id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.381 Rolnummer: A. 235590/XIV-38954 Zaak: Arrest 260381 - Tucht (openbaar ambt) - 02/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-15 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-11 03:18 Fiche Arrest nr 260.381 van 2 juli 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 260.381 van 2 juli 2024 in de zaak A. 235.590/XIV-38.954 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 31 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 22 december 2021 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 258.460 van 16 januari 2024 werd het debat heropend en het door de Auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek. XIV-38.954-1/14 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 juni
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn die verschijnt voor verzoeker en adviseur Vincent Govaerts die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 258.460 van 16 januari
- Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord de exceptie op dat het beroep niet-ontvankelijk is, daar verzoeker geen verzoek tot heroverweging bij de Tuchtraad heeft ingediend, zodat de bestreden beslissing geen in laatste aanleg genomen beslissing is. XIV-38.954-2/14 In het tussenarrest nr. 258.460 van 16 januari 2024 wordt een aanvullend onderzoek gelast op grond van de volgende overwegingen: “
- Van diegene die een jurisdictioneel beroep instelt, mag worden verwacht dat hij voorafgaandelijk alle procedureel gewaarborgde mogelijkheden uitput om zijn rechten te vrijwaren. Het verzoek tot heroverweging tegen een voorstel van zware tuchtstraf bij de Tuchtraad bedoeld in artikel 51bis van de tuchtwet kan de rechtspositie van het betrokken personeelslid in gunstige zin beïnvloeden. Deze mogelijkheid om een verzoek tot heroverweging in te dienen moet dan ook worden aangemerkt als een substantiële vorm in de besluitvormingsprocedure, die door het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid moet worden benut, opdat hij zijn recht op het instellen van een annulatieberoep niet zou verbeuren. Het voorgaande moet echter worden genuanceerd in zoverre door een verzoekende partij in het verzoekschrift middelen worden aangevoerd die zij hoe dan ook in de bestuurlijke fase voor de Tuchtraad niet zou hebben kunnen doen gelden. Haar beroep zou dan wel ontvankelijk zijn voor zover zij in de jurisdictionele fase dergelijke middelen aanvoert. De Raad van State moet dan ook de door een verzoekende partij aangevoerde middelen vanuit dat oogpunt onderzoeken.
- Artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalt: ‘Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 51bis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen. […]’ Artikel 51bis van de Tuchtwet bepaalt: ‘Het personeelslid aan wie een zware tuchtstraf wordt voorgesteld, kan tegen deze beslissing een verzoek tot heroverweging instellen bij een ter post aangetekend schrijven gericht aan de tuchtraad binnen tien dagen na de in artikel 38sexies, eerste lid, bedoelde kennisgeving. Een kopie wordt door de tuchtraad aan de betrokken hogere tuchtoverheid toegezonden. […]’. Uit die bepalingen volgt dat de hogere tuchtoverheid haar beslissing moet meedelen uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater van de tuchtwet bedoelde verweertermijn van dertig dagen. Zoals te dezen, kan die beslissing onder meer het voorstel inhouden om één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. Tegen de beslissing waarbij een zware tuchtstraf wordt voorgesteld, kan het personeelslid overeenkomstig artikel 51bis van de tuchtwet bij de Tuchtraad een verzoek tot heroverweging instellen. Wanneer geen dergelijk verzoek tot heroverweging wordt ingediend, bevestigt en deelt de hogere tuchtoverheid haar ‘definitieve beslissing’ XIV-38.954-3/14 mee aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen.
- Te dezen heeft verzoeker geen verzoek tot heroverweging ingediend bij de Tuchtraad tegen het voorstel van zware tuchtstraf. Hoewel van verzoeker in principe wordt verwacht dat hij voorafgaandelijk alle procedureel gewaarborgde mogelijkheden uitput om zijn rechten te vrijwaren, kan van een verzoeker evenwel niet worden geëist dat hij een verzoek tot heroverweging indient om het recht te behouden om in het kader van een jurisdictioneel beroep onwettigheden te kunnen opwerpen die dateren van na het verstrijken van de termijn om een verzoek tot heroverweging in te dienen. In het licht van wat voorafgaat, rijst aldus ambtshalve de vraag of verzoeker in het verzoekschrift middelen heeft aangevoerd die hij hoe dan ook in de bestuurlijke fase voor de Tuchtraad niet zou hebben kunnen doen gelden, in welk geval de Raad van State dan die middelen vanuit dat oogpunt op hun merites zou moeten onderzoeken. Deze aangelegenheid, die desgevallend de beslechting van het beroep kan beïnvloeden, is niet onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek.”
- Het auditoraatsverslag na aanvullend onderzoek besluit: “Vooreerst moet, in navolging/uitvoering van de onderzoeksmaatregel, worden aangenomen dat het aangevoerde middel, zoals geformuleerd in het verzoekschrift -schending van de redelijke termijn-, onmogelijk voor de tuchtraad had kunnen worden aangevoerd, zodat het beroep ontvankelijk moet worden verklaard.” In de laatste memorie na aanvullend onderzoek valt de verwerende partij dit standpunt bij en besluit zij: “De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring dan ook niet langer.” In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het beroep ontvankelijk.
- De exceptie van niet-ontvankelijkheid is ongegrond. XIV-38.954-4/14 V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- In het verzoekschrift voert verzoeker de schending aan van de redelijketermijneis als beginsel van behoorlijk bestuur. Hij zet uiteen dat het voorstel van zware tuchtstraf aan hem ter kennis is gegeven op 21 mei 2021, dat de termijn om een verzoek tot heroverweging in te dienen bijgevolg verstreek op 31 mei 2021, zodat het voor de hogere tuchtoverheid vanaf 1 juni 2021 duidelijk was dat verzoeker geen dergelijk verzoek had ingediend en dat zij een eindbeslissing moest nemen overeenkomstig artikel 38sexies, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Artikel 38sexies, tweede lid, van de tuchtwet voorziet niet in een vervaltermijn om die eindbeslissing te nemen, zodat de redelijketermijneis als beginsel van behoorlijk bestuur geldt. Daar de eindbeslissing pas werd genomen op 22 december 2021, is de redelijketermijneis geschonden. Ter adstructie van het middel verwijst verzoeker naar rechtspraak van de Raad van State waaruit hij afleidt dat de tuchtoverheid diligent moet zijn en dat elke vermijdbare vertraging uit den boze is. Verzoeker toetst vervolgens de beoordelingscriteria om na te gaan of de redelijke termijn is geschonden aan de concrete gegevens van de zaak. Hij benadrukt daarbij dat hij er belang bij heeft dat de zaak vooruitgaat, om niet alleen een zicht te hebben op zijn tuchtrechtelijk lot en de uitvoering van de tuchtstraf, maar ook op de verdere toekomst, met name wanneer hij ingevolge de uitwissing van de tuchtstraf opnieuw een blanco tuchtblad kan hebben. Het belang van de zaak voor verzoeker is daarom groot. Ook in moreel opzicht acht verzoeker het belangrijk dat de tuchtstraf uitwerking kent, zodat ze kan doorwerken en vervolgens achter de rug is. Voorts wijst verzoeker erop dat de complexiteit van de zaak nihil is, daar de hogere tuchtoverheid in de gegeven omstandigheden het voorstel van zware tuchtstraf niet meer kan wijzigen. Verzoeker besluit dat hij bereid is aan te nemen dat het nemen van de eindbeslissing enkele weken kan vergen, doch dat gelet op de specificiteit van de tuchtprocedure en de noodzaak tot een vlotte en vlugge doorloop ervan een termijn van zeven maanden onredelijk lang is en de redelijketermijneis schendt. XIV-38.954-5/14
- Noch in de memorie van antwoord, noch in de laatste memorie voor het aanvullend onderzoek bespreekt de verwerende partij het middel. In de laatste memorie na het aanvullend onderzoek betwist de verwerende partij vooreerst verzoekers belang bij het middel. Zij zet uiteen dat verzoeker geenszins is benadeeld door het feit dat de bestreden beslissing pas is genomen op 22 december 2021 in plaats van begin juni
- De impact van de bestreden beslissing op verzoekers loopbaan zou juist veel groter zijn geweest, indien de beslissing in juni 2021 zou zijn genomen en wel op twee punten, met name de uitvoering van de bestreden beslissing en de uitwissingstermijn. Wat de uitvoering van de bestreden beslissing betreft, wijst de verwerende partij erop dat verzoeker langer heeft kunnen genieten van de loonschaal B
- Indien de beslissing in juni 2021 zou zijn genomen, zou verzoeker in de periode van juli 2021 tot april 2022 een wedde hebben ontvangen berekend op basis van de loonschaal B
- Sinds 1 mei 2022 geniet verzoeker het stelsel van de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering (hierna: NAVAP) en ontvangt hij een wachtgeld op basis van de loonschaal van de laatste activiteitswedde, zijnde de loonschaal B
- Daar de bestreden beslissing pas in december 2021 is genomen, genoot verzoeker in de periode van juli 2021 tot december 2021 nog een wedde berekend op de loonschaal B
- Pas vanaf januari 2022 werd zijn wedde berekend op basis van de loonschaal B
- Wat de uitwissingstermijn betreft, wijst de verwerende partij er vooreerst op dat er geen impact is op de uitwissingstermijn bepaald in artikel 57 van de tuchtwet, daar die uitwissingstermijn pas begint te lopen van zodra de tuchtstraf is opgelegd. Bijkomend merkt de verwerende partij op dat indien de tuchtstraf eerder was opgelegd, de tuchtstraf langer op het blad der tuchtstraffen zou zijn vermeld dan nu het geval is. Op 12 juli 2022 en op 25 april 2023 werd verzoeker immers nogmaals de tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal opgelegd, zodat de bestreden beslissing pas wordt uitgewist op het ogenblik dat de tuchtstraf van 25 april 2023 wordt uitgewist. Het langer uitblijven van de bestreden beslissing heeft dus geen negatieve impact gehad op de loopbaan van verzoeker, aldus de verwerende partij. XIV-38.954-6/14 Voorts zet de verwerende partij uiteen dat het middel ongegrond is. De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld aan de hand van de totale duur van de procedure, alsook aan de hand van de zorgvuldigheid waarmee de tuchtoverheid de procedure in de tussenliggende fasen heeft gevoerd. De verwerende partij wijst erop dat de verschillende tussenstappen steeds met bekwame spoed werden afgewerkt en dat de totale tuchtprocedure elf maanden in beslag nam, wat gelet op de bijkomende getuigenverhoren die werden afgenomen een redelijke termijn is. Beoordeling Exceptie inzake het belang bij het middel
- De verwerende partij betwist verzoekers belang bij het middel omdat verzoeker niet is benadeeld door het feit dat de bestreden beslissing pas is genomen op 22 december 2021 in plaats van begin juni
- Wat het verweer betreft in de laatste memorie na het aanvullend verslag dat verzoeker geen belang heeft bij het middel, raakt deze exceptie de openbare orde. Hieruit volgt dat deze in beginsel door de verwerende partij in elke stand van het geding kan worden ontwikkeld en desnoods door de Raad van State ambtshalve wordt onderzocht. Het voorgaande staat er evenwel niet aan in de weg dat van de verwerende partij, die in die omstandigheden een nieuwe exceptie opwerpt, een loyale procesvoering moet worden verwacht. Voorts is het de verwerende partij toegelaten elementen die haar niet bekend waren op het ogenblik van het indienen van de voorafgaande procedurestukken en die pas aan het licht zijn gekomen nadien, voor het eerst in haar navolgende procedurestuk aan te voeren. De exceptie van de verwerende partij wordt aldus vanuit de voornoemde principes onderzocht. XIV-38.954-7/14
- Te dezen zet de verwerende partij niet uiteen waarom zij tot de allerlaatste stap in de procedure heeft gewacht om deze exceptie te formuleren. De verwerende partij voert twee feitelijke elementen aan waaruit volgens haar volgt dat verzoeker geen belang heeft bij het middel. Het eerste feitelijk element betreft de uitvoering van de bestreden beslissing. In de mate dat de verwerende partij als element ter adstructie van haar exceptie aanvoert dat verzoeker van begin juni 2021 tot de datum van de bestreden beslissing op 22 december 2021 nog zijn hogere loonschaal B5 genoot waaruit hij werd teruggezet, dateert dit feitelijk gegeven van vóór de bestreden beslissing. Dit element kon derhalve evident reeds worden aangevoerd in de memorie van antwoord. In de mate dat de verwerende partij stelt dat verzoeker sinds 1 mei 2022 het stelsel van de NAVAP geniet, moet dat gegeven de verwerende partij reeds gekend zijn op het ogenblik van het indienen op 6 februari 2023 van haar laatste memorie na het verslag. Het tweede feitelijk element waarop de verwerende partij zich steunt, betreft de uitwissingstermijn die niet werd beïnvloed doordat nadien aan verzoeker navolgende zware tuchtstraffen werden opgelegd op 12 juni 2022 en op 25 april
- Wat de tuchtstraf opgelegd op 12 juni 2022 betreft, wordt vastgesteld dat die dateert van vóór het indienen van de laatste memorie van de verwerende partij na verslag. Dat gegeven moet derhalve op dat ogenblik door de verwerende partij reeds gekend zijn. Anders betreft het de tuchtstraf opgelegd op 25 april 2023, zodat dit een nieuw gegeven betreft. Uit wat voorafgaat blijkt dat de verwerende partij geen deugdelijke redenen heeft die haar stilzitten en wachten tot de laatste memorie na het aanvullend verslag om de exceptie aan te voeren, verantwoorden, minstens aannemelijk maken, behoudens het gegeven dat nadien op 25 april 2023 een tuchtstraf werd opgelegd, waardoor de uitwissingstermijn van de bestreden tuchtbeslissing niet werd beïnvloed. Dat doet de Raad van State besluiten dat de XIV-38.954-8/14 proceshouding van de verwerende partij niet getuigt van de gepaste loyauteit ten aanzien van de merites van een correct en efficiënt procesverloop waaronder het dubbel onderzoek, wat de eerstgenoemde elementen betreft. In die omstandigheden is de voor het eerst in de laatste memorie na het aanvullend verslag aangevoerde exceptie slechts ontvankelijk in de mate dat daarin voor het eerst wordt aangevoerd dat verzoeker geen belang heeft bij het middel doordat ingevolge de tussengekomen tuchtstraf van 25 april 2023, de feitelijke uitwissingstermijn van de bestreden beslissing niet is beïnvloed door het tijdstip waarop de bestreden beslissing werd genomen. De exceptie wordt vanuit dit oogpunt onderzocht.
- Luidens artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geven de in artikel 14, § 1, eerste lid, van die wetten bedoelde onregelmatigheden, zoals de schending van substantiële vormvereisten, slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden.
- De verwerende partij betwist verzoekers belang bij het middel omdat verzoeker niet is benadeeld door het feit dat de bestreden beslissing pas is genomen op 22 december 2021 in plaats van begin juni
- De Raad van State stelt vast dat het middel er toe strekt te onderzoeken of de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf tot stand is gekomen met naleving van de redelijketermijneis. Verzoeker voert derhalve de schending aan van een beginsel van behoorlijk bestuur dat - minstens gedeeltelijk - tot doel heeft om belangen te beschermen die inpasbaar zijn in het belang van verzoeker bij de vernietiging van een tuchtstraf. Een verzoeker die een dergelijke tuchtbeslissing bestrijdt, is er immers mee gebaat dat deze beslissing binnen een redelijke termijn tot stand is gekomen. XIV-38.954-9/14 Zulks volstaat opdat verzoeker een belang heeft bij het middel. Het loutere gegeven dat het uitblijven van de bestreden beslissing, gelet op het opleggen van de navolgende tuchtstraf, geen impact heeft op de termijn waarna de bestreden beslissing wordt uitgewist, doet niet anders oordelen - ook al erkent verzoeker deze feitelijke gegevens die aan de exceptie ten grondslag liggen nu niet blijkt, noch wordt aangevoerd, in welke mate de uitwerking van de uitwissingstermijn te dezen in concreto geen invloed had, c.q. kon hebben op verzoekers loopbaan.
- De exceptie is ongegrond in de mate dat ze ontvankelijk is. De gegrondheid van het middel Exceptie van verzoeker inzake het verweer aangevoerd door de verwerende partij in de laatste memorie na het aanvullend verslag
- Verzoeker voert in zijn laatste memorie na het aanvullend verslag aan dat het “verweerelement” van de verwerende partij dat de redelijketermijneis niet is geschonden niet-ontvankelijk is, omdat het pas in de laatste memorie na het aanvullend verslag wordt opgeworpen, terwijl de verwerende partij dit eerder in de procedure had kunnen opwerpen. Door alzo te handelen wordt het normale procedureverloop met zijn waarborgen van woord en wederwoord ernstig verstoord en was het auditoraat niet in de gelegenheid hierover een standpunt te formuleren.
- De verwerende partij is in de memorie van antwoord (en de laatste memorie voor het aanvullend verslag) uitsluitend ingegaan op de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring. In de mate dat de verwerende partij in haar laatste memorie na het aanvullend verslag aanvoert wat zij reeds in de memorie van antwoord had kunnen aanvoeren, met name het ongegrond zijn van het enig middel, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. De laatste XIV-38.954-10/14 memorie, die wezenlijk ertoe strekt de partijen de kans te bieden te reageren op het auditoraatsverslag, wordt immers oneigenlijk gebruikt en het normale verloop van de rechtsgang wordt verstoord indien zou worden aangenomen dat ze kan worden aangewend om verweer dat eerder kon worden gevoerd maar niet werd gevoerd, dat de auditeur-verslaggever niet in zijn onderzoek van de zaak heeft kunnen betrekken, alsnog mede tot voorwerp van het tegensprekelijke debat te maken.
- De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Er wordt bij de navolgende beoordeling van de gegrondheid van het middel geen rekening gehouden met het voornoemde verweer van de verwerende partij. De gegrondheid van het middel
- Het is een beginsel van behoorlijk bestuur dat de tuchtoverheid, wanneer, zoals te dezen, haar in de regelgeving daarvoor geen specifieke termijn is opgelegd, de tuchtprocedure tegen het betrokken personeelslid afhandelt binnen een redelijke termijn. Die termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat het betrokken personeelslid ervan op de hoogte wordt gebracht dat hem mogelijk tuchtfeiten ten laste worden gelegd en eindigt met het nemen en ter kennis brengen van de tuchtstraf. De redelijkheid van de termijn voor het afhandelen van de tuchtprocedure moet voor elk geval afzonderlijk worden beoordeeld, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met het belang voor de betrokkene, met de complexiteit van de zaak en met de houding en het gedrag van de partijen. De verplichting om een tuchtzaak zonder verwijl af te handelen, houdt niet alleen verband met het beëindigen van de onzekerheid waarin een tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar zich bevindt, maar ook met de ordentelijke werking van de dienst, die vereist dat elke verstoring van de orde zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Als een redelijke termijn wordt beschouwd de tijd die normaal nodig is om een zaak haar beslag te geven. Daarbij komt dat de redelijkheid van de termijn in concreto moet worden beoordeeld, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. XIV-38.954-11/14 De vraag of een tuchtprocedure binnen een redelijke termijn is afgehandeld, moet in de eerste plaats in globo worden onderzocht, rekening houdend met de reglementair voorgeschreven procedurestappen en met de feitelijke stappen tijdens de besluitvorming vereist voor een zorgvuldig onderzoek, zoals het stellen van onderzoeksdaden. Een onderzoek van elk van die onderscheiden fasen en de al dan niet gegeven verantwoording voor de duur ervan, kan dan nodig zijn om tot een besluit te komen over het al dan niet redelijke karakter van het volledige tijdsverloop. Wanneer het totale tijdsbeslag op zich niet ervan doet blijken dat de redelijketermijneis geschonden is, kan die schending vervolgens toch blijken uit een onverantwoord lang stilzitten van het bestuur tijdens de ene of andere fase van de tuchtprocedure. Daartoe moet verzoeker evenwel aantonen dat hij wegens dit stilzitten een nadeel heeft geleden, bijvoorbeeld dat getuigen niet meer (betrouwbaar) ondervraagd konden worden, precies omwille van dit tijdsverloop. Hij moet, met andere woorden, aantonen dat de in die fase opgelopen vertraging niet is goedgemaakt door de afdoend snelle afhandeling van de totale procedure, in haar geheel beschouwd.
- Te dezen is voor de verwerende partij de redelijke termijn voor de afhandeling van de tegen verzoeker ingeleide tuchtprocedure aangevangen met de kennisgeving van het inleidend verslag van 12 januari
- De op 12 januari 2021 ingeleide tuchtprocedure is afgesloten met de thans bestreden beslissing van de hogere tuchtoverheid van 22 december
- De tuchtprocedure heeft aldus meer dan elf maanden in beslag genomen.
- Zoals hiervoor werd uiteengezet (zie supra, nr. 18) wordt de redelijkheid van de termijn voor het afhandelen van de tuchtprocedure voor elk geval afzonderlijk beoordeeld, rekening houdende met het belang voor de betrokkene, met de complexiteit van de zaak en met de houding en het gedrag van de partijen. Met verzoeker wordt vastgesteld dat het belang van de zaak voor hem groot is, daar de bestreden beslissing een zware tuchtstraf oplegt. Wat de XIV-38.954-12/14 houding van de partijen betreft, wijst verzoeker er terecht op dat de hogere tuchtoverheid lange tijd inert is gebleven en dat het bijna zeven maanden heeft geduurd om een louter formele definitieve beslissing te nemen, nadat vanaf 1 juni 2021 vaststond dat verzoeker geen verzoek tot heroverweging bij de Tuchtraad had ingediend. Daarbij komt, zoals verzoeker eveneens terecht opwerpt, dat de bestreden beslissing van geen enkele complexiteit getuigt, daar overeenkomstig artikel 38sexies, tweede lid, van de tuchtwet de hogere overheid – wanneer geen verzoek tot heroverweging is ingesteld – haar definitieve beslissing meedeelt “zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen”. Waarom daartoe een termijn van bijna zeven maanden nodig was, blijkt niet uit het administratief dossier en licht de verwerende partij ook niet toe. Een termijn van meer dan elf maanden om de bestreden beslissing te nemen, schendt in de concrete omstandigheden van de zaak de redelijketermijneis.
- Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 22 december 2021 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-38.954-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.954-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.381 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.460 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div