id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 Rolnummer: A. 239064/IX-10248 Zaak: Arrest 260379 - Wapens – exportvergunningen - 02/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-08 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-11 03:18 Fiche Arrest nr 260.379 van 2 juli 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 no lien 278002 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.379 van 2 juli 2024 in de zaak A. 239.064/IX-10.248 In zake : F.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 9 mei 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 7 april 2023 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 12 mei
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.248-1/31 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
- Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaat Silke Rogiers, die loco advocaat Joost Van Damme verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is als jager in het bezit van verschillende vuurwapens. 3.
- Op 25 februari 2020 worden verzoekers wapens bestuurlijk in beslag genomen na een melding van zijn ex-partner dat hij zich verbaal en fysiek agressief gedraagt en bedreigingen uit. 3.
- De lokale politie meldt deze feiten aan de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen, die vervolgens een advies vraagt aan de procureur des Konings omtrent het wapenbezit van verzoeker. IX-10.248-2/31 3.
- De procureur des Konings adviseert op 2 juli 2020 dat wordt overgegaan tot intrekking van verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben. Dit advies luidt: “Uit dit proces-verbaal van inlichtingen, uitgevoerd door de pz Wetteren Laarne Wichelen blijkt het volgende: Bij ons weten maakt [verzoeker] geen voorwerp uit van een gerechtelijk en/of opsporingsonderzoek. Bij ons weten voldoet betrokkene aan de vereisten zoals bedoeld in artikel 5 § 4, 1° tot 4°. Betrokkene is bij onze diensten gekend voor volgende feiten die gerelateerd zijn met overmatig alcohol gebruik: [Verzoeker] is op 12-10-2010 veroordeeld door de politierechtbank Dendermonde voor intoxicatie aan het stuur. Hij is op 25-06-2014 veroordeeld door de politierechtbank Oost-Vlaanderen afdeling Gent voor intoxicatie aan het stuur. Op 15-03-2019 is [verzoeker] betrokken bij een geval van verkeersagressie te Wetteren, Oordegemsesteenweg. Hij zit als passagier in zijn voertuig dat bestuurd wordt door [KVK]. Het komt tot een discussie bij een inhaalmaneuver van een ander voertuig. Beide voertuigen komen tot stilstand. [Verzoeker], duidelijk onder invloed van alcohol, stelt zich verbaal en fysiek agressief op ten opzichte van de tegenpartij. Hiervan wordt interventie nr 002276/2019 opgesteld. Op 05-04-2019 wordt [verzoeker] als bestuurder van een voertuig geverbaliseerd voor het dronken besturen van een voertuig. Hiervoor wordt proces verbaal nr DE90.L1.401023/2019 DD 05-04-2019 opgesteld. Bij deze interventie is [verzoeker] zwaar onder invloed van alcohol en stelt zich agressief op ten opzicht van de vaststellers. De vaststellers zien zich daarbij genoodzaakt om hem van zijn vrijheid te beroven. Hiervoor wordt proces verbaal nr DE.41.L1.002178/2019 opgesteld. Op 30-06-2019 wordt [verzoeker] terug geverbaliseerd voor het sturen onder invloed van alcohol. Hiervoor wordt proces verbaal nr DE. 90 L1.402038/2019 opgesteld. Op 22-06-2019 komen de interventieploegen tussen ivm een geval van slagen waarbij [verzoeker] onder invloed van alcohol slagen zou toegebracht hebben aan de genaamde [KVK]. Daar [KVK], die eerst de hulpdiensten verwittigd heeft, enkel vraagt om [verzoeker] uit haar woning te verwijderen, wordt hiervan geen proces verbaal opgesteld. Opstellers maken hiervan wel interventie nr 5188/2019 aan. Op 11-02-2020 komen de interventieploegen terug tussen bij slagen tussen [verzoeker] en [KVK]. Beiden hebben gedronken en [verzoeker] moet de woning verlaten. Ook hier wordt enkel een interventie nr 1249/2020 aangemaakt. Op 24-02-2020 en 25-02-2020 krijgen wij telkens de melding van een ex-vriendin van [verzoeker], de genaamde [IDW] dat [verzoeker] zich zowel verbaal als fysiek agressief opstelt. In deze periode is [verzoeker] nog ingeschreven bij [IDW]. Hij zou de woning verlaten. Hierbij komt het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-3/31 meermaals tot een confrontatie tussen [IDW] en [verzoeker]. Bij een van die confrontaties maakt hij de dreiging dat hij, indien zijn vriendin stappen zou ondernemen die hem financieel zouden raken, hij iedereen gaat uitmoorden. Van deze bedreigingen wordt proces verbaal nr De.4511.001037/2020 opgesteld. Op 04-04-2020 wordt [verzoeker] binnen de politiezone geverbaliseerd voor bedriegelijke verberging. Hiervoor wordt proces verbaal nr DE.2811.001580/20 opgesteld. Voorafgaand zou hij op 04-04-2020 aan zijn vroegere vriendin laten weten hebben dat hij zelfmoord zou plegen. Hiervoor wordt proces verbaal nr DE.31.L1.001657/20 opgesteld. [Verzoeker] heeft op 13-05-2020 een adreswijziging aangevraagd naar […]. Hij wenst ingeschreven te worden bij [KVK]. Het is ons niet gekend of [KVK] zich zou verzetten tegen een aanvraag van wapenbezit. [KVK] is bij onze diensten gekend voor meerdere feiten van prostitutie van in de periode 1997-
- In deze periode is zij ook gekend voor drugs- bezit en verkoop. Het laatste feit waar betrokkene voor gekend is, is een feit van opzettelijke slagen en verwondingen
(2005). Het voorhanden hebben van een vuurwapen moet voorbehouden worden aan personen die geen gevaar doen ontstaan, noch voor zichzelf, noch voor de openbare orde of veiligheid. Dit impliceert dat een particulier die over een wapen beschikt een onberispelijk gedrag moet vertonen. Uit het relaas zoals bovenstaand weerhouden blijkt dat dit allerminst het geval is. Bovendien blijkt dat alcoholmisbruik een constante is bij betrokkene. Dat daarbij ook nog agressief gedrag naar boven komt, blijkt eveneens uit de vaststellingen. Het dossier DE 45.L1.1037/20 is nog in informatie. Tevens werd naar aanleiding van een zelfmoordpoging het dossier DE31L11657/20 aangelegd naar aanleiding van de poging zelfmoord. Op grond van de hierboven vermelde argumenten meent mijn ambt dat [verzoeker] niet voldoet aan de voorwaarden om het recht te hebben vuurwapens voorhanden te hebben. Om deze redenen adviseert mijn ambt om over te gaan tot intrekking van het recht van [verzoeker] om vuurwapens voorhanden te hebben.” 3.
- Na de ontvangst van verzoekers verweerschrift vraagt de gouverneur opnieuw advies aan de procureur des Konings, die op 2 december 2020 andermaal ongunstig adviseert. 3.
- Op 12 mei 2021 trekt de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben in. 3.
- Verzoeker stelt op 25 mei 2021 een beroep in tegen die beslissing. IX-10.248-4/31 3.
- De procureur des Konings meldt op 11 juni 2021 dat verzoeker niet beschikt over een blanco strafregister, maar dat er geen lopende opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken zijn lastens verzoeker. 3.
- Op 22 juni 2021 geeft de lokale politie een ongunstig advies. 3.
- De minister van Justitie verwerpt op 7 april 2023 het beroep van verzoeker. De motivering luidt als volgt: “De wapenwet voorziet een principieel verbod om als particulier vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden te hebben. In afwijking hiervan kan wapenbezit worden toegestaan indien daartoe voorafgaandelijk een vergunning wordt verkregen. Artikel 11 van de wapenwet voorziet immers een principiële voorafgaande vergunningsplicht voor het bezit van vuurwapens. Bij wijze van uitzondering op de algemene voorafgaande vergunningsplicht kunnen houders van een jachtverlof of van een sportschutterslicentie zonder dergelijke voorafgaande vergunning welbepaalde vuurwapens voorhanden houden zoals voorzien in artikel 12 van de wapenwet. Het betreft een uiterst uitzonderlijk gunstregime dat wordt toegestaan aan houders van een jachtverlof of van een sportschutterslicentie omdat zij reeds een controle van hun strafrechtelijke antecedenten dienden te doorlopen. Aangezien het een uitzonderingsregime is, dient het restrictief te worden toegepast. Indien blijkt dat het voorhanden hebben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren, kan de bevoegde gouverneur op grond van artikel 11, § 1, tweede lid en artikel 13, eerste lid van de wapenwet een vergunning – respectievelijk het recht om een wapen voorhanden te hebben – beperken, schorsen of intrekken, na advies te hebben ingewonnen bij de procureur des Konings van het arrondissement waar men zijn verblijfplaats heeft en volgens een procedure bepaald door de Koning. Of er al dan niet gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete elementen. Bovendien moet rekening worden gehouden met het principe van de proportionaliteit; zo moeten de aangehaalde elementen voldoende ernstig zijn om een beperking, schorsing, intrekking of weigering van een vergunning te rechtvaardigen. Uit het administratief dossier blijkt dat zowel de lokale politie als de procureur des Konings ongunstig adviseren wat betreft de intrekking van uw recht tot het voorhanden houden van uw vuurwapens. Uit hun onderzoek concluderen zij dat wapenbezit in uw hoofde potentieel gevaarlijk kan zijn voor de openbare orde en veiligheid. Bij het nemen van haar beslissing dient elke bestuurlijke overheid zich te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zo ook het redelijkheidsbeginsel. Dit betekent dat er geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de motieven en de beslissing welke op grond ervan is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-5/31 genomen. Een beslissing waartoe geen redelijk denkend mens bij een afweging van de betrokken belangen had kunnen geraken, doet immers vermoeden dat de vereiste belangenafweging niet heeft plaatsgehad. In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de mogelijkheid om een vuurwapen voorhanden te kunnen houden anderzijds. Meer bepaald moet overwogen worden of vuurwapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren. De finaliteit van de wapenwet is niet om te bestraffen, doch wel om preventief op te treden teneinde misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van de individuele belangen van de wapenbezitter. De wapenwet heeft immers een principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens, met uitzondering van een gemotiveerde vergunning. De wapenvergunning (of de toelating tot het voorhanden hebben van vuurwapens) is dus de uitzondering. De wapenwet laat de overheid toe om preventieve maatregelen te nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermijden […]. Uit de wetsgeschiedenis van de wapenwet blijkt dat de invalshoek van de wapenwet er onder meer een is ‘van een beperking van de verspreiding van de persoonlijke bewapening via een principe van een verbod op alle vuurwapens behoudens gemotiveerde vergunning’ (Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 51 2263/001, 17). Het voorhanden hebben van een vuurwapen is aldus onderworpen aan een gereglementeerd vergunningenstelsel, waaronder de vereiste dat een vergunning slechts wordt verleend aan een persoon die voldoet aan een wettige reden. Bij de beoordeling daarvan heeft de bevoegde overheid een ruime appreciatiebevoegdheid. Een zelfde houding geldt voor wat betreft de intrekking van de registratie van jachtwapens en eveneens voor het recht om bepaalde vuurwapens, ontworpen voor het sportschieten, voorhanden te hebben als houder van een sportschutterslicentie. Opdat een vergunning of het recht tot het voorhanden hebben van een vuurwapen kan worden ingetrokken, is het niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende […]. Het komt aan de overheid toe om in te schatten voor de toekomst of het voorhanden hebben van een wapen een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid, waarbij rekening kan worden gehouden met iemands algemene moraliteit en persoonlijkheid. De beslissing om het wapenbezit te ontzeggen is geen administratieve sanctie en die maatregel heeft niet tot doel iemand voor een of andere inbreuk te bestraffen. Het gaat om een preventieve maatregel met het oog op de openbare orde en veiligheid. De vraag is of het op grond van de gegevens in het dossier onredelijk zou zijn om te besluiten dat wapenbezit in uw hoofde de openbare orde en veiligheid ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-6/31 zou kunnen verstoren of een gevaar zou kunnen betekenen voor uzelf of voor anderen. Bij deze gevaar-inschatting mag de vergunningverlenende overheid rekening houden met feiten die op zich niks te maken hebben (vuur)wapens maar die desalniettemin aantonen dat de moraliteit van een persoon niet geschikt is om het uitzonderlijke recht te krijgen om vuurwapens te mogen voorhanden houden. Wat van belang is bij dergelijke gevaar-inschatting die overheid moet maken wat betreft het toestaan van vuurwapenbezit – waarbij het nogmaals moet worden benadrukt dat vuurwapenbezit in beginsel verboden is en slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegestaan – is de wijze waarop iemand omgaat met risico’s en onnodig risicovol gedrag vermijdt (of net opzoekt). Hiervoor mag worden teruggegrepen naar het gedrag dat die persoon in het dagelijkse leven stelt. Als immers uit dat gedrag blijkt dat die persoon onvoldoende verantwoordelijkheid aan de dag legt en hierdoor een gevaarlijke situatie voor de maatschappij creëert, dan mag hieruit worden afgeleid dat zulke persoon in bezit zijnde van vuurwapens een verhoogd maatschappelijk risico kan stellen. Uiteraard is zo iemand het vertrouwen van de vergunningverlenende overheid niet waardig en is de kans op ongelukken met of misbruik van toegekend vuurwapenbezit onredelijk groot. Uit het dossier blijkt dat u […] reeds meermaals in aanraking bent geweest met politie en/of justitie, voornamelijk dan in het kader van conflictsituaties waarbij ex-partners klacht tegen u hebben neergelegd wegens onder meer het uiten van bedreigingen. Reeds in 2009 was er sprake van interventies door de lokale politie door moeilijkheden met uw toenmalige partner. In 2019 en nogmaals met een andere partner in 2020 hebben er zich nieuw problemen voorgedaan waarbij de politie is moeten tussenkomen. Dat hiervan in sommige gevallen enkel een interventiefiche is opgesteld, neemt niet weg dat de politie is moeten tussenkomen en dit wel degelijk gebruikt worden om de moeilijkheden met uw (ex-) partners aan te tonen (in tegenstelling tot wat uw advocaat beweert). Het louter feit dat de procureur des Konings aan het […] strafdossier geen gevolg heeft gegeven betekent nog niet dat de feiten als dusdanig niet weerhouden kunnen worden om aan te tonen dat uw gedrag een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Zo is het perfect mogelijk dat de procureur des Konings in het kader van een eventuele strafrechtelijke vervolging het opportuun vindt de zaak zonder gevolg te rangschikken; doch anderzijds oordeelt dat met betrekking tot het voorhanden hebben van een vuurwapen dergelijke feiten wel een probleem vormen. Het is niet steeds duidelijk welke de precieze feitelijkheden zijn aangezien u de ten laste gelegde feiten heeft ontkend of minstens heeft geminimaliseerd. Wel kan worden vastgesteld dat u verzeild geraakt in conflictsituaties met uw (ex-)partners. Het risico dat u in de toekomst opnieuw geconfronteerd wordt met relatieproblemen die leiden tot emotionele reacties kan niet worden uitgesloten. De onmiddellijke aanwezigheid van een vuurwapen kan in dergelijke situaties leiden tot een impulsieve daad met eventueel desastreuze gevolgen, en betekent dan ook een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. IX-10.248-7/31 Daarnaast is er meermaals sprake van ‘onder invloed van alcohol zijn’ waarbij u ook verschillende keren werd geverbaliseerd wegens geïntoxiceerd sturen en in het verleden ook werd voor veroordeeld. Op basis van de elementen aanwezig in het dossier kan worden geconcludeerd dat er voldoende twijfel bestaat omtrent uw algemene moraliteit en persoonlijkheid. Wanneer het echter gaat om het bezit van vuurwapens kan de aanwezigheid van twijfel niet in uw voordeel worden beslecht. De vrijwaring van de openbare orde en veiligheid primeert immers. In casu zijn er voldoende twijfels omtrent uw betrouwbaarheid als wapenbezitter en kan u derhalve niet het vertrouwen worden verleend om – in afwijking op het principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens – een gemotiveerde wapenvergunning toe te staan of om – in afwijking op de principiële voorafgaande vergunningsplicht – u toe te laten gebruik te maken van het uitzonderingsregime dat de wapenwet voorziet voor houders van een jachtverlof of van een sportschutterslicentie (cf. artikel 12 van de wapenwet). Derhalve blijft uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens ingetrokken.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Vooraf
- In de drie middelen voert verzoeker onder meer de schending aan van het redelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel. De vraag of de voornoemde beginselen zijn miskend, is pas aan de orde wanneer vaststaat dat de motieven van de bestreden beslissing in feite en in rechte het oordeel van de verwerende partij verantwoorden dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een gevaar kan inhouden voor de openbare orde, hetgeen verzoeker doorheen de drie middelen betwist met tal van argumenten. Om die reden worden hierna de drie middelen samen behandeld, waarbij eerst verzoekers argumentatie in verband met de formele motivering van de bestreden beslissing wordt onderzocht, vervolgens zijn argumentatie inzake de deugdelijkheid van de motieven en ten slotte zijn argumentatie in verband met het redelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel. IX-10.248-8/31 B. Onderzoek van het eerste, het tweede en het derde middel, samen genomen Uiteenzetting van de middelen 5.
- Het eerste middel is genomen uit de “schending van het redelijkheidsbeginsel, subsidiariteitsbeginsel en proportionaliteitsbeginsel”. Verzoeker vat het middel als volgt samen: “Gegrond op een gebrek aan motivering, op een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, in het bijzonder de artikelen 2 en 3 van voormelde wet, machtsafwending en miskenning van het [redelijkheids]-, het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel; Daar waar de bestreden beslissing als motivering vermeldt: ‘Op basis van de elementen aanwezig in het dossier kan worden geconcludeerd dat er voldoende twijfel bestaat omtrent uw algemene moraliteit en persoonlijkheid. Wanneer het echter gaat om het bezit van vuurwapens kan de aanwezigheid van twijfel niet in uw voordeel worden beslecht. De vrijwaring van de openbare orde en veiligheid primeert immers. In casu zijn er voldoende twijfels omtrent uw betrouwbaarheid als wapenbezitter en kan u derhalve niet het vertrouwen worden verleend om – in afwijking op het principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens – een gemotiveerde wapenvergunning toe te staan of om – in afwijking op de principiële voorafgaande vergunningsplicht – u toe te laten gebruik te maken van het uitzonderingsregime dat de wapenwet voorziet voor houders van een jachtverlof of van een sportschutterslicentie (cf artikel 12 van de wapenwet)’ en uit de tekstredactie van de beslissing blijkt dat zulks een voor de beslissing dragend element is; Terwijl die overweging geen dan wel onvoldoende steun vindt in het dossier, elke bestuurshandeling daarenboven dient te berusten op daa[d]werkelijke, relevante en toelaatbare juridische en feitelijke gronden en dito motiveringen én de wet van 29 juli 1991 oplegt dat die gronden en/of motieven in de beslissing zelf uitdrukkelijk worden vermeld, nu het een administratieve rechtshandeling met individuele strekking betreft; Dat het redelijkheidsbeginsel daarenboven voorschrijft dat de overheid de haar toekomende discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling of het voorhanden hebben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren, binnen de perken van de redelijkheid dient te gebruiken […].” In de toelichting bij het middel stelt verzoeker dat hij gedurende de tijdspanne van ruim twintig jaar waarin hij wapens hanteert nooit de wapenwet, zijn uitvoeringsbesluiten en omzendbrieven heeft geschonden en dat hij geen IX-10.248-9/31 incidenten of ongelukken heeft veroorzaakt of een bedreiging heeft gevormd voor de openbare orde. Uit niets blijkt dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid. In de bestreden beslissing wordt onvoldoende rekening gehouden met zijn persoon. Er wordt ook niet geantwoord op zijn argumentatie dat hij de voorbije twintig jaar nooit een ongeluk heeft veroorzaakt of een gevaar voor de openbare orde heeft opgeleverd. Verzoeker ontkent niet dat er ooit problemen zijn geweest met zijn (ex-)partners, maar volgens verzoeker is er slechts sprake van “een conflictueuze situatie tussen ex-partners en van een aanvaring, zonder wapenvertoon”. In de bestreden beslissing wordt eraan voorbijgegaan dat het in belang van de ex-partner was om de feiten aan te dikken. Volgens verzoeker kan niet eender welk feit worden aangegrepen om te stellen dat de openbare orde en veiligheid in het gedrang kunnen komen en moet er een verband bestaan tussen het bezit van vuurwapens en de feiten waarop het bestuur zich beroept. Verzoeker heeft echter nooit wapens vertoond, laat staan gebruikt. Verzoeker wijst er ook op dat de recentste vermeende feiten dateren van 2020 zonder dat dergelijke feiten zich nadien nog hebben herhaald. Uit geen enkel element blijkt, aldus verzoeker, dat er op heden actuele elementen zijn die een reëel gevaar voor de openbare orde kunnen doen vermoeden. De vermeende feiten dateren van de periode tussen 2009 en
- Zelfs aangenomen dat, zoals de verwerende partij betoogt, deze feiten redelijk zwaarwichtig zijn, komt het aan de verwerende partij toe om op grond van een individueel onderzoek van de feiten aannemelijk te maken dat in de gegeven omstandigheden deze feiten van minstens drie jaar geleden en ouder nog steeds voldoende actueel zijn opdat ze een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde. Verzoeker is van oordeel dat dit niet het geval is. Volgens verzoeker zijn er dan ook onvoldoende motieven om meteen de zwaarste maatregel – de intrekking – te verantwoorden en wordt in de bestreden beslissing niet gemotiveerd waarom de schorsing of de beperking van de vergunning niet kan volstaan. IX-10.248-10/31 5.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van “het redelijkheidsbeginsel en het objectiviteitsbeginsel”. Verzoeker vat het middel als volgt samen: “Gegrond op een gebrek aan motivering, op een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, in het bijzonder de artikelen 2 en 3 van voormelde wet, machtsafwending en miskenning van het redelijksheids-, het subsidiariteits- en proportionaliteits- en het objectiviteitsbeginsel; Daar waar de bestreden beslissing stelt ‘in casu zijn er voldoende twijfels omtrent uw betrouwbaarheid als wapenbezitter en kan u derhalve niet het vertrouwen worden verleend om – in afwijking op het principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens – een gemotiveerde wapenvergunning toe te staan of om – in afwijking op de principiële voorafgaande vergunningsplicht – u toe te laten gebruik te maken van het uitzonderingsregime dat de wapenwet voorziet voor houders van een jachtverlof of van een sportschutterslicentie (cf artikel 12 van de wapenwet)’; Terwijl die vaststelling geen, minstens onvoldoende steun vindt in het dossier en zelfs strijdt met 1) de verklaring van [IDW]; 2) de verklaring van [KD]; en 3) het grondig gevoerde onderzoek en de bevindingen van de door de Politierechtbank te Dendermonde aangestelde deskundige […] dewelke onverenigbaar zijn met de assumptie van alcoholmisbruik, elke bestuurshandeling dient te berusten op daa[d]werkelijke, relevante en toelaatbare juridische en feitelijke gronden en dito motiveringen én de wet van 29 juli 1991 oplegt dat die gronden en/of motieven in de beslissing zelf uitdrukkelijk worden vermeld, nu het een administratieve rechtshandeling met individuele strekking betreft; Zodat de bestreden beslissing aan de feiten een strekking en lezing heeft gegeven die daarmee onverenigbaar is; en terwijl niet twijfel doch wel voldoende zekerheid is vereist om de bestreden beslissing naar recht te verantwoorden. Dat het redelijkheidsbeginsel bovendien voorschrijft dat de overheid de haar toekomende discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling of het voorhanden hebben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren, binnen de perken van de redelijkheid dient te gebruiken […].” In de toelichting bij het middel stelt verzoeker dat op grond van de verklaring van IDW en KD en het onderzoek van de door de politierechtbank van Dendermonde aangestelde deskundige moet worden besloten dat hij over een stabiele persoonlijkheid beschikt. In het advies van de procureur des Konings wordt de inhoud van deze verklaringen niet ontmoet. Uit het advies en het administratief dossier kan niet worden afgeleid of bij de redactie van het advies rekening is gehouden met deze verklaringen en stukken. Op grond van een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-11/31 dergelijk niet-gemotiveerd advies kan geen beslissing tot intrekking worden verantwoord. Verzoeker beweert dat hij in het ongewisse verkeert over de redenen die de procureur des Konings tot zijn advies hebben gebracht, zeker in het licht van de verklaringen ten gunste van verzoeker. In het negatieve advies wordt niet afdoende gemotiveerd waarom verzoekers wapenbezit een gevaar kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid. Hetzelfde geldt voor de bestreden beslissing. Volgens verzoeker kan op grond van de vermeende, doch onbewezen feiten, die overigens nooit aanleiding hebben gegeven tot de uitoefening van de strafvordering, noch tot een intrekking van zijn wapenbezit, bezwaarlijk worden gesteld dat zich inzake zijn algemene moraliteit en persoonlijkheid problemen hebben voorgedaan die een gevaar kunnen inhouden voor de openbare orde en veiligheid. In de bestreden beslissing is er ook sprake van “voldoende twijfel” aangaande het noodzakelijk vertrouwen dat in verzoeker als wapenbezitter moet kunnen worden gesteld. Verzoeker merkt op dat dit geenszins het bewijs, noch voldoende zekerheid inhoudt dat hij de openbare orde zou verstoren. Minstens getuigt dit van onzorgvuldig bestuur aangezien de verwerende partij die twijfel niet nader heeft onderzocht. Twijfel volstaat niet om een definitieve – en meteen de strengste – maatregel te gelasten. Er moet voldoende zekerheid zijn. Vervolgens zet verzoeker in een uitgebreid betoog uiteen dat de bestreden beslissing feitelijke grondslag ontbeert. De aan proces-verbaal DE.43.L1.000164/2009 van 2009 ten grondslag liggende feiten – door verzoeker omschreven als vermeend doch niet bewezen intrafamiliaal geweld binnen een koppel – zijn volgens verzoeker niet relevant voor de beoordeling of zijn wapenbezit een potentieel gevaar voor de openbare orde inhoudt. Hij argumenteert dat de feiten uit 2009 dateren, geheel vreemd zijn aan zijn wapenbezit, destijds niet van aard waren om een intrekking van zijn wapenbezit te overwegen en, omdat ze kennelijk niet zwaarwichtig genoeg geacht werden, zelfs geen aanleiding hebben gegeven tot de uitoefening van de strafvordering. IX-10.248-12/31 De aan proces-verbaal DE.43.L1.001969/2009 ten grondslag liggende feiten worden door verzoeker betwist. Hij stelt daaromtrent dat hij zijn ex-partner KD geen slagen en verwondingen heeft toegebracht en wijst erop dat nooit een medisch attest is bijgebracht om de feiten te staven. Volgens verzoeker blijft het bij beweringen om hem in diskrediet te brengen. De feiten hebben ook geen enkel verband met zijn wapenbezit. Er zijn nooit wapens vertoond, laat staan gebruikt. Verzoeker ontkent niet dat er problemen waren met zijn ex-vriendin, maar stelt dat er geen bewijs is dat de openbare orde is verstoord of dat daartoe gevaar bestond. “Voor zoveel als nodig” laat verzoeker nog gelden dat een woordenwisseling niet kan doen besluiten tot “slecht gedrag” dat gebeurlijk “slecht gebruik” van wapens kan doen veronderstellen. Hij wijst er ook op dat de feiten dateren van 2009 en dat ze nooit aanleiding hebben gegeven tot de uitoefening van de strafvordering of tot een intrekking van het wapenbezit, zodat de verwerende partij niet op die feiten kan steunen. In zoverre de procureur des Konings in zijn negatief advies stelt “dat alcoholmisbruik een constante is bij betrokkene”, merkt verzoeker op dat geen rekening is gehouden met de verklaring van KD. De feiten van intoxicatie die aanleiding hebben gegeven tot veroordelingen door de politierechtbank in 2010 en 2014 zijn volgens verzoeker evenmin relevant voor de beoordeling of zijn wapenbezit een potentieel gevaar voor de openbare orde inhoudt. Hij argumenteert dat het oude feiten betreft, die geheel vreemd zijn aan zijn wapenbezit, niet doen vrezen voor de fysieke integriteit van personen en niet voldoende ernstig zijn. Verzoeker betwist ook de feiten van 15 maart 2019 waarbij hij samengevat stelt dat hij en zijn partner het slachtoffer waren van verkeersagressie. Verzoeker merkt op dat het interventieverslag met betrekking tot die feiten niet aan het dossier is toegevoegd, zodat hij daarover geen standpunt kan innemen, hetgeen zijn recht van verdediging miskent. Aangezien het stuk niet is bijgebracht, moet worden aangenomen dat de bestreden beslissing niet op objectieve gronden steunt. Inzake de feiten van 5 april 2019 en 30 juni 2019 stelt verzoeker dat bij de feiten van 5 april 2019 excessief politiegeweld tegen hem is gebruikt, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-13/31 hetgeen thans ten onrechte wordt uitgelegd als agressie van hem tegen de verbalisanten. Het betreft alleenstaande feiten die het gevolg zijn van een moeilijke periode. Uit het onderzoek van de door de politierechtbank van Dendermonde aangestelde deskundige blijkt dat verzoeker geen alcoholprobleem heeft. Inmiddels heeft het Hof van Cassatie de in graad van beroep gewezen vonnissen vernietigd. Het is dan ook voorbarig om uit die vonnissen conclusies te trekken en in de mate waarin de bestreden beslissing dit wel doet, mist ze feitelijke en juridische grondslag. Verzoeker is van oordeel dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing in die zaken diende te worden afgewacht alvorens een beslissing kon worden genomen over de intrekking zijn wapenbezit. Zo zal immers blijken dat er geenszins sprake is van overmatig alcoholgebruik. Verzoeker heeft geen alcoholprobleem en evenmin betekent hij een gevaar voor de verkeersveiligheid. Wat de feiten van 22 juni 2019 en 11 februari 2020 betreft, stelt verzoeker dat hij zijn partner nooit heeft geslagen. Zij heeft daarvoor nooit klacht neergelegd of een medisch attest ter staving bijgebracht. Van die feiten is ook nooit een proces-verbaal opgesteld, wat wel het geval zou zijn geweest indien zij tot tweemaal toe het slachtoffer zou zijn geweest van slagen. Verzoeker merkt ook op dat het met betrekking tot die feiten opgestelde interventieverslag geen deel uit maakt van het dossier zodat hij daarover geen standpunt kan innemen, hetgeen zijn recht van verdediging miskent. Rond geruchten en valse meldingen kan echter geen dossier worden opgebouwd. Voorts ontkent verzoeker dat hij zich verbaal en fysiek agressief zou hebben opgesteld tegenover zijn ex-partner IDW. Hij wijst er op dat IDW in een verklaring van 22 mei 2020 aan de lokale politie erkent dat zij zich op geen enkel moment bedreigd heeft gevoeld en enkel de politie heeft gebeld om pragmatische redenen, namelijk om verzoeker onmiddellijk het huis te doen verlaten aangezien een procedure voor de rechtbank te lang zou duren. In het advies van de procureur des Konings wordt de inhoud van die verklaring niet ontmoet. Uit het advies en het administratief dossier kan niet worden afleid of bij de redactie van het advies rekening is gehouden met die verklaring, nu de verklaring zelf geen deel uitmaakt van het dossier. Een en ander noopt minstens tot ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-14/31 het inwinnen van een aanvullend advies bij het parket teneinde de procureur des Konings toe te laten alsnog kennis te nemen van deze voor de beoordeling van het dossier essentiële elementen, zonder dewelke geen gedegen beslissing kan worden genomen. Verzoeker ontkent ook dat hij zou hebben gezegd dat hij iedereen gaat uitmoorden. Het is een bewering van zijn ex-partner waarvoor geen enkel bewijs bestaat en waaraan dan ook geen gevolgen kunnen worden verbonden. In de bestreden beslissing wordt geen rekening gehouden met de verklaring van IDW van 22 mei
- Het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn miskend doordat de elementen à décharge niet mee in overweging zijn genomen. Verzoeker ontkent ook dat hij gedreigd heeft met zelfdoding. Hij merkt op dat het proces-verbaal van die feiten niet aan het dossier is toegevoegd zodat hij zich daar niet tegen kan verdedigen. Het recht van verdediging is geschonden doordat de bestreden beslissing mede steunt op een proces-verbaal dat niet in detail is gespecifieerd en waarvan geen kopie is meegedeeld. De bestreden beslissing berust wat dit punt betreft niet op redelijke en objectieve gronden. Wat het proces-verbaal voor bedrieglijke verberging betreft, merkt verzoeker op dat de stukken hiervan pas op 2 juni 2022 aan het dossier zijn toegevoegd. Het blijkt louter te gaan om een tekortkoming aan een administratieve verplichting, namelijk de aangifte van het terugvinden van een verloren rijbewijs. Volgens verzoeker is dit geen relevant feit. Het doet niet vrezen voor de fysieke integriteit van personen en is niet voldoende ernstig om een schorsing, beperking of intrekking van het wapenbezit te rechtvaardigen. De bestreden beslissing mist ook op dit punt juridische grondslag. Wat de feiten betreft waarvoor zijn partner bij de politie is gekend, stelt verzoeker dat deze hem niet bekend waren en dat deze niets zeggen over zijn moraliteit. Verzoeker merkt ook op dat hij geen adreswijziging heeft aangevraagd en dat het initiatief daartoe van zijn partner kwam. Zijn partner verzet zich ook niet tegen zijn wapenbezit en bevestigt dit in een verklaring. IX-10.248-15/31 Ten slotte betwist verzoeker dat hij de veiligheidsvoorschriften bij het opslaan van vuurwapens en munitie niet in acht zou hebben genomen. De vaststelling waaraan wordt gerefereerd, is gebeurd op het ogenblik dat hij terug kwam van de jacht en zijn wapens aan het reinigen was zodat daaruit bezwaarlijk kan worden afgeleid dat hij de veiligheidsvoorschriften zou hebben miskend. 5.
- Het derde middel is genomen uit de schending van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel wegens het in aanmerking nemen van een niet relevant feitelijk element. Verzoeker vat het middel als volgt samen: “Gegrond op een gebrek aan motivering, op een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, in het bijzonder de artikelen 2 en 3 van voormelde wet, machtsafwending en miskenning van het [redelijkheids]-, het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel. Daar waar de bestreden beslissing als dragend onderdeel van de motivering een verkeersovertreding weerhoudt die geen enkel verband houdt met de aan de in het kader van het georganiseerd beroep aan verweerster ter beoordeling voorgelegde feiten: ‘Daarnaast is er meermaals sprake van ‘onder invloed van alcohol zijn’ waarbij u ook verschillende keren werd geverbaliseerd wegens geïntoxiceerd sturen en in het verleden ook werd voor veroordeeld’. Terwijl elke bestuurshandeling dient te berusten op daa[d]werkelijke, relevante en toelaatbare juridische en feitelijke gronden en dito motiveringen én de wet van 29 juli 1991 oplegt dat die gronden en/of motieven in de beslissing zelf uitdrukkelijk worden vermeld, nu het een administratieve rechtshandeling met individuele strekking betreft én uit de door verzoeker bijgebrachte stukken (o.a. het verslag van [een deskundige]) ten genoege van rechte blijkt dat er actueel geen contra-indicatie is inzake alcoholgebruik. Dat het redelijkheidsbeginsel daarenboven voorschrijft dat de overheid de haar toekomende discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling of het voorhanden hebben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren, binnen de perken van de redelijkheid dient te gebruiken […]”. In de toelichting bij het middel stelt verzoeker dat de feiten van intoxicatie die aanleiding hebben gegeven tot veroordelingen door de politierechtbank in 2010 en 2014 niet relevant zijn voor de beoordeling of zijn wapenbezit een gevaar kan inhouden voor de openbare orde. Het betreft oude feiten, die niet doen vrezen voor de fysieke integriteit van personen en niet voldoende ernstig zijn. Aan de hand van het verslag van een deskundige bewijst ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-16/31 verzoeker dat er geen sprake is van problematisch alcoholgebruik. Tot slot vermeldt verzoeker nog dat de in graad van beroep gewezen vonnissen met betrekking tot de feiten van 5 april 2019 en 30 juni 2019 door het Hof van Cassatie zijn vernietigd. 6.
- In de memorie van wederantwoord zet verzoeker bij het eerste middel uiteen wat onder de materiëlemotiveringsplicht moet worden verstaan. Voorts betoogt hij dat niettegenstaande hij “de betrouwbaarheid, rechtsgeldigheid en de bewijslast van het tegen hem aangevoerde bewijs van de (recente) feiten heeft betwist”, uit de bestreden beslissing niet blijkt dat deze argumentatie bij de besluitvorming is betrokken en evenmin kan worden afgeleid waarom deze argumentatie niet is aanvaard. Daarentegen wordt impliciet maar zeker zonder meer aangenomen dat de gedane vaststellingen bewijskrachtig zijn. 6.
- Inzake het tweede middel ontkent verzoeker de stelling van de verwerende partij dat het niet om een eenmalig feit gaat, maar om een persoonlijkheidsstructuur die zich door de jaren heen heeft vertaald in alcoholmisbruik gekoppeld aan agressief gedrag. Hij betwist dat zijn moraliteit ernstig te wensen overlaat en stelt dat er geen indicaties zijn die deze these schragen. Uit de door de verwerende partij aangehaalde elementen is volgens verzoeker geenszins af te leiden dat er met betrekking tot zijn moraliteit en persoonlijkheid ernstige problemen bestaan die hem vuurwapengevaarlijk maken. Hij ontkent ook dat de genomen maatregel in de bestreden beslissing op omstandige wijze wordt gemotiveerd. Dienaangaande stelt hij dat zijn argumentatie en de feiten door de verwerende partij niet op voldoende omstandige wijze zijn onderzocht. Volgens verzoeker blijkt uit geen enkel element van het dossier dat er op heden actuele elementen zijn die een gevaar voor de openbare orde kunnen doen vermoeden. De bestreden beslissing steunt niet op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld. Verzoeker verwijst in dat verband naar zijn onafgebroken regulier wapenbezit van ruim twintig jaar en stelt dat geen enkel element daadwerkelijk aantoont hoe zijn wapenbezit de openbare orde zou kunnen verstoren. De IX-10.248-17/31 bestreden beslissing verantwoordt derhalve niet naar recht waarom de beslissing van de gouverneur wordt gehandhaafd. 7.
- In zijn laatste memorie voert verzoeker onder het eerste middel nu ook de schending aan van het motiveringsbeginsel. Voorts stelt hij dat de feiten die aan de vonnissen van 4 april 2022 van de correctionele rechtbank van Dendermonde ten grondslag liggen dateren van april
- Wat de conflictsituaties met ex-partners betreft, merkt verzoeker op dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de precieze feiten onduidelijk zijn. De feiten van 2009 inzake opzettelijke slagen en verwondingen aan zijn partner zijn volgens verzoeker alvast niet voldoende actueel. Daarenboven is hij voor die feiten ook nooit vervolgd of veroordeeld. Hoewel de precieze feiten onduidelijk zijn, wordt de bestreden beslissing toch deels daarop gesteund. Verzoeker wijst er daarbij op dat hij bij een conflictsituatie nooit naar zijn wapen heeft gegrepen. Andere ex-partners hebben verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat hij beschikt over een stabiele persoonlijkheid. In het advies van de procureur des Konings wordt de inhoud van deze verklaringen niet ontmoet. Ook het verslag van de deskundige blijft onbesproken. Uit het advies en het administratief dossier kan niet worden afgeleid of er bij de redactie van het advies rekening is gehouden met deze verklaringen en stukken. Op grond van een dergelijk niet-gemotiveerd advies kan geen beslissing tot intrekking worden verantwoord. 7.
- Inzake het tweede middel benadrukt verzoeker dat de verklaringen die in zijn voordeel zijn afgelegd afkomstig zijn van zijn ex-partners lastens wie het vermeend agressief gedrag zou zijn gepleegd. Wat de door hem afgelegde verklaringen inzake de feiten uit 2009 betreft waarin hij erkent dat hij de bril van zijn ex-partner heeft vernield en twee kopstoten heeft gegeven, stelt verzoeker dat deze verklaringen zonder bijstand zijn afgelegd en derhalve niet in aanmerking kunnen worden genomen als bewijskrachtig. Hij blijft de feiten betwisten en merkt op dat de feiten van 2009 dateren en derhalve niet relevant en actueel zijn voor de beoordeling of zijn wapenbezit een gevaar kan opleveren voor de openbare orde en veiligheid. IX-10.248-18/31 Voorts stelt verzoeker dat in zoverre de recente veroordelingen wegens alcoholintoxicatie en dronkenschap achter het stuur de dragende motieven van de bestreden beslissing zouden zijn, dit geenszins kan volstaan om zijn recht op wapenbezit in te trekken. Hij levert immers het bewijs, aan de hand van een verslag van een deskundige, dat er geen sprake is van problematisch alcoholgebruik. Bij de concrete afweging van de relevante feiten blijkt niet dat de verwerende partij deze gegevens mee in rekening heeft gebracht bij haar onderzoek. De algemene en hypothetische opmerking dat hij een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou kunnen betekenen, zonder hierbij rekening te houden met de stukken die bewijzen dat er actueel hoogstens sprake is van matig alcoholgebruik, kan in casu niet volstaan om de beslissing te motiveren. De verwerende partij heeft dan ook het redelijkheidsbeginsel miskend. 7.
- Met betrekking tot het derde middel benadrukt verzoeker dat de feiten inzake alcoholintoxicatie volkomen vreemd zijn aan zijn wapenbezit. Hoewel de verwerende partij stelt dat zij in beginsel bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren rekening mag houden met feiten en gedragingen die niets te maken hebben met het wapenbezit, mag zij niettemin zonder nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, niet uit het louter gegeven dat iemand dergelijke feiten en gedragingen zou hebben gepleegd, besluiten dat wapenbezit een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Door dit wel te doen en uit het enkele gegeven dat verzoeker deze aan het wapenbezit vreemde inbreuken op de verkeerswetgeving heeft gepleegd, te besluiten dat hij getuigt van een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid en dat daarom twijfel bestaat omtrent zijn algemene moraliteit en persoonlijkheid alsook omtrent zijn alcoholgebruik zodat zijn wapenbezit een gevaar kan vormen voor de openbare orde, gaat de verwerende partij de grenzen te buiten van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid. Het is niet voldoende om hypothetische scenario’s te suggereren zonder dat daarvoor afdoende bewijs bestaat. Verzoekers verleden geeft geen aanleiding tot bezorgdheid over zijn geschiktheid om een wapen te bezitten. De vroegere veroordelingen betreffen alleenstaande feiten wegens inbreuken op de verkeerswetgeving en doen geen afbreuk aan zijn voor het overige ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-19/31 voorbeeldig gedrag. Ook de feiten die aan het vonnis van de correctionele rechtbank van 4 april 2022 ten grondslag liggen, ontberen de vereiste actualiteit. In de bestreden beslissing wordt uit feiten die dateren van om en bij tien jaar geleden afgeleid dat twijfel kan bestaan omtrent zijn moraliteit en persoonlijkheid bij alcoholgebruik, zodat zijn wapenbezit een gevaar kan vormen voor de openbare orde. Een actueel en objectief document, namelijk het verslag van een deskundige, waaruit blijkt dat slechts sprake is van een matig alcoholgebruik, wordt bij de beoordeling van het potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid door de verwerende partij buiten beschouwing gelaten, niettegenstaande relevant. Volgens verzoeker zijn er dan ook onvoldoende redenen om de zwaarste preventiemaatregel te verantwoorden en is de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid te buiten gegaan. Beoordeling a. Ontvankelijkheid van de middelen
- Verzoeker voert in de drie middelen de schending aan van het “subsidiariteitsbeginsel”. Hij verzuimt echter toe te lichten op welke wijze, naar zijn oordeel, de bestreden beslissing is genomen met miskenning van dat beweerde beginsel. De drie middelen zijn dan ook onontvankelijk in de mate dat de schending van het “subsidiariteitsbeginsel” wordt aangevoerd.
- Voorts maakt verzoeker in de drie middelen ook gewag van machtsafwending. Hij verduidelijkt evenwel op geen enkele wijze waarom hij van mening is dat de verwerende partij met de bestreden beslissing onrechtmatige doeleinden zou hebben nagestreefd en het ongeoorloofde kenmerk bovendien het enige doel van de bestreden beslissing zou zijn. De drie middelen zijn in die mate eveneens onontvankelijk.
- In zijn middelen formuleert verzoeker ook herhaaldelijk kritiek op het advies van de procureur des Konings. Die kritiek kan op zich evenwel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. De middelen zijn dan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-20/31 ook evenmin ontvankelijk in zoverre ze kritiek bevatten op het advies van de procureur des Konings.
- Het tweede middel bevat geen toelichting met betrekking tot de aangevoerde schending van het objectiviteitsbeginsel. In zoverre de schending van dat beginsel wordt aangevoerd, is het tweede middel onontvankelijk.
- In de mate dat verzoeker in het tweede middel herhaaldelijk aanstipt dat het recht van verdediging is geschonden, moet worden opgemerkt dat het recht van verdediging, behoudens andersluidend voorschrift, alleen van toepassing is in straf- en tuchtzaken. Aangezien het in casu niet gaat om een straf- of tuchtzaak en geen wettelijke of reglementaire bepaling het recht van verdediging uitbreidt tot beslissingen zoals de thans voorliggende bestreden beslissing, is het recht van verdediging als zodanig niet van toepassing. Ook in die mate is het tweede middel onontvankelijk. b. Gegrondheid van de middelen
- De door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (formelemotiveringswet) voorgeschreven formelemotiveringsplicht moet verzoeker toelaten de concrete redenen te achterhalen die de verwerende partij tot haar beslissing hebben geleid. De verwerende partij moet daarbij niet op elk argument van verzoeker antwoorden en dit weerleggen. Het volstaat dat verzoeker in de bestreden beslissing de redenen vindt die de verwerende partij ertoe brengen hem het vuurwapenbezit te ontzeggen.
- Te dezen kan worden vastgesteld dat de verwerende partij heeft voldaan aan de op haar rustende formelemotiveringsplicht. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt immers om welke redenen verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben blijft ingetrokken en wat het determinerend motief van de verwerende partij daarvoor is. IX-10.248-21/31 De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing: “Het is niet steeds duidelijk welke de precieze feitelijkheden zijn aangezien u de ten laste gelegde feiten heeft ontkend of minstens heeft geminimaliseerd. Wel kan worden vastgesteld dat u verzeild geraakt in conflictsituaties met uw (ex-)partners. Het risico dat u in de toekomst opnieuw geconfronteerd wordt met relatieproblemen die leiden tot emotionele reacties kan niet worden uitgesloten. De onmiddellijke aanwezigheid van een vuurwapen kan in dergelijke situaties leiden tot een impulsieve daad met eventueel desastreuze gevolgen, en betekent dan ook een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Daarnaast is er meermaals sprake van ‘onder invloed van alcohol zijn’ waarbij u ook verschillende keren werd geverbaliseerd wegens geïntoxiceerd sturen en in het verleden ook werd voor veroordeeld.” Uit die overwegingen blijkt, impliciet maar zeker, dat het feit dat verzoeker verzeild is geraakt in conflictsituaties met zijn (ex-)partners – waaromtrent de verwerende partij stelt dat het risico dat hij in de toekomst opnieuw geconfronteerd wordt met relatieproblemen die leiden tot emotionele reacties niet kan worden uitgesloten en dat de onmiddellijke aanwezigheid van een vuurwapen in dergelijke situaties kan leiden tot een impulsieve daad met eventueel desastreuze gevolgen – voor de minister van Justitie een voldoende en dus determinerend motief is om de bestreden beslissing te schragen, aangezien hij over dit gegeven op zich stelt dat het een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid betekent.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat, anders dan verzoeker beweert, de verwerende partij wel degelijk kennis heeft genomen van zijn argumentatie uit zijn beroepschrift – ze wordt samengevat onder rubriek 4.2 ‘Onderzoek van het dossier’ – en deze heeft onderzocht – in rubriek 4.5 ‘Evaluatie’. De verwerende partij is evenwel van oordeel dat die argumentatie niet van aard is om afbreuk te doen aan haar conclusie dat verzoekers recht op wapenbezit de openbare orde kan verstoren en dat daarom zijn wapenbezit moet worden ingetrokken. Zij heeft haar redenen daarvoor uiteengezet, waaruit verzoeker kan afleiden om welke redenen zijn argumentatie niet is aanvaard. Zoals gezegd, vereist de formelemotiveringsplicht niet dat de verwerende partij op elk argument van verzoeker afzonderlijk antwoordt en dat weerlegt. Verzoekers IX-10.248-22/31 argument dat hij de voorbije twintig jaar nooit een ongeluk heeft veroorzaakt of een gevaar voor de openbare orde heeft opgeleverd, wordt alvast afdoende beantwoord met de uiteenzetting van de motieven die verwerende partij tot haar beslissing hebben gebracht.
- Ten slotte reikt de formelemotiveringsplicht niet zover dat de verwerende partij in de bestreden beslissing zou moeten motiveren waarom de schorsing of de beperking van verzoekers wapenbezit niet kan volstaan.
- Verzoeker voert in de middelen tal van argumenten aan waaruit moet blijken dat de motieven van de bestreden beslissing niet in feite en in rechte het oordeel van de verwerende partij verantwoorden dat zijn vuurwapenbezit een gevaar kan inhouden voor de openbare orde. Die argumentatie houdt geen verband met de formele- maar met de materiëlemotiveringsplicht. De middelen worden hierna vanuit dat oogpunt onderzocht, maar enkel voor wat betreft het determinerend motief van de bestreden beslissing, namelijk dat verzoeker verzeild is geraakt in conflictsituaties met zijn (ex-)partners. Indien het determinerend motief van de bestreden beslissing overeind blijft, staat het immers vast dat de bestreden beslissing een deugdelijke motivering heeft. Tot de determinerende motieven behoort niet de korte vermelding in de bestreden beslissing dat meermaals is vastgesteld dat verzoeker onder invloed is van alcohol (“Daarnaast is er meermaals sprake van ‘onder invloed van alcohol zijn’ waarbij u ook verschillende keren werd geverbaliseerd wegens geïntoxiceerd sturen en [er] in het verleden ook werd voor veroordeeld”). Dit vormt niet meer dan een aanvullend, maar overtollig motief. Verzoekers kritiek op dat motief kan niet tot een vernietiging van de bestreden beslissing leiden. Daarnaast kan worden vastgesteld dat de bestreden beslissing niet steunt op feiten van verkeersagressie op 15 maart 2019, de (vermeende) agressie van verzoeker tegen verbalisanten, bedreigingen door verzoeker, de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-23/31 dreiging met zelfdoding, de bedrieglijke verberging, de feiten waarvoor zijn partner bij de politie is gekend en het niet naleven van de veiligheidsvoorschriften bij het opslaan van vuurwapens en munitie. Aangezien dit geen motieven zijn van de bestreden beslissing, kan verzoekers kritiek met betrekking tot die feiten evenmin tot nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- Wat het bestaan van de conflictsituaties tussen verzoeker en zijn (ex-)partners betreft, gaat het niet op om – zoals verzoeker dat doet – specifieke feiten te betwisten waarbij hij stelt dat hij zich op dat moment niet agressief heeft gedragen tegenover zijn (ex-)partners, dat het feit niet ernstig is aangezien hij er nooit voor is vervolgd en veroordeeld en dat het feit niet eerder aanleiding heeft gegeven tot een intrekking van zijn wapenbezit. De bestreden beslissing steunt immers niet op welbepaalde concrete feiten waarbij verzoeker zich agressief zou hebben gedragen tegenover zijn (ex-)partners. Het is uit het geheel van interventies die de politie heeft uitgevoerd bij verzoeker en zijn (ex-)partners dat de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-24/31 verwerende partij in het algemeen concludeert dat verzoeker verzeild is geraakt in conflictsituaties met zijn (ex-)partners. In de bestreden beslissing wordt het als volgt verwoord: “Uit het dossier blijkt dat u […] reeds meermaals in aanraking bent geweest met politie en/of justitie, voornamelijk dan in het kader van conflictsituaties waarbij ex-partners klacht tegen u hebben neergelegd wegens onder meer het uiten van bedreigingen. Reeds in 2009 was er sprake van interventies door de lokale politie door moeilijkheden met uw toenmalige partner. In 2019 en nogmaals met een andere partner in 2020 hebben er zich nieuw problemen voorgedaan waarbij de politie is moeten tussenkomen. […] Het is niet steeds duidelijk welke de precieze feitelijkheden zijn aangezien u de ten laste gelegde feiten heeft ontkend of minstens heeft geminimaliseerd. Wel kan worden vastgesteld dat u verzeild geraakt in conflictsituaties met uw (ex-)partners.” Er kan worden vastgesteld dat het bestaan van die politie-interventies en van de daaruit door de verwerende partij afgeleide conflictsituaties tussen verzoeker en zijn (ex-)partners door geen enkel element van het dossier wordt tegengesproken. Verzoeker zelf heeft het bestaan van de politie-interventies en van de conflictsituaties met zijn (ex-)partners in de loop van de procedure ook op geen enkele wijze ontkend. Verzoeker geeft integendeel dit gegeven net toe. Zo erkent verzoeker in zijn verzoekschrift dat de politie verschillende keren is tussengekomen bij hem en zijn ex-partners en hij stelt daarover dat er sprake was “van een conflictueuze situatie tussen ex-partners en van een aanvaring, zonder wapenvertoon”. In die omstandigheden mocht de verwerende partij dan ook aannemen dat verzoeker verzeild is geraakt in conflictsituaties met zijn (ex-) partners. De omstandigheid dat elk van die politietussenkomsten op zich geen aanleiding heeft gegeven tot vervolging en niet eerder heeft geleid tot een intrekking van verzoekers wapenbezit, staat er niet aan in de weg dat de verwerende partij uit het geheel van politie-interventies mocht afleiden dat verzoeker verzeild is geraakt in conflictsituaties met zijn (ex-)partners en dat hem om die reden het wapenbezit moet worden ontzegd. IX-10.248-25/31
- Verzoeker wijst op verklaringen van zijn ex-partners waaruit zou moeten blijken dat hij over een stabiele persoonlijkheid beschikt. Die verklaringen doen echter geen afbreuk aan het feit dat de verwerende partij mocht aannemen dat verzoeker verzeild is geraakt in conflictsituaties met zijn (ex-)partners. Zoals gezegd, geeft verzoeker het bestaan van die conflictsituaties ook zelf toe.
- Voorts voert verzoeker aan dat de feiten – met betrekking tot de conflictsituaties met zijn (ex-)partners heeft hij het dan in hoofdzaak over de feiten uit 2009 – niet voldoende actueel zijn. Die stelling kan niet worden bijgevallen. De verwerende partij mag immers rekening houden met minder recente feiten ten laste van verzoeker, wanneer zij ook steunt op recente feiten die erop wijzen dat het voorhanden hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren. Uit die recente feiten kan immers blijken dat aan de minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd. Er kan bezwaarlijk worden ontkend dat er dergelijke recente feite voorhanden zijn. Uit het dossier blijkt immers dat de politie in 2019 en 2020 herhaaldelijk is moeten tussenkomen bij verzoeker en zijn (ex-) partners – hetgeen verzoeker ook erkent – waaruit de verwerende partij dan afleidt dat verzoeker verzeild is geraakt in conflictsituaties met zijn (ex-)partners. Die recente politietussenkomsten maken dat ook de minder recente politie-interventies uit 2009 mogen worden betrokken bij de beoordeling van het risico dat verzoekers wapenbezit inhoudt voor de openbare orde. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, maakt de verwerende partij in de bestreden beslissing bovendien wel degelijk aannemelijk dat de feiten nog steeds voldoende actueel zijn opdat ze een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde. De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing immers dat “[h]et risico dat [verzoeker] in de toekomst opnieuw geconfronteerd wordt met relatieproblemen die leiden tot emotionele reacties […] niet [kan] worden uitgesloten”. Hiermee maakt de verwerende partij duidelijk waarom zij van oordeel is dat de feiten thans nog steeds voldoende actueel zijn. IX-10.248-26/31
- Verzoeker voert ook aan dat conflictsituaties met zijn (ex)partners geen enkel verband hebben met zijn vuurwapenbezit. Hij heeft immers nooit wapens vertoond, laat staan gebruikt. Daarmee gaat verzoeker eraan voorbij dat bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit kan opleveren voor de openbare orde en veiligheid, de verwerende partij rekening mag houden met feiten en gedragingen die niet rechtstreeks te maken hebben met wapenbezit, op voorwaarde dat deze feiten en gedragingen genoegzaam vaststaan en de beslissing om het wapenbezit te ontzeggen naar recht kunnen verantwoorden. De verwerende partij mag daarbij evenwel niet zonder nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, uit het louter gegeven dat verzoeker dergelijke feiten en gedragingen heeft gepleegd, besluiten dat verzoekers wapenbezit een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Uit de bestreden beslissing blijkt dat het feit dat verzoeker verzeild is geraakt in conflictsituaties met zijn (ex-)partners op zichzelf niet tot de conclusie leidt dat het voorhanden hebben van vuurwapens in hoofde van verzoeker een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Deze conclusie wordt verbonden aan de moraliteit en persoonlijkheid van verzoeker en meer bepaald de wijze waarop hij omgaat met risico’s en onnodig risicovol gedrag vermijdt of net opzoekt. Als uit het gedrag van iemand in het dagelijkse leven blijkt dat hij onvoldoende verantwoordelijkheid aan de dag legt en hierdoor een gevaarlijke situatie voor de maatschappij creëert, kan daaruit in redelijkheid worden afgeleid dat een dergelijke persoon in het bezit van vuurwapens een verhoogd maatschappelijk risico kan stellen. De kans op ongelukken met of misbruiken van vuurwapenbezit is dan onredelijk groot.
- Verzoeker voert aan dat er in de bestreden beslissing slechts sprake is van “voldoende twijfel” aangaande het noodzakelijk vertrouwen dat in hem als wapenbezitter moet kunnen worden gesteld, hetgeen niet het bewijs, noch voldoende zekerheid inhoudt dat hij de openbare orde zou verstoren. IX-10.248-27/31 De finaliteit van de wapenwet bestaat er echter niet in om te bestraffen, maar om preventief op te treden om misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Er is niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van vuurwapens de openbare orde kán verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende.
- Het niet-betwiste bestaan van conflictsituaties tussen verzoeker en zijn (ex-)partners laat de verwerende partij toe om binnen de perken van de redelijkheid tot het oordeel te komen dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt. De verwerende partij overweegt in dat verband immers terecht dat het risico dat verzoeker in de toekomst opnieuw geconfronteerd wordt met relatieproblemen die leiden tot emotionele reacties niet kan worden uitgesloten en dat de onmiddellijke aanwezigheid van een vuurwapen in dergelijke situaties kan leiden tot een impulsieve daad met eventueel desastreuze gevolgen.
- Verzoeker voert nog aan dat uit geen enkel element van het dossier blijkt dat er op heden actuele elementen zijn die een reëel gevaar voor de openbare orde kunnen doen vermoeden. Met deze argumentatie geeft verzoeker weliswaar blijk van een andere feitelijke beoordeling van de zaak dan de minister van Justitie, maar verzoeker maakt hiermee niet aannemelijk dat de minister in verband met het bestaan van conflictsituaties met zijn (ex-)partners en de kwalificatie ervan als een mogelijk gevaar voor de openbare orde, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan.
- Ten slotte voert verzoeker de schending van het redelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel aan doordat hem meteen de zwaarste maatregel – de intrekking van zijn wapenbezit – wordt opgelegd.
- Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur – of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is – veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-28/31 beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of proportionaliteitsbeginsel miskent.
- Gelet op ernst van de vaststaande feiten waaruit blijkt dat verzoeker verzeild is geraakt in conflictsituaties met zijn (ex-)partners waarvoor de politie reeds meermaals is moeten tussenkomen, treedt de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten met het oordeel dat een preventieve maatregel inzake verzoekers wapenbezit noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en dat verzoekers vergunningen en het recht om vuurwapens voorhanden te hebben moeten worden ingetrokken. Verzoeker toont niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen.
- De drie middelen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond. V. Verzoek toepassing artikel 36, § 1, RvS-Wet Verzoek van de verzoekende partij
- Verzoeker vraagt om met toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de verwerende partij te bevelen “een nieuwe beslissing, i.e. een beslissing bestemd om de vernietigde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 IX-10.248-29/31 beslissing te vervangen, te nemen binnen een termijn van één maand na het tussen te komen arrest”. Hij zet daarbij uiteen dat hij het recht om vuurwapens voorhanden te hebben spoedig opnieuw wil verkrijgen om zijn jachtactiviteiten te kunnen hernemen. Het recht om vuurwapens voorhanden te hebben, is hem sedert mei 2021 ontnomen terwijl daar geen redelijke verantwoording voor bestaat. Volgens verzoeker past het dan ook de verwerende partij op te leggen om op korte termijn een nieuwe beslissing te nemen teneinde het nadeel dat hij door het uitblijven van een nieuwe beslissing verder zou lijden – daarin inbegrepen het niet kunnen verkrijgen van een jachtverlof – zoveel mogelijk te beperken. Beoordeling
- Dit arrest houdt niet in dat de verwerende partij een nieuwe beslissing moet nemen, zodat reeds om die reden niet is voldaan aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.248-30/31 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.248-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.379 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div