← België

Arrest 260396 - Arbeids- en beroepskaarten - 04/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.396 Rolnummer: A. 239818/VII-42169 Zaak: Arrest 260396 - Arbeids- en beroepskaarten - 04/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-12 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-11 03:19 Fiche Arrest nr 260.396 van 4 juli 2024 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 260.396 van 4 juli 2024 in de zaak A. 239.818/VII-42.169 In zake:

  1. NV HECTOR INVESTMENT met maatschappelijke zetel te 9000 Gent Dok-Noord 7 alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Gansbeke kantoor houdend te 9620 Zottegem Godveerdegemstraat 101
  2. Y.B. woonplaats kiezend te België bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Gansbeke kantoor houdend te 9620 Zottegem Godveerdegemstraat 101 tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Albertstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De verzoekende partijen dienen met een enig verzoekschrift op 10 augustus 2023 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van “de beslissing van de Vlaamse Minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw van 13 juni 2023 inzake het beroep tegen een weigering van een toelating tot arbeid (meer dan 90 dagen) met gecombineerde vergunning voor HECTOR INVESTMENT NV”. VII-42.169-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 maart 2024, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaten Ellen Maes en Valerie Vandenhaesevelde, die loco advocaat Karel Van Gansbeke verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Judith Swerts, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. VII-42.169-2/8 III. Feiten 3.
  6. De eerste verzoekende partij dient op 20 augustus 2021 bij de dienst Economische Migratie van het departement Werk en Sociale Economie van de verwerende partij een aanvraag in tot toelating tot arbeid voor bepaalde duur (meer dan 90 dagen) voor tweede verzoeker, van Albanese nationaliteit. Met een beslissing van 22 december 2021 wordt aan tweede verzoeker een toelating tot arbeid verleend voor de periode van 22 december 2021 tot en met 21 december 2022, waarbij wordt aangegeven dat “de toelating tot arbeid slechts geldig is indien de Dienst Vreemdelingenzaken een positieve beslissing neemt over de aanvraag gecombineerde vergunning”. Op 16 februari 2022 wordt tweede verzoeker gemachtigd om meer dan 90 dagen op het Belgische grondgebied te verblijven met het oog op werk, dit voor de duur van één jaar of beperkt tot de duur van de toelating tot arbeid indien deze korter is dan één jaar. 3.
  7. De eerste verzoekende partij dient op 21 november 2022 een hernieuwingsaanvraag in voor tweede verzoeker, dit met het oog op de verlenging van de voormelde toelating tot arbeid van bepaalde duur met gecombineerde vergunning. Met een beslissing van 8 februari 2023 wordt deze aanvraag verworpen (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing). De eerste verzoekende partij tekent op 7 maart 2023 beroep aan bij de bevoegde Vlaamse minister tegen deze weigeringsbeslissing. Op 13 juni 2023 beslist de Vlaamse minister van Werk, Sociale Economie, Innovatie, Economie en Landbouw het beroep ongegrond te verklaren en derhalve de gevraagde toelating tot arbeid niet toe te kennen. Dit is de bestreden beslissing. VII-42.169-3/8 IV. Exceptie van niet-ontvankelijkheid
  8. De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen de onontvankelijkheid van het beroep op omwille van een mogelijk gebrek aan actueel belang en in hoofde van tweede verzoeker omdat deze geen administratief beroep had ingesteld bij de Vlaamse minister.
  9. Vooralsnog bestaat geen noodzaak om over de voormelde exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van een vordering tot schorsing zijn vervuld, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de verzoekende partijen
  11. Het verzoekschrift bevat geen uiteenzetting als dusdanig van de feiten die volgens de verzoekende partijen de spoedeisendheid verantwoorden. Zij omschrijven daarentegen wel het “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” dat zij ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voorhouden te lijden: “Het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing van uw Raad heeft geen schorsende werking. Bijgevolg blijven verzoekers onderhevig aan de beslissing d.d. 13 juni 2023 zoals ter kennis gebracht op 21 juni
  12. VII-42.169-4/8 “[Tweede verzoeker] is een zeer goede arbeidskracht. Zoals reeds uiteengezet in het feitenrelaas, werd de vraag tot toelating d.d. 20 augustus 2021 ook effectief goedgekeurd op 22 december 2021 (met een duur van 1 jaar). Het was slechts bij de aanvraag tot verlenging dat verwerende partij had opgemerkt dat [tweede verzoeker] ook nog tewerkgesteld was als onderhoudspersoneel. Volgens verwerende partij had hiervoor eveneens een toelating moeten worden bekomen. Dit wordt betwist door verzoekers. Zelfs al moest er een aparte toelating worden bekomen – quod non – dan nog kon de situatie perfect geregulariseerd worden. Te meer aangezien op het ogenblik van de weigeringsbeslissing de situatie reeds was rechtgezet en de werkzaamheden van [tweede verzoeker] bij Vastgoed-Noord werden stopgezet. [Tweede verzoeker] zou enkel nog maar werkzaamheden verrichten voor Hector Investment NV. […] Hector Investment NV bij monde van haar bestuurder [N.] vroeg dan ook ondergeschikt om een intrekking van de genomen weigeringsbeslissing en een nieuwe beslissing te nemen houdende verlenging tot de toelating tot arbeid voor Hector Investment NV. Dergelijke verlenging van de toelating tot arbeid zou geen probleem mogen vormen, gelet op het feit dat dit in het verleden al eens werd goedgekeurd en de situatie niet was veranderd. Verwerende partij heeft hierop geen antwoord geboden in haar bestreden beslissing. Verwerende partij heeft zich louter beperkt tot het feit dat er een nieuwe aanvraag moest worden ingediend voor de werkzaamheden van Vastgoed-Noord, maar heeft niet verder gekeken dan haar neus lang is. Zo gooit verwerende partij beide tewerkstellingen op één hoop, terwijl deze los en onafhankelijk van elkaar bestaan. Zelfs indien er voor Vastgoed-Noord een aparte aanvraag nodig was geweest, doet dit geen afbreuk aan de werkzaamheden binnen Hector Investment NV alwaar [tweede verzoeker] onafgebroken in dienst is gebleven. Minstens diende voor deze werkzaamheid de verlenging [te] worden goedgekeurd. Daarnaast is het niet eenvoudig voor [tweede verzoeker] om zonder werk een positieve beslissing te bekomen tot toekenning van een gecombineerde vergunning. De beslissing tot toelating werk is immers slechts geldig indien een positieve beslissing volgt over de gecombineerde vergunning (waaronder verblijf). Ook bijlage 46 – hetgeen de beslissing tot toekenning van een gecombineerde vergunning omvat- is duidelijk: ‘bovenstaand persoon is gemachtigd om meer dan 90 dagen op het Belgische grondgebied te verblijven met het oog op werk. De betrokkene is in het bezit van een toelating tot arbeid van bepaalde duur afgeleverd door de bevoegde gewestelijke overheid. Het visum D is geldig voor één jaar of beperkt tot de duur van de toelating tot arbeid indien deze korter is dan één jaar.’ […] In casu, wordt er slechts een visum D tot verblijf afgeleverd indien [tweede verzoeker] ook effectief werk heeft. Door het feit dat verwerende partij geen enkele moeite heeft gedaan om de situatie te herbekijken, is er een ernstig risico dat [tweede verzoeker] het grondgebied zal moeten verlaten waardoor Hector Investment NV ook haar arbeidskracht kwijt is. Keukenpersoneel is zeer schaars op de arbeidsmarkt, reden waarom dit als een knelpuntberoep wordt beschouwd. Indien de bestreden beslissing niet zou worden geschorst, dan zal er naar alle waarschijnlijkheid nog geruime tijd nodig zijn vooraleer uw raad zich zal uitspreken over de vordering tot vernietiging. Hector Investment NV kampt intussen met een arbeidstekort voor de continuïteit van haar onderneming en [tweede verzoeker] loopt het risico dat hij het grondgebied moet verlaten. VII-42.169-5/8 Verzoekers vragen dus om toelating te verlenen tot het verzoek tot schorsing zodoende een nieuwe aanvraag kan worden ingediend (hetgeen verwerende partij initieel al heeft toegestaan).” Beoordeling
  13. Naar luid van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij bij de Raad van State toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Een verzoekende partij moet aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens in haar inleidende akte uitleggen in welke mate zij onherroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Een financieel verlies kan, behoudens tegenbewijs, worden hersteld na een annulatiearrest, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangevoerd, zoals wanneer de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf ernstig in gevaar wordt gebracht. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financiële gevolgen dus in beginsel onomkeerbaar zijn. VII-42.169-6/8
  14. De uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift van het “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” wordt slechts in aanmerking genomen voor zover daaruit op voldoende duidelijke wijze de feiten blijken die de spoedeisendheid van de vordering kunnen verantwoorden.
  15. Met haar uiteenzetting toont de eerste verzoekende partij niet aan dat zij tweede verzoeker in afwachting van de behandeling van het vernietigingsberoep door de Raad van State als chef-kok moet kunnen tewerkstellen om te vermijden dat haar activiteiten op een definitieve wijze in gevaar worden gebracht of dat een belangrijk deel van haar activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement zou afstevenen. Er blijkt niet uit dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf van de eerste verzoekende partij ernstig in gevaar wordt gebracht. De eerste verzoekende partij toont niet in concreto, dit is aan de hand van verifieerbare gegevens en de nodige stavingsstukken, aan dat zij “het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om [haar] beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen”. De vereiste spoedeisendheid is derhalve niet aangetoond in hoofde van de eerste verzoekende partij.
  16. Verder lijken de verzoekende partijen er ten onrechte van uit te gaan dat de bestreden beslissing een verwijderingsmaatregel is, nu tweede verzoeker zijn “onherroepelijke schadelijke gevolgen” steunt op het ernstig risico dat hij zijn verblijfsrecht verliest en de kans dat hij als gevolg daarvan het Belgische grondgebied zal moeten verlaten. Echter, dit nadeel vloeit niet, minstens niet rechtstreeks, voort uit de bestreden beslissing. Dit voorgehouden nadeel wordt bovendien niet verder geconcretiseerd en/of gestaafd aan de hand van het bestaan van enige verwijderingsmaatregel of van een nakende verwijderingsmaatregel. Tweede verzoeker toont ook niet aan dat hij geen vergunning zou kunnen krijgen via een nieuwe aanvraag door hemzelf of de eerste verzoekende partij of een andere werkgever. In de huidige stand van het geding gaat het om een zuiver hypothetisch nadeel. VII-42.169-7/8 De vereiste spoedeisendheid is derhalve evenmin aangetoond in hoofde van tweede verzoeker.
  17. Bijgevolg is de spoedeisendheid van de vordering niet aangetoond. VII. Conclusie
  18. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.169-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.396 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.