← België

Arrest 260380 - ION - Aanwerving en loopbaan - 02/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.380 Rolnummer: Zaak: Arrest 260380 - ION - Aanwerving en loopbaan - 02/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-09 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-06-18 19:08 Fiche Arrest nr 260.380 van 2 juli 2024 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.380 van 2 juli 2024 in de zaken A. 230.555/IX-9697 (I) A. 237.927/IX-10.189 (II) In zake: I. + II. B.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I. + II. 1. SCIENSANO 2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door: a. de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid b. de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep in de zaak A.230.555, ingesteld op 20 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van (

  1. i)de beslissing van de raad van bestuur van Sciensano van 8 juli 2019, waarbij CL wordt aangesteld, vanaf 1 januari 2020, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar voor de uitoefening van de functie van algemeen directeur van Sciensano en (
  2. ii)van de ministeriële beslissingen van de ministers van Volksgezondheid en Landbouw respectievelijk van 12 en 18 december 2019, tot goedkeuring van deze aanstelling. IX-9697-10.189-1/44 Aansluitend vordert de verzoekende partij op 21 november 2022 in deze zaak een schadevergoeding tot herstel. Het beroep in de zaak A. 237.927, ingesteld op 15 december 2022, strekt tot de nietigverklaring van (
  3. i)de beslissing van de raad van bestuur van Sciensano van 28 september 2022 houdende de intrekking van de voormelde beslissing van 8 juli 2019, (
  4. ii)de beslissing van de raad van bestuur van Sciensano van 28 september 2022, waarbij CL wordt aangesteld, vanaf 1 januari 2020, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar voor de uitoefening van de functie van algemeen directeur van Sciensano en (iii) van de ministeriële beslissingen van de ministers van Volksgezondheid en Landbouw respectievelijk van 5 en 12 oktober 2022, tot goedkeuring van de aanstellingsbeslissing. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 255.318 van 20 december 2022 is in de zaak A. 230.555 het debat heropend en is aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Bij arrest nr. 173/2023 van 14 december 2023 heeft het Grondwettelijk Hof deze vraag beantwoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. In de zaak A. 237.927 hebben de verwerende partijen een memorie van antwoord ingediend en heeft de verzoekende partij een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9697-10.189-2/44 Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn in de beide zaken opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni 2024. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Casper François, die loco advocaat Thomas Eyskens verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofya Buelens, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft in de beide zaken een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Sciensano is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij wet van 25 februari 2018 (“Wet Oprichting Sciensano”). De organen van Sciensano zijn de algemene raad, de raad van bestuur, de wetenschappelijke raad, de algemeen directeur, de directieraad en de jury (artikel 5 Wet Oprichting Sciensano). IX-9697-10.189-3/44 Artikel 14, § 5, van de wet luidt: “De algemeen directeur wordt aangesteld door de raad van bestuur, overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels vastgelegd door de raad van bestuur. Zijn aanstelling gaat slechts in na goedkeuring door de bevoegde minister. De raad van bestuur staat in voor de bekendmaking van de aanstelling van de algemeen directeur in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. De Koning legt de duur van de aanstelling van de algemeen directeur vast en regelt de wijze waarop de algemeen directeur wordt vervangen in geval van afwezigheid of verhindering.” 3.2. Op 15 juni 2018 beslist de raad van bestuur over de functiebeschrijving, de aanvraag tot functieweging en de procedure voor selectie en aanwijzing van de algemeen directeur. Op 15 januari 2019 keurt de raad van bestuur het document ‘Procedure voor de selectie en aanduiding van de algemeen directeur van Sciensano (na de transitieperiode)’ goed (“het selectiereglement”). De organisatie van de selectie wordt toevertrouwd aan een externe partner. De externe partner staat in voor de screening van de CV’s van de kandidaten. Na de screening volgt een assessment center en een interview, waarover het voormelde selectiereglement het volgende leert: “2.2.4. ASSESSMENT CENTER De kandidaten worden beoordeeld op de competenties die werden gekozen in samenspraak met de selectiecommissie en op basis van de functieomschrijving. Dit door middel van verschillende assessment oefeningen waaronder persoonlijkheidstesten en interactieve oefeningen. Het assessment center is erop gericht om de sterktes en de zwaktes van de kandidaat i.f.v. het functieprofiel in kaart te brengen, alsook de werkpunten. Dit onderdeel resulteert in een beschrijvend rapport waarin alle competenties die in dit onderdeel worden getest, uitgebreid worden beschreven. Het assessment resulteert in een advies ‘geschikt’ of ‘niet geschikt’. Het assessment is eliminerend en enkel de geschikt bevonden kandidaten worden weerhouden [lees: in aanmerking genomen] voor de volgende fase. IX-9697-10.189-4/44 2.2.5. DE RESULTATEN VAN HET ASSESSMENT De kandidaten worden ingelicht door de externe partner over hun indeling in de groep ‘geschikt’ of ‘niet geschikt’. Enkel de geschikt bevonden kandidaten worden weerhouden voor de volgende fase. De externe partner deelt het resultaat van deze procedure mee aan de Raad van Bestuur van Sciensano. 2.2.6. MONDELINGE PROEF Met de kandidaten van groep ‘geschikt’ wordt een aanvullend mondelinge proef georganiseerd door de selectiecommissie met de bedoeling hen te vergelijken wat betreft hun specifieke competenties, hun relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel. Aan de hand van de aanpak van een ter plaatse voor te bereiden case en een aansluitend interview beoordeelt de selectiecommissie de kandidaten op bovenvermelde competenties. Op basis hiervan wordt door de selectiecommissie een oordeel ‘geschikt’ of ‘niet geschikt’ geformuleerd, en worden de kandidaten gerangschikt. In geval van uitputting van groep ‘geschikten’, wordt de procedure niet herhaald voor de groep ‘niet geschikten’. 2.2.7. BESLISSING […] Na afloop van [de] aanvullend mondelinge proef formuleert de selectiecommissie een gemotiveerd advies omtrent elke kandidaat – conform het taalkader. Deze adviezen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Raad van Bestuur. Daarna wordt een gemotiveerd voorstel gemaakt door de RvB aan de bevoegde Minister voor wat betreft de invulling van deze functie.” De samenstelling van de voor alle kandidaten identieke selectiecommissie wordt in het selectiereglement als volgt bepaald: “de selectiecommissie wordt paritair samengesteld uit Franstalige en Nederlandstalige assessoren, inclusief een aantal leden van de Raad van Bestuur en één of meerdere experts met kennis en ervaring in management, human resources management, en/of de materie eigen aan de te begeven [betrekking].” 3.3. In het Belgisch Staatsblad van 25 januari 2019 wordt bekendgemaakt dat de functie van algemeen directeur is opengesteld. Onder anderen verzoeker en CL stellen zich kandidaat. Na de screening van de CV’s, worden vier kandidaten toegelaten tot het assessment center. IX-9697-10.189-5/44 Verzoeker en CL worden na de assessmentproef ingedeeld in de categorie ‘geschikt’. De twee andere kandidaten zijn ‘niet geschikt’. Het verslag van de selectiecommissie over het interview tot slot bevat een beoordeling van zeven criteria. Voor elk criterium wordt aan de kandidaat een score op 10 toegekend, die gepaard gaat met een uitgeschreven verantwoording. Dit geeft het volgende beeld: competentieprofiel verzoeker CL motivatie – inzicht in functie en uitdagingen 7 7 kennis – expertise inhoudelijke context 6 7 visie ontwikkelen 6 6 samenwerken 6 6 netwerken 6 6 klantgerichtheid 7 7 organisatiebetrokkenheid 6 7 De conclusie luidt: - “Op basis van dit selectie-onderdeel wordt [verzoeker] door de jury geschikt bevonden. Hij haalt een score van 44/70, ofwel 63%;” - (vertaling) Op basis van dit selectie-onderdeel wordt CL door de jury ‘geschikt’ bevonden. Hij behaalt een score van 46/70 ofwel 66%. 3.4. Op 14 oktober 2019 legt de voorzitster van de raad van bestuur de resultaten van de selectieprocedure voor de aanstelling van een algemeen directeur en de resultaten van de beraadslaging van de leden van de raad van bestuur ter goedkeuring voor aan de ministers van Volksgezondheid en Landbouw. De beslissing die de raad van bestuur volgens dit schrijven op 8 juli 2019 heeft genomen om CL als algemeen directeur aan te stellen, is de eerste bestreden beslissing in de zaak A. 230.555. Op respectievelijk 12 december 2019 en 18 december 2019 verlenen de ministers van Volksgezondheid en van Landbouw hun goedkeuring IX-9697-10.189-6/44 aan de aanstelling van CL als algemeen directeur van Sciensano. Deze goedkeuringsbeslissingen vormen samen het tweede voorwerp van het beroep in de zaak A. 230.555. In het Belgisch Staatsblad van 20 januari 2020 wordt bekendgemaakt dat CL bij beslissing van de raad van bestuur van Sciensano van 8 juli 2019 en bij ministeriële beslissingen van 12 en 18 december 2019 met ingang van 1 januari 2020 wordt aangesteld voor een hernieuwbare termijn van zes jaar voor de uitoefening van de functie van algemeen directeur van Sciensano. 3.5. Na kennis te hebben genomen van het auditoraatsverslag in de zaak A. 230.555, beslist de raad van bestuur van Sciensano op 28 september 2022 zijn bestreden beslissing van 8 juli 2019 in te trekken. Het instrumentum van die beslissing is 3 oktober 2022 gedateerd. Dit is de eerste in de zaak A. 237.927 bestreden beslissing. 3.6. Bij afzonderlijke beslissing van 28 september 2022, ondertekend op 3 oktober 2022, stelt de raad van bestuur opnieuw CL aan, met ingang op 1 januari 2020, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar voor de uitoefening van de functie van algemeen directeur van Sciensano. Dit is de tweede bestreden beslissing in de zaak A. 237.927. Ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 oktober 2022. Deze benoeming heeft vervolgens ook de vereiste ministeriële goedkeuringen gekregen bij ministeriële beslissingen van respectievelijk 5 oktober 2022 en 12 oktober 2022. Deze goedkeuringen vormen samen het derde voorwerp van het beroep in de zaak A. 237.927. IX-9697-10.189-7/44 IV. Precisering van het voorwerp van het beroep in de zaak A. 230.555 4. In zijn arrest nr. 255.318 van 20 december 2022 heeft de Raad van State geoordeeld dat het beroep in de zaak A. 230.555 geacht wordt, “mede gericht te zijn tegen de beslissing van de raad [van bestuur] van Sciensano van 3 oktober 2022 [lees: 28 september 2022] en de ministeriële goedkeuringen ervan bij beslissingen van 5 oktober 2022 en 12 oktober 2022” – met andere woorden, het tweede en derde voorwerp van het beroep in de zaak A. 237.927. V. Samenvoeging 5. Het past, met het oog op een goede rechtsbedeling, om de beide zaken samen te voegen en er in één arrest uitspraak over te doen. VI. Ontvankelijkheid van het beroep tegen de intrekkingsbeslissing (zaak A. 237.927, eerste voorwerp) Exceptie 6. De verwerende partijen werpen op dat verzoeker geen belang heeft bij het annulatieberoep in de zaak A. 237.927, in de mate dat het gericht is tegen de beslissing van de raad van bestuur van Sciensano van 28 september 2022 houdende de intrekking van zijn beslissing van 8 juli 2019 strekkende tot de aanstelling van CL als algemeen directeur van Sciensano. De intrekking van een beslissing die geen voordeel toekent aan de bestemmeling ervan, en die overigens door verzoeker werd aangevochten voor de Raad van State, is volgens hen geen griefhoudende beslissing. 7. Verzoeker antwoordt hierop het volgende (voetnoten zijn weggelaten): IX-9697-10.189-8/44 “Verwerende partijen gaan er (ten onrechte) aan voorbij dat verzoekende partij op 21 november 2022 een vordering tot schadeherstel (art. 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State) heeft ingesteld, minstens ten aanzien van de akten waarvan zij de vernietiging vordert in de eerste zaak en waarvan het voorwerp is uitgebreid door het arrest van 20 december 2022. Verzoekende partij heeft daarbij gewezen op het arrest van 15 september 2017 (C.15.0465.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.2) van het Hof van Cassatie, volgens hetwelk een arrest van de Raad van State waarbij wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing is ingetrokken, niet gelijkgesteld kan worden aan een arrest waarbij een onwettigheid wordt vastgesteld in de zin van artikel 11bis. Het feit dat in de intrekkingsbeslissing uitdrukkelijk zou worden verwezen naar de wettigheidsbezwaren ontwikkeld in de middelen van de verzoekende partij doet daaraan niets af. Het ligt dan ook in de rede dat verzoekende partij wel degelijk belang heeft bij de betwistingen van de intrekkingsbeslissing, en dit op een zelfstandige grondslag, nl. in het licht van de vordering ingesteld op grond van art. 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Verzoekende partij ontleent haar belang tot vernietiging van de intrekkingsbeslissing omdat deze akte enerzijds zo al niet als objectief, dan toch minstens als effect, heeft om een vordering op grond van artikel 11bis te bemoeilijken. Anderzijds ontneemt de intrekkingsbeslissing verzoekende partij het recht op het principieel moreel rechtsherstel dat zij kan genieten uit een vernietigingsarrest in de eerste zaak, nl. om de vernietiging erga omnes en met terugwerkende kracht te horen uitspreken van de beslissing van 8 juli 2019 strekkende tot de aanstelling van [CL] als algemeen directeur van Sciensano. Het rechtsherstel op moreel vlak van zo’n vernietigingsarrest betreft een vorm van herstel in natura. De intrekkingsbeslissing probeert dit principieel na te streven herstel in natura onmogelijk te maken, opdat verzoekende partij, wat betreft het morele rechtsherstel dit principieel verbonden is aan een vernietigingsuitspraak, enkel in aanmerking komt voor een geldelijke schadeloosstelling wegens morele schade. Ook om deze reden heeft verzoekende partij een belang bij het aanvechten van deze intrekkingsbeslissing.” Beoordeling 8. Met het beroep tegen het aanstellingsbesluit van 8 juli 2019 streeft verzoeker na dat, door de verwijdering van dit besluit uit het rechtsverkeer, hij een nieuwe kans maakt om zelf aangesteld te worden in de betrekking van algemeen directeur en ze daadwerkelijk uit te oefenen. IX-9697-10.189-9/44 Door de intrekking van dat aanstellingsbesluit, is dat streefdoel precies bereikt. De aanstelling van CL wordt met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer verwijderd – niet door een arrest, maar door een beslissing van Sciensano – en de raad van bestuur is vervolgens opnieuw overgegaan tot een vergelijking van de aanspraken van de kandidaten. Het oorspronkelijk door verzoeker met zijn eerste beroep nagestreefde voordeel heeft hij dan ook verworven. Verzoeker heeft geen belang bij de vernietiging van de intrekking, om hierdoor de eerste aanstelling van CL welke hij zélf aanvecht, opnieuw te zien herleven. 9. Verzoeker ziet zijn belang, zo is te lezen in de hiervóór aangehaalde memorie van antwoord, enkel gelegen in zijn verzoek tot schadevergoeding tot herstel. Dat is evenwel geen belang bij het beroep tot nietigverklaring, maar louter een belang bij het onderzoek van de middelen met het oog op het vaststellen van een onwettigheid. Zoals de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak heeft gewezen in zijn arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019, “zal het instellen van de vordering tot schadevergoeding tot herstel in de loop van de annulatieprocedure niet kunnen beletten dat wanneer de verzoekende partij het belang bij de gevorderde nietigverklaring heeft verloren, deze nietigverklaring door de Raad van State wordt afgewezen”. 10. De intrekking van het aangevochten besluit, waarin de verwerende partij daarenboven als motief ervoor opgeeft “onregelmatigheden betreffende de oproeping van de leden van de raad van bestuur en betreffende het opstellen van het proces-verbaal na de beraadslaging”, biedt naar het oordeel van de Raad het herstel in natura en de daaraan verbonden morele genoegdoening die verzoeker nastreeft. Het onderzoek, hierna, van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, zal uitwijzen of verzoeker aan de eerste verwerende partij terecht een onwettigheid verwijt. Die vaststelling zal verzoeker des te meer morele IX-9697-10.189-10/44 genoegdoening bezorgen. Zo de Raad niet tot die vaststelling komt, is er dan weer geen bijkomend moreel rechtsherstel dat verzoeker kan claimen. 11. Het mag dan ook niet verbazen, dat verzoeker in zijn tweede beroep enkel middelen aanvoert die gericht zijn tegen het tweede aanstellingsbesluit en dat hij met geen enkel middel beweert dat de intrekkingsbeslissing met enige onwettigheid zou zijn behept. Ook om die reden is het beroep tegen de intrekkingsbeslissing onontvankelijk. 12. De exceptie is gegrond. Het beroep in de zaak A. 237.927 is onontvankelijk, wat zijn eerste voorwerp betreft. VII. Ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 230.555 Exceptie 13. De verwerping van het beroep tegen het intrekkingsbesluit betekent dat die intrekking definitief is geworden, zodat het aanstellingsbesluit van 8 juli 2019 met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer is verdwenen. Voor zover het beroep in de zaak A. 230.555 gericht is tegen het besluit van de raad van bestuur van Sciensano van 8 juli 2019, heeft het geen voorwerp meer en is het onontvankelijk. Deze exceptie, die desnoods ambtshalve moet worden opgeworpen, is gegrond. 14. De ministeriële beslissingen van 12 en 18 december 2019, tot goedkeuring van deze aanstelling, hebben ingevolge de intrekking van de bekrachtigde beslissing geen voorwerp meer. Voorts heeft verzoeker tegen deze beslissingen geen afzonderlijke grieven aangevoerd. IX-9697-10.189-11/44 Verzoeker heeft bijgevolg geen belang bij zijn beroep, voor zover het strekt tot nietigverklaring van deze beide ministeriële beslissingen. Ook deze exceptie moet desnoods ambtshalve worden opgeworpen, en is gegrond. 15. Wat de initieel door verzoeker in de zaak A. 230.555 aangevochten beslissingen betreft, is het beroep niet langer ontvankelijk. 16. Wat de aanstellingsbeslissing betreft van 28 september 2022 en de goedkeuringen op 5 en 12 oktober 2022, waartoe het eerste beroep geacht wordt mede gericht te zijn, wordt het hierna onderzocht samen met het beroep in de zaak A. 237.927, dat eveneens die beslissingen tot voorwerp heeft. VIII. Onderzoek van de middelen A. Vooraf 17. Er mag aan worden herinnerd, zoals reeds is overwogen in arrest nr. 255.318 van 20 december 2022, dat, om ontvankelijk te zijn, de in de zaak A. 230.555 oorspronkelijk aangevoerde middelen nuttig betrokken moeten kunnen worden op de vervangende beslissingen die geacht worden er mede voorwerp van te zijn. B. Eerste middel in de zaak A. 230.555 18. Het eerste middel in de zaak A. 230.555 is genomen uit de schending van artikel 14, § 5, eerste lid, en artikel 45, § 1, eerste en tweede lid, Wet Oprichting Sciensano, artikel 4, § 2, en artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 maart 2018 ‘tot uitvoering van de wet van 25 februari 2018 tot oprichting van Sciensano, wat betreft de maatschappelijke zetel, het bestuur en de werking, en tot aanpassing van diverse besluiten betreffende de rechtsvoorgangers van Sciensano’, de artikelen 3, 12, 14, 15, 16, 17 en 18 van het huishoudelijk reglement van de raad van bestuur van Sciensano en de artikelen 2 en 3 van de IX-9697-10.189-12/44 wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Volgens verzoeker is de beslissing van 8 juli 2019 rechtens onbestaande. Bij het verzoek tot goedkeuring, gericht tot de beide ministers met een brief van 14 oktober 2019, is dan ook geen enkele beslissing van de raad van bestuur gevoegd als bijlage. Verzoeker heeft op 20 januari 2020 om de beslissing verzocht en ze niet gekregen. Evenmin heeft hij enig nuttig stuk gekregen dat hem in staat stelt na te gaan of de in artikel 6 van het uitvoeringsbesluit opgesomde vereisten inzake beraadslaging en stemming zijn nageleefd. De beslissing moet voorts voorwerp uitmaken van een proces- verbaal ondertekend door de voorzitter en ingeschreven in een bijzonder register. Het blijkt niet dat dit is gebeurd. Het besluit is dan ook dat deze beslissing feitelijk niet bestaat, in de zin dat ze in geen geval beantwoordt aan noch tot stand gekomen is overeenkomstig de vereisten die ter zake gelden. Een beslissing komt slechts rechtsgeldig tot stand voor zover ze wordt genomen door het bevoegde orgaan, met naleving van de vereisten op het vlak van de oproeping, het aanwezigheidsquorum, de wijze van stemmen, de vereiste meerderheid en met naleving van de voorwaarden die gesteld worden aan het opstellen van de akte, inbegrepen de goedkeuringsvoorwaarden en de onderwerping daarvan aan de voorgeschreven wijzen van administratief toezicht. 19. Het middel komt erop neer, zo schrijft verzoeker in zijn laatste memorie “dat de eerste bestreden beslissing van 8 juli 2019 feitelijk en rechtens onbestaande is”. 20. Het middel viseert enkel en specifiek het éérste aanstellingsbesluit en kan op geen van de nog in geding zijnde beslissingen worden betrokken. Verzoeker weerspreekt dat ook niet in zijn laatste memorie. IX-9697-10.189-13/44 21. Het eerste middel in de zaak A. 230.555 behoeft bijgevolg geen onderzoek in het kader van de nietigverklaring van de nog in geding zijnde beslissingen. C. Tweede middel in de zaak A. 230.555 en eerste middel in de zaak A. 237.927 Uiteenzetting van het middel 22.1. In het tweede middel in de zaak A. 230.555 en het eerste middel in de zaak A. 237.927 voert verzoeker telkens in een eerste middelonderdeel de schending aan van de artikelen 33, 105, 107, 108 en 159 van de Grondwet en van artikel 41, § 1, Wet Oprichting Sciensano, doordat de bestreden aanstellingsbeslissing: “[…] is genomen in het kader van een procedure die steunt op de functiebeschrijving, het selectiereglement en de samenstelling van de selectiecommissie die door de raad van bestuur zouden zijn goedgekeurd, terwijl deze op grond van art. 159 van de Grondwet buiten toepassing gelaten moeten worden. Terwijl, art. 41, § 1 van de Wet Oprichting Sciensano op een grondwetsconforme wijze toegepast moet worden, wat betekent, vooreerst, dat slechts nadat de Koning in een algemeen reglementair besluit de algemene bepalingen omtrent de selectie en aanwerving van de algemene directeur heeft vastgesteld, het, ten tweede, aan de raad van bestuur toekomt om de nadere uitwerking daarvan vast te stellen in eigen beslissing(en), genomen in overeenstemming van de vereisten die aan de eigen besluitvorming worden gesteld, om dan, ten derde, over te gaan tot de organisatie van een aanstellingsprocedure die, ten vierde, leidt tot een beslissing tot aanstelling door de raad van bestuur, zoals goedgekeurd door de bevoegde ministers.” 22.2. In het tweede middel in de zaak A. 230.555 en het eerste middel in de zaak A. 237.927 voert verzoeker telkens in een tweede middelonderdeel de schending aan van artikel 44, eerste lid, Wet Oprichting Sciensano en van artikel 43 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (“bestuurstaalwet”). IX-9697-10.189-14/44 In de zaak A. 230.555 acht verzoeker deze bepalingen geschonden, doordat de bestreden beslissing “is genomen zonder dat de Koning voorafgaand het taalkader voor Sciensano heeft vastgesteld, [terwijl] geen enkele benoeming wettig kan geschieden, dan nadat de Koning voorafgaand het taalkader heeft vastgesteld”. In de zaak A. 237.927 acht verzoeker deze bepalingen geschonden, doordat: “[…] de bestreden aanstellingsbeslissing, in de mate dat zij een regulariserende terugwerkende kracht heeft tot op datum van 1 januari 2020 is genomen zonder dat de Koning voorafgaand het taalkader voor Sciensano heeft vastgesteld, en bovendien een verwarde, onbegrijpelijke en niet consistente motivering bevat met juridische onjuiste dan wel niet pertinentie verwijzingen naar het Franse taalkader en de Franse taalrol in het tweetalige kader. Terwijl, geen enkele benoeming wettig kan geschieden, dan nadat de Koning voorafgaand het taalkader heeft vastgesteld, en elke benoeming moet steunen op begrijpelijke en wettige motieven.” Volgens verzoeker is bij de beoordeling van het evenwicht tussen de taalkaders, en wat het tweetalige kader betreft, tussen de ambtenaren van de verschillende taalrollen, het ogenblik waarop de benoemingsbeslissing uitwerking heeft bepalend. Dit is 1 januari 2020. Hij merkt op dat het koninklijk besluit van 30 juli 2021 ‘tot vaststelling van de taalkaders van Sciensano’, volgens zijn artikel 2 op 30 juli 2021 in werking getreden is. Om deze reden is de bestreden aanstellingsbeslissing, “en specifiek zijn regulariserende terugwerkende kracht”, onwettig. Het middelonderdeel raakt de openbare orde, zodat het belangvereiste niet geldt, zo preciseert verzoeker nog in zijn memorie van wederantwoord. 22.3. Ten slotte voert verzoeker in de beide middelen de schending aan van “de art. 2 en 3 van de Formele Motiveringswet”. IX-9697-10.189-15/44 IX-9697-10.189-16/44 Beoordeling 23. Verzoeker brengt “de art. 2 en 3 van de Formele Motiveringswet” in de toelichting van deze middelen niet meer ter sprake, laat staan dat hij preciseert hoe die bepalingen door de bestreden beslissingen zijn geschonden. In die mate zijn de middelen onontvankelijk. 24. Wat het eerste middelonderdeel betreft, erkent verzoeker in zijn laatste memories “dat dit is beslecht op grond van het tussengekomen arrest van het Grondwettelijk Hof”, in die zin dat het middelonderdeel ongegrond is. Het eerste middelonderdeel van de beide middelen wordt verworpen. 25. Verzoeker weerspreekt niet dat op het ogenblik van het tweede aanstellingsbesluit taalkaders voor Sciensano zijn vastgesteld, namelijk bij het koninklijk besluit van 30 mei 2021 ‘tot vaststelling, met het oog op de toepassing van de artikelen 43 en 46 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, van de betrekkingen van de personeelsleden bij Sciensano die eenzelfde trap van de hiërarchie vormen’ (BS 23 juni 2021) en het koninklijk besluit van 30 juli 2021 ‘tot vaststelling van de taalkaders van Sciensano’ (BS 25 augustus 2021). 26. De kritiek die verzoeker formuleert in de zaak A. 230.555 vertrekt van de premisse dat er géén taalkaders zijn vastgesteld en kan dus niet worden betrokken op het beroep tegen de nog in het geding zijnde beslissingen. Het tweede middelonderdeel in de zaak A.230.555 is bijgevolg niet ontvankelijk, wat het nog te onderzoeken voorwerp in dit beroep tot nietigverklaring betreft. IX-9697-10.189-17/44 27. In het tweede middelonderdeel in de zaak A. 237.927 weerspreekt verzoeker evenmin dat de taalkaders effectief zijn vastgesteld voordat het aanstellingsbesluit is genomen. Verzoeker levert op die besluiten geen wettigheidskritiek. Hij formuleert enkel kritiek op de terugwerkende kracht van het bestreden aanstellingsbesluit. Volgens verzoeker kan dit besluit niet terugwerken tot een periode die aan de vaststelling van de taalkaders voorafgaat. De inwilliging van dit middelonderdeel zou enkel betekenen, dat het aanstellingsbesluit moet worden vernietigd in de mate waarin het terugwerkt tot vóór die datum. Het aanstellingsbesluit blijft in ieder geval in de toekomst bestaan. Het is een middel, bijgevolg, dat verzoeker geen uitzicht geeft op een kans om zelf in de betrekking te worden benoemd en ze effectief te bekleden. Een vernietiging, beperkt tot het verleden, kan verzoeker niet van nut zijn. 28. Verzoeker heeft geen belang bij het tweede middelonderdeel in de zaak A. 237.927. Het is onontvankelijk. Dat het middel de openbare orde raakt, doet niet anders besluiten. Overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde vernietigingsgrond ressorteren, slechts aanleiding geven tot een nietigverklaring “als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. In casu is dit niet het geval, aangezien de aangevoerde onwettigheid van de terugwerking van het bestreden besluit niets afdoet aan de definitieve benoeming van CL in de door verzoeker geambieerde IX-9697-10.189-18/44 betrekking, ze voorts geen verband houdt met enige waarborg die verzoeker zou zijn ontnomen en ze ten slotte ook de bevoegdheid van de steller van de handeling niet heeft beïnvloed. 29. Louter ten overvloede stelt de Raad vast dat verzoeker allerhande bezwaren heeft bij de overweging in het bestreden aanstellingsbesluit dat “bovendien […] de huidige verdeling van de betrekkingen volgens de taalkaders” de aanstelling van CL toelaat en “dat ten overvloede ook het Frans kader deficitair is”. Zoals verzoeker het zelf schrijft, leest die overweging “niet als een verantwoording die zou maken dat de benoeming van verzoekende partij onmogelijk zou zijn geworden om taalkaderredenen, maar als een soort niet ter zake doende bedenking”. Kritiek op een overtollige (“bovendien” en “ten overvloede”), “niet ter zake doende bedenking” kan geen doel treffen. Verzoeker leest in die overwegingen ten onrechte dat CL volgens de raad van bestuur van Sciensano een “voorrangrecht zou genieten” op een personeelslid zoals verzoeker, dat tot de Nederlandse taalrol behoort. Verzoeker is niet geweerd omdat hij, als personeelslid op de Nederlandse taalrol, geen roeping zou hebben tot de aanstelling. Verzoeker beweert ook niet dat omgekeerd enkel een benoeming van een personeelslid van de Nederlandse taalrol conform is met de vastgestelde taalkaders en de feitelijke invulling van de betrekkingen, zodat CL om die reden geen roeping had en niet mocht worden benoemd. 30. Het tweede middel in de zaak A. 230.555 leidt niet tot de gevraagde nietigverklaring en het eerste middel in de zaak A. 237.927 is deels onontvankelijk, deels ongegrond. D. Derde middel in de zaak A. 230.555 en tweede middel in de zaak A. 237.927 Uiteenzetting van het middel 31. Het derde middel in de zaak A. 230.555 en het tweede middel in de zaak A. 237.927 zijn telkens geput uit de schending van de artikelen 10 en IX-9697-10.189-19/44 11 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het gelijkheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur en “de regels van de betrokken bevorderingsprocedure, zoals bepaald in het selectiereglement en het selectieprofiel”: “Doordat, de bestreden aanstellingsbeslissing van de raad van bestuur steunt op een veronderstelde voordracht van de selectiecommissie, omwille van een beweerde betere score van [CL] op twee specifieke beoordelingscriteria. Terwijl, de raad van bestuur slechts een beslissing kan nemen over een concrete aanstelling van een algemeen directeur, voor zover hij in het bezit gesteld is van alle relevante stukken van het dossier en deze op een zorgvuldige wijze kan onderzoeken zodat hij op een uitdrukkelijk en afdoende gemotiveerde wijze, na een beoordeling met kennis van zaken, tot de aanstelling kan beslissen die vervolgens aan de bevoegde ministers ter goedkeuring wordt voorgelegd. En terwijl, een deugdelijke vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten veronderstelt dat de aanstellingsbevoegde overheid nagaat of de titels en verdiensten van de kandidaten aan de vooraf vastgestelde criteria zijn getoetst en dat zo’n zorgvuldige toetsing ook toelaat om de éne kandidaat boven de andere te verkiezen en dus aan te stellen, zoals op een uitdrukkelijke en afdoende wijze uit de motivering van de akte moet blijken.” Bij parenthese: ontvankelijkheid van het derde middel in de zaak A. 230.555 32. Voor zover het derde middel in de zaak A. 230.555 de schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht, is het niet ontvankelijk aangezien de bestreden beslissing van 28 september 2022 een eigen, autonome formele motivering bevat waarop enige kritiek die in het eerste verzoekschrift is geschreven omtrent het ontbreken van een uitdrukkelijke motivering van de beslissing van 8 juli 2019 geen betrekking kan hebben. Voor zover verzoeker in de toelichting bij het middel aanvangt met kritiek op de brieven van 14 oktober 2019 die Sciensano heeft verstuurd aan IX-9697-10.189-20/44 de bevoegde ministers en op de korrel neemt dat de beslissing niet in een akte is geformaliseerd, bouwt hij voort op de veronderstelling dat op 8 juli 2019 geen beslissing is genomen – met andere woorden op het eerste middel in de eerste zaak. Hiervóór is vastgesteld dat die kritiek evenmin op het nog overgebleven voorwerp van de beroepen te betrekken is, zodat het middel in die mate niet de gevraagde nietigverklaring kan verantwoorden. Voor het overige herneemt verzoeker de toelichting bij het derde middel in de zaak A. 230.555 woordelijk als toelichting bij het tweede middel in de zaak A. 237.927. De samenvatting van het standpunt van verzoeker in de zaak A. 237.927 en de beoordeling ervan die hierna volgt, geldt dus in gelijke mate voor het derde middel in de zaak A. 230.555. Toelichting van verzoeker bij het tweede middel in de zaak A. 237.927 33. Verzoeker ontwikkelt zijn kritiek in de toelichting bij het middel in drie onderdelen. 34. In een eerste onderdeel argumenteert verzoeker dat de raad van bestuur steunt op een verslag van de selectiecommissie dat niet deugdelijk door alle leden is ondertekend, minstens niet tijdig is ondertekend. Voorts hekelt hij dat niet eens blijkt dat de selectiecommissie CL voordraagt. 35. In een tweede onderdeel acht verzoeker het aanstellingsbesluit onwettig, omdat het steunt op de beoordeling van de selectiecommissie. Hij gaat hierop in als volgt (voetnoten weggelaten): “[1] Er valt niet in te zien dat de selectiecommissie op een regelmatige wijze een beoordeling van de interviews kan doorvoeren, nog terzijde gelaten dat de weergave daarvan voor de ene kandidaat in een ééntalig Frans en de andere kandidaat in een ééntalig Nederlands verslag is opgesteld, terwijl niet blijkt dat alle leden van de selectiecommissie de twee talen wettelijk verondersteld worden te kennen en begrijpen. IX-9697-10.189-21/44 Deze interviews gaan ook terug op een casus en een presentatie die de kandidaten hebben voorbereid. Er zijn vragen gesteld tijdens het interview en antwoorden gegeven. De presentatie, de vragen noch de antwoorden maken deel uit van het dossier. De mondelinge proef is georganiseerd op grond van een ‘case’. Deze opdracht is algemeen beschreven op één bladzijde. De ‘case’ zelf betrof een informatiebundel van een 40-tal bladzijden). De case betreft een zgn. ‘real-life voorbeeld’, waarbij het KCE bij betrokken is en [CL] als hoofd van het KCE manifest een onverklaarbaar voordeel van voorkennis genoot. In ieder geval moesten de kandidaten een verslag en een presentatie (een zgn. ‘powerpoint’) opstellen. Het blijkt ook niet dat de selectiecommissie deze stukken in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling van de scores die aan de twee kandidaten zijn gegeven. Hetzelfde geldt voor de raad van bestuur. Deze handelswijze komt in strijd met de eis dat de beoordeling op een voldoende feitelijke grondslag moet steunen. Dit betekent dat ten minste uit de stukken van het administratief dossier moet blijken dat de gegeven score op de rechtens vereiste feitelijke grondslag berust. Dit zou verwerende partij aangetoond kunnen hebben, zo bij voorbeeld de casusbundel, het door de kandidaten opgestelde presentatie, de individuele nota’s van de leden van de selectiecommissie enz. voorhanden waren, en er ten minste een spoor ware geweest van de bevraagde thema’s en, al was het maar met enkele summiere voorbeelden, van de juiste, verkeerde of ontoereikende antwoorden van verzoekende partij en [CL]. Wanneer er bepaalde voorbeelden worden aangehaald, moeten deze dus op grond van bepaalde stukken aannemelijk kunnen worden gemaakt; loutere beweringen volstaan niet. Er dient ook tegenspraak over worden georganiseerd en het standpunt van de betrokken ambtenaar moet door de bevoegde overheid worden betrokken bij het onderzoek naar de waarheidsgetrouwheid van deze voorbeelden. Nu niet blijkt dat de raad van bestuur een beslissing heeft genomen op grond van een integraal dossier, zoals hierboven beschreven, is zijn beslissing evenmin op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen. [2] Dit alles is van belang, nu het (door Hudson) ter beschikking gestelde sollicitatieformulier, dat zowel door [CL] als verzoekende partij is gebruikt, rubrieken vermeldt die deels, maar niet volledig, overeenstemmen met de functievereisten, zoals volgens de vacantverklaring vastgesteld. Indien men bijvoorbeeld de ‘functievereisten en specifieke competenties voor de functie’, zoals bij de vacantverklaring meegedeeld, vergelijkt met het Hudson-sollicitatieformulier, valt op dat een aantal volgens de vacantverklaring vastgestelde functievereisten daarin niet zijn opgenomen. Op zich is dit geen probleem, voor zover daarnaar wordt gepeild tijdens het interview. Dit laatste is echter niet het geval geweest. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende uittreksel van de ‘functievereisten en specifieke competenties voor de functie’, zoals bij de vacantverklaring meegedeeld, […] IX-9697-10.189-22/44 Aldus blijkt dat de door de kandidaten ingevulde Hudsonformulieren op zich niet volstaan om na te gaan welke titels en verdiensten de kandidaten kunnen – en ook hebben –, laten gelden, in het licht van de in het functieprofiel vastgestelde beoordelingscriteria. Aldus is verzoekende partij ervan overtuigd dat zij net op de functievereisten, die niet in het Hudsonformulier zijn gerubriceerd […], en waarvan de kandidaten dus niet moesten veronderstellen dat zij hun titels en verdiensten specifiek in het Hudsonformulier moesten beschrijven – omdat zij erop konden vertrouwen dat deze het voorwerp van een bevraging tijdens het interview zouden uitmaken –, manifest beter dan [CL] scoort. Dit geldt des te meer nu [CL] zelfs niet beschikt over een aantal vereisten, zoals bijvoorbeeld deze inzake laboratoriumbeheer of betreffende de discipline van dieren. In de kandidatuur van [CL] wordt met geen woord gerept over laboratoria (in het Hudsonformulier noch in zijn CV), en enkel vaagweg iets over de discipline dieren. Hetzelfde geldt trouwens voor de taalkennis van [CL], die beperkt is tot het Frans, waar verzoekende partij toegang heeft tot het tweetalig taalkader (en dus houder is van het attest bedoeld in art. 53 van de Bestuurstaalwet) en het Engels en Duits machtig is. Voor een federale instelling zoals Sciensano, die bovendien ook een gedeeltelijke internationale gerichtheid heeft, is het manifest dat verzoekende partij op dit punt over betere titels en verdiensten beschikt. Het CV van [CL] is trouwens een stuk minder indrukwekkend dan men op het eerste zicht zou denken. Zo is bijvoorbeeld de ellenlange lijst van publicaties voor een groot stuk opgebouwd uit publicaties in het magazine van de christelijke mutualiteit (waar hij een hele tijd heeft gewerkt), publicaties van de studiedienst van CdH (waar hij ook een hele tijd heeft gewerkt), publicaties van het KCE (waar hij directeur a.i. was), tot zelfs publicaties mbt stripverhalen in de lokale pers. Wat er ook van weze, het voorgaande toont aan dat de Hudsonformulieren niet als afdoende bron kunnen worden gehanteerd om na te gaan in welke mate de titels en verdiensten van de kandidaten beantwoorden aan de vastgestelde beoordelingscriteria. Het vormt hiertoe weliswaar een noodzakelijke, maar geen voldoende bron. Minstens op de ‘openstaande’ beoordelingscriteria, waaraan het Hudsonformulier is voorbijgegaan, moet er tijdens het assessment en het interview afdoende onderzoek zijn gevoerd, teneinde een rechtsgeldige vergelijking van titels en verdiensten mogelijk te maken. Het blijkt echter niet dat dit is gebeurd. Nu niet blijkt dat de raad van bestuur een beslissing heeft genomen op grond van een integraal dossier, zoals hierboven beschreven, is zijn beslissing evenmin op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Het blijkt niet op grond van welke stukken de raad van bestuur een beslissing heeft genomen. Het is niet geweten of zij de kandidaatstellingsdossiers heeft onderzocht. Het is niet geweten of zij de resultaten van de assessmentproef bij de beoordeling heeft betrokken. IX-9697-10.189-23/44 Het is enkel geweten dat het uitgesloten is dat de raad van bestuur het resultaat van het interview in zijn besluitvorming heeft kunnen betrekken, zoals dit uiteindelijk is goedgekeurd. Dit zou de raad van bestuur er minstens op datum van 28 september 2022 moeten toe hebben brengen dat hij verantwoordt waarom de (nog niet door de selectiecommissie gefiatteerde) resultaten in aanmerking neemt en op grond daarvan ook de éne boven de andere kandidaat aanstelt. [3] Dit geldt des te meer, nu blijkt dat tijdens het interview slechts rekening gehouden is met een beperkt ‘competentieprofiel’ (nl. met als beoordelingscriteria: ‘motivatie’, ‘inzicht in de functie en uitdagingen’, ‘kennis - expertise inhoudelijke context’, ‘visie ontwikkelen’, ‘samenwerken’, ‘netwerken’, ‘klantgerichtheid’ en ‘organisatiebetrokkenheid’). Bij het assessment was het in aanmerking genomen competentieprofiel beduidend ruimer […], terwijl het aanvankelijk vastgestelde functieprofiel […] nog een stuk omvangrijker was. Uit niets blijkt dat de selectiecommissie een onderzoek van de titels en verdiensten van de kandidaten heeft gedaan op grond van het vastgestelde functieprofiel. Uit niets blijkt dat de raad van bestuur een onderzoek heeft gedaan op grond van het door hemzelf vastgestelde functieprofiel.” 36. In een derde onderdeel van de toelichting betoogt verzoeker dat de beslissing van de raad van bestuur aangetast is door een onwettigheid “om redenen die verband houden met de fase van het interview en het daaraan voorafgegane assessment”. Hij werkt dit betoog uit in zes punten. In een eerste punt stelt verzoeker vast dat de assessmentproef formeel gezien louter eliminerend is bedoeld. Hij meent evenwel dat de “woordelijke verantwoordingen” bij de resultatenroosters een vergelijking toelaten en, meer nog, dat hij uit die vergelijking duidelijk als de sterkere kandidaat verschijnt. Hij werkt die stelling uit met enkele voorbeelden. Dit betekent volgens verzoeker dat de assessmentproef niet enkel een relevantie heeft voor de beoordeling ‘geschikt’ of ‘niet geschikt’. In een tweede punt argumenteert verzoeker dat de raad van bestuur heeft nagelaten de resultaten van de assessmentproef in zijn beoordeling te betrekken. Dit stoort des te meer omdat in die proef criteria zijn beoordeeld die naderhand niet meer aan bod zijn gekomen in het interview. IX-9697-10.189-24/44 In een derde punt vergelijkt verzoeker de competenties die zijn beoordeeld in respectievelijk de assessmentproef en het interview. Volgens verzoeker kunnen de titels en verdiensten niet enkel op grond van het resultaat van het interview worden beoordeeld, omdat anders aan een deel van de volgens het aanvankelijk vastgestelde functieprofiel te beoordelen criteria, voorbijgegaan wordt. Dit bevestigt volgens hem andermaal dat de raad van bestuur de resultaten van de assessmentproef en het kandidaatstellingsdossier mede in zijn beoordeling had moeten betrekken. In een vierde punt gaat verzoeker in op de mondelinge proef en somt hij de competenties op die als beoordelingscriteria zijn gehanteerd door de selectiecommissie. Het is hem onduidelijk hoe sommige ervan zijn terug te voeren op de volgens het selectiereglement in aanmerking te nemen criteria. Voorts bevatten de beoordelingscriteria van het interview een niet-gemotiveerde en daarom willekeurige selectie van de volgens het selectieprofiel in aanmerking te nemen beoordelingscriteria. In een vijfde punt stelt verzoeker dat “de beoordeling van de titels en verdiensten van [CL] eenvoudigweg, en minstens deels, niet terzake dienend is”: “Zo handelt de beoordeling van de organisatiebetrokkenheid van [CL] eenvoudigweg niet over de notie organisatiebetrokkenheid. De notie organisatiebetrokkenheid verwijst naar het ‘zich persoonlijk verantwoordelijk weten voor de resultaten van de organisatie of het departement en daarom op de hoogte blijven van de markt waarin de organisatie actief is. De organisatiestructuur, -politiek en -doelstellingen ontwikkelen en in stand houden.’ Volgens het verslag verwijst [CL] naar een aantal belangrijke waarden of ethische principes, die van belang zouden zijn om ook interne betrokkenen mee te trekken over de fusiegolf. De relevantie van dit alles valt in het licht van het beoordelingscriterium echter niet onmiddellijk te begrijpen. Anders is dit voor de beoordeling van verzoekende partij, die persoonlijk sterk betrokken is bij de doelstellingen of bestaansreden van Sciensano; zij voelt aansluiting bij het wel en wee van de organisatie. Gezien beide kandidaten daarnaast wat minder positief beoordeeld worden bij ‘moeilijkere situaties’ (al is er in hoofde van verzoekende partij enkel sprake van een wat minder IX-9697-10.189-25/44 proactieve houding), valt de hogere score van [CL] niet te verantwoorden. De woordelijke toelichting in het verslag verantwoordt voor zijn verdienste enkel een lagere score. De beoordeling van het criterium ‘kennis - expertise inhoudelijke context’ biedt bijzonder weinig garantie op een zorgvuldige afweging, precies omdat deze noties pas voor het eerst in de fase van het interview als criterium worden aangevoerd, en geen enkele inhoudelijke duiding krijgen. Zij dienen dus in hun spraakgebruikelijke betekenis te worden begrepen, al is het maar om te vermijden dat een mogelijke invulling van deze noties in de ene of andere zin erop neerkomt dat de verdiensten van de ene kandidaat ten onrechte overbelicht worden: - [CL] kan over de belangrijke thema’s ‘mee praten’, vindt snel de ‘relevante cijfers’ en kent de ‘bevoegdheden’ en het ‘politieke niveau’, maar mist de capaciteit om deze theoretische kennis te vertalen in concrete oplossingen of actieplannen. Dit laatste is toch een belangrijke tekortkoming op het vlak van het volgende beoordelingscriterium van het functieprofiel, nl. ‘in staat zijn een toekomstvisie voor Sciensano, zijn opdrachten en prioritaire activiteitendomeinen te ontwikkelen’, te meer nu de algemeen directeur de wettelijk taak heeft om een managementsplan op te stellen en uit te voeren (art. 14, § 2 Wet Oprichting Sciensano), alsook om de beheersovereenkomst te onderhandelen (art. 30 Wet Oprichting Sciensano), Deze mindere beoordeling van [CL] valt ook niet uit de lucht, maar was reeds aan de orde tijdens het assessment: ‘Hoewel [CL] actieplannen opstelt met een begin van de implementatie, ontbreken in zijn plannen soms duidelijke, expliciete vooruitzichten voor de middellange en lange termijn, die door het ontbreken de uiteindelijke realisatie van de plannen in twijfel kunnen trekken.’ De verdiensten van [verzoeker] worden manifest hoger beoordeeld: ‘… dat hij knopen doorhakt, actie neemt en medewerkers in een duidelijke richting stuurt’. - Gegeven de vaststelling dat het criterium ‘kennis – expertise inhoudelijke context’ door de selectiecommissie ook wordt beoordeeld in het licht van mogelijkheid van de kandidaat om deze kennis en expertise te vertalen naar concrete acties, valt op dat op geen enkel ogenblik een bedenking wordt gemaakt bij de eentaligheid van [CL], terwijl verzoekende partij houder is van het taalcertificaat om te worden opgenomen in het tweetalig kader en een gedegen kennis van het Engels en Duits heeft. Dit geldt des te meer nu art. 21 van de Wet Oprichting Sciensano de algemeen directeur als een gezagsfunctie bepaalt, waarbij de mondelinge communicatieve vaardigheden evident van belang zijn. Het is manifest dat de voorgaande punten redelijkheidshalve enkel laten besluiten dat verzoekende partij méér punten op dit criterium moest krijgen dan [CL]. IX-9697-10.189-26/44 Een ander punt is dat de selectiecommissie niet de minste aandacht heeft besteed aan het beoordelingscriterium van de ervaring met laboratoriumbeheer, d.i. een criterium waarop verzoekende partij manifest méér verdiensten heeft dan [CL], zoals ook blijkt uit de kandidaatstellingen. Tevens gaat de selectiecommissie ten volle voorbij aan de vaststelling dat [CL] klaarblijkelijk geen enkele verdienste heeft op het vlak van de discipline ‘dieren’, en dit in tegenstelling tot verzoekende partij.” “Tot slot” merkt verzoeker (enkel in de zaak A. 237.927) nog op dat volgens de bestreden aanstellingsbeslissing geen rekening wordt gehouden met de ervaringen die na de eerste aanstellingsbeslissing zouden zijn verworven. Hij stelt dat CL tijdens de pandemie heeft uitgeblonken door afwezigheid. Zelf heeft hij relevante ervaring opgedaan, die ten onrechte niet wordt meegenomen in de evaluatie. 37. In zijn laatste memorie blijft verzoeker erbij dat een voordracht en de motivering ervan ontbreekt. Hij handhaaft eveneens zijn standpunt dat uit het dossier moet blijken welke vragen tijdens het interview zijn gesteld en wat daarop de antwoorden zijn geweest. Met verwijzing naar zijn toelichting in het inleidend verzoekschrift wijst verzoeker er andermaal op dat het sollicitatieformulier niet volledig overeenstemt met de functievereisten, zoals volgens de vacantverklaring vastgesteld. Het blijkt niet dat bijvoorbeeld de “functievereisten en specifieke competenties voor de functie”, zoals bij de vacantverklaring meegedeeld, zijn opgenomen in het sollicitatieformulier, noch dat daarnaar is gepeild tijdens het interview. Beoordeling a. formelemotiveringsplicht IX-9697-10.189-27/44 38. Verzoeker voert de schending aan van de formelemotiveringsplicht, zonder die kritiek nader te concretiseren in de toelichting bij het middel. De beslissing telt zes bladzijden waarin de raad van bestuur zijn keuze voor CL verantwoordt. Verzoeker kan bezwaarlijk overtuigen dat een uitdrukkelijke motivering ontbreekt. Hij onderwerpt de motieven overigens aan inhoudelijke kritiek in dit middel. Tot slot mag worden aangestipt dat verzoeker kennis had van het administratief dossier in de zaak A. 230.555 en inzonderheid in het bezit was van het proces-verbaal van de selectiecommissie en van de verslagen van de gesprekken met hemzelf en met CL, voordat hij het beroep in de zaak A. 237.927 heeft ingesteld. In zoverre is het middel onontvankelijk, minstens ongegrond. b. bewijs van taalkennis van CL 39. CL beschikt, zo blijkt uit de stukken van het administratief dossier, over het getuigschrift van de kennis van de andere landstaal, vereist om toegelaten te worden tot het tweetalig kader. Voor zover verzoeker zijn betoog meermaals onderbouwt met de beweerde “eentaligheid” van CL, mist het middel feitelijke grondslag. Dat verzoeker hierin volhardt in de zaak A. 237.927 is des te opmerkelijker, aangezien hij van dat stuk al kennis had sinds de neerlegging van het administratief dossier in de zaak 230.555 en, bijgevolg, vóór het instellen van zijn tweede beroep. c. eerste onderdeel 40. In zijn laatste memories betwist verzoeker niet meer dat de kritiek over de ondertekening van het proces-verbaal door de leden van de selectiecommissie hoe dan ook achterhaald is, aangezien uit het administratief IX-9697-10.189-28/44 dossier blijkt dat het proces-verbaal effectief door alle leden is ondertekend en dit ten laatste (door één enkel lid) op 30 juli 2019. Dit betekent dan ook dat de inmiddels door de raad van bestuur genomen vervangende aanstellingsbeslissing van 28 september 2022 steunt op een proces-verbaal van de selectiecommissie dat door alle leden ondertekend is vooraleer deze vervangende beslissing is genomen. 41. Uit het voornoemde proces-verbaal van de selectiecommissie blijkt dat verzoeker en CL opgenomen zijn in de lijst van de vier geschikte kandi- daten vóór het interview, dat enkel zij nog ‘geschikt’ werden geacht ná het interview en dat CL op dat gesprek een hogere score (66%) heeft behaald dan verzoeker (63%). Hoewel in dit proces-verbaal dus niet woordelijk wordt gesteld dat CL wordt voorgedragen, volgt uit het geheel van die gegevens noodzakelijk een rangschikking van de kandidaten waarbij CL vóór verzoeker komt en die naar het oordeel van de Raad als een voordracht mag worden opgevat. Verzoeker voert overigens geen specifieke bepaling aan die de selectiecommissie tot een uitdrukkelijke voordracht verplicht, op straffe van nietigheid van de selectieprocedure. Ook de Raad van State kan in het selectiereglement geen zulke verplichting lezen: enkel wordt van de selectiecommissie verwacht een groep van ‘geschikten’ te vormen, de geschikte kandidaten te rangschikken en een gemotiveerd advies te geven “omtrent elke kandidaat”. Dit alles is gebeurd. In de bestreden aanstellingsbeslissing refereert de raad van bestuur dan ook terecht en voldoende aan “de door de selectiecommissie voorgestelde motieven en rangschikking”, “zoals opgenomen in de vier verslagen van het jurygesprek met case van 3 juni 2019 en in het proces-verbaal van 3 juni 2019”, zonder naar enige voordracht te verwijzen. IX-9697-10.189-29/44 Ten slotte valt niet te begrijpen welk nadeel verzoeker heeft ondervonden door het ontbreken van een formele voordracht – en dus welk belang hij heeft bij deze kritiek. 42. Het eerste onderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. d. tweede onderdeel 43. In het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat verzoeker in het tweede onderdeel van zijn toelichting slechts terloops opmerkt dat de weergave van de beoordeling van de interviews voor de ene kandidaat in een eentalig Frans en voor de andere kandidaat in een eentalig Nederlands verslag is opgesteld, terwijl niet blijkt dat alle leden van de selectiecommissie de twee talen wettelijk verondersteld worden te kennen en te begrijpen. Verzoeker gaat in zijn inleidend verzoekschrift niet verder in op dit argument, laat staan dat hij ook maar enigszins verduidelijkt welke rechtsregels of -beginselen hij er nu precies door geschonden acht. Wat specifiek dit argument betreft, werpen de verwerende partijen volgens het auditoraat dan ook terecht een exceptie obscuri libelli op. De Raad valt deze beoordeling bij – overigens weerspreekt ook verzoeker die in zijn laatste memories niet; hij brengt ze zelfs niet meer ter sprake. 44. Verzoeker beweert dat CL “als hoofd van het KCE” een “onverklaarbaar voordeel van voorkennis” genoot bij de mondelinge proef, meer bepaald bij de casus die moest worden voorbereid. Daargelaten of die bewering klopt, berust die beweerde voorkennis ingevolge de keuze van de casus ofwel op toeval, ofwel is de casus met die voorkennis in gedachten bewust opgesteld om CL een voordeel te verschaffen. In het eerste geval legt verzoeker niet uit op grond van welke regel IX-9697-10.189-30/44 dat toevallig voordeel de test vitieert. In het tweede geval is er sprake van machtsafwending, die verzoeker evenwel niet aanvoert noch aantoont. Deze kritiek kan dus niet slagen. 45. Volgens verzoeker is de casus die elke kandidaat moest voorbereiden, niet in aanmerking genomen door de selectiecommissie. In het verslag dat is opgesteld over zijn interview, valt nochtans te lezen dat verzoeker “doorheen zijn aanpak van de case” in staat blijkt “om snel een veelheid aan nieuwe informatie te verwerken”. In het verslag over het gesprek met CL is dan weer te lezen dat deze kandidaat “specifiek voor de case” minder invult hoezeer hij rekening houdt met zeer snelle technologische evoluties en dat hij doorheen zowel zijn algemene visie “als zijn uiteenzetting omtrent de uitdaging in de case” frequent verwijst naar een aantal belangrijke waarden of ethische principes. Deze kritiek mist bijgevolg feitelijke grondslag. 46.1. Volgens verzoeker is de raad van bestuur zonder meer voortgegaan op de verslagen van de jury, aangezien de presentatie van de kandidaten, de tijdens het interview gestelde vragen en de daarop gegeven antwoorden geen deel zijn van het dossier en de raad van bestuur deze stukken dus niet mee in aanmerking kan hebben genomen. 46.2. Deze kritiek kan de onregelmatigheid van het aanstellingsbesluit niet aantonen. Geen van de door verzoeker aangevoerde regels en beginselen vereist immers van de selectiecommissie om een exhaustief verslag op te stellen van het selectie-interview, met vermelding van de gestelde vragen en de gegeven antwoorden. IX-9697-10.189-31/44 Met het oog op de wettigheidscontrole van de motieven van de beslissing van de selectiecommissie volstaat het dat zij in consensus een “gemotiveerd advies omtrent elke kandidaat” opstelt waarin haar beoordeling van de prestatie van de betrokken kandidaat wordt weergegeven. In de mate dat die beoordeling niet zozeer afhangt van het al dan niet correct beantwoorden van de gestelde vragen, maar veeleer de neerslag vormt van de impressie die de prestatie bij de selectiecommissie heeft gewekt, wordt van deze commissie niet vereist dat zij, door elk van haar beoordelingen te koppelen aan een welbepaalde passage uit het gevoerde gesprek, de “motieven van haar motieven” kenbaar maakt. De selectiecommissie is er met andere woorden niet toe gehouden elk aspect van haar beoordeling uitdrukkelijk te staven met concrete elementen die de conclusie schragen. In zoverre verzoeker zich erover beklaagt dat de presentatie van de kandidaten, de tijdens het interview gestelde vragen en de daarop gegeven antwoorden geen deel uitmaken van het aan de raad van bestuur voorgelegde dossier, faalt deze kritiek naar recht, aangezien er voor de selectiecommissie geen verplichting in die zin bestaat. Over elk van de kandidaten werd een verslag opgesteld waarin de tijdens het interview getoetste en beoordeelde competenties en de verschillende aan de kandidaat toegekende deelscores per competentie staan vermeld. Tevens wordt ook telkenmale verwoord waarom een bepaalde score aan de betrokken kandidaat wordt toegekend. De Raad van State kan zich ten slotte ook vinden in de volgende opmerking van de verwerende partij: “De raad van bestuur heeft ervoor geopteerd de vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten over te laten aan een selectiecommissie, die hij speciaal met dat doel samenstelde. Dat gebeurde in casu niet alleen of niet zozeer omdat hij daartoe zelf de nodige expertise zou ontberen – de selectiecommissie is immers grotendeels samengesteld uit leden van de IX-9697-10.189-32/44 raad van bestuur – maar omdat het weinig efficiënt zou geweest zijn om de hele procedure te laten plaatsvinden voor de voltallige raad van bestuur. De raad van bestuur behield weliswaar de eindverantwoordelijkheid, maar liet het doelbewust aan de selectiecommissie over om de rangschikking te bepalen. Hoewel hij zijn bevoegdheid daarmee niet heeft gedelegeerd aan de selectiecommissie, betekent dit wel dat het niet zijn bedoeling is geweest om nadien de hele procedure te reconstrueren. Van een overheid die een adviesorgaan in het leven roept om hem bij te staan, kan niet worden verwacht dat hij het hele denk- en afwegingsproces van dat adviesorgaan telkens reconstrueert en nagaat of hij tot dezelfde beoordeling was gekomen mocht hij zelf de hele procedure hebben gevoerd. Door dat te vereisen, ontneemt men de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een adviesorgaan van elk nut. Het was dus niet vereist – en dat is ook helemaal niet gebruikelijk in het kader van benoemingen – dat de raad van bestuur de presentaties van de kandidaten bekeek of beluisterde, de vragen die door de jury werden gesteld, nalas en de antwoorden die de kandidaten gaven, zelf stuk voor stuk beoordeelde. Aldus was het ook niet noodzakelijk dat die stukken aan de raad van bestuur werden overgemaakt.” Verzoeker trekt in het middel de deskundigheid van de selectiecommissie ook niet in twijfel. 46.3. Bij het nemen van zijn beslissing beschikte de raad van bestuur over de verslagen van de interviews en de rangschikking die de selectiecommissie had toegekend aan de geschikt bevonden kandidaten. Door die motieven bij te vallen, zonder een eigen aanvullend onderzoek, schendt de raad van bestuur niet de in het middel aangevoerde regels of beginselen. Met die verslagen is voorts voldaan aan het vereiste van de materiëlemotiveringsplicht dat de betwiste beslissing moet steunen op kenbare motieven die blijken uit het administratief dossier en door de Raad van State kunnen worden gecontroleerd. 47.1. Verzoeker acht zich in dit tweede onderdeel van zijn toelichting voorts nog gegriefd doordat in het door het selectiebureau opgestelde sollicitatieformulier niet alle functievereisten uit de functiebeschrijving aan bod zijn gekomen en daaraan niet werd tegemoetgekomen in het interview. Tijdens dit interview zijn volgens verzoeker al evenmin die in de functiebeschrijving IX-9697-10.189-33/44 opgenomen vereisten, die niet in het sollicitatieformulier zijn opgenomen, getoetst. 47.2. Deze kritiek is in het auditoraatsverslag, na onderzoek van het administratief dossier, als volgt weersproken (voetnoten weggelaten): “De omstandigheid dat niet alle functievereisten uit de functiebeschrijving zijn opgenomen in het door het selectiebureau opgestelde sollicitatie- formulier blijkt verzoeker […] geen nadeel te hebben berokkend. Verzoeker is op basis van de screening van zijn kandidatuur aan de hand van dit sollicitatieformulier en zijn CV immers mogen doorgaan naar het [assessment], en na dit assessment naar het interview.” In het auditoraatsverslag is voorts het volgende te lezen: “Daarbij komt dat gedurende deze ganse procedure (screening sollicitatieformulier en CV – vervolgens assessment – vervolgens interview) nagenoeg alle functievereisten en competenties uit de functiebeschrijving en het generiek competentieprofiel effectief aan bod zijn gekomen. Zo wordt in het sollicitatieformulier uitdrukkelijk gepeild naar: - opleiding - 6 jaar managementervaring op organisatieniveau - 10 jaar relevante professionele ervaring in een sector die te maken heeft met de gezondheid van mens en/of dier - inzicht in de manier waarop politieke beslissingsprocessen verlopen - kennis van en ervaring met de problematieken op vlak van gezondheid bij mens en/of dier - kennis van de sociaal-maatschappelijke en politieke context van de opdrachten bij Sciensano - ervaring met het budgettair beheren van projecten. Dit betreffen duidelijk (en nagenoeg letterlijk) de in de functiebeschrijving opgenomen ‘functievereisten’. Tijdens het [assessment] worden dan weer de volgende competenties beoordeeld: • informatie - integreren - visie ontwikkelen • mensen - inspireren - coachen en ontwikkelen • interpersoonlijk - samenwerken - netwerking - klantgericht optreden IX-9697-10.189-34/44 - beïnvloeden • zichzelf - betrouwbaarheid tonen - organisatiebetrokkenheid - objectieven halen - zich flexibel opstellen Dit betreffen de in het generiek competentieprofiel opgenomen competenties. Deze competenties zijn weliswaar niet allemaal letterlijk overgenomen van de in de functiebeschrijving opgenomen ‘algemene management- en bestuursvaardigheden’, maar stemmen er wel mee overeen of, anders gezegd, dekken alleszins eenzelfde lading. Het interview tot slot bevat dan weer een beoordeling van: - motivatie – inzicht in functie en uitdagingen - kennis – expertise inhoudelijke context - visie ontwikkelen - samenwerken - netwerken - klantgerichtheid - organisatiebetrokkenheid. Ook deze beoordeelde criteria zijn terug te brengen tot een aantal van de in de functiebeschrijving opgenomen ‘functievereisten’ en ‘algemene management- en bestuursvaardigheden’, ook al zijn ze niet letterlijk overgenomen uit de functiebeschrijving. Hoe verzoeker er toe komt dat de vereisten en bekwaamheden uit de functiebeschrijving niet allemaal aan bod zijn gekomen in de loop van de selectieprocedure, is voor verslaggeefster dan ook een raadsel. Dat aan de in de functiebeschrijving opgenomen vereisten en bekwaamheden [mogelijk] niet steeds letterlijk dezelfde benaming wordt gegeven tijdens de selectieprocedure of dat een tijdens de selectieprocedure getoetste competentie [mogelijk] meerdere vereisten en bekwaamheden uit de functiebeschrijving omhelst, betekent geenszins dat in de selectieprocedure voorbij is gegaan aan de in de functiebeschrijving opgenomen vereisten. De titels en verdiensten van verzoeker enerzijds en [CL] anderzijds zijn in de loop van de selectieprocedure wel degelijk getoetst aan de vereisten en bekwaamheden uit de functiebeschrijving.” 47.3. Verzoeker is het er in zijn laatste memorie niet mee eens dat de rechtsgeldigheid van de vergelijking van de kandidaten enkel wordt beoordeeld aan de hand van het sollicitatieformulier en de functiebeschrijving, maar hij weerspreekt geen van deze concrete bevindingen. De Raad kan ze, na eigen onderzoek van het dossier, bijvallen. Overigens steunen ze niet enkel op het sollicitatieformulier en de functiebeschrijving, maar ook op het competentieprofiel dat in de assessmentverslagen is opgenomen. IX-9697-10.189-35/44 Deze vaststellingen zijn voorts een antwoord op verzoekers in de toelichting gegeven kritiek en niet, zoals hij beweert, een beoordeling “in de plaats van het bestuur”. 47.4. In dat verband mag nog worden aangestipt dat verzoeker wel aanvoert dat bepaalde van de in het functieprofiel vastgestelde functievereisten niet zijn betrokken in de vergelijking van de titels en verdiensten, maar dat hij geen regel aanwijst die de selectiecommissie ertoe verplicht bij de mondelinge proef elke in het functieprofiel opgesomde functievereiste of competentie die ook al eerder in de procedure aan bod is gekomen opnieuw te toetsen. Die commissie beschikt bij de vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten over een ruime discretionaire bevoegdheid op grond waarvan zij het gewicht dat aan de verschillende beoordelingscriteria gehecht moet worden, mag bepalen. Verzoeker beweert niet dat de tijdens het interview getoetste criteria niet objectief, redelijk en pertinent zijn, niet in relatie staan tot de te begeven betrekking of niet op gelijke wijze op hem en CL zijn toegepast. Geconfronteerd met de hiervóór aangehaalde analyse in het auditoraatsverslag, toont verzoeker evenmin aan dat een welbepaald, voor de functie doorslaggevend criterium ten onrechte niet, of ten onrechte enkel tijdens de initiële screening of de assessmentproef is onderzocht. 47.5. Aan de hand van het tweede onderdeel van zijn toelichting maakt verzoeker dan ook de schending van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen niet aannemelijk. e. derde onderdeel 48. Zoals uiteengezet bij de beoordeling van het tweede onderdeel, verplicht geen van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen de selectiecommissie om de kandidaten te onderwerpen aan een interview waarin álle criteria van de functiebeschrijving en van het competentieprofiel worden IX-9697-10.189-36/44 afgevinkt. Evenmin is zij op grond van die bepalingen en beginselen verplicht om de criteria die zij in aanmerking neemt vooraf aan de kandidaten mee te delen. Hiervóór is ook vastgesteld dat de raad van bestuur niet onregelmatig handelt, door zijn beslissing te steunen op de gemotiveerde rangschikking van de kandidaten door de door hem aangestelde selectiecommissie. De meeste punten van kritiek die verzoeker aanbrengt in het derde onderdeel van zijn toelichting vertrekken van een tegenovergesteld, verkeerd uitgangspunt. In die mate faalt deze kritiek naar recht. Overigens, voor zover verzoeker in dit derde onderdeel van de toelichting stelt dat de bij het interview in aanmerking genomen criteria willekeurig zijn, dient vastgesteld te worden dat hij zulks niet nader uitwerkt. Een losse bewering behoeft geen onderzoek. Hiervóór is vastgesteld dat verzoeker niet aantoont dat de in aanmerking genomen criteria niet objectief en relevant zijn; dat doet hij thans ook niet door louter te stellen dat ze willekeurig zijn. 49. In het selectiereglement is geschreven dat het assessment resulteert in een advies ‘geschikt’ of ‘niet geschikt’ en “eliminerend” is. Zoals verzoeker het zelf schrijft, is het assessmentgedeelte niet bedoeld als een vergelijking tussen de kandidaten, maar strekt het enkel ertoe de niet geschikte kandidaten te weerhouden. Geen enkel van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen verplicht de selectiecommissie of de raad van bestuur om, in strijd met het selectiereglement, aan het verslag van de assessmentproef een andere draagwijdte te geven. 50. Een andere zaak is het, dat het verzoeker vrijstaat om de inhoud van het beschrijvend verslag van de assessmentproef zélf te berde te brengen, IX-9697-10.189-37/44 indien hij meent dat dit één van zijn grieven kan aantonen of mede onderbouwen. In de mate dat hij zulks doet, wordt er hierna op ingegaan. Verzoeker kon in het auditoraatsverslag daaromtrent het volgende lezen (voetnoten weggelaten): “In een eerste argument in dit derde middelonderdeel gaat verzoeker in op de beoordeling van het [assessment] die aan hemzelf en aan [CL] is toegekend en meent hij daaruit te kunnen afleiden dat zijn aanspraken en verdiensten in dit assessment manifest hoger worden ingeschat dan deze van [CL]. Hier dient te worden opgemerkt dat verzoeker toch wel een erg eigen interpretatie geeft aan de beoordelingen die zijn gedaan naar aanleiding van het assessment. Door zeer selectief zijn eigen sterktes enerzijds en de aandachtspunten van [CL] anderzijds in die beoordelingen te lezen, laat verzoeker uitschijnen als zou hij voor dit assessment beter beoordeeld zijn geweest dan [CL]. Niets is minder waar. Een correcte en volledige lezing van de aan verzoeker gegeven beoordeling enerzijds en de aan [CL] gegeven beoordeling anderzijds leert nl. dat op basis van dit assessment beiden geschikt worden bevonden voor de functie van algemeen directeur van Sciensano. In een algemene synthese staan voor hen beiden zowel hun sterktes als hun aandachtspunten vermeld, zonder dat daaruit kan worden afgeleid – in tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt – dat de voorkeur dient te worden gegeven aan de ene dan wel de andere kandidaat. […] Uit de sterkte-zwakte analyse blijkt nog dat [CL] meer ‘sterke punten’ krijgt tegenover verzoeker (negen acht) en dat [CL] minder ‘aandachtspunten’ krijgt dan verzoeker (vier vijf). Een correcte en volledige lezing van deze naar aanleiding van het assesment gedane beoordelingen geeft aldus een totaal ander beeld dan wat verzoeker tracht voor te houden. Uit het assessment kan alleszins niet worden afgeleid dat verzoeker hier beter zou zijn beoordeeld dan [CL].” Deze analyse is feitelijk correct. De Raad gaat niet zover om aan het kwantitatief verschil in de sterkte-zwakte-analyse ook een kwalitatief verschil te koppelen, wat immers zou ingaan tegen het niet-vergelijkend karakter van deze proef. Duidelijk is wel, dat de assessmentverslagen zowel verzoeker als CL op een genuanceerde wijze, met hun sterke en zwakke punten, ‘geschikt’ hebben verklaard en dat het beschrijvend verslag over elke kandidaat niet toelaat te concluderen dat verzoeker zodanig boven CL uitsteekt, dat hij met voorsprong de beste kandidaat zou zijn – ongeacht dan nog zijn prestatie op het interview. IX-9697-10.189-38/44 51. Verzoeker geeft niet alleen van de beschrijvende verantwoording in de assessmentproef, maar ook van de verslagen van de interviews een eigen lezing. Daarmee toont hij aan het niet eens te zijn met de beoordeling van de raad van bestuur. Meer nog, het is niet uitgesloten dat hij een aanvaardbare inschatting verwoordt van de prestaties van de kandidaten, waartoe ook een ándere selectiecommissie had kunnen komen. Maar zelfs in dat geval toont hij nog niet aan dat déze selectiecommissie de grenzen van haar beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan. De selectiecommissie beschikt nu eenmaal over een beoordelingsruimte, wat betekent dat in redelijkheid over de verdiensten van de kandidaten verschillend kan worden geoordeeld. De Raad van State is geen beroepsinstantie die de beoordeling van de kandidaten overdoet. Hij kan als wettigheidsrechter enkel beteugelend optreden, zo verzoeker aantoont dat de appreciatie van de kandidaten feitelijk onjuist is – die poging onderneemt hij niet – of dat ze de grenzen van die beoordelingsvrijheid te buiten gaat omdat de benoemende overheid een kennelijke beoordelingsfout maakt – dat bewijs levert verzoeker niet. Met scores van 44/70, respectievelijk 46/70, waren beide kandidaten bijna aan elkaar gewaagd. In de verantwoording van die scores is te lezen dat zowel verzoeker als CL op bepaalde punten de selectiecommissie minder hebben kunnen overtuigen. Dat verzoeker nu de nadruk legt op bepaalde zwaktes van CL, betekent niet dat de selectiecommissie en vervolgens de raad van bestuur onwettig handelen door aan andere punten een groter gewicht toe te kennen en in globo het oordeel naar CL te laten overhellen. Evenmin is daarmee aangetoond dat verzoeker in vergelijking met CL over manifest grotere aanspraken beschikt. 52. De kritiek van verzoeker over de wijze van dienen van CL als algemeen directeur treft geen doel. Dat voorts met zijn eigen relevante ervaring tijdens de pandemiecrisis “ten onrechte” geen rekening is gehouden, is niet meer dan een losse bewering en een persoonlijke overtuiging. IX-9697-10.189-39/44 Verzoeker toont immers niet aan dat de raad van bestuur onwettig handelt, door te beslissen om ingevolge de intrekking van het eerste aanstellingsbesluit het dossier niet te actualiseren en dus met beider ondertussen opgedane ervaring geen rekening te houden. Evenmin blijkt dat, spijts dit standpunt, de raad van bestuur in de ene of de andere zin wél steunt op de jongste ervaring van de beide kandidaten om zijn beslissing te onderbouwen. f. besluit 53. Wat voorafgaat leidt tot het besluit dat verzoeker de schending van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen niet heeft aangetoond. Het middel wordt verworpen. IX. Omvang van de uit te spreken vernietiging en handhaving van de gevolgen 54. De verwerende partijen voeren een betoog over de omvang van de in voorkomend geval uit te spreken nietigverklaring. Ook vragen zij om in voorkomend geval met toepassing van artikel 14ter RvS-Wet de gevolgen van de bestreden beslissingen tijdelijk te handhaven. 55. Gelet op wat voorafgaat en de daaruit resulterende verwerping van de beide beroepen, zijn deze vragen zonder voorwerp. X. Verzoek tot schadevergoeding tot herstel 56. In de zaak A. 230.555 – maar niet in de zaak A. 237.927 – vraagt verzoeker een schadevergoeding tot herstel. Het instellen van de vordering tot schadevergoeding tot herstel plaatst de Raad van State in voorkomend geval voor de verplichting om spijts het verlies aan belang bij de nietigverklaring niettemin een onderzoek van de IX-9697-10.189-40/44 middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing vast te stellen “voor zover dat nodig is om over de ingediende vordering tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen”, aldus het meervermelde arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019. 57. De door verzoeker gevorderde schadevergoeding berust op het verschil tussen zijn wedde en de wedde die hij zou hebben ontvangen in het geval van benoeming tot algemeen directeur van Sciensano. 58. Hiervóór zijn de meeste middelen in het kader van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 230.555 onderzocht – namelijk die middelen die ook betrokken konden worden op het tweede aanstellingsbesluit. Daarbij is géén onwettigheid vastgesteld, die de weg opent naar de toekenning van een schadevergoeding tot herstel. Naar het oordeel van de Raad van State dient hij zich over de andere middelen, die enkel op het eerste aanstellingsbesluit zijn te betrekken, niet uit te spreken. De verwerping van het beroep in de zaak A. 237.927 betekent immers dat, eensdeels, de intrekking van het in de eerste zaak aangevochten eerste aanstellingsbesluit definitief is en, anderdeels, dat ook het in de beide zaken aangevochten tweede aanstellingsbesluit definitief is en dat, bijgevolg, de aanstelling van CL bij besluit van 28 september 2022 elke wettigheidskritiek heeft doorstaan. Daaruit volgt dan weer, dat ongeacht de mogelijke onwettigheden die verzoeker nog zou kunnen aantonen in de nog niet onderzochte middelen, het oorzakelijk verband tussen die onwettigheden, die kleven aan de ingetrokken aanstellingsbeslissing, en de schade waarvoor hij een vergoeding wenst te verkrijgen, verbroken is. Zowel het financieel als het mogelijk morele nadeel dat hij in zijn verzoek tot schadevergoeding vermeldt, volgt nu immers uit de niet onwettig gebleken benoeming van CL bij besluit van 28 september 2022. Om over het verzoek tot schadevergoeding uitspraak te IX-9697-10.189-41/44 kunnen doen, is het met andere woorden niet “nodig” om “een onderzoek van de middelen te verrichten”. 59. Het verzoek tot schadevergoeding kan niet worden ingewilligd. XI. Kosten 60. In de zaak 230.555 is het initieel bestreden aanstellingsbesluit ingetrokken door de raad van bestuur van Sciensano, met verwijzing naar verzoekers beroep in die zaak, de in het eerste middel in die zaak vermelde onregelmatigheden betreffende de oproeping van de leden van de raad van bestuur en betreffende het opstellen van het proces-verbaal na de beraadslaging en het voor de verwerende partijen op dit punt ongunstige auditoraatsverslag. In die omstandigheden is er reden om de eerste verwerende partij tot de kosten van die zaak te veroordelen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding die verschuldigd is aan verzoeker. 61. De verwerende partijen in de zaak A. 237.927 hebben samen één memorie van antwoord ingediend en één laatste memorie; zij hebben hun verweer bijgevolg tezamen gevoerd. Daarenboven heeft verzoeker tegen de goedkeuringsbeslissingen van de tweede verwerende partij geen autonome middelen aangevoerd en hun nietigverklaring enkel gekoppeld aan de onwettigheid van het goedgekeurde besluit. In die omstandigheden moet de vraag van de verwerende partijen om hen het dubbel van de rechtsplegingsvergoeding toe te kennen, worden afgewezen. BESLISSING 1. De zaken nrs. A. 230.555/IX-9697 en A. 237.927/IX-10.189 worden gevoegd. IX-9697-10.189-42/44 2. De Raad van State verwerpt de beroepen. 3. De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. 4. De eerste verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 230.555/IX-9697, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 237.927/IX-10.189, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen, elk voor de helft. Het onverschuldigde recht in verband met het verzoek tot een schadevergoeding tot herstel, begroot op 224 euro, dient aan de verzoekende partij te worden terugbetaald. IX-9697-10.189-43/44 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-9697-10.189-44/44 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.380 Gerelateerde publicatie(
  5. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.