← België

Arrest 260403 - Niet begeleide minderjarigen - 05/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.403 Rolnummer: A. 240884/VII-42337 Zaak: Arrest 260403 - Niet begeleide minderjarigen - 05/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-11 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-11 03:19 Fiche Arrest nr 260.403 van 5 juli 2024 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.403 no lien 278024 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 260.403 van 5 juli 2024 in de zaak A. 240.884/VII-42.337 In zake : M.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascaline De Wolf kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 54 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 4 januari 2024 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissingen van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 27 februari 2023 en 6 november 2023 waarbij telkens wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. VII-42.337-1/10 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 juni 2024, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Oriane Todts, die loco advocaat Pascaline De Wolf verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 7 februari 2023 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Kameroense nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 19 maart
  5. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. Op 20 februari 2023 deelt de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken de dienst Voogdij mee dat verzoeker in Spanje als meerderjarige staat geregistreerd onder de naam M.A., geboren in
  6. VII-42.337-2/10 In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 20 februari 2023 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 20-02-2023 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger.” Op 27 februari 2023 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
  7. De advocaat van verzoeker deelt op 26 juli 2023 aan de dienst Voogdij mee dat verzoeker in het bezit is van een origineel Kameroens paspoort. Op 6 november 2023 beslist de dienst Voogdij andermaal verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. De dienst Voogdij beslist, na advies omtrent het voorgelegde document te hebben ingewonnen, dat het wel degelijk om een waarachtig document gaat, doch dat hij het document niet aanvaardt en zich baseert op het resultaat van de medische test. De dienst Voogdij voegt daaraan toe dat hij documenten aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van de medische test en de leeftijd zoals die blijkt uit de documenten redelijk en dus niet te groot is en oordeelt te dezen dat een verschil van 6 jaar te groot is, waardoor de documenten niet worden aanvaard. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. De eerste bestreden beslissing: exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione temporis
  8. De verwerende partij werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op van het beroep tot nietigverklaring tegen de eerste bestreden beslissing. Zij acht dit beroep laattijdig omdat het werd ingesteld op 4 januari 2024 terwijl de eerste bestreden beslissing werd genomen op 27 februari 2023 en ter kennis werd gebracht van verzoeker op 28 februari
  9. VII-42.337-3/10
  10. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op 28 februari 2023 kennis heeft genomen van de eerste bestreden beslissing, hetgeen hij niet betwist. Verzoeker heeft deze datum onderaan de bestreden beslissing aangebracht, zij het met de kanttekening dat hij niet akkoord gaat met deze beslissing en daarom weigert te ondertekenen. Verder richtte verzoekers raadsman op 26 juli 2023 een schrijven aan de dienst Voogdij met verzoek tot intrekking van de eerste bestreden beslissing waaruit evenzeer blijkt dat verzoeker kennis had van de eerste bestreden beslissing, die bovendien als bijlage bij dit schrijven werd gevoegd. Derhalve is het thans voorliggende verzoekschrift, ingediend op 4 januari 2024, ingesteld buiten de beroepstermijn die is voorgeschreven door artikel 4, §1, derde lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 december
  11. De exceptie is gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk ratione temporis voor wat de eerste bestreden beslissing betreft. V. De tweede bestreden beslissing: ambtshalve exceptie van niet-ontvankelijkheid – gebrek aan actueel belang
  12. Ter terechtzitting merkt de Raad van State op dat verzoeker bij het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming en op het ogenblik van het medisch onderzoek heeft verklaard geboren te zijn op 19 maart 2006 en dat hij deze datum ook in het enig verzoekschrift tot schorsing en nietigverklaring opgeeft als geboortedatum. De vraag wordt gesteld of verzoeker nog een actueel belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissingen vermits hij volgens zijn eigen verklaringen de leeftijd van 18 jaar reeds heeft bereikt.
  13. Desgevraagd verklaart verzoeker nog over het vereiste belang te beschikken. Hij verwijst daartoe naar de impact van de bestreden beslissingen op de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich houdt aan de beslissing wat verzoekers ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.403 VII-42.337-4/10 leeftijd betreft. Verzoeker wijst op de gevolgen van de bestreden beslissingen voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming vermits zijn verklaringen over zijn leeftijd als ongeloofwaardig zullen worden beschouwd in het kader van dat verzoek. Verzoeker benadrukt vooral de gevolgen van de leeftijdsbeslissing voor zijn recht op gezinshereniging met zijn ouders.
  14. Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, wat de overheid er in bepaalde gevallen toe moet, minstens kan, aanzetten om een nieuwe beslissing te nemen.
  15. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient hij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.403 VII-42.337-5/10 (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.).
  16. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en verzoeker een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoeker dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te vergemakkelijken. Dit kan van aard zijn bezwaren op te roepen in het geval waarin de omstandigheden waaruit het verlies van het belang van de verzoekende partij voortvloeit haar niet kunnen worden aangerekend, en verzoeker om die reden de gevorderde nietigverklaring afgewezen ziet worden én geen onderzoek geniet van de middelen die hij aanvoerde (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors).
  17. Volgens artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002, is de voogdijregeling over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen van toepassing op elke persoon “van minder dan achttien jaar oud”. Het niet bereikt hebben van de leeftijd van 18 jaar is bijgevolg beslissend om onder de toepassing van de wetgeving op de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen te vallen en om dus onder de hoede van de dienst Voogdij of van een voogd te worden geplaatst. Na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissingen zal de dienst Voogdij enkel kunnen vaststellen dat verzoeker ook op basis van de door hemzelf verstrekte gegevens de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. VII-42.337-6/10
  18. De bestreden beslissingen houden louter een schatting in van verzoekers leeftijd om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en hij dus al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Ze vormen geen leeftijdsbepaling noch maken ze deel uit van het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming. Indien de bestreden beslissingen ertoe zouden leiden dat in een beslissing omtrent het verzoek om internationale bescherming verzoekers verklaarde leeftijd niet wordt aanvaard en dit zou worden beschouwd als een tegenindicatie voor de algemene geloofwaardigheid van het asielrelaas, kan verzoeker daartegen alsnog de rechtsmiddelen uitputten waarover hij beschikt, met de mogelijkheid van een beroep met hervormingsbevoegdheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van een cassatieberoep bij de Raad van State tegen de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  19. Verzoeker wijst op het in artikel 10, § 1, 7°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ vervatte recht op gezinshereniging met “de ouders van een vreemdeling die erkend werd als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of die de subsidiaire bescherming geniet, voor zover zij met hem komen samenleven en op voorwaarde dat hij jonger is dan achttien jaar en het Rijk binnengekomen is zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen”. Door de leeftijdsbeslissingen zou hij niet in aanmerking komen voor deze gunstige regeling. Opnieuw moet het karakter van de bestreden beslissingen worden benadrukt, niet als leeftijdsbepalingen maar slechts als leeftijdsschattingen om na te gaan of verzoeker al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. VII-42.337-7/10 VII-42.337-8/10
  20. De vernietiging van de bestreden rechtshandelingen verschaft verzoeker te dezen geen bijkomend direct en persoonlijk voordeel, hoe miniem ook, minstens toont verzoeker dit niet aan. Er blijkt ook niet dat verzoeker tot op het ogenblik van het sluiten van het debat een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Aangezien verzoekers gebeurlijk belang bij het voortzetten van de procedure niet is te onderscheiden van het belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissingen om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te vergemakkelijken, beschikt verzoeker niet langer over het vereiste belang om de voortzetting van de vernietigingsprocedure bij de Raad van State te benaarstigen.
  21. Het beroep tot nietigverklaring is niet ontvankelijk wat de tweede bestreden beslissing betreft. VI. De vordering tot schorsing
  22. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  24. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. VII-42.337-9/10
  25. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.337-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.403 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.