← België

Arrest 260409 - Dierenwelzijn - 08/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 Rolnummer: A. 242294/XII-9691 Zaak: Arrest 260409 - Dierenwelzijn - 08/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-12 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-05 14:14 Fiche Arrest nr 260.409 van 8 juli 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 no lien 278070 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 260.409 van 8 juli 2024 in de zaak A. 242.294/VII-42.566 In zake: U.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Carolus kantoor houdend te 1090 Brussel Odon Warlandlaan 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 26 juni 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Inspectie Dierenwelzijn van de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving bij de Vlaamse overheid van 11 juni 2024, ondertekend op 19 juni 2024, waarbij vijftien dieren administratief in beslag worden genomen en in afwachting van de bestemmingsbeslissing worden overgebracht naar twee erkende asielen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. VII-42.566-1/17 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juli 2024, om 14 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tristan Carolus, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker verkrijgt op 10 november 2022 van de bevoegde minister van het Vlaamse Gewest een erkenning als hobbykweker van katten op een adres te Groot-Bijgaarden. Na een aantal controles wordt deze erkenning op 8 februari 2024 ingetrokken met ingang van 20 mei
  5. 3.
  6. Met ingang van 11 september 2023 verkrijgt verzoeker van de bevoegde minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een erkenning voor een kattenkwekerij op een adres te 1083 Brussel (Ganshoren). 3.
  7. Op 11 juni 2024 vindt een controle plaats door de Inspectie Dierenwelzijn van de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving bij de Vlaamse overheid op het adres te Groot-Bijgaarden. Tijdens die controle worden VII-42.566-2/17 een aantal vaststellingen gedaan die het voorwerp vormen van een aanvankelijk proces-verbaal met nr. G-24-1370/LiD/11-06-
  8. 3.
  9. De controleur van de Inspectie Dierenwelzijn van de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving bij de Vlaamse overheid (hierna: de controleur dierenwelzijn) beslist op 11 juni 2024, gelet op de door haar gedane vaststellingen, om in toepassing van artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: de wet van 14 augustus 1986) vijftien in de beslissing nader geïdentificeerde dieren administratief in beslag te nemen en in afwachting van de bestemmingsbeslissing over te brengen naar twee erkende asielen. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  10. De bestreden beslissing wordt op 19 juni 2024 per e-mail bezorgd aan verzoeker. IV. Voorwaarden voor de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
  11. De Raad van State kan bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling bevelen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte prima facie kan verantwoorden, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing (artikel 17, § 1 en § 4, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973). VII-42.566-3/17 V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  12. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 10, 11, 16, 33 en 159 van de Grondwet, van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM), van de artikelen 1 en 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: de bijzondere wet van 8 augustus 1980), van “de hiërarchie der normen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”, van artikel II.24, § 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 en van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Overeenkomstig artikel 2, § 1, tweede lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) bestaat het middel uit de vermelding van de rechtsregel waarvan de schending wordt aangevoerd en van de wijze waarop die rechtsregel concreet zou zijn overtreden. Uit het verzoekschrift blijkt prima facie niet duidelijk voor elk van de geschonden geachte rechtsregels, hoe de bestreden beslissing die zou schenden. In wat als een eerste middelonderdeel kan worden beschouwd, voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing is genomen door “beweerdelijk controleur [D.M.]”, terwijl geen bewijs voorligt dat deze persoon personeelslid is van de dienst Dierenwelzijn, noch dat deze persoon de eed heeft afgelegd in handen van de Vlaamse regering. In wat als een tweede middelonderdeel kan worden beschouwd, voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing digitaal werd ondertekend, terwijl een elektronische handtekening “geen handtekening uitmaakt”, noch “de traceerbaarheid van de beslissing nemende persoon” (en dus ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 VII-42.566-4/17 de bevoegdheid van die persoon) mogelijk maakt. Dergelijke wijze van ondertekening kan volgens verzoeker niet worden gelijkgesteld met een geschreven handtekening. Daarenboven is er volgens verzoeker geen zekerheid dat de elektronische handtekening enkel door de desbetreffende ambtenaar kan worden gegenereerd. Aldus ligt niet het bewijs voor dat de bestreden beslissing werd genomen door de daartoe bevoegde ambtenaar. Verzoeker lijkt prima facie alzo aan te voeren dat de bestreden beslissing om de door hem aangehaalde redenen onwettig is en derhalve in toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. De ernst van het eerste middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. Beoordeling
  13. Artikel 42 van de wet van 14 augustus 1986 luidt: “§
  14. Wanneer de in artikel 34 bedoelde overheidspersonen een inbreuk op deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of Europese verordeningen of beschikkingen/besluiten vaststellen en deze inbreuk over levende dieren gaat, kunnen zij deze dieren administratief in beslag nemen en indien nodig onderbrengen in een geschikte opvangplaats. Zij kunnen tevens dieren in beslag nemen wanneer deze gehouden worden in weerwil van een in toepassing van artikel 40 uitgesproken verbod. Als de dieren die in beslag worden genomen met toepassing van deze paragraaf worden opgevangen in een erkend dierenasiel, bezorgt het erkende dierenasiel aan de Dienst een overzicht van de dieren die zijn opgevangen en de tijdsduur waarin ze zijn opgevangen. Er wordt een vergoeding betaald aan het erkende dierenasiel voor de opvang en voor de kosten verbonden aan de opvang. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de vergoeding en de nadere regels van de procedure, vermeld in het derde en vierde lid. § 1/
  15. In de in § 1 bedoelde gevallen wordt een kopie van het in artikel 34, § 3, bedoelde proces-verbaal bezorgd aan de Dienst. […]” Artikel 34 van de wet van de wet van 14 augustus 1986 luidt: “§
  16. Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie worden overtredingen op deze wet en op de uitvoeringsbesluiten ervan en op de Europese verordeningen, beschikkingen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 VII-42.566-5/17 en besluiten ter zake opgespoord en vastgesteld door: 1° de leden van de federale en lokale politie; 2° de statutaire en contractuele personeelsleden van de Dienst die worden aangewezen door de Vlaamse Regering. De contractuele personeelsleden van de Dienst leggen voorafgaand aan de uitoefening van hun functie de eed af in handen van de Vlaamse Regering. De personeelsleden van de Dienst, vermeld in het eerste lid, hebben een legitimatiebewijs bij zich en tonen dat desgevraagd onmiddellijk. De Vlaamse Regering kan bepalen wie het legitimatiebewijs verleent, en wat het model en de inhoud van het legimitatiebewijs zijn. […] §
  17. De processen-verbaal opgemaakt door de in § 1 bedoelde overheidspersonen hebben bewijskracht tot het tegenbewijs is geleverd; een afschrift ervan wordt binnen vijftien dagen na de vaststelling aan de overtreders toegezonden. […].” Artikel 1 van het ministerieel besluit van 24 mei 2019 ‘betreffende de aanwijzing van personeelsleden belast met de opsporing en de vaststelling van de overtredingen van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, van de uitvoeringsbesluiten ervan en van de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake’ (hierna: het ministerieel besluit van 24 mei 2019) luidt: “De volgende statutaire en contractuele personeelsleden van de subentiteit bevoegd voor het dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid worden overeenkomstig artikel 34, § 1, eerste lid, 2° van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren aangewezen: […] 5° [L.D.M.] […].”
  18. Een middel dat in een schorsingsvordering wordt aangebracht dient, om als ernstig te kunnen worden aangemerkt, dermate duidelijk te zijn dat het bij de eerste lezing meteen aannemelijk is dat er een nietigverklaring op kan worden gesteund, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. In een schorsingsprocedure die, zoals te dezen, is ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid, is zulks des te meer het geval, omdat het onderzoek van de Raad van State in die procedure uiterst snel moet kunnen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 VII-42.566-6/17 verlopen.
  19. Uit de hiervoor vermelde rechtsregels (zie supra, nr. 5) blijkt prima facie dat L.D. als controleur dierenwelzijn regelmatig werd aangeduid overeenkomstig artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 14 augustus 1986 en dat zij aldus de bevoegdheden kon uitoefenen bepaald in artikel 42, § 1 van de wet van 14 augustus
  20. Uit artikel 1 van het ministerieel besluit van 24 mei 2019 blijkt tevens dat L.D. een statutair of contractueel personeelslid is van de subentiteit bevoegd voor het dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid. Het ministerieel besluit van 24 mei 2019 geniet een vermoeden van wettigheid, ook wat de eraan ten grondslag liggende motieven betreft. Om de onwettigheid van dat ministerieel besluit aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de beoordeling waartoe de overheid is overgegaan, waaronder de feitelijke elementen waarop die berust. Het komt verzoeker toe om voor de Raad van State aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de aanduiding van L.D. als controleur dierenwelzijn onwettig is. De loutere bewering van verzoeker dat het bewijs niet voorligt dat L.D. een personeelslid is van de subentiteit bevoegd voor het dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid volstaat daartoe niet. Dezelfde vaststelling geldt prima facie voor verzoekers bewering dat niet is bewezen dat L.D. de eed heeft afgelegd. Verzoeker gaat met deze loutere bewering voorbij aan de op hem rustende bewijslast om minstens aannemelijk te maken dat L.D. een contractueel personeelslid is waarop de verplichting tot eedaflegging rust, en dat, in voorkomend geval, niet tot deze eedaflegging werd overgegaan.
  21. De bestreden beslissing werd digitaal ondertekend door L.D. in haar hoedanigheid van controleur dierenwelzijn. Het betreft een gekwalificeerde elektronische handtekening aangemaakt via de elektronische identiteitskaart. VII-42.566-7/17 Artikel 8.1 van het Burgerlijk Wetboek luidt: “Wordt verstaan onder: […] 2° handtekening: een teken of een opeenvolging van tekens, aangebracht met de hand, elektronisch of via ieder ander procedé, waarmee een persoon zich identificeert en waaruit zijn wilsuiting blijkt; 3° elektronische handtekening: een handtekening conform artikel 3, 10° tot 3, 12° van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG; […]” Artikel 3 van de Verordening (EU) 910/2014 van 23 juli 2014 van het Europees Parlement en de Raad ‘betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG’ waarnaar voormelde bepaling verwijst, luidt: “Voor de doelstellingen van deze verordening, zijn de volgende definities van toepassing: […]
  22. “elektronische handtekening”: gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere gegevens in elektronische vorm en die door de ondertekenaar worden gebruikt om te ondertekenen;
  23. “geavanceerde elektronische handtekening”: een elektronische handtekening die voldoet aan de eisen in artikel 26;
  24. “gekwalificeerde elektronische handtekening”: een geavanceerde elektronische handtekening die is aangemaakt met een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen en die gebaseerd is op een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen; […]” Prima facie maakt verzoeker niet aannemelijk dat de door hem bekritiseerde handtekening geen gekwalificeerde elektronische handtekening zou zijn in de zin van de hiervoor vermelde bepalingen, noch dat zij niet zou uitgaan van L.D. of de bestreden beslissing onwettig zou maken. De loutere verwijzing naar bepalingen uit het Bestuursdecreet van 7 december 2018 zonder die ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 VII-42.566-8/17 bepalingen in concreto te betrekken op de wettigheid van de bestreden beslissing, naar een vonnis van een politierechter over een gescande handtekening – te onderscheiden van een gekwalificeerde elektronische handtekening – of de loutere bewering dat niet zeker is dat de gekwalificeerde elektronische handtekening werd aangebracht door L.D., volstaan niet om het vermoeden van wettigheid te weerleggen.
  25. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  26. Verzoeker voert in een tweede middel tot nietigverklaring de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids- en het proportionaliteits- en/of evenredigheidsbeginsel. Verzoeker zet uiteen dat de formele motivering niet afdoende is en dat de bestreden beslissing niet zelf de formele motivering bevat. Uit het gebruik van het woord “zullen” in de bestreden beslissing leidt verzoeker af dat de motieven niet eens bestaan op de datum van de motivering en al zeker niet gekend zijn bij verzoeker. Aldus worden zowel de formelemotiveringsplicht, als de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Voorts voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing uitgaat van de verkeerde veronderstellingen, met name dat op het adres te Groot-Bijgaarden nog steeds de kweek en verkoop van katten plaatsvond, en dat verzoeker niet werd gehoord. Volgens verzoeker werden de dieren, die na de intrekking van de erkenning in het Vlaamse Gewest naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werden geherlocaliseerd, slechts tijdelijk en zonder vergoeding naar het adres te Groot-Bijgaarden gebracht en bestaat er geen verplichting dat de dieren permanent ter plaatse moeten zijn in de erkende inrichting. Het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens verzoeker geschonden doordat de bestreden beslissing steunt op een feitenvinding zonder verder onderzoek. De overheid had zeer eenvoudig kunnen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 VII-42.566-9/17 nagaan of de dieren deel uitmaakten van een erkende inrichting in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Bovendien was er telefonisch contact tussen verzoeker en de verbaliserende ambtenaren, zodat het onjuist is dat verzoeker niet werd gehoord. Tijdens dit telefonische contact werden de verbaliserende ambtenaren bovendien ingelicht over de situatie, zodat zij over de “correcte feiten” beschikten. Dat zij die informatie niet hebben betrokken bij de besluitvorming getuigt volgens verzoeker van vooringenomenheid en van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot slot voert verzoeker aan dat de vaststelling dat de dieren niet conform hun behoeften werden gehouden, wordt tegengesproken door het niet in beslag nemen van de andere katten die de eigendom zijn van verzoekers moeder. Beoordeling
  27. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de formelemotiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts rekening worden gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. VII-42.566-10/17
  28. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
  29. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 VII-42.566-11/17 aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
  30. De bestreden beslissing is als volgt formeel gemotiveerd: “De vaststellingen en foto’s d.d. 11/06/2024 dewelke geacteerd zullen worden in Aanvankelijk PV met nr. G-24-1370/LiD/11-06-2024: • De erkenning van de kattenkwekerij op het adres […] te Groot-Bijgaarden werd op 20/05/2024, op bevel van de minister, ingetrokken. • De aanwezigheid van intacte kattinnen en katers op het adres […] te Groot-Bijgaarden. • De aanwezigheid van kittens, bedoeld voor de verkoop. • De aanwezigheid van minimaal 1 drachtige kattin. • De ventilatie in de vertrekken waar de kweekkatten gehouden worden, is ondermaats. • Betreffende de moederpoes en 3 jonge kittens: o Ze hebben geen beschikking over natuurlijk daglicht. o Ze hebben geen beschikking over nestmateriaal. o De kittens liggen in het nat en zijn onderkoeld. o De kattin vertoont lethargisch gedrag. • Betreffende de 9 kattinnen en 1 kater: o Ze worden gehouden in een ruimte van 7,5m². Ze hebben onvoldoende bewegingsruimte. o Er zijn 2 transportboxen met een luierdoek aanwezig die als schuilplaats voor de katten dienst doen. Deze boxen voldoen niet als comfortabel ligbed voor de aanwezige dieren. o De luierdoeken voldoen niet als bedding, zeker niet voor een drachtige kat. o Bij binnenkomst in deze ruimte treffen we meerdere katten aan die aan het rusten zijn in de aanwezige kattenbakken, waaruit blijkt dat de dieren onvoldoende comfortabele ligplaatsen ter beschikking hebben. o De dieren hebben geen krabmogelijkheden ter beschikking. o De dieren kunnen enkel op de vensterbank van het raam klimmen. Deze ruimte is onvoldoende groot om aan alle aanwezige dieren een rustplaats op hoogte te bieden. • Betreffende de kitten van +/- 12 weken oud: o Het dier is ontsnapt uit de ruimte waar zij verbleef door een gat in de muur en verstopt zich achter de kattenbak in de ruimte waar de kattin met de 3 jonge kittens verblijft. • Ook na 20/05/2024 adverteert [T.U.] nog op 2dehands.be met het adres te Groot-Bijgaarden. Deze vaststellingen wijzen erop dat de katten en kittens niet volgens hun welzijnsbehoeften gehouden worden en dat betrokkenen de wettelijke regelgevingen betreffende het houden van en kweken met katten doelbewust niet opvolgen. De betrokkene werd voorafgaand aan de inbeslagname niet gehoord ingevolge: VII-42.566-12/17 • De vastgestelde toestand van de dieren die een dringende beslissing betreffende deze dieren noodzakelijk maakte. • De feiten staan vast en de Afdeling Dierenwelzijn heeft een gebonden bevoegdheid wat betreft de te nemen beslissing.”
  31. Prima facie wordt vastgesteld dat, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, de formele motivering van de bestreden beslissing zich niet beperkt tot de loutere verwijzing naar vaststellingen en foto’s die “zullen” worden geacteerd in het vermelde aanvankelijk proces-verbaal. De bestreden beslissing zet uitgebreid de feitelijke gegevens uiteen omtrent de erkenning van de kattenkwekerij die werd ingetrokken, de aanwezigheid van katten en kittens op dit adres, de leefomstandigheden die ondermaats zijn, en koppelt daaraan de conclusie dat de dieren niet worden gehouden volgens hun welzijnsbehoeften en dat de regelgeving betreffende het houden van en kweken met katten doelbewust niet wordt opgevolgd. In de mate in het middel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing niet zelf de motieven bevat, is het aldus niet ernstig.
  32. Voorts wordt opgemerkt dat de hiervoor weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing (zie supra, nr. 14) prima facie lijkt te volstaan om de bestreden beslissing te kunnen dragen en in rechte en in feite te verantwoorden. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. Verzoeker lijkt daarin niet te slagen.
  33. Het gebruik van het woord “zullen” in de eerste zin van de formele motivering - “De vaststellingen en foto’s d.d. 11/06/2024 dewelke geacteerd zullen worden in Aanvankelijk PV met nr. G-24-1370/LiD/11-06-2024 […]” – toont prima facie niet aan dat de motivering niet afdoende is. Met de verwerende partij lijkt te moeten worden vastgesteld dat het gegeven dat het aanvankelijk proces-verbaal nog moest worden uitgeschreven, geen afbreuk doet aan de door de inspecteur dierenwelzijn gedane vaststellingen tijdens de controle op 11 juni 2024 en die tot de bestreden beslissing hebben geleid. VII-42.566-13/17
  34. Verzoeker voert verder aan dat de motivering niet afdoende is omdat de bestreden beslissing uitgaat van de verkeerde veronderstelling dat op het adres te Groot-Bijgaarden nog steeds de kweek en verkoop van katten plaatsvindt, terwijl daar geen dieren worden gehouden voor verhandeling, noch worden verhandeld. Evenmin vindt er enige andere erkenningsplichtige activiteit plaats. De aanwezige dieren zouden slechts tijdelijk en zonder vergoeding sinds 29 mei 2024 naar het adres te Groot-Bijgaarden zijn overgebracht. Verzoeker meent dat er geen verplichting bestaat om de dieren permanent te laten verblijven op de plaats van erkende inrichting. Verzoekers argumentatie getuigt evenwel niet van de vereiste ernst dat zij in de prima facie beoordeling die eigen is aan de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden bijgevallen. Daargelaten dat verzoekers argumentatie ingaat tegen de duidelijke vaststellingen in de bestreden beslissing én het aanvankelijk proces-verbaal dat krachtens artikel 34, § 3, van de wet van 14 augustus 1986 bewijskracht heeft tot het bewijs van het tegendeel, maakt verzoeker immers niet aannemelijk dat de bestreden beslissing desondanks steunt op verkeerde motieven. Gelet op het vermoeden van wettigheid (zie supra, nr. 12), mag een verzoeker immers niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust.
  35. Wat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, meent verzoeker dat de feitenvinding onzorgvuldig gebeurde en dat er ten onrechte van werd uitgegaan dat er een erkenningsplichtige activiteit plaatsvond op het adres te Groot-Bijgaarden en dat de regels voor erkenningsplichtige activiteiten van toepassing waren. De overheid had nochtans op eenvoudige wijze kunnen achterhalen dat de dieren deel uitmaakten van een erkende inrichting in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aldus verzoeker. Bovendien heeft verzoeker telefonisch de verbaliserende ambtenaren ingelicht over de correcte feiten en situatie.
  36. De vraag of uit de aanwezigheid van verzoekers dieren op het adres te Groot-Bijgaarden op het ogenblik van de door de controleur dierenwelzijn ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 VII-42.566-14/17 gedane vaststellingen al dan niet kan worden afgeleid dat op die locatie erkenningsplichtige activiteiten plaatsvonden, alsook de vraag of de zorgvuldigheidsplicht wordt geschonden doordat de bestreden beslissing geen rekening houdt met verzoekers telefonische toelichting van de “correcte feiten” desbetreffend, mag te dezen onbeantwoord blijven. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing en uit het aanvankelijk proces-verbaal met nr. G-24-1370/LiD/11-06-2024 blijkt prima facie dat één van de decisieve motieven van de bestreden beslissing erin bestaat dat de katten en kittens niet volgens hun welzijnsbehoeften worden gehouden. Dit motief wordt in de bestreden beslissing concreet onderbouwd aan de hand van feitelijke vaststellingen (zie supra, nr. 14), opgenomen in een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd en waarvan verzoeker niet beweert dat hij het van valsheid heeft beticht. Overeenkomstig artikel 4, §1, van de wet van 14 augustus 1986 moet ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. Verzoekers ter terechtzitting aangevoerde argument dat deze verplichting enkel zou gelden voor erkenningsplichtige inrichtingen, lijkt prima facie juridische grondslag te missen, nu artikel 4, §1, van de wet van 14 augustus 1986 van toepassing is op “ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft”. Overeenkomstig artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 volstaan inbreuken op het voormelde artikel 4, §1, om de bestreden beslissing te verantwoorden. De kritiek van verzoeker op andere motieven van de bestreden beslissing lijkt niet van aard om deze conclusie te kunnen ontkrachten. In de huidige stand van het geding wordt vastgesteld dat het motief dat de katten en kittens niet volgens hun welzijnsbehoeften worden gehouden prima facie volstaat om de bestreden beslissing te verantwoorden. Verzoeker maakt bovendien niet aannemelijk dat de concrete vaststellingen die aan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 VII-42.566-15/17 dit motief ten grondslag liggen op onzorgvuldige wijze zouden tot stand gekomen zijn, nu zijn kritiek zich in hoofdzaak richt tot de door hem betwiste vaststellingen dat er op het adres te Groot-Bijgaarden een vergunningsplichtige activiteit zou plaatsvinden.
  37. Verzoekers argument dat de vaststelling dat de dieren niet volgens hun welzijnsbehoeften worden gehouden, wordt tegengesproken door het niet in beslag nemen van de andere katten die tot de privé-eigendom van verzoekers moeder behoren, doet prima facie niet anders oordelen. Verzoeker gaat met deze kritiek immers voorbij aan de vaststellingen gedaan in het aanvankelijk proces-verbaal met nr. G-24-1370/LiD/11-06-2024 dat de dieren die verzoekers moeder toebehoren en de dieren die in beslag werden genomen zich in verschillende ruimtes bevonden – de dieren die verzoekers moeder toebehoren in de woning, de in beslag genomen dieren in een afgesloten kelder - en de dieren ook in verschillende omstandigheden leefden. Verzoeker toont niet aan dat de vaststellingen in verband met de inbeslaggenomen dieren niet correct zijn. Deze verschillen in leefruimte en in leefomstandigheden lijken prima facie te verantwoorden waarom de dieren eigendom van verzoeker wel in beslag werden genomen en de dieren eigendom van verzoekers moeder niet.
  38. Het tweede middel is niet ernstig. C. Conclusie
  39. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VII-42.566-16/17 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht juli tweeduizend vierentwintig door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Ann Coolsaet VII-42.566-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.409 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.