← België

Arrest 260386 - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen - 03/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.386 Rolnummer: A. 241194/XIV-39371 Zaak: Arrest 260386 - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen - 03/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-15 Raadplegingen: 288 - laatst gezien 2026-06-19 03:06 Fiche Arrest nr 260.386 van 3 juli 2024 Economische zaken - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 260.386 van 3 juli 2024 in de zaak A. 241.194/XIV-39.371 In zake: XXXX tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissingen van 1 februari 2024 van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie “dat ik niet voldoe aan de voorwaarden van de wet van 19 december 2022 om recht te hebben op het basispakket voor januari tot maart 2023.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van XIV-39.371-1/10 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 juni 2024. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 1 februari 2024 weigert de verwerende partij verzoekers individuele aanvragen tot het bekomen van het basispakket energie 1) met betrekking tot elektriciteit voor de maanden januari, februari en maart 2023 (eerste bestreden beslissing) en 2) met betrekking tot gas voor de maanden januari, februari en maart 2023 (tweede bestreden beslissing). Dit zijn de bestreden beslissingen. Verzoeker legt (de kennisgeving van) deze beslissingen niet voor. Uit de door de verwerende partij overgelegde kopie van het elektronisch XIV-39.371-2/10 dossier van verzoeker blijkt dat geen matches voor verzoekers huishouden werden gevonden inzake leverancier. Voorts is de volgende reden van weigering vermeld: “Reden voor weigering Ondanks al onze inspanningen en gesprekken met de energieleveranciers hebben we voor u geen actief energiecontract kunnen vinden dat in aanmerking komt voor de premie. U kunt deze beslissing binnen 2 maanden betwisten door ons bewijs te sturen dat uw contact in aanmerking komt, via de hieronder aangegeven contactpersonen” IV. Toepassing kortedebattenprocedure Ontvankelijkheid - ambtshalve exceptie inzake rechtsmacht Uiteenzetting van de exceptie 4. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve het gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State opgeworpen. Er wordt toegelicht dat de voorwaarden om de (tweede) federale elektriciteits- en gaspremie te bekomen, volledig zijn vastgelegd in de wet van 19 december 2022 ‘houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie’ (hierna: de wet van 19 december 2022), zoals dat blijkt uit het volgende door het auditoraat gegeven juridisch kader: “3. Het juridisch kader 1. De wet van 30 oktober 2022 ‘houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis’ (hierna: wet van 30 oktober 2022) bevat een titel 7 ‘Energie Toekenning van een federale elektriciteits- en gaspremie’. Deze wet voorziet in de invoering van een federale premie voor elektriciteit (122 euro) en gas (270 euro). Ze is bedoeld om de impact van de energiecrisis op de elektriciteits- en gasrekeningen te verzachten. Deze steun, ook basispakket genoemd, wordt als een eenmalige en forfaitaire premie toegekend aan iedere huishoudelijke afnemers van elektriciteit en gas die op 30 september 2022 een recht op levering van elektriciteit respectievelijk gas voor diens woonplaats heeft binnen een leveringsovereenkomst (ongeacht of er een levering van elektriciteit respectievelijk van gas heeft plaatsgevonden bij de rechthebbende): XIV-39.371-3/10 1° met een variabele prijs; 2° met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021. De federale elektriciteits- en gaspremie is niet van toepassing op de personen binnen een gezin of huishouden waarvan een lid kwalificeerde als beschermde residentiële afnemer in de zin van artikel 20, § 2/1, van de Elektriciteitswet op 30 september 2022 of in de zin van artikel 15/10, § 2/2, van de Gaswet., dit zijn de afnemers die een contract hebben onder het sociaal tarief. 2. Het bedrag van de federale elektriciteits- en gaspremie wordt toegekend aan de rechthebbende door de leverancier die voorziet in de levering van elektriciteit op 30 september 2022. Het bedrag van de federale elektriciteitspremie wordt automatisch toegekend aan de rechthebbenden opgenomen in de lijst opgemaakt krachtens artikel 53, § 1, en verrekend op een voorschot- of afrekeningsfactuur in de periode vóór 1 januari 2023. De toekenning van de premie wordt voor diezelfde datum meegedeeld via een voorschot- of afrekeningsfactuur of via een kredietnota of via een afzonderlijke communicatie die de datum van de toekenning attesteert. 3. De wet van 19 december 2022 ‘houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie’ (hierna wet van 19 december 2022) kent een tweede federale premie voor elektriciteit (183 euro) en gas (405 euro) toe. Deze premie geldt voor de maanden januari, februari en maart 2023 en bevat gelijkaardige toekenningsvoorwaarden als de wet van 30 oktober 2022. Er kan in dit verband worden verwezen naar de artikelen 4 en 11 van de wet van 19 december 2022. De aanvrager moet daarbij op 31 december 2022 een leveringsovereenkomst hebben.” Voorts stelt het auditoraat vast dat het in de voorliggende zaak meer bepaald gaat over de vraag of verzoeker al dan niet een leveringsovereenkomst bij een energieleverancier heeft op 31 december 2022, en dat de verwerende partij ter zake ook voor dit aspect louter over een gebonden bevoegdheid beschikt. Het auditoraat concludeert hieruit dat de beoordeling of de federale elektriciteits- en gaspremie moet worden toegekend, volledig gebonden is en er dus sprake is van een subjectief recht voor zij die aan de voorwaarden, die geen discretionaire invulling vergen, voldoen. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering (het petitum) betreft de vaststelling van een subjectief recht. Voorts stelt het auditoraat vast dat het verzoekschrift geen middelen bevat, XIV-39.371-4/10 zodat er dan ook geen sprake is van een middel (de causa petendi) waarover de Raad van State zich zou kunnen uitspreken. Beoordeling 5. In haar arrest nr. 257.892 van 14 november 2023 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak het volgende geoordeeld: “6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de in de eerstgenoemde bepaling bedoelde geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen en vorderingen waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. 7. De bevoegdheid van de Raad van State wordt aldus bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0308.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8). De Raad van State is op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (

  1. i)een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (
  2. ii)het ingeroepen annulatiemiddel gebaseerd is op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier; zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de concl. van adv.-gen. Th. Werquin). Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de concl. van adv.-gen. Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. XIV-39.371-5/10 418; concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, 17.0114.N). Het is daarbij niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State (zie Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; evenals de concl. van adv.-gen. C. Vandewal voor Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 en van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). 8. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, is vereist dat de verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft; opdat een verzoekende partij zich op een dergelijk recht zou kunnen beroepen ten aanzien van de bestuurlijke overheid, dient de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden te zijn (Cass. (verenigde kamers) 20 december 2007 (2 arresten), C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11). De Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9). Het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, leiden ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtszoekende. 9. Er dient te dezen dan ook in de eerste plaats worden nagegaan of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een (volledig) gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Voorts dient bij die beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering, en anders dan de verwerende partij dat ziet, wel degelijk acht worden geslagen op de door de verzoekende partij ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ (de causa petendi). 10. De omstandigheid daarentegen dat de verwerende partij bij de kennisgeving van haar beslissing aan de verzoekende partij o.m. heeft XIV-39.371-6/10 vermeld dat een annulatieberoep bij de Raad van State kon worden ingesteld, doet – en anders dus dan de verzoekende partij dat ziet – aan het voorgaande niet af. Die omstandigheid heeft immers geen invloed op het onderzoek naar en de beoordeling van de rechtsmacht van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen, vloeien voort uit de Grondwet en partijen kunnen daarvan niet afwijken. 11. Het valt dan ook de bevoegde kamer toe om te oordelen of in casu aan de beide voorwaarden is voldaan, wat inhoudt dat bij de beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het/de aangevoerde middel(
  3. en)(de causa petendi).” 6. De algemene vergadering van de Raad van State oordeelde in dezelfde zin in haar arresten nrs. 257.891 en 257.893 van dezelfde datum. De Raad van State sluit zich in de voorliggende zaak bij die rechtspraak en de motivering ervan aan. Er wordt bij de navolgende beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering dan ook acht geslagen op zowel het voorwerp van de vordering (het petitum), dit is de eerste connexe voorwaarde als op het te dezen aangevoerde enig middel (de causa petendi), dit is de tweede connexe voorwaarde. Toepassing De eerste (connexe) voorwaarde 7. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve vastgesteld dat uit geschetste juridische kader blijkt dat de voorwaarden om het (tweede) federale basispakket te bekomen, volledig zijn vastgelegd in, te dezen, de wet van 19 december 2022. XIV-39.371-7/10 Uit de lezing van inzonderheid artikel 4 (federale elektriciteitspremie) en 11 (federale gaspremie) van de wet van 19 december 2022 blijkt inderdaad dat de premies van het basispakket worden toegekend aan elke huishoudelijke afnemer die op 31 december 2022 een leveringsovereenkomst voor, naar gelang het geval, elektriciteit en/of gas voor diens woonplaats heeft, 1°) ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021 of 2°) ofwel met een variabele prijs en die niet tot een van de in artikelen 4, § 2 en 11, § 2, van de wet van 19 december 2022 van de premie(
  4. s)uitgesloten categorieën behoort. Als de huishoudelijke afnemer voldoet aan deze door de regelgever (nauwkeurig en precies) vastgelegde voorwaarden, is de verwerende partij die met toepassing van deze wet is belast, ertoe gehouden de premie toe te kennen, althans wanneer vaststaat dat de voorwaarden in de wet van 19 december 2022 zijn nageleefd. Hij heeft ter zake derhalve geen enkele discretionaire bevoegdheid. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State wat deze voorwaarde betreft, geen reden ziet om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, na eigen onderzoek, aldus het auditoraatsverslag bijvallend, dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. De tweede (connexe) voorwaarde 8. Het auditoraat stelt in zijn verslag vast dat in de voorliggende zaak het verzoekschrift geen middelen bevat. Dit wordt bijgevallen. Aldus is evenmin aan de tweede connexe voorwaarde voldaan. XIV-39.371-8/10 Conclusie 9. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is. 10. De ambtshalve exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. 11. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-39.371-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.371-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.386 Gerelateerde publicatie(
  5. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.