicovol gedrag zal stellen in andere situaties, bijvoorbeeld wanneer hij vuurwapens voorhanden heeft. Als uit het gedrag van iemand in het dagelijkse leven blijkt dat hij onvoldoende verantwoordelijkheid aan de dag legt en hierdoor ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 IX-10.197-20/24 een gevaarlijke situatie voor de maatschappij creëert, kan in redelijkheid hieruit worden afgeleid dat een dergelijke persoon in het bezit van vuurwapens een verhoogd maatschappelijk risico stelt. De kans op ongelukken met of misbruik van vuurwapenbezit is dan onredelijk groot. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, is er dus wel degelijk een deugdelijke en afdoende motivering waarom het herhaaldelijk geïntoxiceerd rijden de verwerende partij tot het besluit noopt dat zijn wapenbezit een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid.
- Anders dan verzoeker beweert, wordt in de bestreden beslissing niet gesteld dat hij een drankprobleem heeft. De verwerende partij stelt zelfs uitdrukkelijk dat “[o]p basis van veroordelingen voor geïntoxiceerd sturen concluderen dat iemand een alcoholprobleem heeft […] inderdaad een brug te ver [is]”. Evenmin stelt de verwerende partij in de bestreden beslissing dat een wapenbezitter geheelonthouder moet zijn. Maar wanneer verzoeker meermaals beslist om geïntoxiceerd een voertuig te besturen, dan mag de verwerende partij daaruit in redelijkheid afleiden dat verzoeker bewust onnodige risico’s opzoekt en dat het gevaar bestaat dat hij dit ook zal doen wanneer hij wapens voorhanden heeft, zodat verzoeker geen wapens kunnen worden toevertrouwd. Verzoekers argumentatie dat de wapenwet niet bepaalt dat iemand van onbesproken gedrag in het verkeer moet zijn om een vuurwapen voorhanden te hebben, dat iemand die verkeersovertredingen heeft begaan bijkomend moet worden gestraft op het vlak van wapenbezit of dat iemand moet worden getroffen in zijn wapenbezit om hem aan te zetten de wegcode te respecteren, kan aan die conclusie geen afbreuk doen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aantoont dat het determinerende motief op grond waarvan de verwerende partij besluit dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een risico inhoudt voor de openbare orde en verzoeker het wapenbezit blijft ontzeggen, ondeugdelijk is. Eveneens is vastgesteld dat het herhaaldelijk geïntoxiceerd besturen van een voertuig de verwerende partij toelaat om binnen de perken van de redelijkheid tot het besluit te IX-10.197-21/24 komen dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt.
- Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur – of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is – veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of proportionaliteitsbeginsel miskent.
- Gelet op de ernst van de vaststaande feiten – het herhaaldelijk geïntoxiceerd besturen van een voertuig – treedt de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten met het oordeel dat een preventieve maatregel inzake verzoekers wapenbezit noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en dat verzoeker het vuurwapenbezit nog steeds moet worden ontzegd. De door verzoeker aangehaalde verzachtende omstandigheden – het feit dat hij naar eigen zeggen bij de uitoefening van zijn hobby probleemloos vuurwapens hanteert, een normale, aimabele, stabiele en vertrouwenswaardige persoon is, steeds heeft meegewerkt en van goede wil is, geen enkele intentie had om zich te onttrekken aan zijn verantwoordelijkheden en nooit slechte bedoelingen heeft gehad met zijn vuurwapens – doen aan die conclusie geen afbreuk. Verzoeker toont niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen. IX-10.197-22/24
- Het eerste en het tweede middel zijn ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.197-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.197-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.377 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div