← België

Arrest 260408 - Politie - 08/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.408 Rolnummer: A. 237781/XIV-39097 Zaak: Arrest 260408 - Politie - 08/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-11 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-05 14:14 Fiche Arrest nr 260.408 van 8 juli 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 260.408 van 8 juli 2024 in de zaak A. 237.781/XIV-39.097 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing van 30 september 2022 om verzoeker te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. XIV-39.097-1/34 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 juni 2024. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Beausaet, die loco advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen verschijnt voor verzoeker en adviseur Vincent Govaerts die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 1 september 2021 start verzoeker de stage bij de Federale politie als vertaler-tolk in de graad van adviseur (niveau A). 3.2. Op 28 september 2021 bezorgt het diensthoofd een nota “taakverdeling en organisatie van de vertaaldienst” aan verzoeker. 3.3. Op 1 oktober 2021 neemt verzoeker kennis van de aanstelling van C.C. als mentor en van D.G. als stageleider. 3.4. Op 11 oktober 2021 vindt het inleidend stagegesprek plaats tussen verzoeker en de mentor. Van dit gesprek wordt een verslag opgemaakt. Hierin worden de algemene doelstellingen met meetbare indicatoren en eventueel XIV-39.097-2/34 te gebruiken middelen opgenomen, alsook de criteria bepaald aan de hand waarvan het functioneren van de stagiair zal worden beoordeeld. De algemene doelstellingen zijn: zich integreren op zijn nieuwe werkplaats, de procedures van de dienst volgen, dagelijks op positieve en gepaste wijze communiceren, zich ontwikkelen. Wat de laatste algemene doelstelling betreft, vermeldt het verslag welke opleidingen verzoeker tijdens de stage moet volgen, alsook binnen welke termijn hij het nodige moet hebben gedaan om die opleidingen te kunnen volgen. De evaluatiecriteria worden onderverdeeld in vijf groepen, met name persoonlijkheidskenmerken, professionele bekwaamheden, prestaties, managementvaardigheden en potentieel. Het verslag vermeldt dat een aantal van die evaluatiecriteria “prioritair worden geëvalueerd en door het diensthoofd nauwlettend worden opgevolgd” met als reden “de geschillen die er al binnen de dienst zijn geweest”. Ook voor een aantal andere evaluatiecriteria wordt “bijzondere aandacht” gevraagd. 3.5. Op 19 januari 2022 stelt de mentor een eerste verslag op over de wijze van functioneren van verzoeker tijdens de periode september – december 2021, voorzien van bijlagen. Voor elk van de evaluatiecriteria wordt een beschrijvende evaluatie gegeven. Per groep van evaluatiecriteria formuleert het verslag vervolgens een conclusie: Inzake de persoonlijkheidskenmerken: “De mentor (en de stageleider) worden zelden rechtstreeks aangesproken door betrokkene over eventuele problemen. Betrokkene werd echter duidelijk geïnformeerd (cf. inleidend gesprek op 24 september) dat de mentor ter beschikking stond voor vragen, problemen, enz. Conclusie: Betrokkene beantwoordt niet aan het profiel dat past bij een Niveau A bij de Federale Gerechtelijke Politie. Het gedrag en de uitlatingen van de betrokkene zijn niet in overeenstemming met verschillende punten van de deontologische code van de politie. Zijn directe collega’s vertrouwen hem niet en klagen over zijn houding. Hoewel hij probeert beleefd te blijven en meestal geen problemen met zijn oversten te veroorzaken, bestaan er toch al spanningen.” Inzake de professionele bekwaamheden: “Conclusie: Het veelvuldig gebruik van software zoals Deepl (gratis versie) strookt niet met de plicht tot terughoudendheid en vertrouwelijkheid van de door de politie XIV-39.097-3/34 verwerkte documenten. Het resultaat van het werk voldoet niet aan de normen van de Federale Gerechtelijke Politie.” Inzake de prestaties: “Conclusie: De geleverde prestaties liggen niet in de lijn van wat kan worden verwacht van een Niveau A binnen de Federale Gerechtelijke Politie.” Inzake de managementvaardigheden: “Conclusie: Binnen de vertaaldienst is er geen hiërarchie – alles berust op samenwerking wat overduidelijk ontbreekt met betrokkene.” Inzake het potentieel: “Conclusie: Gezien het wantrouwen van het team tegenover hem, het feit dat betrokkene weinig vertrouwen wekt door het liegen over arbeidsprestaties (in uren en geleverd werk) en duidelijk een gebrek aan persoonlijke ethiek vertoont (belasten van rechtstreekse collega en minachting ten overstaan van de chef) past betrokkene niet in de werkomgeving van de Federale Gerechtelijke Politie. Betrokkene lijkt geen wil of wens te hebben om vooruitgang te boeken, niet in zijn werkzaamheden en ook niet in de functionering van de dienst.” 3.6. Verzoeker bezorgt op 4 februari 2022 zijn “bevindingen en reactie” op dit eerste functioneringsverslag. 3.7. Op 11 februari 2022 wordt verzoeker met bijstand van een syndicaal afgevaardigde door de stageleider gehoord over het functioneringsverslag van 19 januari 2022. 3.8. Op 24 maart 2022 stelt de stageleider een verslag op over het functioneringsverslag van 19 januari 2022, de reactie van verzoeker hierop van 4 februari 2022 en de hoorzitting van 11 februari 2022. De stageleider maakt in dat verslag ook een analyse van de door verzoeker aangehaalde elementen als reactie op de bevindingen van de mentor. Het besluit van dit verslag luidt: “Na lezing van de opmerkingen van de mentor en de antwoorden van betrokkene kan worden besloten dat betrokkene geen enkele tekortkoming bij zichzelf erkent en geen enkele blijk geeft van een wil om te verbeteren. De enige redenen voor die opmerkingen hebben volgens betrokkene te maken met het feit dat hij wordt gediscrimineerd vanwege zijn statuut als risicopersoon en met de manier van functioneren van zijn Nederlandstalige collega en van zijn dienstchef. Op geen XIV-39.097-4/34 enkel moment geeft hij toe een deel van de verantwoordelijkheid te dragen voor de situatie. Betrokkene is in dienst sinds 01-09-2021, dat zijn nu 6 maanden. Ondanks de verschillende mails die de dienstchef heeft gestuurd, is er bij betrokkene geen enkele verbetering merkbaar. Daarom wenst DGJ een einde te maken aan de samenwerking met betrokkene en vraagt ze de stage van betrokkene te beëindigen.” 3.9. Op 30 maart 2022 stelt verzoekers diensthoofd een verslag op waarin zij het onthaal van verzoeker en diens functioneren beschrijft. Dit verslag besluit: “Ik heb me tegenover betrokkene meermaals welwillend getoond door hem zijn weg te laten vinden, zijn ritme te respecteren, niet van bij het begin een controlerend management op te leggen, de regels in herinnering te brengen met respect voor het recht op het maken van fouten (Deontologische code, ‘Rol van de chef’, art. 5). Helaas stel ik vast dat het omgekeerde niet het geval is en dat betrokkene zijn gedrag niet heeft aangepast (cf. herhaalde overtredingen van de regels) en geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden, maar deze systematisch afschuift op zijn collega of op externe omstandigheden (Deontologische code ‘Loyauteit’ art. 32). Objectieve feiten zoals de onvoldoende kwaliteit van zijn werk, zijn gedrag jegens collega’s of zijn hiërarchische meerdere, het gebrek aan zelfkritiek, het herhaaldelijk en bewust met de voeten treden van de richtlijnen van de dienst, het gebrek aan inzet voor de verwezenlijking van zijn stagedoelstellingen (opleidingen) en de onheuse uitlatingen jegens zijn hiërarchische meerdere wijzen op de ongeschiktheid van betrokkene om een functie binnen de Federale Gerechtelijke Politie te bekleden.” 3.10. Op 28 juni 2022 wordt D.G. als stageleider vervangen door E.D.R. in toepassing van artikel V.8. van het UBPol. 3.11. Het diensthoofd stelt op 28 juli 2022 een functioneringsnota op waarin zij de feiten beschrijft door haar vastgesteld in de periode van 1 tot 13 juni 2022. De functioneringsnota besluit: “Ik stel dus vast dat: • U de regels van de dienst niet gerespecteerd hebt en dit omwille van het feit dat: ° u een vertaling in het Duits maakte terwijl u daartoe niet gemachtigd was; ° u een vertaling naar de klant verstuurde zonder deze voorafgaand te laten nalezen. Ik stel ook vast dat u mij tijdens onze verschillende uitwisselingen hierover op geen enkel moment informeerde over het feit dat de vertaling al klaar was en ook al naar de klant was gestuurd. Deze feiten vormen een professioneel plichtsverzuim, omdat u de afspraken van de dienst niet opvolgt, de instructies van uw hiërarchische meerdere niet opvolgt en niet op transparante wijze met haar communiceert. XIV-39.097-5/34 Besluit: Bijgevolg verzoek ik u, in mijn hoedanigheid van functionele meerdere, ten stelligste: - Uw gedrag op volgende wijze aan te passen: communiceer open en eerlijk met uw hiërarchische meerdere en werk niet ‘achter de rug om’; - Uw beroepsplichten, de procedures van de dienst en de instructies van uw hiërarchische meerdere nauwgezet te respecteren. […]” 3.12. Op 29 juli 2022 bezorgt verzoeker per e-mail zijn reactie op de functioneringsnota van het diensthoofd van 28 juli 2022. 3.13. Op 28 juli 2022 stelt de mentor een tweede verslag op over de wijze van functioneren van verzoeker, met name over de periode januari – juli 2022. 3.14. Op 28 juli 2022 stelt de mentor eveneens een samenvattend eindverslag op over de stage van verzoeker, waarbij een aantal bijlagen zijn gevoegd. De mentor formuleert daarin het voorstel tot beëindiging van de stage. Het eindadvies met betrekking tot de stage luidt: “Voortgaand op de hierboven beschreven elementen en het tussentijdse evaluatieverslag alsook ander relevant materiaal zoals de verslagen van zijn chef, mails en meldingen van collega’s en klanten en de opmerkingen en houding van betrokkene tijdens het laatste onderhoud, meen ik als mentor dat betrokkene geen afdoende stappen heeft ondernomen om de aangegeven werkpunten aan te pakken en hij dezelfde problematische gedragingen (onder meer het niet respecteren van richtlijnen en werkprocedures, nalaten om kwalitatief correct werk af te leveren) blijft herhalen. Bijgevolg ben ik in mijn hoedanigheid van mentor van mening dat de betrokkene niet beantwoordt aan het gewenste profiel van een vertaler niv A bij de Federale Gerechtelijke Politie. Het gedrag en de uitlatingen van de betrokkene zijn niet in overeenstemming met de deontologische code van de politie, een markant voorbeeld is het niet respecteren van de arbeidstijd en ongepast gedrag tegenover een collega-fotograaf. Het pertinent niet volgen van de instructies van zijn rechtstreekse overste ondanks de vele opmerkingen van deze laatste staat een efficiënte werking van de dienst in de weg. Zijn directe collega’s vertrouwen hem niet en klagen over zijn houding. Het is evident dat er spanningen zijn binnen de dienst en bovendien wensen de andere vertaaldiensten van de Federale politie niet meer met betrokkene samen te werken wat resulteert in steeds minder werk dat er voor hem voorhanden is. Deze vaststellingen worden gestaafd aan de hand van mails en meldingen waarvan de meest pertinente in bijlage aan dit document (en het tussentijdse evaluatieverslag). Als mentor van betrokkene oordeel ik bijgevolg dat betrokkene niet geschikt is om deze functie te bekleden en vraag ik het einde van zijn stage.” XIV-39.097-6/34 3.15. Op 1 augustus 2022 geeft de stageleider kennis van dit eindverslag aan verzoeker met de mededeling dat hij “geneigd [is] om de mentor te volgen in het voorstel om de stage te beëindigen”. 3.16. Op 22 augustus 2022 wordt verzoeker met bijstand van zijn advocaat door de stageleider gehoord over dit voornemen. Verzoeker legt op deze hoorzitting een verweernota neer. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld. 3.17. Op 25 augustus 2022 formuleert de stageleider het voorstel tot beëindiging van de stage van verzoeker wegens beroepsongeschiktheid. In bijlage bij dit voorstel voegt de stageleider een analyse van de verweernota van verzoeker. 3.18. Op 30 september 2022 beslist de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing om verzoeker te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid overeenkomstig artikel V.III.20 RPPol op datum van 30 september 2022 om 24u00. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker voert in het eerste middel in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze rechtsregels en beginselen van behoorlijk bestuur zijn volgens verzoeker geschonden doordat de bestreden beslissing het voorstel van de stageleider volgt XIV-39.097-7/34 op basis van motieven die feitelijk of in rechte onjuist zijn en doordat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat verzoekers schriftelijk verweer neergelegd op de hoorzitting bij de stageleider, bij de beoordeling is betrokken. Vooreerst zet verzoeker de draagwijdte van de geschonden geachte rechtsregels en -beginselen uiteen om dit vervolgens toe te passen op de bestreden beslissing. Hij analyseert daarbij de structuur van de bestreden beslissing en besluit dat die analyse bewijst hoe “pover” de bestreden beslissing is. Verzoeker haalt vervolgens twee grieven aan die kunnen worden beschouwd als een eerste en een tweede middelonderdeel en die hierna als zodanig worden aangeduid. In wat als een eerste middelonderdeel kan worden beschouwd, zet verzoeker uiteen waarom de bestreden beslissing “op zichzelf” de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt. Hij wijst erop dat uit de analyse van de formele motivering blijkt dat de bestreden beslissing

  1. i)slechts twee alinea’s “eigen beoordeling” omvat, hoewel ze zeven pagina’s beslaat,
  2. ii)nergens het inhoudelijke standpunt van verzoeker verwoordt, en iii) nergens de waarachtigheid van de verwoorde standpunten onderzoekt, maar die kritiekloos als correct aanvaardt ondanks verzoekers kritiek. Voorts voert verzoeker aan dat, indien er al concrete argumenten in de bestreden beslissing zijn terug te vinden, het om het hernemen van eerdere argumenten gaat, onder meer het voorstel tot ontslag van de stageleider, zonder dat wordt aangegeven dat de bestreden beslissing zich deze motieven eigen maakt, laat staan waarom de bestreden beslissing zich deze motieven eigen zou moeten maken. De bestreden beslissing bevat geen enkel nieuw argument, noch een repliek op het verweer van verzoeker. Van een bestuur mag volgens verzoeker nochtans worden verwacht dat het zorgvuldig nagaat of het standpunt dat het uit adviezen overneemt correct is, zeker als de betrokkene daarop kritiek uit, alsook dat het bestuur in de beslissing formeel de motieven uitdrukt waarom het oordeelt dat de standpunten die het overneemt correct zijn. Deze verplichtingen gelden volgens verzoeker des te meer wanneer het bestuur niet de moeite doet om de kritiek van de bestuurde op te nemen in de beslissing en het bestuur de in het statuut voorziene elementen om te kunnen remediëren aan een eventueel slecht functioneren van de stagiair, met name opleiding en begeleiding, XIV-39.097-8/34 niet toepast. Bij gebrek aan opleiding en begeleiding kan een stagiair niet worden ontslagen wegens ongeschiktheid, minstens moet de beslissing verklaren waarom daarin niet werd voorzien en waarom dat zonder invloed is op de genomen beslissing. Voorts wijst verzoeker erop dat de verwijzing naar een advies of voorstel een afdoende formele motivering kan zijn mits voldaan is aan een aantal voorwaarden. Tot slot voert hij aan dat de schending van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen enkel groter wordt doordat zowel in het voorstel, in het advies, als in de bestreden beslissing, amper of niet wordt geantwoord op de verweermiddelen van verzoeker. In wat als een tweede middelonderdeel kan worden beschouwd, voert verzoeker aan dat zijn argumenten niet behoorlijk zijn onderzocht, minstens dat de bestreden beslissing daarvan geen weerslag bevat. Verzoeker zet uiteen dat hij op 22 augustus 2022 een verweernota heeft bezorgd aan de stageleider, maar dat van die verweernota en de beoordeling ervan in de bestreden beslissing geen spoor is terug te vinden. De bestreden beslissing beperkt zich tot het hernemen van de titel van de in de verweernota geformuleerde grieven, maar de concrete argumenten blijven onbeoordeeld. De bestreden beslissing geeft daarmee aan dat ongeacht de aangevoerde argumenten hiermee geen rekening wordt gehouden en getuigt van een automatisme waarbij het voorstel van de stageleider zonder meer wordt overgenomen. Het verweer van de bestuurde mag volgens verzoeker in de formele motivering niet worden genegeerd, zeker niet wanneer het bestuur verplicht is de bestuurde te horen. De beslissing moet er dan blijk van geven dat het bestuur kennisnam van het verweer en dat verweer heeft beoordeeld, alsook die beoordeling opnemen in de beslissing. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker de uiteenzetting van het middel en voert hij twee redenen aan waarom de memorie van antwoord niet kan worden gevolgd. Ten eerste gaat verzoeker akkoord dat ter formele motivering van de bestreden beslissing kan worden verwezen naar een eerder advies, doch hij wijst erop dat een dergelijke formele motivering slechts afdoende is mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Eén van die voorwaarden is dat het bestuur zich de stukken en de motieven waarnaar het verwijst eigen XIV-39.097-9/34 maakt, wat te dezen niet het geval is. Een tweede voorwaarde is dat de stukken waarnaar wordt verwezen zelf afdoende gemotiveerd zijn, wat volgens verzoeker evenmin het geval is, waarvoor hij verwijst naar het tweede middel. Ten tweede voert verzoeker aan dat hij genoegzaam aantoont waarin de motivering van de bestreden beslissing faalt. Hij verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in het tweede onderdeel van het middel. In de laatste memorie repliceert verzoeker op het auditoraatsverslag. Het daarin verkondigde standpunt dat de bestreden beslissing een eigen beoordeling bevat en dat de in de bestreden beslissing vermelde motieven door de verwerende partij eigen zijn gemaakt, kan volgens verzoeker niet worden bijgevallen. Hij verwijst daartoe naar de memorie van wederantwoord waarin hij volhardt. Ook oordeelt het auditoraatsverslag volgens verzoeker ten onrechte dat verzoekers argumenten doorheen de procedure door verschillende actoren zouden zijn beantwoord en dat daardoor in de bestreden beslissing rekening is gehouden met die argumenten. Het auditoraatsverslag gaat daarmee voorbij aan de op 22 augustus 2022 neergelegde verweernota waarin verzoeker een aantal specifieke schendingen heeft opgeworpen. Van deze verweernota en de beoordeling ervan is volgens verzoeker geen spoor terug te vinden in de bestreden beslissing. Beoordeling 5. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de XIV-39.097-10/34 betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. Aan de formele motiveringsplicht kan worden voldaan door een verwijzing naar een advies, op voorwaarde dat de inhoud van het advies waarnaar wordt verwezen aan de rechtszoekende ter kennis is gebracht, dat dit advies zelf afdoende is gemotiveerd, dat het wordt bijgevallen in de uiteindelijke beslissing en dat er geen tegenstrijdige adviezen zijn. 6. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden XIV-39.097-11/34 wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. 7. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Eerste middelonderdeel: de formele motivering schendt op zichzelf de in het middel aangehaald bepalingen 8. Verzoeker bekritiseert de formele motivering van de bestreden beslissing omdat ze met een zeer beperkte motivering de argumentatie van de stageleider herneemt, zonder dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de beslissing zich deze motieven eigen maakt en waarom ze dat zou moeten doen. De eigen beoordeling beslaat slechts twee alinea’s en bevat geen nieuwe argumenten. Verzoeker betwist de mogelijkheid van formele motivering door verwijzing (zie supra, nr. 5) op zich niet. Hij meent evenwel dat niet aan de voorwaarden daartoe is voldaan, omdat de bestreden beslissing zich de motieven en stukken waarnaar zij verwijst niet eigen maakt. 9. Verzoekers standpunt mist feitelijke grondslag. XIV-39.097-12/34 De bestreden beslissing verwijst uitgebreid naar alle stukken en elementen uit het dossier die ook ten dele worden geciteerd. Verder vermeldt de bestreden beslissing: “Overwegende het gegeven dat u na meer dan 10 maanden stage de stagedoelstelling die bestaat uit het volgen van de hierna genoemde opleidingen niet hebt vervuld: […]. Dit terwijl het belang hiervan u reeds op 11 oktober 2021 werd toegelicht; Overwegende dat op basis van het integrale stagedossier kan besloten worden dat ook de andere stagedoelstellingen onvoldoende zijn verworven met name: […]; […] Gelet op de verweernota die uw raadsman de heer [G.] voor u op 22 augustus 2022 heeft neergelegd tijdens de hoorzitting met uw stageleider de heer [D.R.]; In deze verweernota worden de volgende drie grieven gepresenteerd: - De vermeende schending van het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede de artikelen V.II.8, V.II.9, V.III.9, V.III.10, V.III.15 RPPOL en art. V.I UBPOL; - De vermeende schending van de artikelen V.III.19 en V.III.20 RPPOL; - De vermeende schending van de materiële motiveringsplicht. Gelet op de bijlage aan het voorstel tot beëindiging van de stage wegens beroepsongeschiktheid, waarin uw stageleider de heer [D.R.] een grondige analyse maakt van de belangrijkste argumenten uit de verweernota, die u en uw advocaat op 22 augustus 2022 hebben neergelegd; Gelet op het voorstel van stageleider eerste HCP [E.D.R.] tot beëindiging van de stage wegens beroepsongeschiktheid dat u op 26 augustus 2022 per aangetekend schrijven werd verstuurd, en waarin de heer [D.R.] het volgende concludeert: ‘Na alle elementen van het stagedossier in beschouwing genomen te hebben en na grondige analyse van de verweernota die mij bezorgd werd tijdens de hoorzitting, stel ik vast dat er geen afdoende argumenten zijn om mij te doen afzien van mijn voornemen om een gemotiveerd voorstel voor te leggen dat ertoe strekt de stagiair [te] ontslaan wegens beroepsongeschiktheid’.” Vervolgens besluit de bestreden beslissing op grond daarvan tot het ontslag wegens beroepsongeschiktheid. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen, geplaatst in het geheel van de bestreden beslissing, blijkt dat de bestreden beslissing zich de motieven geformuleerd in de aangehaalde en deels geciteerde stukken eigen maakt. Tegelijk blijkt uit de geciteerde overwegingen dat de bestreden beslissing wel degelijk een eigen beoordeling bevat, wat verzoeker overigens erkent. Verzoeker kan die eigen beoordeling te summier vinden of oordelen dat die nieuwe argumenten moet bevatten, doch maakt daarmee niet aannemelijk dat de formelemotiveringsplicht is geschonden. XIV-39.097-13/34 Het zonder meer herhalen in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie dat de bestreden beslissing zich de motieven van de stageleider niet eigen maakt, doet niet anders besluiten. 10. Verzoekers argument dat de bestreden beslissing zijn inhoudelijk standpunt niet verwoordt, mist evenzeer feitelijke grondslag. Daargelaten of de formelemotiveringsplicht impliceert dat het standpunt van de bestuurde in de beslissing moet worden weergeven, blijkt uit de bestreden beslissing immers dat zij verwijst naar de verschillende reacties van verzoeker op onder meer evaluatieverslagen, functioneringsnota’s en het voorstel van de stageleider tot beëindiging van de stage wegens beroepsongeschiktheid. 11. Verzoeker verwijt de bestreden beslissing ook dat zij de waarachtigheid van de verwoorde standpunten niet onderzoekt, maar die kritiekloos als correct aanvaardt. Verzoeker lijkt daarmee de schending van de materiëlemotiveringsplicht en/of de zorgvuldigheidsplicht aan te voeren. Dit middelonderdeel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. De draagwijdte van deze beginselen van behoorlijk bestuur werd hiervoor reeds uiteengezet (zie supra, nrs. 6-7). Daarbij werd verwezen naar de op verzoeker rustende stelplicht. Die houdt inzonderheid in dat verzoeker het niet aan de Raad van State mag overlaten te onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde argumenten en kritieken gegrond zouden kunnen zijn en zo ja, of dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. In die mate kan de loutere kritiek dat de bestreden beslissing de waarachtigheid van de verwoorde standpunten niet onderzoekt, dan ook niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 12. Tot slot verwijst verzoeker naar het gebrek aan opleiding en begeleiding, een nalatigheid die volgens verzoeker tot gevolg heeft dat een zorgvuldig bestuur een stagiair niet kan ontslaan. Daar deze grief samenvalt met XIV-39.097-14/34 het derde en het vierde middelonderdeel van het derde middel, wordt ter beoordeling van deze grief verwezen naar de bespreking van het derde en het vierde middelonderdeel van het derde middel. 13. Verzoeker voert in de memorie van wederantwoord nog aan dat het voorstel van de stageleider zelf behept was met een motiveringsgebrek, doch verwijst voor de toelichting naar het tweede middel. Bijgevolg wordt voor de beoordeling van dit middelonderdeel verwezen naar de bespreking van het tweede middel. 14. Het middel is in de aangegeven mate ongegrond. Tweede middelonderdeel: de argumenten van verzoeker zijn niet behoorlijk onderzocht, minstens bevat de bestreden beslissing hiervan geen weerslag 15. Verzoekers standpunt dat in de bestreden beslissing geen spoor is terug te vinden van de door hem op 22 augustus 2022 neergelegde verweernota en de beoordeling daarvan, mist feitelijke grondslag. In de formele motivering van de bestreden beslissing (zie supra, nr. 9) wordt expliciet verwezen naar die verweernota, worden de erin vervatte grieven beknopt weergegeven én wordt verwezen naar de bijlage bij het voorstel tot beëindiging van de stage wegens beroepsongeschiktheid, waarin de stageleider een grondige analyse maakt van de belangrijkste argumenten uit de verweernota en die argumenten beantwoordt. Verder vermeldt de bestreden beslissing de conclusie van de stageleider dat “[n]a alle elementen van het stagedossier in beschouwing genomen te hebben en na grondige analyse van de verweernota die mij werd bezorgd tijdens de hoorzitting, […] er geen afdoende argumenten zijn om mij te doen afzien van mijn voornemen om een gemotiveerd voorstel voor te leggen dat ertoe strekt de stagiair te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid”. Zoals hiervoor is vastgesteld (zie supra, nr. 9), maakt de bestreden beslissing zich deze motieven eigen. XIV-39.097-15/34 Bijgevolg falen ook verzoekers argumenten dat zijn verweer geheel onbeantwoord blijft en dat welke argumenten hij ook aanvoert, daarmee geen rekening wordt gehouden. 16. Voorts wordt opgemerkt dat de formelemotiveringsplicht het bestuur er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle verwoorde argumenten. Anders dan wat verzoeker aanvoert, houdt het loutere gegeven dat niet is geantwoord op of gemotiveerd is waarom een argument van verzoeker niet wordt bijgevallen, op zich geen miskenning van de formelemotiveringsplicht in. Wel moet uit de bestreden beslissing minstens impliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Zoals hiervoor is vastgesteld (zie supra, nr. 5) moeten die motieven niet noodzakelijk in de beslissing zelf worden veruitwendigd, met name wanneer de beslissing verwijst naar andere stukken. In weerwil van wat verzoeker aanvoert, blijkt uit de bestreden beslissing dat kennis is genomen van verzoekers argumenten, dat die werden beoordeeld, alsook dat verzoeker kennis kan nemen van die beoordeling in de stukken waarnaar de bestreden beslissing verwijst, waarbij de bestreden beslissing zich aansluit, en waarvan verzoeker kennis heeft. Verzoeker toont voorts niet in concreto aan welke van zijn argumenten niet werden onderzocht en waarom dit tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing zou moeten leiden, noch waarom de bestreden beslissing niet behoorlijk formeel gemotiveerd of niet dragend zou zijn. 17. Het zonder meer herhalen in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie dat van de verweernota en de beoordeling ervan geen spoor is terug te vinden in de bestreden beslissing, wat zoals hiervoor is gebleken feitelijke grondslag mist (cfr. punt 15), doet niet anders besluiten. XIV-39.097-16/34 18. Het middel is in de aangegeven mate ongegrond. Conclusie 19. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 20. Verzoeker voert in het tweede middel in het verzoekschrift de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. In zoverre de bestreden beslissing al op motieven zou zijn gesteund, zijn deze motieven niet deugdelijk, daar het feitelijk bestaan ervan wordt betwist en niet naar behoren is bewezen. Verzoeker preciseert dat hij in dit middel de onjuistheid aanvoert van de verslagen waarnaar de verwerende partij verwijst. Ten eerste stelt verzoeker vast dat de klachten waarvan sprake in het stagedossier nooit aan hem werden gemeld of met hem werden besproken, zodat hij niet de kans kreeg zijn functioneren bij te sturen. Ten tweede voert verzoeker aan dat over deze klachten zeer weinig schriftelijke documentatie beschikbaar is, waardoor de waarachtigheid kan worden betwist. De beweerde tekortkomingen en incidenten worden niet in tijd en ruimte gesitueerd en er wordt niet concreet gemotiveerd dat ze hebben plaatsgevonden. Ten derde betwist verzoeker de inhoud van de klachten. Hij stelt daarbij “onder meer doch niet limitatief” vast dat
  3. i)hij steeds alle deadlines heeft gerespecteerd,
  4. ii)zijn vertaalwerk kwalitatief was en hij gebruik maakte van de beschikbare hulpmiddelen, iii) hij nooit gebruik heeft gemaakt van Deepl en
  5. iv)er geen enkele concrete bijsturing is geweest en de klachten niet met hem werden besproken zodat er geen uitspraken kunnen worden gedaan over vooruitgangspotentieel en de wil tot verbeteren. In de memorie van wederantwoord volhardt verzoeker in zijn uiteenzetting van het middel. In repliek op de memorie van antwoord werpt hij op dat de verwerende partij geen bewijs levert van de mondelinge contacten waarnaar XIV-39.097-17/34 zij verwijst in repliek op zijn eerste grief. Wat de tweede grief betreft, situeert de verwerende partij volgens verzoeker de voorbeelden die zij aanhaalt nog steeds niet in tijd en ruimte en slaagt zij er evenmin in te bewijzen dat ze hebben plaatsgevonden. Wat zijn derde grief betreft, stelt verzoeker vast dat de verwerende partij
  6. i)niet ontkent dat hij alle deadlines heeft gerespecteerd,
  7. ii)geen enkel concreet voorbeeld aanwijst waaruit zou blijken dat zijn werk ondermaats of niet-gereviseerd zou zin, iii) erkent dat hij nooit Deepl heeft gebruikt, en
  8. iv)geen enkele concrete bijsturing aanwijst zodat er geen uitspraken kunnen worden gedaan over vooruitgangspotentieel en de wil tot verbeteren. In de laatste memorie volhardt verzoeker in het middel. Hij werpt verder op dat het auditoraatsverslag ten onrechte oordeelt dat verzoeker op de hoogte zou zijn van de klachten die hem worden aangewreven. Hij benadrukt dat de feiten niet op een behoorlijke wijze werden onderzocht, wat alleen al blijkt uit het feit dat de beweerde tekortkomingen niet in tijd en ruimte worden gesitueerd. Verzoeker nam dan ook met verbazing kennis van het standpunt in het auditoraatsverslag dat dit niet ter zake doet. Beoordeling 21. Zoals verzoeker het tweede middel zelf samenvat, stelt hij aan de kaak dat “de motieven waarop de bestreden beslissing gebaseerd is, niet correct of niet gestaafd zijn” en “stelt hij de onjuistheid aan de orde” van de verslagen waarnaar de verwerende partij verwijst. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. 22. De draagwijdte van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel werd hiervoor uiteengezet (zie supra, nrs. 6-7). Er wordt naar verwezen. 23. Te dezen wordt met het auditoraatsverslag vooreerst vastgesteld dat verzoeker in wezen van de Raad van State een eigen beoordeling van de feiten vraagt, waartoe de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet XIV-39.097-18/34 bevoegd is. Voorts wordt vastgesteld dat verzoeker in gebreke blijft om aanwijzingen te verschaffen die de bewering wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. Verzoekers grief dat de klachten waarvan sprake in het stagedossier nooit aan hem werden gemeld of met hem werden besproken, zodat hij de kans niet kreeg zijn functioneren bij te sturen, maakt niet aannemelijk dat de motieven van de bestreden beslissing daarom onjuist zijn, nog daargelaten dat verzoekers bewering wordt tegengesproken door de verwerende partij die met verwijzing naar diverse stukken uit het administratief dossier uiteenzet dat verzoeker middels verschillende functioneringsnota’s en andere stukken over de ganse stageperiode uitgebreid in kennis werd gesteld van de punten van kritiek op zijn functioneren en dit zowel door de mentor, de stageleider, als het diensthoofd. De verwerende partij wijst er voorts op dat bij die stukken tal van e-mailberichten zijn gevoegd waaruit concrete punten van kritiek blijken. Uit het administratief dossier blijkt ook dat het op 19 januari 2022 opgestelde verslag (met bijlagen) over verzoekers wijze van functioneren door hem haast punctueel wordt weerlegd in een schriftelijke repliek van 4 februari 2022. Met het auditoraatsverslag wordt dan ook vastgesteld dat verzoeker reeds van in het begin op de hoogte was van wat hem werd aangewreven en dat de grief dat hij dit niet wist, strijdt met de stukken van het dossier. Verzoekers argument in de memorie van wederantwoord dat de verwerende partij geen bewijs levert van de beweerde mondelinge contacten met verzoeker, doet aan deze vaststelling aangaande de ‘schriftelijke contacten’ geen afbreuk. 24. Verzoekers tweede grief, dat over de klachten over zijn functioneren “zeer weinig schriftelijke documentatie” beschikbaar is waardoor de waarachtigheid kan worden betwist, mist feitelijke grondslag. Het administratief dossier bevat twee verslagen van de mentor “over de wijze van functioneren” - één over de periode september-december 2021 met bijlagen en één over de periode XIV-39.097-19/34 januari-juli 2022 -, een verslag van de stageleider en een verslag van verzoekers hiërarchische meerdere. Verzoekers kritiek dat de beweerde tekortkomingen en incidenten niet in tijd en ruimte worden gesitueerd, noch in het administratief dossier, noch in de memorie van antwoord, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de motieven van de bestreden beslissing onjuist zijn of dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Deze grief heeft verzoeker overigens niet belet om op punctuele wijze te repliceren op de aangewreven tekortkomingen en incidenten, zoals hij onder meer deed in een schriftelijke reactie van 4 februari 2022 op het eerste verslag over de wijze van functioneren. Ook verzoekers grief dat de bestreden beslissing niet concreet motiveert dat de beweerde tekortkomingen en incidenten hebben plaatsgevonden, alsook het verwijt dat de verwerende partij dat in de memorie van antwoord nog steeds niet doet, volstaan niet om te besluiten tot de onwettigheid van de motieven van de bestreden beslissing. Gelet op het vermoeden van wettigheid, mag verzoeker immers niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust (zie supra, nr. 6). Verzoeker faalt in de op hem rustende bewijslast om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. 25. In een derde grief betwist verzoeker de inhoud van de klachten. Hij stelt daarbij “onder meer doch niet limitatief” vast dat
  9. i)hij steeds alle deadlines heeft gerespecteerd,
  10. ii)zijn vertaalwerk kwalitatief was en hij gebruik maakte van de beschikbare hulpmiddelen, iii) hij nooit gebruik heeft gemaakt van Deepl en
  11. iv)er geen enkele concrete bijsturing is geweest en de klachten niet met hem werden besproken zodat er geen uitspraken kunnen worden gedaan over vooruitgangspotentieel en de wil tot verbeteren. XIV-39.097-20/34 Verzoeker vraagt met deze argumentatie van de Raad van State een eigen beoordeling van de feiten, waartoe de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet bevoegd is. Verzoekers “vaststellingen” – die door de verwerende partij overigens formeel worden betwist – zijn niet meer dan eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, die niet ipso facto het vermoeden wettigen, noch aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen motieven niet juist zijn. Zij volstaan dan ook niet om tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te besluiten. 26. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 27. Verzoeker voert in het derde middel in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen V.II.8, V.II.9, V.III.9, V.III.10, V.III.11 en V.III.15 van het RPPol, van artikel V.1 van het UBPol en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de stage allerminst volgens de reglementaire voorschriften is verlopen. Hij voert aan dat hij werd ontslagen, terwijl de stageperiode nog niet was verstreken (eerste middelonderdeel), dat hij de stage heeft moeten aanvangen zonder inleidend stagegesprek (tweede middelonderdeel), dat hij de stage heeft doorlopen zonder de reglementair voorgeschreven leiding door een stageleider en begeleiding door een mentor (derde middelonderdeel), alsook dat hij de stage heeft doorlopen zonder de reglementair voorgeschreven opleidingen te volgen (vierde middelonderdeel). Na de draagwijdte van de geschonden geachte bepalingen te hebben geschetst, zet verzoeker uiteen, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat op 1 augustus 2022, het ogenblik waarop hij door de stageleider werd uitgenodigd om te worden gehoord over het voorstel om de stage te beëindigen, de stageperiode nog niet was verstreken en dat de vermelding in de oproeping dat op dat ogenblik elf maanden van de stageperiode waren verstreken, onjuist is. In de mate de XIV-39.097-21/34 bestreden beslissing is gestoeld op die overweging, is ze volgens verzoeker “nietig”. Wat het tweede middelonderdeel betreft, zet verzoeker uiteen dat de stageperiode op 1 september 2021 is aangevangen zonder inleidend stagegesprek, dat immers pas plaatsvond op 11 oktober 2021. Daar dit volgens verzoeker de tool bij uitstek is om de doelstellingen van de stage te bepalen, was door het uitblijven van het inleidend stagegesprek de eerste maand van de stage geheel verloren en werd het verdere verloop van de stage gehypothekeerd. Daarenboven had verzoeker bij aanvang van de stage geen computer en geen e-mailadres. Wat het derde middelonderdeel betreft, zet verzoeker uiteen dat elke stagiair stage loopt onder de begeleiding van een mentor en de leiding van een stageleider. Zijn mentor en stageleider werden pas aangesteld op 28 september 2021, zodat de eerste stagemaand verloren is gegaan. Daarenboven was de mentor geheel afwezig en verliep de begeleiding door de stageleider allerminst optimaal. De stageleider werd daarenboven op 29 juni 2022 vervangen. Dit alles was nefast voor verzoekers functioneren. Verzoeker besluit dat hij op de dienst werd “gedropt” zonder enige begeleiding en zonder dat hij wegwijs werd gemaakt in de taken die hij moest vervullen en de werkwijze die hij moest volgen. Wat het vierde middelonderdeel betreft, zet verzoeker uiteen dat er verplichte opleidingsactiviteiten moeten plaatsvinden, die hij evenwel niet heeft mogen volgen. Het getuigt volgens verzoeker niet van zorgvuldig bestuur om hem af te rekenen op beweerde tekortkomingen in zijn functioneren, terwijl het bestuur volledig in gebreke blijft inzake de verplichte opleidingen. In de memorie van wederantwoord voert verzoeker niet langer de schending aan van de artikelen V.II.8 en V.II.9 van het RPPol, maar voegt hij ter vervanging artikel V.III.13 toe aan de lijst van geschonden geachte bepalingen. Volgens verzoeker zet hij daarmee een materiële vergissing recht. Hij doelde op de artikelen V.III.9 en V.III.10 die reeds werden besproken in het derde middel en verwees verkeerdelijk niet naar artikel V.III.13 van het RPPol. Volgens verzoeker verandert dit niets aan de inhoud van het middel. Voorts repliceert hij op de memorie van antwoord. Wat het eerste middelonderdeel betreft, volhardt verzoeker dat de voorgeschreven stageperiode van twaalf maanden nog niet was verstreken. De verwerende partij negeert volgens verzoeker dat in het XIV-39.097-22/34 samenvattend eindverslag uitdrukkelijk is vermeld dat de stage van rechtswege is verlengd tot eind september 2022. Wat het tweede middelonderdeel betreft, stelt verzoeker vast dat de verwerende partij erkent dat de stage aanving zonder inleidend stagegesprek en dat aldus vaststaat dat de verwerende partij de eigen bepalingen niet naleeft. Wat het derde middelonderdeel betreft, voert verzoeker aan dat de memorie van antwoord bulkt van de motieven die niet terug te vinden zijn in de bestreden beslissing, noch in het administratief dossier. Met die post factum motivering kan de Raad van State volgens verzoeker geen rekening houden. Wat het vierde middelonderdeel betreft, betwist verzoeker dat het de verantwoordelijkheid van de stagiair is om zich in te schrijven voor de te volgen opleidingen. Uit de artikelen V.III.9 tot V.III.11 van het RPPol en artikel V.1 van het UBPol volgt volgens verzoeker dat de opleidingsactiviteiten moeten worden uitgewerkt in een opleidingsprogramma en dat de stageleider erop moet toezien dat de stagiair deelneemt aan de bepaalde opleidingsactiviteiten. In de laatste memorie verwijst verzoeker vooreerst naar de memorie van wederantwoord waarin hij volhardt en repliceert hij op het auditoraatsverslag. Wat het eerste middelonderdeel betreft, betwist verzoeker het standpunt dat een voorstel tot ontslag kan worden geformuleerd, ook al is de duur van de stage nog niet verstreken. De stage dient volgens verzoeker immers om de stagiair te evalueren en die doelstelling wordt niet bereikt indien vóór het einde van de stage een voorstel kan worden geformuleerd om de stagiair te ontslaan. Wat het tweede middelonderdeel betreft, werpt verzoeker op dat het auditoraatsverslag geen rekening houdt met het feit dat hij de eerste maand zonder doelstellingen moest werken en dat hij bij aanvang van zijn stage niet over een computer beschikte. Wat het derde middelonderdeel betreft, betwist verzoeker het standpunt in het auditoraatsverslag dat hij op regelmatige tijdstippen te horen zou hebben gekregen wat van hem werd verwacht. Uit de documenten waarnaar het auditoraatsverslag verwijst, blijkt immers niet dat verzoeker de voorgeschreven leiding en begeleiding kreeg. Het feit dat een mentor en een stageleider werden aangeduid, toont nog niet aan dat deze personen daadwerkelijk begeleiding aanboden. Wat het vierde middelonderdeel betreft, gaat het auditoraatsverslag volgens verzoeker voorbij aan het feit dat een opleidingsprogramma de XIV-39.097-23/34 opleidingsactiviteiten moet uitwerken en dat de stageleider erop moet toezien dat de stagiair deelneemt aan de opleidingsactiviteiten. Beoordeling 28. Zoals verzoeker zelf samenvat, voert hij in het derde middel verschillende schendingen aan van formele aspecten van de stage zoals die is georganiseerd door het RPPol. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. 29. De draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel werd hiervoor uiteengezet (zie supra, nr. 7). Er wordt naar verwezen. Artikel V.III.9 van het RPPol luidt: “De stage beoogt de evaluatie van de stagiair die in een situatie wordt geplaatst waarin hij een betrekking bekleedt die in overeenstemming is met het ambt waarvoor hij heeft gesolliciteerd. De minister legt de algemene regels van de stage vast. Deze kunnen verschillen naargelang van het niveau waarin de stage wordt gevolgd. De stage kan opleidingsactiviteiten omvatten die uit een verplicht en, in voorkomend geval, een vrij gedeelte kunnen bestaan, zonder dat deze opleidingsactiviteiten samen meer dan één vierde van de stageduur in beslag mogen nemen.” Artikel V.III.10 van het RPPol luidt: “De korpschef, de commissaris-generaal of de door deze laatste aangewezen directeur-generaal stelt, met inachtneming van de in artikel V.III.9, tweede lid, bedoelde algemene beginselen, de opleidingsactiviteiten vast waaraan de stagiair moet deelnemen.” Artikel V.III.11 van het RPPol luidt: “De stage verloopt onder de leiding van de door de korpschef of de betrokken directeur of het betrokken diensthoofd rechtstreeks afhangend van de commissaris-generaal of van een directeur-generaal aangewezen officier of personeelslid van het niveau A, hierna ‘stageleider’ genoemd. De stageleider ziet er op toe dat de stagiair deelneemt aan de met toepassing van artikel V.III.10 bepaalde opleidingsactiviteiten. De minister bepaalt de geschiktheidcriteria waaraan de officier of het personeelslid van niveau A moet voldoen om als stageleider te worden aangewezen.” Artikel V.III.13 van het RPPol luidt: XIV-39.097-24/34 “De duur van de stage bedraagt: 1° zes maanden voor de stagiairs van de niveaus D en C; 2° twaalf maanden voor de stagiairs van de niveaus B en A. Zij kan ten hoogste met de helft van de duur worden verlengd in het bij artikel V.III.19, eerste lid, 1°, bepaalde geval.” Artikel V.III.15 van het RPPol luidt: “Elke stagiair wordt begeleid door een personeelslid van zijn korps wat de lokale politie betreft of van de algemene directie waarvan hij afhangt wat de federale politie betreft, hierna ‘mentor’ genoemd. Indien de stagiair sedert meer dan vier maanden gedetacheerd is naar een ander korps of een andere dienst, wordt hij begeleid door een personeelslid van het korps of de dienst waarnaar hij is gedetacheerd. De minister bepaalt de geschiktheidscriteria waaraan het personeelslid moet voldoen om als mentor te worden aangewezen. De mentor heeft ten minste dezelfde graad of een gelijkwaardige graad als de stagiair in de zin van artikel II.I.15, tweede lid, is niet de stageleider en wordt aangewezen door de betrokken directeur of het betrokken diensthoofd rechtstreeks afhangend van de commissaris-generaal of van een directeur-generaal of de korpschef onder de personeelsleden die voldoen aan deze geschiktheidscriteria. De minister bepaalt het maximum aantal stagiairs dat een mentor mag begeleiden en dit in functie van de eigen aard van de dienst.” Artikel V.1 van het UBPol luidt: “Het verplichte deel van de opleidingsactiviteiten tijdens de stage omvat: 1° voor de leden van het operationeel kader en voor de leden van het administratief en logistiek kader van niveau A en B, ter integratie in het bredere politielandschap:
  12. a)[…]
  13. b)wat de leden van de federale politie betreft: – situering van de algemene directies en diensten van de federale politie in verhouding tot de lokale politiekorpsen binnen de structuur van de geïntegreerde politie; – beschrijving van de al dan niet systematische overleg- en communicatiekanalen tussen de lokale politiekorpsen en de algemene directies en diensten van de federale politie en tussen de algemene directies en diensten van de federale politie onderling; – beschrijving van de gedeconcentreerde federale diensten die zich situeren tussen de lokale politiekorpsen en de algemene directies en diensten van de federale politie en hun overleg- en communicatiekanalen; – situering van de eigen dienst in het breder geheel van de algemene directies en diensten van de federale politie: analyse van de specifieke taken van elke dienst van de federale politie en van de onderlinge verhoudingen tussen die diensten en directies; – situering van zowel de federale politie als de eigen dienst ten opzichte van de gerechtelijke en bestuurlijke overheden, en beschrijving van de overleg- en communicatiekanalen tussen de federale politie en die overheden; – beschrijving van de specifieke doelstellingen en taken van de eigen dienst, rekening houdend met de functie van deze dienst of algemene directie binnen de structuur van de federale politie; 2° ter integratie in de eigen functie: XIV-39.097-25/34
  14. a)wat de leden van de lokale en federale politie betreft: – bespreking van de vereisten en doelstellingen verbonden aan de functie gedurende het volledige verloop van de stage en in overeenstemming met de doelstellingen en inhoud van de geplande stage-activiteiten, in voorkomend geval, op een gefaseerde wijze; – bespreking en gefaseerde opvolging van een evolutieplan, individueel of voor meerdere stagiairs gezamenlijk, met betrekking tot het kunnen omzetten en vervolmaken, voor wat de personeelsleden van het operationeel kader betreft, van de aangeleerde kennis en vaardigheden in de basisopleiding en, voor alle personeelsleden, van algemene vaardigheden inzake het persoonlijk functioneren in de dagelijkse politionele praktijk, inzonderheid inzake teamwerk en -geest, initiatief, communicatie, loyauteit en leervermogen; – toelichting bij de interne richtlijnen en die uitgaande van andere overheden, aan de hand van de informatieverstrekkingssystemen; – implementatie en correct gebruik van de gegevensbanken, voor de personeelsleden voor wie het gebruik van databanken tot hun taakomschrijving behoort; – implementatie en concretisering van de deontologische code bij het uitvoeren van de toegewezen taken; – beknopte herhaling vanuit de basisopleiding of, voor de leden van het administratief en logistiek kader, een uiteenzetting van het juridisch kader van de stage en van de rechtspositie van de stagiair; – beschrijving van de taak van de stageleider en de mentor die werden aangewezen voor verdere begeleiding van de stagiair;
  15. b)[…] Het opleidingsprogramma wordt uitgewerkt door de korpschef of de directeur-generaal van de algemene directie personeel van de federale politie, rekening houdend met de noden en de specificiteit van de dienst, en rekening houdend met de graad en de functie van de betrokken stagiair.” Eerste middelonderdeel 30. Het eerste middelonderdeel vertrekt van het standpunt dat een stagiair niet kan worden ontslagen, zolang de stageperiode niet is verstreken. 31. Daargelaten dat de duur van de stage te dezen niet wordt bepaald door de artikelen V.II.8 en V.II.9 van het RPPol, maar wel door artikel V.III.13, zoals de verwerende partij terecht opwerpt en verzoeker vervolgens in de memorie van wederantwoord rechtzet, bepaalt artikel V.III.19 van het RPPol: “In de loop van de stage kan de stageleider, op basis van een gemotiveerd, door de mentor opgesteld evaluatieverslag en na de stagiair daaromtrent te hebben gehoord, naar gelang van het geval, beslissen: 1° dat de stage, binnen de perken van artikel V.III.13, tweede lid, wordt verlengd; 2° om, aan de burgemeester of het politiecollege voor de stagiairs van de lokale politie of aan de benoemende overheid voor de stagiairs van de federale politie een gemotiveerd voorstel voor te leggen dat er toe strekt, naar gelang van het geval, de XIV-39.097-26/34 stagiair te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid of, indien het een personeelslid betreft dat bevorderd werd door verhoging van niveau, te herplaatsen in zijn oorspronkelijk niveau wegens beroepsongeschiktheid. De stagiair die wordt gehoord, kan zich naar eigen keuze laten bijstaan door een advocaat, een lid van een erkende vakorganisatie of een personeelslid.” Deze bepaling werd in het RPPol ingevoerd door artikel 43 van het koninklijk besluit van 7 juni 2009 ‘tot wijziging van verschillende teksten betreffende de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’. Het verslag aan de Koning (BS 26 juni 2009, ed. 2, 44083 e.v.) licht deze wijziging toe: “De belangrijkste van die aanpassingen kunnen als volgt worden samengevat : […] - de organisatie van de stage van de personeelsleden van het administratief en logistiek kader wordt vereenvoudigd en verder gerationaliseerd. Indien de stage goed verloopt, moeten er immers geen evaluatieverslagen meer worden opgesteld en zal de stage van rechtswege worden beëindigd. Indien de stage daarentegen niet goed verloopt, kan de stagiair reeds gedurende de stage worden ontslagen of herplaatst wegens beroepsongeschiktheid.” Uit zowel artikel V.III.19 van het RPPol, als de toelichting van die bepaling in het verslag aan de Koning, blijkt dat de stagiair wel degelijk reeds “in de loop van” of “gedurende” de stage kan worden ontslagen wegens beroepsongeschiktheid. Bijgevolg kan ook het voorstel daartoe worden geformuleerd, ook al is de stageperiode nog niet verstreken. In de mate het middelonderdeel uitgaat van het tegendeel, mist het juridische grondslag. 32. Het loutere gegeven dat in de oproeping om te worden gehoord over het voorstel tot beëindiging van de stage is vermeld dat op dat ogenblik elf maanden van de stageperiode waren verstreken, terwijl dit op dat ogenblik – 1 augustus 2022 – nog niet het geval was, leidt in weerwil van wat verzoeker aanvoert niet tot de nietigheid van de bestreden beslissing. Niet enkel zet verzoeker niet uiteen uit welke van de geschonden geachte rechtsregels deze nietigheid zou volgen, de verwerende partij wijst er ook terecht op dat verzoeker hierover werd gehoord en dat in het uiteindelijke voorstel tot beëindiging van de stage van 25 augustus 2022 deze vermelding niet meer is opgenomen. Meer nog, over die opmerking schrijft de stageleider in zijn analyse dat ze “terecht” is. Verzoeker maakt aldus niet aannemelijk dat de bestreden beslissing zou zijn gesteund op de door hem bekritiseerde vermelding in de oproeping om te worden gehoord. XIV-39.097-27/34 33. Verzoekers argument dat het samenvattend eindverslag uitdrukkelijk vermeldt dat de stageperiode van rechtswege werd verlengd tot eind september 2002, is te dezen niet relevant, daar de stageperiode niet verstreken hoeft te zijn, vooraleer een voorstel tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid kan worden geformuleerd (zie supra, nr. 31). 34. Ook verzoekers standpunt dat de stage dient om de stagiair te evalueren en dat die doelstelling niet wordt bereikt indien vóór het einde van de stage een voorstel tot ontslag kan worden geformuleerd, doet niet anders besluiten. Dit argument is immers loutere kritiek op de toepasselijke rechtsregel en verzoeker zet niet uiteen waarom die te dezen buiten toepassing zou moeten blijven. 35. Het eerste middelonderdeel is in die mate ongegrond. Tweede middelonderdeel 36. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middelonderdeel op grond van de volgende overwegingen: “Niet betwist wordt dat ‘een’ inleidend stagegesprek werd gehouden op 11 oktober 2021. Dit is iets meer dan een maand na de aanvang van de stage. Door dit inleidend stagegesprek niet bij aanvang van de stage te houden, meent verzoeker dat de uiteindelijk genomen en thans bestreden beslissing moet worden vernietigd. Die argumentatie kan niet worden bijgetreden. Vooreerst moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling voorhanden is die een inleidend stagegesprek verplicht stelt. Verzoeker duidt ook geen dergelijke bepaling aan. In het verslag van de stageleider (adm. doss., st. 6) wordt met betrekking tot de integratie in de vertaaldienst er inderdaad op gewezen dat die integratie niet optimaal is verlopen. Evenwel blijkt uit dat verslag ook dat alle personen die op dezelfde dag als verzoeker zijn begonnen alle praktische informatie in verband met de arbeidstijdorganisatie, de verloven en de praktische voorzieningen in het RAC hebben meegedeeld gekregen. Vervolgens - zo staat nog te lezen - heeft de dienstchef de vertaaldienst samengeroepen om ‘te praten over de manier van werken’. Hieruit blijkt met andere woorden dat verzoeker bij aanvang van zijn stage niet zo maar aan zijn lot werd overgelaten of op de vertaaldienst werd gedropt: hij kreeg praktische informatie mee en werd eveneens op de hoogte gebracht van de manier van werken. Zoals hiervoor aangegeven, vond het (niet verplicht) inleidend stagegesprek plaats iets meer dan een maand na de aanvang van de stage. Ermee rekening houdende dat XIV-39.097-28/34 een stage voor een stagiair van niveau A in principe minstens 12 maanden duurt, is het ‘verlies’ van één maand – als dat zoal kan worden benoemd - niet van aard het verdere verloop van de stage te hypothekeren. Immers, er resteerden verzoeker nog 10 à 11 maanden om de opgelegde doelstellingen te bereiken, periode die ruim voldoende is om op een regelmatige wijze de stage van verzoeker te evalueren. Mede gelet op de toen heersende COVID-pandemie, vond het inleidend stagegesprek tijdig plaats, in die zin dat verzoeker voldoende tijd had zijn functioneren daaraan aan te passen (vergelijk: RvS 30 november 2009, nr. 198.306: in die zaak werd het verplicht planningsgesprek te laat gehouden waardoor de betrokkene onvoldoende tijd had zijn functioneren aan te passen).” 37. Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het volharden in de memorie van wederantwoord. Hij brengt evenwel geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. In de mate verzoeker opwerpt dat het auditoraatsverslag voorbij gaat aan het gegeven dat hij de eerste maand zonder doelstellingen moest handelen, wordt immers vastgesteld dat het auditoraatsverslag er wel degelijk op wijst dat verzoeker bij aanvang van zijn stage niet zo maar aan zijn lot werd overgelaten, maar dat hij praktische informatie meekreeg en op de hoogte werd gebracht van de manier van werken. Voorts wijst het auditoraatsverslag erop dat het ‘verlies’ van één maand niet van aard is het verdere verloop van de stage te hypothekeren, daar er nog een voldoende ruime periode restte om de opgelegde doelstellingen te bereiken. Wat het feitelijke gegeven betreft dat verzoeker niet van bij de aanvang van de stage over een computer en e-mailadres beschikte, zet verzoeker niet uiteen welke rechtsregel daardoor wordt geschonden, noch hoe dit gegeven tot de onwettigheid van de bestreden beslissing zou leiden. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middelonderdeel ongegrond. 38. Het tweede middelonderdeel is in die mate ongegrond. XIV-39.097-29/34 Derde middelonderdeel 39. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middelonderdeel op grond van de volgende overwegingen: “Artikel V.III.11, eerste en tweede lid RPPol luidt: […] Artikel V.III.15, eerste lid RPPol bepaalt dan weer dat elke stagiair begeleid wordt door een personeelslid van zijn korps wat de lokale politie betreft of van de algemene directie waarvan hij afhangt wat de federale politie betreft, ‘mentor’ genoemd. Op 28 september 2021 werd voor verzoeker een stageleider en mentor aangewezen. In zoverre verzoeker ook nu weer aanvoert dat dit niet in het begin van de stage gebeurde waardoor de eerste maand van de stage verloren is gegaan, kan worden verwezen naar de bespreking van het tweede onderdeel wat dit aspect betreft. Vooreerst mag er worden op gewezen dat verzoeker van zijn diensthoofd op 28 september 2021 een document ontving met als titel ‘taakverdeling en organisatie van de vertaaldienst’. Uit dat document blijkt duidelijk dat om die taken optimaal uit te voeren ook van de vertalers - en dus ook van verzoeker - een actieve inbreng wordt verwacht. Zo staat te lezen dat in geval van twijfel of bij vragen beroep kan worden gedaan op de collega’s, ook wanneer een deadline niet zal worden gehaald. Zelfs in geval van termijnproblemen kan steeds het diensthoofd worden gecontacteerd. In het ‘verslag over de wijze van functioneren’ (periode september – december 2021) opgesteld door de mentor (adm. doss., st. 4), wordt gemeld dat verzoeker erg weinig tot helemaal geen gebruik maakt van de aangeboden diensten (stageleider – mentor) (punt 7 bij de persoonlijkheidskenmerken) en bij wege van conclusie dat de mentor en de stageleider zelden rechtstreeks door hem worden aangesproken over eventuele problemen, terwijl hem toch werd gemeld dat zij ter beschikking stonden. Uit de bijlagen bij dat document blijkt dat verzoeker diverse malen door het diensthoofd schriftelijk werd aangesproken over de kwaliteit van zijn werk, het niet-naleven van de dienstregels, het niet correct opgeven van werktijden,… Zelf stelt hij daar enkel tegenover dat dit pure veronderstellingen zijn en dat de mentor weinig bereikbaar is (adm. doss., st. 5). Niet betwist wordt dat dit alles besproken wordt tussen de stageleider en verzoeker (11 februari 2022) en dat de stageleider, wat dit punt betreft, duidelijk stelt dat verzoeker op geen enkel moment een afspraak heeft gevraagd, noch met zijn mentor, noch met zijn stageleider (adm. doss., st. 6, blz. 2). Hoe verzoeker het nu ook wil draaien of keren, feit is dat hij aan de hand van dat functioneringsverslag van 19 januari 2022 - we zijn dan 4 maanden ver in de stage, of om verzoeker te volgen 3 maanden - en het verslag van de stageleider wist dat er zich een serieus probleem stelde met zijn functioneren. Gelet op zijn reactie (adm. doss., st. 5) is verzoeker ervan overtuigd dat er zich geen probleem stelt. Enige zelfreflectie of enige erkenning van eigen tekortkomingen zijn hem vreemd (memorie van antwoord, blz. 12-13). Uit een ander - niet gedateerd - document, nl. het ‘verslag van de hiërarchische meerdere’ (adm. doss., st. 7), blijkt opnieuw dat verzoeker ‘nooit contact opgenomen [heeft] met zijn mentor of stageleider’, niettegenstaande hem dat door de hiërarchische meerdere herhaaldelijk werd gemeld. Het was de hiërarchische meerdere zelf die de mentor en de stageleider op de hoogte diende te houden van het verloop van de stage (punt 4.b). Dat verzoeker zijn manier van functioneren dient XIV-39.097-30/34 aan te passen , blijkt uit nog andere stukken van het administratief dossier (st. 9 en 10). Uit het voorgaande dient dan ook geconcludeerd te worden dat verzoeker onmogelijk kan volhouden onvoldoende, of zelfs geen, leiding en begeleiding te hebben gekregen. Doorheen de ganse stageperiode kreeg hij op geregelde tijdstippen te horen wat van hem verwacht werd en hoe hij zijn functioneren diende aan te passen.” 40. Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het verwijzen naar de memorie van wederantwoord en het louter volharden in het standpunt dat uit de in het auditoraatsverslag aangehaalde documenten niet blijkt dat werd voldaan aan de voorgeschreven leiding en begeleiding. Hij brengt evenwel geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. Verder maakt verzoeker niet aannemelijk hoe het gegeven dat zijn stageleider op 29 juni 2022 werd vervangen een afbreuk zou doen aan de in het auditoraatsverslag gemaakte analyse waaruit blijkt dat “verzoeker onmogelijk kan volhouden onvoldoende, of zelfs geen, leiding en begeleiding te hebben gekregen”. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middelonderdeel ongegrond. 41. Het derde middelonderdeel is in die mate ongegrond. Vierde middelonderdeel 42. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) zoals het luidde en van toepassing is op het voorliggende beroep, vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. De uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel XIV-39.097-31/34 wordt aangeduid die volgens verzoeker werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren strekt er toe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet-onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling. 43. Te dezen voert verzoeker in het verzoekschrift aan dat hij de stage heeft doorlopen zonder de reglementair voorgeschreven opleidingen te volgen en dat het een zorgvuldig handelend bestuur betaamt de bepalingen inzake opleiding na te leven. Hij licht toe dat hij “in weerwil van de wettelijke bepalingen […] geen enkel van de verplichte opleidingsactiviteiten [heeft] mogen volgen.” Het bestuur blijft volgens verzoeker desbetreffend “volledig in gebreke” en is dan ook slecht geplaatst enkel aandacht te hebben voor de beweerde tekortkomingen in zijn functioneren. Het middelonderdeel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. 44. Het verslag van het inleidend stagegesprek vermeldt duidelijk welke opleidingen verzoeker tijdens de stage moest volgen, alsook binnen welke termijn verzoeker “de noodzakelijke acties [moest] hebben ondernomen” om de opleidingen in kwestie te kunnen volgen (zie supra, nr. 3.4.). Met de verwerende partij wordt voorts vastgesteld dat verzoeker reeds in het eerste verslag over de wijze van functioneren van 19 januari 2022 kon lezen dat hij zich niet heeft ingezet om de gevraagde opleidingen in te plannen en te volgen in het kader van zijn stage, alsook dat in het verslag van het gesprek tussen verzoeker en de stageleider over deze functioneringsnota verzoeker wordt herinnerd aan die verplichtingen. In datzelfde verslag wordt overigens opgemerkt dat voltijds telewerk geen beletsel vormt om de opleidingen te volgen, daar de meeste plaatsvinden op afstand via Teams. De verwerende partij wijst ook op het verslag van de hiërarchische XIV-39.097-32/34 meerdere van 30 maart 2022 waaruit blijkt dat de hiërarchische meerdere verzoeker er in december 2021 moest aan herinneren dat de validering van zijn stage afhing van de voltooiing van de opleidingen, dat verzoeker in januari 2022 contact opnam met de hiërarchische meerdere omdat hij zijn stagedoelstellingen was kwijtgeraakt, dat zij hem toen heeft uitgelegd hoe hij zich moest inschrijven voor de opleidingen, maar dat verzoeker zich tot op de datum van het verslag (30 maart 2022) voor geen enkele opleiding had ingeschreven. Hiertegenover plaatst verzoeker zonder verdere toelichting het standpunt dat hij de verplichte opleidingsactiviteiten niet heeft mogen volgen. Met deze loutere stellingname die formeel wordt tegengesproken door de verwerende partij met verwijzing naar verschillende stukken van het administratief dossier, blijft verzoeker in gebreke aannemelijk te maken dat hem zou zijn verboden of onmogelijk gemaakt om de verplichte opleidingen te volgen, alsook dat het bestuur ter zake “volledig in gebreke” zou zijn gebleven. 45. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie voert verzoeker aan dat het niet de verantwoordelijkheid is van de stagiair om zich in te schrijven voor de opleidingen en deze te volgen, maar dat de stageleider erop moet toezien dat de stagiair deelneemt aan de verplichte opleidingsactiviteiten. Verzoeker geeft hiermee op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden. 46. Het vierde middelonderdeel is in die mate ongegrond. Conclusie 47. Het derde middel is ongegrond. XIV-39.097-33/34 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.097-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.