← België

Arrest 260378 - Wapens – exportvergunningen - 02/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.378 Rolnummer: A. 239298/IX-10267 Zaak: Arrest 260378 - Wapens – exportvergunningen - 02/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-04 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-11 03:18 Fiche Arrest nr 260.378 van 2 juli 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.378 no lien 278001 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.378 van 2 juli 2024 in de zaak A. 239.298/IX-10.267 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Geeteruyen en Jordy Hendrikx kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Boomstraat 14 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 juni 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 7 april 2023 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 24 februari 2022. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.267-1/17 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni 2024. Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jordy Hendrikx, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Dievoet, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is als jager in het bezit van verschillende vuurwapens. 3.2. Op 10 november 2021 meldt de lokale politie aan de wapen- dienst van de provincie Limburg dat verzoeker in onmin leeft met de buurt, waar- door zijn wapenbezit een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt. 3.3. De procureur des Konings adviseert op 7 december 2021 tot intrekking van verzoekers wapenbezit omdat “er meerdere ongunstige gegevens te vermelden zijn over de morele eigenschappen van de betrokkene”. IX-10.267-2/17 3.4. Op 24 februari 2022 trekt de gouverneur van de provincie Limburg, ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, verzoekers wapenvergunningen en het recht om vuurwapens voorhanden te hebben in. 3.5. Verzoeker stelt op 28 maart 2022 een beroep in tegen die beslissing. 3.6. De procureur des Konings bevestigt op 3 mei 2022 zijn eerder ongunstig advies. Op 25 mei 2022 bevestigt ook de lokale politie haar ongunstig advies. 3.7. Op 7 april 2023 verwerpt de minister van Justitie het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “De wapenwet voorziet een principieel verbod om als particulier vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden te hebben. In afwijking hierop kan wapenbezit worden toegestaan indien daartoe voorafgaandelijk een vergunning wordt verkregen. Artikel 11 van de wapenwet voorziet immers een principiële voorafgaande vergunningsplicht voor het bezit van vuurwapens. Indien blijkt dat het voorhanden hebben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren, kan de bevoegde gouverneur op grond van artikel 11, § 1, tweede lid en artikel 13, eerste lid van de wapenwet een vergunning – respectievelijk het recht om een wapen voorhanden te hebben – beperken, schorsen of intrekken, na advies te hebben ingewonnen bij de procureur de Konings van het arrondissement waar men zijn verblijfplaats heeft en volgens een procedure bepaald door de Koning. Of er al dan niet gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete elementen. Bovendien moet rekening worden gehouden met het principe van de proportionaliteit; zo moeten de aangehaalde elementen voldoende ernstig zijn om een beperking, schorsing, intrekking of weigering van een vergunning te rechtvaardigen. In het kader van de behandeling van het beroepschrift werden nieuwe adviezen ingewonnen. De procureur des Konings adviseert hierbij opnieuw ongunstig en laat weten dat er tot dagvaarding voor de correctionele rechtbank zal worden overgegaan. Bij het nemen van haar beslissing dient elke bestuurlijke overheid zich te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zo ook het redelijkheidsbeginsel. Dit betekent dat er geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de motieven en de beslissing welke op grond ervan is genomen. Een beslissing waartoe geen redelijk denkend mens bij een afweging van de betrokken belangen had kunnen geraken, doet immers vermoeden dat de vereiste belangenafweging niet heeft plaatsgehad. IX-10.267-3/17 In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de mogelijkheid om een vuurwapen voorhanden te kunnen houden anderzijds. Meer bepaald moet overwogen worden of vuurwapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren. De finaliteit van de wapenwet is niet om te bestraffen, doch wel om preventief op te treden teneinde misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van de individuele belangen van de wapenbezitter. De wapenwet heeft immers een principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens, met uitzondering van een gemotiveerde vergunning. De wapenvergunning (of de toelating tot het voorhanden hebben van vuurwapens) is dus de uitzondering. De wapenwet laat de overheid toe om preventieve maatregelen te nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermijden […]. Opdat een vergunning of het recht tot het voorhanden hebben van een vuurwapen kan worden ingetrokken, is het niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende […]. Vanuit dit uitgangspunt van preventie dient wapenbezit dan ook alleen te worden toegestaan aan personen die geen tegenindicatie vertonen. De vraag is of het op grond van de gegevens in het dossier onredelijk zou zijn om te besluiten dat wapenbezit in uw hoofde de openbare orde en veiligheid zou kunnen verstoren of een gevaar zou kunnen betekenen voor uzelf of voor anderen. De lokale politie meldt evenwel dat u betrokken bent in conflictsituaties met uw buren. Ter zake wijst de lokale politie op een interventie waarbij bemiddelend diende te worden opgetreden in een burengeschil en een nieuw proces-verbaal van 7 september 2021 waarbij er opnieuw problemen waren met wandelaars en hun honden. Dit gebeurde echter reeds eerder in 2019 waarbij dit onder meer aanleiding gaf tot een intrekkingsbeslissing door de gouverneur. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de situatie met deze persoon al enige tijd conflictueus is. Hieruit blijkt nog maar eens dat u zich met uw buren en met andere personen in een gespannen relatie bevindt waarin zich regelmatig incidenten voordoen. Hoe dan ook, de aanwezigheid van een conflictsituatie in combinatie met wapenbezit betekent zeer zeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Het risico dat een conflict tussen u en een derde zou kunnen leiden tot emotionele reacties kan niet worden uitgesloten. De onmiddellijke aanwezigheid van een vuurwapen kan in dergelijke situaties leiden tot een impulsieve daad met eventueel desastreuze gevolgen. De aanwezigheid van een conflictsituatie in combinatie met wapenbezit betekent een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Het risico dat een conflict zou kunnen leiden tot emotionele reacties kan niet ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.378 IX-10.267-4/17 worden uitgesloten. Dit geldt in het bijzonder wanneer het gaat om conflicten tussen jagers die in het kader van de beoefening van de jacht drager zijn van een vuurwapen. De onmiddellijke aanwezigheid van een vuurwapen kan in dergelijke situaties leiden tot een impulsieve daad met eventueel desastreuze gevolgen. Uit het dossier blijkt dat er sinds de beslissing van de minister van Justitie van 30 september 2020 (teruggave van uw recht en vergunningen om vuurwapens voorhanden te houden) door de lokale politie inderdaad melding wordt gemaakt van een nieuwe incidenten. Daarnaast neemt het feit dat de eerdere feiten in de beslissing van de minister van Justitie overwogen werden, niet weg dat deze opnieuw een rol kunnen spelen in de beoordeling van uw wapenbezit. Dit werd ook opgenomen in de beslissing van 30 september 2020. Op grond van deze inlichtingen, het gegeven dat het voorhanden hebben van vuurwapens in principe verboden is en slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegestaan op grond van een voorafgaande vergunning en gelet op het preventieve uitgangspunt van de wapenwet die er op gericht is om misbruik van en ongevallen met vuurwapens te voorkomen, moet worden besloten dat het voorhanden hebben van vuurwapens in uw hoofde actueel de openbare orde en veiligheid zou kunnen verstoren.” Het dispositief van de bestreden beslissing luidt: “Uw beroep tegen de beslissing van 24 februari 2022 van de gouverneur van Limburg tot intrekking van uw recht en uw vergunningen tot het voorhanden hebben van volgende vuurwapens […] wordt verworpen.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 13 en 30 van de wapenwet, het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheids- beginsel. In het eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de verwerende partij heeft nagelaten om een maatregel op te leggen. Hij vat het middelonderdeel als volgt samen: IX-10.267-5/17 “De verwerende partij heeft de eigen bevoegdheid miskend door niet:

  1. a)over de gegrondheid van het beroep te beslissen, en;
  2. b)een eigen oordeel te vormen over het volledige dossier, en;
  3. c)één of geen van de drie in artikel 13 van de Wapenwet voorziene maatregelen te nemen ten aanzien van verzoeker en, in het geval dat een maatregel werd opgelegd, te motiveren waarom voor die specifieke maatregel is gekozen.” In de toelichting bij het middelonderdeel stelt verzoeker dat noch uit het dispositief, noch uit het overwegend gedeelte van de bestreden beslissing blijkt welke maatregel de verwerende partij heeft opgelegd. Dit toont aan dat de verwerende partij haar toegewezen bevoegdheid op een foutieve wijze heeft uitgeoefend. Zij stelt weliswaar vast dat er een gevaar voor de openbare orde kan bestaan, maar laat vervolgens na een van de in artikel 13 van de wapenwet vermelde maatregelen op te leggen en hieromtrent een motivering te geven. In het tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing onduidelijk is. Hij vat het middelonderdeel als volgt samen: “De verwerende partij heeft het rechtszekerheidsbeginsel geschonden door noch in het dispositief, noch in het overwegend gedeelte van de bestreden beslissing te bepalen welke van de in artikel 13 van de Wapenwet benoemde maatregelen wordt opgelegd.” In de toelichting bij het middelonderdeel stelt verzoeker dat het niet mogelijk is om op grond van de bestreden beslissing zijn rechtspositie op voldoende zekere wijze te bepalen. Indien de verwerende partij daadwerkelijk geen maatregel heeft willen opleggen, betekent dit dat hij terug beschikt over het recht om vuurwapens voorhanden te hebben. In het andere geval mag hij nog steeds geen vuurwapens voorhanden hebben. Volgens verzoeker is het als hobbyjager voor hem van groot belang om niet alleen zijn hobby te kunnen uitoefenen, maar ook om zich niet aan strafrechtelijke vervolging bloot te stellen. 4.2. Met betrekking tot het eerste middelonderdeel stelt verzoeker in de memorie van wederantwoord dat de stelling van de verwerende partij dat de verwerping van het beroep impliceert dat de maatregel van de gouverneur de juiste is, een post factum motivering betreft. Hij betoogt dat het in de bestreden beslissing ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.378 IX-10.267-6/17 zelf is dat moet worden overwogen of het nodig is om een van de in artikel 13 van de wapenwet bedoelde maatregelen op te leggen en om in dat geval te onderzoeken, te beoordelen en te motiveren welke maatregel nodig is. In casu ontbreekt een dergelijke beoordeling. Noch het dispositief, noch het overwegend gedeelte van de bestreden beslissing bevatten dienaangaande enige motivering. Louter verwijzen naar de beslissing van de provinciegouverneur volstaat niet. Ingevolge de devolutieve werking van het beroep komt de beslissing van de verwerende partij immers integraal in de plaats van de beslissing van de provinciegouverneur. Aangaande het tweede middelonderdeel argumenteert verzoeker dat de stelling van de verwerende partij dat aangezien er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn een impliciete beslissing volstaat, niet kan worden bijgevallen. Uit artikel 13 van de wapenwet blijkt immers dat de verwerende partij de keuze heeft uit meerdere maatregelen. Dit betekent dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd of er een maatregel wordt opgelegd en welke maatregel dit dan is. De bestreden beslissing ontbeert iedere motivering dienaangaande. 4.3. In zijn laatste memorie stelt verzoeker met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat het dispositief van de bestreden beslissing beperkt is tot het besluit dat zijn beroep wordt verworpen. Hiermee heeft de verwerende partij uitsluitend uitspraak gedaan over de gegrondheid van het beroep terwijl haar bevoegdheid verder reikt dan het louter beoordelen van de gegrondheid van het beroep. Voorts betwist verzoeker dat uit het dispositief van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij de beslissing van de provinciegouverneur heeft bevestigd. Hij argumenteert dat indien de verwerende partij de beslissing van de provinciegouverneur had willen bevestigen, zij dit uitdrukkelijk had moeten bepalen. In dat geval kon verzoeker op een in redelijkheid aanvaardbare wijze uit de bestreden beslissing afleiden dat de verwerende partij, in navolging van de gouverneur, heeft beslist om zijn recht om vuurwapens voorhanden te hebben in te trekken. IX-10.267-7/17 Inzake het tweede middelonderdeel beklemtoont verzoeker dat het onmogelijk is om uit de bestreden beslissing af te leiden welke maatregel er is opgelegd. Dat de verwerende partij een standpunt inneemt over de maatregel dat niet in redelijkheid uit de bestreden beslissing zelf kan worden afgeleid, kan er niet toe leiden dat er geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel wordt aangenomen. Meer nog, dit komt minstens neer op een impliciete erkenning dat de bestreden beslissing onduidelijk is. Beoordeling 5. Uit de samenhang tussen de motivering en het dispositief van de bestreden beslissing blijkt dat, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, de verwerende partij zich een eigen oordeel heeft gevormd over het volledige dossier en een beslissing heeft genomen over de gegrondheid van verzoekers beroep. De verwerende partij is na een onderzoek van de stukken van het dossier, inzonderheid de adviezen van de lokale politie en de procureur des Konings, tot het besluit gekomen dat uit verschillende feiten blijkt dat verzoeker een gespannen relatie heeft met zijn buren en andere personen, waarbij zich regelmatig incidenten voordoen. Een dergelijke conflictsituatie in combinatie met wapenbezit houdt volgens de verwerende partij een potentieel gevaar in voor de openbare orde en veiligheid. Zij wijst er daarbij op dat het risico dat een conflict tussen verzoeker en een derde zou kunnen leiden tot emotionele reacties niet kan worden uitgesloten en dat de onmiddellijke aanwezigheid van een vuurwapen in dergelijke situaties kan leiden tot een impulsieve daad met eventueel desastreuze gevolgen. De verwerende partij beslist daarop dat verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 24 februari 2022 – waarbij verzoekers wapenvergunningen en het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens zijn ingetrokken – moet worden verworpen. Daaruit volgt met zekerheid, zij het impliciet, dat de verwerende partij, in navolging van de gouverneur, van oordeel is dat de intrekking van verzoekers wapenbezit en het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens de maatregel is die aan verzoeker moet worden opgelegd. Anders dan verzoeker ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.378 IX-10.267-8/17 beweert, heeft de verwerende partij wel degelijk een van de drie in artikel 13 van de wapenwet bedoelde maatregelen aan verzoeker opgelegd – de intrekking – en gemotiveerd waarom zij die beslissing neemt. 6. Aan de hand van de bestreden beslissing kan verzoeker zijn rechtspositie bepalen: zijn wapenbezit en het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens is ingetrokken, waardoor hij thans geen vuurwapens voorhanden mag hebben. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel kan geen sprake zijn. 7. Het eerste middel is in geen van beide onderdelen gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8.1. Het tweede middel is genomen uit de schending van het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Verzoeker vat het middel als volgt samen: “De verwerende partij heeft zowel het zorgvuldigheidsbeginsel als de motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur miskend door: 1) Niet te motiveren waarom de intrekking van het recht om v[uu]rwapens voorhanden te hebben als maatregel wordt opgelegd terwijl:  Hij als administratieve beroepsinstantie steeds de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet naleven, en;  Tijdens de administratieve beroepsprocedure op gemotiveerde wijze de proportionaliteit van de maatregel in vraag werd gesteld door verzoeker. 2) De bestreden beslissing uitsluitend te steunen op motieven die niet voldoende draagkrachtig zijn om het besluit dat de persoon van verzoeker of diens gedragingen ertoe leiden dat de openbare orde kan worden verstoord en er bijgevolg een maatregel noodzakelijk is.” In de toelichting bij het middel stelt verzoeker dat in de bestreden beslissing niet wordt verduidelijkt op welke motieven de verwerende partij steunt en waarom zijn argumentatie niet wordt aanvaard. Uit de bestreden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.378 IX-10.267-9/17 beslissing kan niet worden afgeleid op grond waarvan ze is genomen, laat staan of de verwerende partij is uitgegaan van gegevens die in feite en in rechte juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is gekomen. De verwerende partij beperkt zich tot de overweging dat het op grond van al deze elementen niet onredelijk is om te besluiten dat een preventieve maatregel inzake het wapenbezit nodig is om de openbare orde en veiligheid te vrijwaren. Er wordt niet op afdoende wijze ingegaan op de argumenten die in het beroepschrift zijn geformuleerd. De verwerende partij stelt enkel dat een wapenvergunning kan worden ingetrokken of geweigerd om redenen die betrekking hebben op de mogelijke verstoring van de openbare orde. Verzoeker wijst er in dat verband op dat hij nog nooit in contact is gekomen met gerechtelijke instanties. Dit toont aan dat hij niet beschouwd kan worden als een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, heeft hij wel de juiste morele ingesteldheid die verwacht mag worden van een wapenbezitter. Hij kan op passende wijze omgaan met een vuurwapen en kent de gevaren ervan. Uit de processen-verbaal blijkt ook dat wat door de lokale politie wordt omschreven als een aanslepende burenruzie veeleer een geschil is met zijn buurman. Meer nog, de minister van Justitie heeft in zijn beslissing van 30 september 2020 geoordeeld dat de toen door de provinciegouverneur aangehaalde motieven, die overeenstemmen met de huidige motieven, geen grondslag konden vormen voor een intrekking van het wapenbezit. In die omstandigheden is het onredelijk dat de verwerende partij oordeelt dat verzoekers vuurwapenbezit als nadelig en gevaarlijk voor de openbare orde moet worden beschouwd. De bestreden beslissing is dan ook niet afdoende en naar redelijkheid gemotiveerd. Uit de motieven die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen kan niet op redelijke wijze het verband worden gelegd tussen eensdeels de miskenning van bepaalde (administratieve) verplichtingen en anderdeels de persoonlijkheidskenmerken die de verwerende partij op grond daarvan toekent aan verzoeker en die van aard zouden zijn om zijn recht om vuurwapens voorhanden te hebben in te trekken. 8.2. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de verwerende partij de situatie adequater diende te onderzoeken, om op zijn minst ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.378 IX-10.267-10/17 een poging te ondernemen om de duurtijd van de opgelegde intrekking van het vuurwapenbezit in te schatten. Het is juist om die reden dat artikel 13 van de wapenwet voorziet in de mogelijkheid tot een schorsing van het wapenbezit. De intrekking is de meest verregaande maatregel en dient zeer omzichtig te worden opgelegd. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel is het verplicht om de minder verregaande maatregelen af te wegen, vooraleer over te gaan tot de meest verregaande maatregel. In casu is er niet eens afgewogen om verzoekers vuurwapenbezit te beperken of te schorsen zoals voorzien in artikel 13 van de wapenwet. 8.3. In zijn laatste memorie erkent verzoeker dat er een burenconflict bestaat en dat dit een gevaar kan betekenen voor de openbare orde. Hij meent evenwel dat dit gegeven op zich niet volstaat om de meest verregaande maatregel – de intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben – te rechtvaardigen. Hij argumenteert dat de loutere verwijzing naar het burenconflict niet kan volstaan als motivering om het ongegrond verklaren van zijn administratief beroep en het intrekken van zijn recht om vuurwapens voorhanden te hebben te rechtvaardigen. In het kader van het administratief beroep is de proportionaliteit van de intrekkingsbeslissing op ernstige wijze in vraag gesteld. In dat geval moet de verwerende partij minstens aannemelijk maken hoe met die kritiek is omgegaan. Dat blijkt in het geheel niet uit de bestreden beslissing. Er wordt nergens een afweging gemaakt van de verschillende maatregelen die overeenkomstig de wapenwet kunnen worden genomen. De keuze voor de meest verregaande maatregel lijkt de enige te zijn. Beoordeling 9. Verzoeker stelt dat de verwerende partij in de bestreden beslissing niet verduidelijkt op welke motieven zij steunt, dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid op grond waarvan ze is genomen, en dat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze ingaat op zijn argumentatie uit het beroepschrift en niet motiveert waarom geen minder verregaande maatregel dan de intrekking van het wapenbezit wordt opgelegd. IX-10.267-11/17 10. Aldus voert verzoeker in eerste instantie aan dat een schending voorligt van de formelemotiveringsplicht die op de verwerende partij rust. 11. De bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ voorgeschreven formelemotiveringsplicht moet verzoeker toelaten de concrete redenen te achterhalen die de verwerende partij tot haar beslissing hebben geleid. De verwerende partij moet daarbij niet op elk argument van verzoeker antwoorden en dit weerleggen. Het volstaat dat verzoeker in de bestreden beslissing de redenen vindt die de verwerende partij ertoe brengen hem het vuurwapenbezit te ontzeggen. 12. Te dezen voldoet de bestreden beslissing aan deze vereisten. De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing immers dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker een gespannen relatie heeft met zijn buren en andere personen waarbij zich regelmatig incidenten voordoen en dat een dergelijke conflictsituatie in combinatie met wapenbezit een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt ook dat de verwerende partij kennis heeft genomen van verzoekers argumenten uit het beroepschrift en die heeft onderzocht, maar van oordeel is dat deze niet van aard zijn afbreuk te doen aan haar besluit dat verzoekers vuurwapenbezit de openbare orde kan verstoren en dat daarom zijn wapenbezit moet worden ingetrokken. Ook verzoekers argumentatie in verband met de proportionaliteit van de bestreden maatregel is daarbij onderzocht. De verwerende partij heeft blijkens rubriek 4.2. ‘Onderzoek van het dossier’ van de bestreden beslissing immers uitdrukkelijk rekening gehouden met de door verzoeker in zijn eerste grief van het beroepschrift aangevoerde elementen die zouden moeten aantonen dat de beslissing van de gouverneur buiten proportie is en onderzoekt vervolgens in rubriek 4.5. ‘Evaluatie’ “of het op grond van de gegevens in het dossier onredelijk zou zijn om te besluiten dat wapenbezit […] de openbare orde en veiligheid zou kunnen verstoren of een gevaar zou kunnen betekenen voor [verzoeker] of voor anderen”. Volgens de verwerende partij is dit niet het geval en zoals zo-even is uiteengezet, motiveert zij hoe zij tot dit oordeel komt. Ten slotte reikt de formelemotiveringsplicht niet zover dat de verwerende partij zou moeten ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.378 IX-10.267-12/17 motiveren waarom geen minder verregaande maatregel dan de intrekking van het wapenbezit wordt opgelegd. 13. Verzoeker stelt ook dat de motieven van de bestreden beslissing niet voldoende draagkrachtig zijn om te besluiten dat zijn wapenbezit de openbare orde kan verstoren. Aldus voert verzoeker een schending van de materiële- motiveringsplicht aan, waarbij hij ook het zorgvuldigheidsbeginsel betrekt. 14. Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 15. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. IX-10.267-13/17 16. In de bestreden beslissing komt de verwerende partij tot het besluit dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker een gespannen relatie heeft met zijn buren en andere personen, waarbij zich regelmatig incidenten voordoen en dat een dergelijke conflictsituatie in combinatie met wapenbezit een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. De verwerende partij steunt dit besluit op het gegeven dat de lokale politie in september 2020 bemiddelend is moeten optreden naar aanleiding van een burengeschil waarbij verzoeker dierlijk slachtafval en visafval heeft achtergelaten, op het feit dat de lokale politie op 9 (lees: 7) september 2021 een proces-verbaal heeft opgesteld lastens verzoeker voor “mondelinge bedreigingen met bevel of voorwaarde, feitelijkheden en lichte gewelddaden” en het feit dat er reeds in 2019 gelijkaardige feiten waren waaruit een conflict met de buren blijkt die aanleiding hebben gegeven tot een intrekking van verzoekers wapenbezit door de gouverneur. Vastgesteld kan worden dat verzoeker het bestaan van die feiten waarop de bestreden beslissing steunt op geen enkele wijze tegenspreekt. In zijn verzoekschrift nuanceert hij enkel dat de aanslepende burenruzie eerder een geschil is met zijn buurman. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de verwerende partij de bestreden beslissing op een onjuist motief heeft gesteund door te concluderen dat uit voornoemde feiten blijkt dat verzoeker met zijn buren en andere personen een gespannen relatie heeft waarin zich regelmatig incidenten voordoen, ook al valt dit volgens verzoeker niet onder de noemer aanslepende burenruzie. Het niet-betwiste bestaan van die conflictsituatie laat de verwerende partij toe om binnen de perken van de redelijkheid tot het oordeel te komen dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt. De verwerende partij overweegt in dat verband immers terecht dat het risico dat een conflict tussen verzoeker en een derde kan leiden tot emotionele reacties niet kan worden uitgesloten en dat de onmiddellijke aanwezigheid van een vuurwapen in dergelijke situaties kan leiden tot een impulsieve daad met eventueel desastreuze gevolgen. Dat verzoeker naar eigen zeggen nog nooit met gerechtelijke instanties in contact is gekomen, over de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.378 IX-10.267-14/17 morele ingesteldheid beschikt die mag worden verwacht van een wapenbezitter en op passende wijze kan omgaan met een vuurwapen en er alle gevaren van kent, kan geen afbreuk doen aan de conclusie van de verwerende partij dat uit diverse vaststaande feiten blijkt dat verzoeker een conflict heeft met zijn buren en andere personen en dat een dergelijke conflictsituatie in combinatie met wapenbezit een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt. Evenmin kan het feit dat de minister van Justitie in zijn beslissing van 30 september 2020 heeft geoordeeld dat de door de provinciegouverneur destijds aangehaalde motieven in verband met het bestaan van een conflict met de buren geen grondslag konden vormen voor een intrekking van het wapenbezit tot het besluit leiden dat het onredelijk is dat de verwerende partij in de bestreden beslissing oordeelt dat verzoekers wapenbezit een potentieel gevaar voor de openbare orde vormt. Er zijn immers nieuwe feiten voorhanden – de tussenkomst van de lokale politie in september 2020 en het proces-verbaal lastens verzoeker van 7 september 2021 – die de verwerende partij, samen met de feiten uit 2019, toelaten in redelijkheid te oordelen dat verzoekers wapenbezit een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt. 17. Verzoeker neemt ook het verband tussen de miskenning van bepaalde (administratieve) verplichtingen en de persoonlijkheidskenmerken die hem op basis daarvan worden toegekend, op de korrel. Het is evenwel niet duidelijk over welke vermeende miskenning van verplichtingen verzoeker het heeft. De bestreden beslissing steunt op het bestaan van een conflictsituatie, waarvan verzoeker niet heeft aangetoond dat het een onjuist motief betreft. 18. Ten slotte betwist verzoeker nog dat het bestaan van een conflict met de buren op zich volstaat om in redelijkheid tot het besluit te komen om de meest verregaande maatregel – de intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben – op te leggen. IX-10.267-15/17 19. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleids- vrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond. 20. Gelet op ernst van de vaststaande feiten waaruit blijkt dat verzoeker met zijn buren en andere personen een gespannen relatie heeft waarbij zich regelmatig incidenten voordoen en waarvoor de politie reeds meermaals is moeten tussenkomen, treedt de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten met het oordeel dat een preventieve maatregel inzake verzoekers wapenbezit noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en dat verzoekers vergunningen en het recht om vuurwapens voorhanden te hebben moeten worden ingetrokken. Verzoeker toont niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen. 21. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.267-16/17 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.267-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.378 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.